Jeroen Vervloessem is 46 jaar en werkt al 20 jaar voor de Vlaamse overheid, waarvan een 5-tal jaar in Leuven en daarna in Brussel. Eerst bij Binnenlands Bestuur, dan bij Audit Vlaanderen en nu officieel bij Ago, maar hij is al geruime tijd gedetacheerd naar het (vice)kabinet. Daar volgt hij alles op dat onder de koepel Kanselarij en Bestuur en Binnenlands Bestuur valt.

Maar vandaag interviewen we Jeroen met een heel andere reden. We willen meer weten over zijn hobby: bijen!

Jeroen aan het woord

Waarom ben je imker geworden?

Ik ben er nu al een 5-tal jaar mee bezig en het is me zeker en vast niet met de paplepel ingegeven. Wij wonen in de stad en hebben een stadstuintje. Op een gegeven moment zijn we begonnen met moestuinieren om aan onze kinderen te tonen dat groenten niet zomaar uit de winkel komen.

We hadden enkele mooie courgetteplanten die mooie bloemen gaven, maar er kwam alleen geen vruchtzetting aan waardoor we uiteindelijk zelf met een penseeltje aan het bestuiven waren. Op een gegeven moment was ik het zo beu dat ik een doosje hommels gekocht heb om op de tuinmuur te plaatsen om zo meer bestuivers in de tuin te hebben. Ik weet niet of ze effectief naar onze courgettes gegaan zijn, maar zo waren er toch meer bestuivers in de omgeving. Wanneer ik de hommels in en uit zag vliegen gaf me dat een zen-moment. Ik ben dan veel beginnen lezen en ben op zoek gegaan naar een cursus. Na de cursus ben ik gestart met mijn eerste bijenkast.

Hoe kwam je op het idee om bijenkasten op het dak van het VAC Leuven te plaatsen?

Vorig jaar las ik op Vlaanderen intern een berichtje van Het Facilitair Bedrijf over workshops bijen- en insectenhotels maken. Bij die uitleg stond ook: ‘Indien je thuis geen plaats hebt dan zoeken we ergens een plek op één of ander domein van de Vlaamse overheid.’ Ik vond dat een tof initiatief en had dan ook geïnformeerd bij Het Facilitair Bedrijf hoe ze tegenover bijenkasten stonden op één van de terreinen van de Vlaamse overheid. Het antwoord was positief en sindsdien staan mijn kasten hier op het dak.

Het dak is voor mij een logische keuze, want ik woon in Leuven stad en thuis staan de bijenkasten ook op het dak.

Hoeveel bijen zitten er zo ongeveer in 1 kast?

Het aantal bijen in een kast is een dynamisch gegeven afhankelijk van het seizoen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld hommels waar alleen de koninginnen voor het volgende jaar overwinteren, overwinteren de honingbijen als een volk. In de winter leven de bijen veel langer maar komen er weinig bij, het volk wordt dan heel klein. In de vroege lente start dan terug de aangroei en in het hoogseizoen (mei-juni) legt de koningin 1500 à 2000 eitjes per dag. Dan kunnen er makkelijk 40000 bijen in één kast zitten.

Hoe start je eigenlijk met je eerste bijenkast?

Ik heb mijn eerste bijenvolk aangekocht bij een andere imker. Een andere manier is om een zwerm te vangen. Maar dat is niet zo evident, als er een zwerm is, moeten mensen die al opmerken, weten naar wie ze kunnen bellen en dan dien je nog snel ter plaatse te zijn. Ik heb het ondertussen wel al vaak gedaan, maar dat was niet mijn start.

Je moet een bijenvolk als 1 organisme zien. In de lente groeien de bijenvolken gigantisch. Dan ontstaat er ook zwermstemming. Dat is eigenlijk de natuurlijke voortplanting van zo’n bijenvolk. De bijen selecteren een larfje die ze voeden zodat ze de nieuwe koningin kan worden. Vooraleer zij geboren wordt, vertrekt de oude koningin met de helft van de bijen. In het nest blijft dan de helft van de bijen achter en wordt de nieuwe koningin geboren.

Het is wel belangrijk dat zo’n zwerm geschept kan worden door een imker. Door een gebrek aan natuurlijke nestplaatsen in ons verstedelijkt Vlaanderen en de “verdwijnziekte”, is de overlevingskans anders heel erg klein.

Als imker kan je proberen om die zwermneiging voor te zijn door het volk te splitsen en ruimte te geven in de bijenkast. Zo creëer je een nieuw volkje, in het jargon noemen ze dat een “aflegger”. Ook mijn eerste volk dat ik bij een andere imker kocht, was zo’n aflegger.

Zo’n nieuw volkje is vanzelfsprekend niet meteen even groot en sterk als het oorspronkelijk volk. Het moet eerst kunnen overwinteren en dan sterk de winter uitkomen. In de volgende lente en zomer, groeit het aan en als het dan sterk genoeg is kan je hopen dat je honing kan oogsten. Als imker ben je dus niet enkel bezig met de verzorging van de bestaande bijenvolken, maar ook met die van volgend jaar.

Wat doe je met de honing?

Honing is in de eerste plaats het voedsel en de brandstof voor de bijen. In de periodes dat er veel bloeit, is er een overvloed aan nectar. De honingbijen blijven dan verzamelen, meer dan ze zelf nodig hebben. Ik voorzie dan extra bakken bovenop het broednest van het volk, waar wel de bijen maar niet de koningin in kan. Daar stockeren ze dan enkel honing die later geoogst kan worden. De honing in en rond het broednest blijft voor de bijen en zelf oogst ik de laatste keer halverwege juli. Alles wat ze daarna verzamelen hebben ze nodig om te overleven in de winter. De honing die geoogst werd, verkopen we om terug te investeren in de bijtjes.


Bedankt voor het leuke interview Jeroen.
We wensen je nog veel succes met je bijen!

Meer weten over bijen? Volg de infosessie

Wil jij meer te weten komen over bijen? Op 20 september organiseren we in het VAC Leuven een gratis infosessie waar Jeroen Vervloessem je meeneemt in de wondere wereld van de bijen.

Schrijf je nu in. ((opent in nieuw venster))

Jeroen in actie