Wat houdt het cohorte-onderzoek in?

© www.milo-profi.be

Het nieuwe cohorte-onderzoek beschrijft de kans dat iemand na een bepaald aantal jaren nog steeds in de stad woont. Deze analyse geeft een aanvullend inzicht op de cijfers van individuele migratiebewegingen. Dit cohorte perspectief bevat de nuance die nodig is om op een correcte manier over de aantrekkelijkheid van de centrumsteden te kunnen spreken. Met een cohorte-onderzoek volgen we een groep mensen gedurende een langere periode. Een (vergelijkbare) groep die we gedurende een bepaalde periode volgen, noemen we een cohorte.

Wat zeggen de resultaten?

© Karl Bruninx

De resultaten van dit nieuwe cohorte-onderzoek betreffen de periode 2010-2021 en tonen dat er in de dertien centrumsteden heel wat mensen blijven wonen. Dit sluit aan bij de bevindingen van eerder cohorte-onderzoek uit 2013 voor de periode 2000-2012.

Er zijn wel aanzienlijke verschillen in de algemene blijfkansen naargelang de centrumstad. In Genk bijvoorbeeld evolueert deze algemene blijfkans van 96,7 % na 1 jaar naar 80,7 % na 11 jaar, in Leuven van 92,7% na 1 jaar tot 61,0% na 11 jaar.

Daarnaast verschilt de blijfkans sterk naar leeftijd. De kloof tussen leeftijdscategorieën is ook meer uitgesproken in de ene stad dan in de andere. Zo beweegt de blijfkans na 11 jaar in Genk zich op een vork van 91,0% voor de 55-64-jarigen en 60,7% voor de 20-29-jarigen. In Leuven is die vork veel groter, 83,1% versus 28,4%.

Andere steden positioneren zich tussen deze twee uitersten. Ongeacht de grootte van de spreiding tussen de leeftijdscategorieën zijn er een aantal algemene vaststellingen naar leeftijd:

  • De blijfkansen van de “personen op jonge gezinnen-leeftijd” scoren rond het algemene gemiddelde: tussen 83,2% en 60,2% na 11 jaar, afhankelijk van de specifieke stad;

  • De 20-29-jarigen hebben de laagste blijfkansen in alle steden: tussen 60,7% en 28,4% na 11 jaar, afhankelijk van de specifieke stad;

  • De blijfkansen van de oudere leeftijdscategorieën zijn het hoogst: tussen 91,7% en 81,0% voor de 55-65-jarigen en tussen 99,5% en 77,7% voor de 65-84-jarigen, afhankelijk van de specifieke stad.

In de resultaten is verder onderscheid gemaakt tussen de blijfkansen van inwoners en inwijkelingen (dit zijn personen die sinds 1 januari van het vorige jaar in de stad zijn toegekomen). De blijfkansen van inwoners liggen hoger dan die van inwijkelingen, maar in absolute aantallen gaat het vaak ook om grote groepen blijvers. Daarom is het interessant om naast percentages ook steeds oog te hebben voor absolute aantallen. Die in beeld brengen laat toe om procentuele verschillen tussen steden wat te relativeren. Zo zijn bijvoorbeeld in Leuven de relatieve blijfkansen het laagst, maar gaat het in absolute aantallen wel om een aanzienlijk aantal blijvers, dat zelfs een groter aandeel in de bevolking vertegenwoordigt dan in andere steden waar de procentuele blijfkansen hoger liggen maar het om kleinere absolute aantallen gaat. Als gekeken wordt naar de inwijkelingen van 2016, is de kans dat ze in 2021 nog in Leuven woonden 36,5%. Dit is aanzienlijk minder dan bijvoorbeeld in Roeselare waar dit 60,7% is. Maar het gaat in Leuven wel om 3.251 blijvers die 3,2% van de totale bevolking uitmaken, wat het hoogste percentage is van alle centrumsteden. In Roeselare gaat dit om 1.572 blijvers en 2,5% van de totale bevolking.

Het cohorte-onderzoek brengt naast de blijfkansen van inwoners en inwijkelingen ook de evolutie van blijfkansen in beeld. Daarvoor kijken we naar de evolutie van de blijfkansen na vijf jaar. Het beginjaar wordt daarbij telkens opgeschoven (hoeveel % van de inwoners in 2010 is er nog in 2015, hoeveel % van de inwoners in 2011 is er nog in 2016…). Hier zien we dat deze blijfkansen voor de inwoners stabiel zijn over de tijd, al lijken ze voor de meeste steden wel een lichte daling te vertonen. In Antwerpen bijvoorbeeld van 83,9% voor de inwoners van 2010 naar 82,1% voor de inwoners van 2016. De blijfkansen van de inwijkelingen zijn aan wat meer fluctuaties onderhevig en liggen wat lager dan deze van de inwoners.

Tot slot besteedt het cohorte-onderzoek aandacht aan verschillen in blijfkansen na vijf jaar naargelang herkomst: Belgen, EU-herkomst en niet-EU-herkomst. De hoogste blijfkansen zijn er in bijna alle centrumsteden voor inwoners van Belgische herkomst, de laagste voor inwoners van EU-herkomst. In de grootstad Antwerpen en in de steden Sint-Niklaas en Genk is de situatie anders: daar hebben inwoners van niet-EU herkomst de hoogste blijfkansen. Maar over het algemeen genomen zijn de meeste blijfkansen vrij stabiel in de beschouwde periode.

Het beeld van de blijfkans van “personen op jonge gezinnen-leeftijd” verdient een nuancering. De blijfkans van “personen op jonge gezinnen-leeftijd” van Belgische herkomst ligt lager dan de algemene blijfkans, terwijl de blijfkans van “personen op jonge gezinnen-leeftijd” van niet-Belgische herkomst gelijkaardig is aan de algemene blijfkans. Cijfers tonen echter aan dat in sommige centrumsteden (Leuven, Aalst, Hasselt, Gent) een lichte stijging van de blijfkansen van “personen op jonge gezinnen-leeftijd” van Belgische herkomst waar te nemen is.

Samengevat kan men stellen dat de resultaten van het nieuwe cohorte-onderzoek tonen dat er in de dertien centrumsteden heel wat mensen blijven wonen, ook “personen op jonge gezinnen-leeftijd”.