Gedaan met laden. U bevindt zich op: Niet-registratie van schenking door ontbreken vermelding fiscale woonplaats waardoor geen schenkbelasting maar erfbelasting verschuldigd is Vlaamse Belastingdienst

Niet-registratie van schenking door ontbreken vermelding fiscale woonplaats waardoor geen schenkbelasting maar erfbelasting verschuldigd is

Rechtspraak
Nummer

23/2040/A

Datum beslissing

28 januari 2026

Publicatiedatum

25 maart 2026

Rechtbank

Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent

Status

Definitief

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 3.12.3.0.3 VCF

Samenvatting

De belastingplichtige is de zus van wijlen de heer JS die overleed op 25 juli 2023.

Voor zijn overlijden had de heer JS aan belastingplichtige een onderhandse roerende schenking via overschrijving gedaan (bankgift) ten belope van 190.000 EUR. De bankgift werd bevestigd in wederzijdse aangetekende brieven dd. resp. 23 en 25 maart 2023.

Op donderdagavond 20 juli 2023 omstreeks 19u32 bood belastingplichtige de documenten inzake de bankgift op elektronische wijze een eerste maal aan ter registratie via de webservice van de FOD Financiën (‘MyMinfin’).

Aangezien de documenten werden aangeboden buiten de kantooruren en nadien ingevolge de nationale feestdag een verlengd weekend plaatshad, ontving het kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie - Rechtszekerheid (hierna het ‘kantoor Rechtszekerheid’) (eerste verweerder in de rechtszaak) het dossier pas op (maandag) 24 juli 2023.

Daags nadien, op 25 juli 2023, verzond het kantoor Rechtszekerheid aan belastingplichtige een ‘weigeringsbericht’ waarin gemeld werd dat de bankgift niet geregistreerd kon worden omdat het document geen vermeldingen bevatte betreffende de woonplaats:

“U heeft bijgevoegde onderhandse akte roerende schenking ter registratie aangeboden op 24/07/2023.

Deze akte kan evenwel niet geregistreerd worden om de volgende reden(en):

Om de onderhandse akte van een roerende schenking te kunnen laten registreren moet dat document zeker de volgende vermeldingen bevatten:

  • de woonplaats:
    • de verschillende fiscale woonplaatsen die de schenker gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de schenking
    • de verschillende fiscale woonplaatsen die de begiftigde gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de schenking.

Het staat u vrij de akte opnieuw gecorrigeerd aan te bieden (niet verplicht registreerbare akte)”

Nog op 25 juli 2023 overleed de heer JS, de schenker.

Intussen bood belastingplichtige op zaterdag 22 juli 2023 de documenten inzake de bankgift een tweede maal ter registratie aan, deze keer per aangetekende zending.

Daarop werd op 31 juli 2023 eveneens medegedeeld dat de registratie geweigerd werd om dezelfde reden als eerder medegedeeld, met name het ontbreken van de vermelding van de fiscale woonplaats in het schenkingsdocument (het kantoor Rechtszekerheid was nog niet op de hoogte van het overlijden van de schenker).

Op 28 juli 2023 bood belastingplichtige de documenten inzake de bankgift een derde maal aan ter registratie via het webportaal MyMinfin.

Opnieuw besloot het kantoor Rechtszekerheid tot de weigering van de registratie, deze keer wegens het overlijden van de schenker, zoals op 1 augustus 2023 aan belastingplichtige werd medegedeeld.

Omdat belastingplichtige zich daarmee niet kon verzoenen, liet zij op 17 augustus 2023 overgaan tot dagvaarding van de Belgische Staat (eerste verweerder) en het Vlaams Gewest (tweede verweerder), zodat het geschil aanhangig werd gemaakt bij deze rechtbank en huidige procedure opgestart werd.

