| Soort | Referentiejaar | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gevlekte witsnuitlibel | 2016 | - | ? | -- | -- | ?- | -- | - | -- | ? |
| Kempense heidelibel | 2016 | ?- | -- | -- | -- | -- | -- | -- | -- | -- |
| Maanwaterjuffer | 2016 | ?+ | ? | - | - | -- | - | - | ?- | - |
| Sierlijke witsnuitlibel | 2020 | ? | + | ++ | ++ | ++ | ||||
| Speerwaterjuffer | 2017 | ? | ? | ? | ? | ? | - | -- | -- | |
| Rivierrombout | 2016 | + | ++ | ++ | ++ | ++ | ++ | ++ | ++ | ++ |
4 Resultaten
We geven eerst een overzicht van de resultaten van alle prioritaire libellensoorten. Daarna tonen we de meer gedetailleerde resultaten per meetnet.
4.1 Overzicht van de resultaten
4.1.1 Vergelijking tussen de jaren
We tonen de verschillen tussen de jaren enkel voor de meetnetten waarvan de meetnetlocaties jaarlijks geteld worden. Voor meetnetten met een driejarige meetcyclus tonen we enkel de verschillen tussen de meetcycli.
Tabel 4.1 geeft een overzicht van de verschillen van jaar tot jaar, waarbij we steeds de aantallen in een bepaald jaar vergelijken met die in een referentiejaar. Als referentiejaar kiezen we hier het jaar waarin het meetnet van start ging. We geven de verschillen weer aan de hand van de trend-klassen zoals besproken in Paragraaf 2.5, waarbij we -25% als ondergrens en +33% als bovengrens nemen.
Een andere manier om de jaarlijkse verschillen voor te stellen is door steeds de verschillen tussen twee opeenvolgende jaren te bepalen zoals in Tabel 4.2. Op die manier krijgen we bijkomende informatie over hoe de aantallen variëren over de jaren. Een sterke toename in aantallen t.o.v. het voorgaande jaar zien we in 2018 voor de Gevlekte witsnuitlibel en de Rivierrombout, in 2021 voor de Gevlekte witsnuitlibel en in 2023 voor de Sierlijke witsnuitlibel. 2024 bleek geen goed jaar te zijn (in vergelijking met het voorgaande jaar) voor de prioritaire libellensoorten, met een afname in aantallen voor de Rivierrombout en de Speerwaterjuffer en een mogelijke afname voor de Gevlekte en Sierlijke witsnuitlibel. 2025 bracht beterschap voor de Gevlekte en Sierlijke witsnuitlibel, maar was (mogelijks) minder goed voor Kempense heidelibel, Maanwaterjuffer en Rivierrombout.
| Soort | 2016-2017 | 2017-2018 | 2018-2019 | 2019-2020 | 2020-2021 | 2021-2022 | 2022-2023 | 2023-2024 | 2024-2025 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gevlekte witsnuitlibel | - | ++ | -- | ?+ | ++ | ?- | ?+ | ?- | + |
| Kempense heidelibel | ?- | - | ? | ?- | ? | - | - | ? | ?- |
| Maanwaterjuffer | ?+ | - | - | ? | ? | ? | ? | ? | ?- |
| Rivierrombout | + | ++ | + | ?- | ? | ?+ | ?+ | - | ?- |
| Sierlijke witsnuitlibel | ? | + | ++ | ?- | + | ||||
| Speerwaterjuffer | ? | ? | ? | ? | ?- | - | - | ? |
4.1.2 Verschillen tussen de meetcycli
Bij soorten die geteld worden met een meetcyclus van drie jaar, zullen de verschillen tussen de jaren voor een groot deel afhankelijk zijn van welke locaties er elk jaar geteld worden. Daarom kunnen we beter periodes van drie jaar (die overeenkomen met een meetcyclus) met elkaar vergelijken (Tabel 4.3).
We zien hier enkel voor de Bosbeekjuffer een significant verschil: een afname in aantallen in de periode 2021-2023 t.o.v. de periode 2018-2020.
| Nederlandse naam | Referentie-meetcyclus | Meetcyclus | Klasse |
|---|---|---|---|
| Bosbeekjuffer | 2018-2020 | 2021-2023 | - |
| Variabele waterjuffer | 2017-2019 | 2020-2022 | ?+ |
| Variabele waterjuffer | 2017-2019 | 2023-2025 | ?- |
| Vroege glazenmaker | 2017-2019 | 2020-2022 | ?- |
| Vroege glazenmaker | 2017-2019 | 2023-2025 | ?- |
4.1.3 Trends
In Tabel 4.4 geven we een overzicht van de gemiddelde jaarlijkse trend en de totale trend over de meetnetperiode.
De gemiddelde jaarlijkse trend wordt visueel voorgesteld in Figuur 4.1 De x-as van deze figuur heeft een logaritmische schaal. Een halvering (-50%) is immers een even sterk effect als een verdubbeling (+100%). Opnieuw maken we gebruik van de klassetrends zoals besproken in Paragraaf 2.5 met -25% als ondergrens en +33% als bovengrens voor de totale trend over een periode van 6 jaar. Voor de gemiddelde jaarlijkse trend komt dit overeen met een ondergrens van -5.6% en een bovengrens van +5.9%.
De Sierlijke witsnuitlibel neemt het sterkst toe in aantallen. Daarbij moeten we wel vermelden dat we (voorlopig) nog maar één populatie in Vlaanderen hebben.
