Hoe worden de CPE’s bepaald?

  • Een laadpaal met een beperkt vermogen (3-11 kW) komt overeen met 1 CPE. Bij een laadpaal met een hoger vermogen (22kW) zijn dat 2 CPE, bij een AC-snellaadpunt (43 kW) zijn dat 4 CPE, bij een DC-snellaadpunt (50 kW tot minder dan 150 kW) zijn dat 5 CPE en bij een ultrasnellaadpunt (150 kW en meer) zijn dat 10 CPE. Een laadpaal van 300 kW telt voor 20 CPE.
  • Indien er bij snelladers meerdere laadpunten aan één laadpaal zijn, telt het aantal CPE per punt, maar enkel voor die punten waaraan gelijktijdig kan worden geladen en waar daar ook parkeerruimte voor voorzien is. Daarbij wordt ook het piekvermogen van de laadpaal in overweging genomen (bv. een ultrasnellader van 300 kW met twee laadpunten van 150 kW telt voor 20 CPE)

Deze berekening geldt voor publieke laadpunten voor personenwagens en bestelwagens die 24/7 toegankelijk zijn (zie art 4 punt 1 tot 3). Semi-publieke laadpunten voor personenwagens en bestelwagens, die minstens 10 uren per etmaal (dus ook in het weekend) voor iedereen toegankelijk zijn, tellen voor de helft. Laadpunten die minder dan tien uren per etmaal toegankelijk zijn, komen niet in aanmerking voor projectsteun.

Indien het gaat om laadinfrastructuur voor emissievrije stedelijke logistiek of laadinfrastructuur voor vrachtwagens geldt er geen onderscheid op basis van publieke beschikbaarheid. De CPE worden daarbij enkel op basis van vermogen bepaald.

Bij projecten voor (semi-) publieke laadinfrastructuur voor vrachtwagens, die voorzien in een reservatiesysteem in combinatie met een installatie die op fysieke wijze de aan de laadinfrastructuur bijhorende parkeerplaats vrijhoudt, wordt de maximale steun opgetrokken naar 1.100 euro per CPE. De maximale subsidie per project blijft 300.000 euro.

Wat komt in aanmerking?

Alleen de investeringskosten voor de plaatsing en slimme aansluiting van laadinfrastructuur komen in aanmerking voor projectsteun. We hebben het dan over de laadinfrastructuur zelf, de bekabeling, een eventuele verzwaring en de nodige aanpassing van de elektriciteitsinstallatie en de plaatsingskosten.

Voor projecten rond laadinfrastructuur voor vrachtwagens komen eveneens het reservatiesysteem en de bijhorende fysieke barrières om parkeerplaatsen te reserveren in aanmerking.

Wat komt niet in aanmerking?

Overhead-, exploitatie- en operationele kosten komen NIET in aanmerking. Verder zijn ook de kosten voor alle grondwerken, die niet rechtstreeks nodig zijn voor het plaatsen van de laadpaal, uitgesloten. De kosten voor het aanbrengen van signalisatie en voor de (her)aanleg van parkeerplaatsen zijn eveneens uitgesloten. Ook de kosten voor de aanleg van pv-installaties komen niet in aanmerking.