De kern van het geschil is dat de belastingplichtige meent dat de Belgische Staat een fout heeft begaan in de zin van artikel 1382 OBW door de registratie van de schenking te weigeren. Doordat de schenking nu niet geregistreerd werd en de schenkbelasting van 7% daardoor niet verschuldigd werd, maar de schenking plaatsvond binnen de drie jaar voor het overlijden van de schenker, moet de schenking gevoegd worden bij de nalatenschap van de overledene en wordt de erfbelasting erop verschuldigd. Op de schenking van 190.000 EUR bedraagt deze 90.000 EUR. Had de FOD Financiën de schenking geregistreerd, dan werd een schenkbelasting van 7%, hetzij 13.300 EUR verschuldigd. Bijgevolg meent belastingplichtige dat zij een schade lijdt van 76.700 EUR.

In haar vonnis stelt de rechtbank dat de schenkbelasting een formaliteitsbelasting is, waarvan de heffing geschiedt door middel van de techniek van de registratieformaliteit.

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 W.Reg. wordt schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder levenden (artikel 2.8.1.0.1 VCF).

Uit artikel 2.8.1.0.1 VCF vloeit voort dat de registratie (of de verplichting tot registratie) van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden, leidt tot de heffing van het registratierecht. Het referentieogenblik waarop de schenkbelasting verschuldigd is aan de Schatkist, is de registratie (of de verplichting daartoe) van een notariële akte. Het ogenblik waarop de belasting die uit de registratie voortvloeit, ingekohierd of betaald wordt, is niet relevant. Het vereiste van artikel 2.7.1.0.5 VCF dat de schenking niet onderworpen mag geweest zijn aan het registratierecht vastgesteld voor de schenkingen, houdt dus niet noodzakelijk in dat het registratierecht bij het overlijden reeds betaald of ingekohierd zou zijn. Vereist is dat het registratierecht aan de Staat verschuldigd is bij het overlijden. (vgl. Hof Gent 7 oktober 2025, 2024/AR/569, niet gepubliceerd). Dit is mutatis mutandis van toepassing voor geschriften die tot bewijs strekken van een schenking.

Bovendien is de schenkbelasting een gewestelijke belasting.

Om te bepalen of/welke schenkbelasting verschuldigd is op het ogenblik van de registratie, dient rekening te worden gehouden met het lokalisatiecriterium zoals opgenomen in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (hierna ‘de bijzondere wet’).

Overeenkomstig artikel 5, §2, 8°, eerste streepje van de bijzondere wet wordt het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner geacht te zijn gelokaliseerd: “op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan een plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was.”

Afhankelijk van de fiscale woonplaats van de schenker, zijn derhalve de bepalingen inzake hetzij de Vlaamse, hetzij de Waalse of hetzij de Brusselse schenkbelasting van toepassing.

Onder Vlaamse ‘schenkbelasting’ wordt verstaan: de belasting die onder de benaming “registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen” geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 8 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna afgekort ‘VCF’) (artikel 1.1.0.0.2, 19° VCF).

In het licht van het voorgaande is het essentieel dat op het tijdstip van de registratie, een verklaring wordt voorgelegd inzake de fiscale woonplaats van de schenker. Indien deze verklaring ontbreekt op het tijdstip van registratie, kan niet bepaald worden aan welk gewest het heffen van het registratierecht toekomt en welke gewestelijke regelgeving aldus moet worden toegepast. De vereiste verklaring inzake de fiscale woonplaats van de schenker is met andere woorden een noodzakelijk gegeven voor het verschuldigd zijn van de schenkbelasting.

De fiscale woonplaats kan niet worden nagegaan door een loutere consultatie van het rijksregister. De fiscale woonplaats stemt immers niet noodzakelijk overeen met de wettelijke woonplaats (domicilie) van de schenker. Onder ‘fiscale woonplaats’ moet worden verstaan de plaats waar de schenker zijn werkelijke, effectieve, voortdurende woonplaats had gevestigd, de plaats waar hij zijn domus, zijn familie, het centrum van zijn bedrijvigheid, de zetel van zijn zaken en van zijn bezigheden had (MvT Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek der successierechten en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten ingevolge de nieuwe lokalisatiecriteria voor de gewestelijke belastingen zoals bepaald bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten, Parl.St. Kamer 2001-2002, DOC 50 1577/001, 5-7). Vandaar de noodzaak tot vermelding van de fiscale woonplaats in of onderaan de ter registratie aangeboden akte of geschrift.

