Tarief rechte lijn - zorgrelatie stiefgrootmoeder - stiefkleindochter - bewijsrecht - rechtbank acht zorgrelatie bewezen
- Nummer
23/2238/A
- Datum beslissing
3 september 2025
- Publicatiedatum
20 oktober 2025
- Rechtbank
Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent
- Status
Definitief
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 1.1.0.0.2, 6e lid, 5° VCF
Samenvatting
Het geschil betreft een aanslag in de erfbelasting inzake de nalatenschap van mevrouw LC (hierna 'de erflaatster'), overleden op 17 mei 2022. De aanslag werd op 12 december 2022 gevestigd op naam van de belastingplichtige (CH) voor een verschuldigd bedrag van 112.401,11 EUR.
Belastingplichtige is erfgename voor 1/4 van de nalatenschap in volle eigendom, dit op grond van het testament van de erflaatster opgemaakt op 1 februari 2017.
De erflaatster was gehuwd met wijlen de heer MH die overleed op 30 mei 2009. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. Wijlen de heer MH had een zoon uit een vorige relatie, de heer DH. De heer DH heeft twee kinderen: CH (eiseres in dit geding) en FH.
Op 9 en 10 september 2022 dienden DH, CH en FH een gezamenlijke aangifte van nalatenschap in.
De aanslagen in de erfbelasting werden dienovereenkomstig gevestigd, waarbij de verschuldigde erfbelasting in hoofde van de belastingplichtige (en haar broer) berekend werd met toepassing van het tarief tussen vreemden (tabel II van artikel 2.7.4.1.1, §1 VCF, met tariefschijven van 25%, 45% en 55%).
Op 5 januari 2023 diende belastingplichtige tegen de voornoemde aanslag een bezwaar in. Belastingplichtige meende dat ten onrechte toepassing was gemaakt van het tarief tussen vreemden en ze meende dat ze als "zorgkind" recht had op het tarief in rechte lijn. Als bewijs voegde ze een uittreksel uit het rijksregister bij waaruit bleek dat ze onder meer tussen 7 oktober 1980 en 5 februari 1984 bij de erflaatster was gedomicilieerd. Belastingplichtige had toen de leeftijd van 10 tot 14 jaar. B-Zij vroeg om daarmee rekening te houden en een aanpassing te bezorgen van het betreffende aanslagbiljet.
Vlabel antwoordde dat de zogenaamde zorgrelatie niet weerhouden kon worden tenzij er bijkomende stukken werden overgemaakt. Er was vastgesteld dat belastingplichtige samen met haar vader DH ingeschreven was op het adres van de grootouders, en op basis daarvan nam Vlabel aan dat de vader van belastingplichtige instond voor haar opvoeding en onderhoud, weliswaar op het adres van zijn ouders. Behoudens het bewijs dat haar vader in deze onmogelijkheid verkeerde, kon het tarief rechte lijn bijgevolg niet toegepast worden, aldus Vlabel.
Belastingplichtige reageerde per e-mail dd. 23 mei 2023.
Bij beslissing dd. 13 juni 2023 wees Vlabel het bezwaar af als ongegrond. Een loutere verklaring was volgens Vlabel onvoldoende en er waren geen andere bewijsstukken waaruit de "zorgrelatie" tussen belastingplichtige en haar (stief)grootmoeder bleek, aldus de beslissing.
Omdat de beslissing al genomen was, werd geen rekening gehouden met de bijkomende bewijsstukken die belastingplichtige nog had overgemaakt diezelfde dag.
Nadien onderzocht Vlabel de bijkomende stukken alsnog, maar zelfs rekening houdende daarmee, bleef Vlabel bij het besluit dat er onvoldoende bewijs was, vnl. wat betreft de tweede voorwaarde (met name het financieel aspect). De beslissing werd niet herzien en werd bevestigd, wat aan belastingplichtige werd meegedeeld per brief van 19 juni 2023.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 12 september 2023 maakte belastingplichtige de zaak aanhangig bij de rechtbank.
Het tarief van de verkrijging in rechte lijn zoals voorzien in artikel 2.7.4.1.1, §1, tabel I VCF, is, sedert het Vlaams decreet van 20 december 2002, ook van toepassing voor personen die zich in een 'zorgrelatie' bevinden/bevonden hebben. Een verkrijging tussen personen tussen wie een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat, of heeft bestaan, wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn, indien aan drie voorwaarden voldaan is (zie artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, c) VCF):
- het zorgkind moet vóór de leeftijd van 21 jaar bij de zorgouder-erflater hebben ingewoond;
- gedurende een periode van drie achtereenvolgende jaren;
- tijdens die periode van inwoning hoofdzakelijk van de zorgouder-erflater, eventueel met diens levenspartner tezamen, de hulp en verzorging hebben gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen.
