Om in algemene zin naar een persoon te verwijzen, gebruiken we hij, hem en zijn.

  • Een typisch kenmerk van een vrijwilliger is dat hij zich onbaatzuchtig inzet voor anderen.
  • Een baby weet nog niet welk leven hem te wachten staat.
  • Een minister moet zijn verantwoordelijkheid nemen.

Als u vindt dat een mannelijk voornaamwoord niet sekseneutraal genoeg is, kunt u een combinatie van een mannelijk en een vrouwelijk voornaamwoord gebruiken, met het woordje of ertussen: hij of zij, hem of haar, zijn of haar. Zulke formuleringen hebben wel het nadeel dat ze een tekst erg omslachtig maken.

  • Een typisch kenmerk van een vrijwilliger is dat hij of zij zich onbaatzuchtig inzet voor anderen.
  • Een baby weet nog niet welk leven hem of haar te wachten staat.
  • Een minister moet zijn of haar verantwoordelijkheid nemen.

Dikwijls kunt u het verwijsprobleem omzeilen met een alternatieve formulering. U kunt bijvoorbeeld een meervoud gebruiken.

  • Een typisch kenmerk van vrijwilligers is dat ze zich onbaatzuchtig inzetten voor anderen.

Als u naar de lezer van uw tekst verwijst, kunt u hem ook rechtstreeks met u of je aanspreken.

  • Als vrijwilliger zet u zich onbaatzuchtig in voor anderen.