maat: maats / maten

Het zelfstandig naamwoord maat heeft in de betekenis ‘kameraad, makker’ twee correcte meervouden, maten en maats.

  • Kobe gaat graag vissen met zijn maten.
  • Kevin zal zijn maats nooit in de steek laten.

Hebt u een taalvraag?

Nieuwsbrief krijgen?

  • vraag & woord van de week
  • wekelijks in uw mailbox
  • meer dan 13.000 abonnees

Spellingtests

  • ontdek hoe goed u spelt
  • geen exotische kwesties
  • meteen feedback

Volg ons