Deze voorwaarden worden in de memorie van toelichting bij voornoemd decreet (MvT - stuk 1438 (2002-2003) - nr. 1, p. 24) als volgt toegelicht:
"Het feit van de inwoning gedurende de periode van drie jaar kan bewezen worden door middel van een uittreksel uit het bevolkingsregister. Wordt de inwoning aldus bewezen dan geldt dat als een weerlegbaar vermoeden : met andere woorden de belastingadministratie zal het tegenbewijs moeten leveren. Het vereiste bewijs kan ook op een andere wijze worden aangebracht (gemeenrechtelijke bewijsmiddelen met uitzondering van de eed). Deze mogelijkheid moet opengehouden worden onder meer voor het geval wanneer de zorgrelatie in het buitenland heeft bestaan.
Het feit dat het zorgkind van de zorgouder-erflater, eventueel samen met de levenspartner van de zorgouder, hoofdzakelijk de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen, moet door de belanghebbende bewezen worden. Vermits het hier gaat om een feitenkwestie, kan dit door alle middelen van recht, de eed evenwel uitgezonderd. Het verkrijgen door de zorgouder van kinderbijslag voor het zorgkind of het ten lasten zijn in het kader van de ziekteverzekering kunnen tot dit bewijs bijdragen, maar zijn op zichzelf genomen niet voldoende.
Er wordt niet vereist dat de zorgouder (eventueel samen met zijn levenspartner) uitsluitend heeft ingestaan voor de leniging van de materiele, affectieve en opvoedkundige noden van het zorgkind. (In tegenstelling tot de huidige tekst van artikel 52, tweede lid, 3° van het wetboek van successierechten). Het volstaat dat hij dat "hoofdzakelijk" heeft gedaan. Dit brengt mee dat het voordeel van de gelijkstelling niet verloren gaat wanneer derden (de natuurlijke ouders of de overheid bijvoorbeeld) in beperkte mate zijn tussengekomen in het onderhoud van het zorgkind. In Nederland wordt de term "hoofdzakelijk" gedefinieerd als "voor ten minste zeventig percent" (Zie "De warme, de koude en de dode hand" - Rapport van de werkgroep modernisering successiewetgeving, rapport werkgroep Moltmaker, uitgegeven door het Nederlands Ministerie van Financiën). De Vlaamse Regering herneemt dat percentage niet omdat dit veronderstelt dat een zorgouder zeer nauwkeurig alle rekeningen heeft bijgehouden; het komt er voor de belanghebbende op aan ten opzichte van de administratie aannemelijk te maken dat de zorgouder meer dan enige andere persoon gedurende de periode van drie jaar voor het zorgkind heeft ingestaan op moreel en materieel vlak.
In het ontworpen nieuwe lid van artikel 50 W.Succ. wordt een nieuw begrip geïntroduceerd: de "levenspartner" van de zorgouder. Bedoeld wordt de personen of de achtereenvolgende personen waarmee de zorgouder gedurende de vereiste periode van drie jaar een levensgemeenschap vormde. Het kan dus gaan om de echtgenoot van de zorgouder, de persoon waarmee de zorgouder wettelijk samenwoonde of waarmee hij feitelijk samenwoonde."
Het bewijs van de zorgrelatie bestaat hoofdzakelijk uit twee componenten: de driejarige inwoning en de verkregen hulp en verzorging. Het feit van de inwoning gedurende een periode van drie jaar kan bewezen worden door het overmaken van een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister. Dit is een weerlegbaar vermoeden. Desgevallend kan de fiscale administratie tot tegenbewijs overgaan. Het vereiste bewijs kan ook door andere gemeenrechtelijke bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, worden aangebracht. Deze mogelijkheid kan benut worden indien de zorgrelatie in het buitenland heeft plaatsgevonden. Daarnaast zal het zorgkind ook moeten bewijzen dat het hoofdzakelijk van de zorgouder (eventueel samen met de levenspartner van de zorgouder) de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. Dit bewijs kan door alle middelen van recht, de eed uitgezonderd, worden aangetoond. Zo kan de kinderbijslag voor het zorgkind of het ten laste zijn in het kader van de ziekteverzekering als bewijs dienen. Ook verklaringen van buren en kennissen zullen desgevallend als geldend bewijs kunnen functioneren. (vgl. DECUYPER, J., RUYSSEVELDT, J., Successierechten, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen 2021, p. 924- 925, randnr. 2352.)