De Kempense heidelibel neemt het sterkst af in aantallen en we vrezen dat deze soort in de komende jaren gaat verdwijnen in Vlaanderen.
| Nederlandse naam | Periode | Klasse | Jaarlijkse wijziging | Wijziging over de looptijd |
|---|---|---|---|---|
| Sierlijke witsnuitlibel | 2020 - 2025 | ++ | +61.7% (+35.7%; +92.9%) | +1145.2% (+359.2%; +2571.9%) |
| Rivierrombout | 2016 - 2025 | ++ | +15.8% (+8.6%; +23.2%) | +293.8% (+109.7%; +555.6%) |
| Bosbeekjuffer | 2018 - 2023 | - | -6.0% (-11.6%; -0.3%) | -25.7% (-46.0%; -1.4%) |
| Gevlekte witsnuitlibel | 2016 - 2025 | - | -7.0% (-12.3%; -1.6%) | -45.6% (-69.2%; -13.3%) |
| Maanwaterjuffer | 2016 - 2025 | -- | -12.1% (-18.3%; -5.7%) | -66.4% (-83.9%; -40.9%) |
| Speerwaterjuffer | 2017 - 2025 | -- | -27.1% (-36.1%; -17.5%) | -90.6% (-97.2%; -78.6%) |
| Kempense heidelibel | 2016 - 2025 | -- | -39.5% (-46.1%; -32.6%) | -98.7% (-99.6%; -97.1%) |
| Vroege glazenmaker | 2017 - 2025 | ?- | -1.8% (-6.0%; +2.4%) | -12.2% (-39.1%; +21.2%) |
| Variabele waterjuffer | 2017 - 2025 | ?- | -3.7% (-9.1%; +2.0%) | -23.3% (-53.4%; +16.9%) |
4.2 Bosbeekjuffer
4.2.1 Aantal tellingen, tellers en getelde locaties
Figuur 4.3 toont het aantal tellers, het aantal tellingen en het aantal getelde meetnetlocaties voor het meetnet Bosbeekjuffer. De grote variatie tussen de jaren valt te verklaren doordat deze soort in een driejaarlijkse cyclus wordt opgevolgd, waardoor niet elk jaar dezelfde locaties geteld worden.
4.2.2 Vergelijking tussen de meetcycli
Figuur 4.4 toont de verschillen t.o.v. de referentie-meetcyclus.
4.2.3 Trend
Over de periode 2018-2023 vertoont de Bosbeekjuffer een gemiddelde jaarlijkse trend van -6.0% met een 90%-betrouwbaarheidsinterval tussen -11.6% en -0.3%. We kunnen dus spreken van een afname (-) van de Bosbeekjuffer in deze periode.
Deze soort wordt geteld volgens een driejarige meetcyclus, waarbij het aantal tellingen en het aantal getelde locaties vrij sterk schommelt van jaar tot jaar. Hierbij lijkt er een patroon voor te komen waarbij men de eerste twee jaar van een meetcyclus eerder een beperkt aantal locaties opvolgt om dan in het laatste jaar van de meetcyclus een extra inspanning te doen om alle resterende locaties geteld te krijgen. Als dit dan toevallig valt in een beter jaar voor de soort, als gevolg van natuurlijke populatieschommelingen tussen de jaren, dan kan dit een vertekend beeld geven op korte termijn. Bovendien duurt het veel langer om een duidelijke trend te detecteren als elke locatie maar om de 3 jaar wordt geteld. Om die redenen schakelen we in 2026 over naar een jaarlijkse telling van de locaties.
4.3 Speerwaterjuffer
4.3.1 Aantal tellingen, tellers en getelde locaties
Figuur 4.6 toont het aantal tellers, het aantal tellingen en het aantal getelde meetnetlocaties voor het meetnet Speerwaterjuffer.
4.3.2 Vergelijking tussen de jaren.
Vanaf 2023 liggen de aantallen significant lager dan in het referentiejaar en in 2024 en 2025 zijn de aantallen met meer dan 50 % afgenomen t.o.v. de start van het meetnet in 2017 (Figuur 4.7). In 2023 en 2024 zien we een significante afname in de aantallen t.o.v. de voorgaande jaren (Figuur 4.8).
4.3.3 Trend
Over de periode 2017-2025 vertoont de Speerwaterjuffer een gemiddelde jaarlijkse trend van -27.1% met een 90%-betrouwbaarheidsinterval tussen -36.1% en -17.5%. We kunnen dus spreken van een sterke afname (--) van de Speerwaterjuffer in deze periode.
Niet alleen de trend in aantallen is afnemend, ook het aantal locaties waar er nog een populatie voorkomt in Vlaanderen nam in de loop der jaren af. Op dit moment zijn de aantallen op twee meetnetlocaties dermate laag, dat we moeten vrezen voor het verdwijnen van de lokale populatie in de komende jaren.
4.4 Maanwaterjuffer
4.4.1 Aantal tellingen, tellers en getelde locaties
Figuur 4.10 toont het aantal tellers, het aantal tellingen en het aantal getelde meetnetlocaties voor het meetnet Maanwaterjuffer.
4.4.2 Vergelijking tussen de jaren.
Sinds 2019 zijn de aantallen significant lager dan in het referentiejaar, met uitzondering van 2014 (Figuur 4.11). We zien dat de afname vooral in 2018 en 2019 heeft plaats gevonden (Figuur 4.12).
4.4.3 Trend
Over de periode 2016-2025 vertoont de Maanwaterjuffer een gemiddelde jaarlijkse trend van -12.1% met een 90%-betrouwbaarheidsinterval tussen -18.3% en -5.7%. We kunnen dus spreken van een sterke afname (--) van de Maanwaterjuffer in deze periode.
De sterke afname is deels te verklaren door het verdwijnen van een populatie in één meetnetlocatie.
Daarnaast is het belangrijk om te vermelden dat twee meetnetlocaties in het Groot Schietveld zijn gelegen. Dit is een niet vrij toegankelijk militair domein en de toegang is daar afhankelijk van het al dan niet plaatsvinden van militaire oefeningen. