In de Scheldeschorren ter hoogte van de Hedwige-Prosperpolder (HPP) zijn o.a. poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) aangetroffen. In het kader van de ontpolderingswerken worden (buitendijks) de geulaanzetten uitgegraven en de Scheldeschorren verlaagd. In kader van een bezorgdheid over de verspreiding van mogelijk nog aanwezige verontreinigingen stelt zich de vraag met welke erosie nog rekening gehouden moet worden na verlaging van de Scheldeschorren en uitgraving van de geulaanzetten. Op basis van de hydrodynamische studie van Vanlede et al. (2015) blijkt dat de bodemschuifspanningen op de afgegraven schorren hoge waarden kunnen aannemen, hetgeen potentieel wijst op sterke (initiële) erosie. Om dit nader te onderzoeken wordt het morfologische Demeter HPP-model (Gourgue et al. 2018) gebruikt. Hierbij wordt een simulatie voor een periode van 50 jaar uitgevoerd, waarbij specifiek naar bodemontwikkeling op de Scheldeschorren wordt gekeken. De resultaten uit het morfologische model zijn als volgt. Nabij één rand van het afgegraven schorgebied ontstaat een zone met sterke depositie, terwijl zich direct daarnaast een relatief diepe geul ontwikkelt. De typische bodemveranderingen die hiermee gepaard gaan bedragen gedurende de simulatie ca. één meter. Verder vindt er op de afgegraven schorren aanvankelijk overwegend erosie plaats, deze bedraagt ongeveer 20 cm. Naarmate de tijd vordert vindt ook op meerdere plaatsen depositie plaats met een waarde van enkele decimeters. De bodemevolutie lijkt gaandeweg langzamer te verlopen, hetgeen erop wijst dat zich op langere termijn een evenwicht zal instellen. Vanaf ongeveer 35 jaar na opening van de HPP treedt er in het buitendijkse schorrengebied echter netto depositie op.
Publicatiedatum
Juni 2022
Publicatietype
Rapport
Thema's
Scheepvaart, waterwegen en zeewezen
Auteur(s)
G. Schramkowski, S. Smolders
Reeks
WL rapporten 21_125_1