De federale wetgever heeft aan voormelde bepaling uitvoering gegeven door notarissen te verplichten om in de door hen verleden schenkingsakten een verklaring van fiscale woonplaats vanwege de schenker op te nemen (artikel 170bis W.Reg.) Nadien heeft de Vlaamse decreetgever dit overgenomen in artikel 3.12.3.0.3 VCF. Deze bepaling luidt als volgt: “In geval van een schenking moet de notaris in de akte een verklaring van de schenker opnemen die de vermelding inhoudt van het adres en de datum en de duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de schenker gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de schenking.” Dat deze verplichting enkel uitdrukkelijk voor notariële schenkingsakten wordt opgelegd, is logisch vermits het begrip ‘schenking’ in het W.Reg. niet gedefinieerd wordt en dus moet teruggevallen worden op de burgerrechtelijke definitie. Artikel 4.158 BW bepaalt immers dat iedere schenking, op straffe van nietigheid, voor een notaris moet worden verleden. De bankgift wordt door rechtsleer en rechtspraak echter gekwalificeerd als een onrechtstreekse schenking waarvoor de verplichting dat zij bij notariële akte moet worden verleden, niet geldt. Niettemin moeten schenkingsdocumenten tot bewijs van een onderhandse, informele schenking, evengoed aan de wettelijke voorwaarden voor registratie voldoen.

Artikel 168, eerste lid W.Reg. bepaalt dat, wanneer de sommen en waarden of andere ter vereffening van de belasting noodzakelijke gegevens niet voldoende uitgedrukt zijn in een ter formaliteit aangeboden akte, de partijen of de werkende openbare officier, in hun naam, ertoe gehouden zijn daarin, vóór de registratie, te voorzien door een aanvullende verklaring, gewaarmerkt en ondertekend onderaan de akte. De opheffing van artikel 168 W.Reg. (Vlaams) kadert slechts binnen de bevoegdheden van het Vlaams Gewest (heffing van de schenkbelasting) en heeft uiteraard geen impact op het artikel 168 W.Reg. (federaal) dat onverminderd geldt op het vlak van de registratieformaliteit. In dat kader verwijst eerste verweerder met reden naar de overgangsbepaling in artikel 5.0.0.0.1 VCF. Dit artikel bepaalt (met eigen onderlijning door de rechtbank): “De volgende bepalingen worden opgeheven: (...) het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals van toepassing voor wat betreft het Vlaamse Gewest voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 6°, 7° en 8° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, (...)”. Het is derhalve zeer terecht dat eerste verweerder opmerkt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de regionale bevoegdheden inzake belasting en de federale bevoegdheid inzake de registratie van akten.

Tegen die achtergrond is het ‘weigeringsbericht’ dd. 25 juli 2023 van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie Administratie Rechtszekerheid volkomen gelegitimeerd. Het (federale) kantoor Rechtszekerheid heeft op grond van artikel 168, eerste lid W.Reg. het recht om de registratie van een aangeboden onderhandse akte roerende schenking te weigeren indien deze geen vermeldingen bevat inzake de fiscale woonplaats van de schenker. Deze gegevens zijn immers noodzakelijk ter vereffening van de belasting. Bovendien werd belastingplichtige de mogelijkheid geboden om een en ander recht te zetten vóór de registratie: het ‘weigeringsbericht’ vermeldde uitdrukkelijk dat het belastingplichtige vrij stond de akte opnieuw gecorrigeerd aan te bieden.

Omwille van deze redenen dient volgens de rechtbank besloten te worden dat de weigering tot registratie in hoofde van eerste verweerder (de Belgische Staat) geen fout uitmaakt in oorzakelijk verband met de beweerde schade. Uit het voorgaande volgt dat evenmin kan worden ingegaan op de overige punten van de vordering van belastingplichtige. Tot op vandaag ontbreekt een gecorrigeerde akte met de noodzakelijke vermelding inzake de lokalisering. De vordering van belastingplichtige is ongegrond.