Als in het onderwerp van een zin een tweetal, een drietal enzovoort gevolgd wordt door een meervoudig zelfstandig naamwoord, kan de persoonsvorm bijna altijd zowel in het enkelvoud als in het meervoud staan.

  • Een tweetal kinderen is / zijn ziek geworden tijdens de schoolreis.
  • Een tweetal kinderen heeft / hebben diarree gekregen tijdens de schoolreis.

Als een tweetal, een drietal enzovoort gevolgd wordt door een van-bepaling met een meervoudig zelfstandig naamwoord, kan het ook met zowel een enkelvoudige als een meervoudige persoonsvorm gecombineerd worden.

  • Een tweetal van de kinderen is / zijn ziek geworden tijdens de schoolreis.
  • Een tweetal van de kinderen heeft / hebben diarree gekregen tijdens de schoolreis.

Als er een bijvoeglijk naamwoord tussen een en de combinatie met -tal staat, heeft een enkelvoudige persoonsvorm de voorkeur. De klemtoon ligt dan op de eenheid als groep.

  • Een klein twintigtal kinderen is te laat gearriveerd.

Soms ligt een meervoudige persoonsvorm meer voor de hand. De klemtoon ligt dan op de afzonderlijke elementen van de groep.

  • Een twintigtal deelnemers kwamen een voor een binnengedruppeld.
  • Er klonken een twintigtal schoten vlak na elkaar.

Taaladvies.net
Aantal (een - mensen was / waren) ((opent in nieuw venster))