Hoofdletters

Leestekens en speciale tekens

Cijfers en nummers

Datum en uur

U of je?

Gebruik u (of je)

  • de u-vorm is voor externe communicatie naar burgers, bedrijven en organisaties
  • de je-vorm is voor interne communicatie, vacatures, sommige campagnewebsites, sociale media, chat en communicatie naar jongeren. Uitzonderingen:
    • gebruik in chats en gesprekken via sociale media altijd u als de persoon met wie je communiceert dat ook doet
    • gebruik altijd u in vacatures in het topmanagement.

Gebruik niet we of ik

  • Gebruik niet: we, wij, ons, onze. De lezer weet immers niet wie 'we' is.
  • Gebruik de naam van je entiteit niet de hele tijd.
  • Vermijd ook het gebruik van: ik, me, mij en mijn. Alleen in het contenttype vraag mag je de ik-vorm gebruiken. In titels is de ik-vorm niet toegestaan.

Hebben, kunnen en zullen

  • Gebruik de 2de persoon enkelvoud:
    • Je kunt, zult of hebt
    • U kunt, zult of hebt
  • Gebruik niet de 3de persoon enkelvoud:
    • Je kan of zal
    • U kan, zal of heeft

Opsommingen

  • Zet bij opsommingen altijd een dubbelepunt na de inleidende zin.
  • Laat de delen van de opsommingen aansluiten bij de inleidende zin en start die delen met kleine letter. Na het laatste deel zet je een punt.
  • Bestaat de opsomming uit korte delen? Start elk deel met een kleine letter en zet alleen achter het laatste onderdeel een punt

  • Bestaat de opsomming uit hele zinnen? Begin elk deel met een hoofdletter en zet een punt aan het einde.

Nadruk leggen in tekst

Je kunt woorden benadrukken door ze in het vet te zetten. Dit maakt de tekst scanbaar. De gebruiker ziet meteen de kernwoorden van de tekst. Zet niet te veel woorden in het vet (en zeker geen hele zinnen). Anders verlies je het effect en wordt de tekst veel te druk. Gebruik nooit

  • cursief
  • onderlijning
  • accenten
  • woorden in hoofdletters.

Afkortingen

Afkortingen zijn handig voor de schrijver, maar lastig voor de lezer. Je lezer moet die afkortingen telkens weer ontcijferen. De richtlijn: schrijf afkortingen voluit.

Ook namen van entiteiten en organisaties schrijf je het best voluit. Gebruik toch de afkorting als:

  • die algemeen bekend is, zoals bij VDAB, OVAM en VRT.
  • de naam heel lang is en verschillende keren voorkomt in de tekst. De 1ste vermelding schrijf je voluit met de afkorting tussen haakjes. Daarna gebruik je de afkorting. Schrijf je een lange tekst? Dan pas je dat toe onder elke tussentitel.

Wil je weten wat een afkorting betekent of hoe ze gespeld wordt? Dat vind je in de afkortingenlijst van de Vlaamse overheid ((opent in nieuw venster)).

Woorden uit een andere taal

Gebruik zoveel mogelijk Nederlandse woorden, tenzij iedereen het leenwoord gebruikt.

Bekijk de lijst met voorbeelden op de website van Taaladvies ((opent in nieuw venster)).

Leenwoorden kun je wel gebruiken als ze algemeen ingeburgerd zijn. Sommige Nederlandse vertalingen komen gekunsteld over. Schrijf bijvoorbeeld niet webstek maar website.

Specifieke doelgroepen

Gebruik consistent de termen die de dienst Diversiteitsbeleid gebruikt:

  • mensen van buitenlandse herkomst
  • mensen met een handicap of chronische ziekte
  • mensen met beperkte mobiliteit
  • holebi’s en transgenders
  • ...