Vervoeging van het werkwoord suizen:

  • ik suis, jij suist, hij suist, wij suizen
  • ik suisde, wij suisden
  • ik heb gesuisd

De verleden tijd van suizen wordt gevormd met -de(n) omdat de stam [suiz] niet eindigt op een van de stemloze medeklinkers van 't kofschip ([t], [k], [f], [s], [ch] en [p]) of de stemloze medeklinker [sj], zoals in lunchen. Het voltooid deelwoord van suizen eindigt daarom ook op een -d.