De bewijslast rust ter zake op belastingplichtige. De rechtbank oordeelt soeverein over het bewijs van de feiten.
Behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt, moet het bewijs geleverd worden met een redelijke mate van zekerheid (artikel 8.5 B.W.).
Onverminderd de verplichting tot medewerking van alle partijen aan de bewijsvoering, kan hij die de bewijslast draagt van een negatief feit, genoegen nemen met het aantonen van de waarschijnlijkheid van dat feit. Hetzelfde geldt voor positieve feiten waarvan het vanwege de aard zelf van het te bewijzen feit niet mogelijk of niet redelijk is om een zeker bewijs te verlangen (artikel 8.6 B.W.).
In voorliggend geval oordeelt de rechtbank dat belastingplichtige het vereiste bewijs levert. Belastingplichtige maakt terecht aanspraak op het tarief geldend voor personen die zich in een zorgrelatie bevinden of bevonden hebben. De rechtbank komt tot dit besluit op grond van de voorgelegde stukken en het geheel van de hiernavolgende overwegingen samen:
- Over het vervuld zijn van de eerste component ('de driejarige inwoning') is er geen betwisting tussen partijen. Ter zake legt belastingplichtige een attest van de gemeente voor. Daaruit blijkt dat belastingplichtige ingeschreven was op het adres van de erflaatster en diens echtgenoot (zijnde de grootvader van belastingplichtige) van 7 oktober 1980 tot 6 februari 1984 (en ook van 31 augustus 1987 tot 13 september 1989). Vlabel betwist dit niet;
- Ook aangaande de tweede component ('hulp en verzorging') levert belastingplichtige naar het oordeel van de rechtbank afdoende bewijs. Belastingplichtige stelt met reden dat, toen zij destijds inwoonde bij de erflaatster en diens echtgenoot (periode 7 oktober 1980 tot 6 februari 1984) er nog geen sprake was van een wettelijke regeling op basis waarvan een erfrechtelijke verkrijging door belastingplichtige uit de nalatenschap van de erflaatster als een verkrijging in rechte lijn kon worden beschouwd. Noch belastingplichtige, noch de erflaatster, noch iemand anders, konden er destijds (in de periode van 1980-1984) derhalve rekening mee houden dat er voldoende bewijs zou moeten voorgelegd worden om de zorgrelatie aan te tonen. De wettelijke regeling voor zorgkinderen werd in het Vlaamse Gewest ingevoerd ongeveer 20 jaar na de inwoning door de belastingplichtige bij erflaatster. De verschillende verklaringen van familieleden en buren, en foto's tonen, alles samengenomen, afdoende aan dat belastingplichtige in de betrokken periode verzorgd werd door de erflaatster (en diens echtgenoot). Belastingplichtige kan worden bijgetreden dat het niet evident is om documenten te verkrijgen die meer dan 40 jaar oud zijn en bovendien is het niet doorslaggevend wie het kindergeld kreeg of bij wie belastingplichtige ten laste was als kind. Dit zijn elementen die kunnen bijdragen tot het bewijs van zorgouderschap, maar deze zijn op zichzelf niet voldoende. Anders dan Vlabel meent, vormt de omstandigheid dat de vader van belastingplichtige destijds ook inwoonde bij de erflaatster en diens echtgenoot, op zich geen hinderpaal om aan te nemen dat belastingplichtige de vereiste 'hulp en verzorging' hoofdzakelijk kreeg van de erflaatster (en diens echtgenoot). De tussengekomen echtscheiding en de (lange) werkuren van de vader van belastingplichtige doen aannemen dat het voor hem niet mogelijk was om in de betrokken periode hoofdzakelijk in te staan voor de 'hulp en verzorging' van zijn dochter.
Uit het door belastingplichtige voorgelegde bewijs blijkt met een redelijke mate van zekerheid dat zij door de erflaatster (en diens echtgenoot) werd opgevoed en verzorgd als een eigen kind, zodat zij gekwalificeerd kan worden als een zorgkind van de erflaatster in de zin van artikel 1.1.0.2, zesde lid, 5°, c) VCF.
Omwille van deze redenen dient de betwiste aanslag volgens de rechtbank herberekend te worden volgens het tarief van de verkrijging in rechte lijn, en ontheven te worden in de mate dat daarmee geen rekening werd gehouden.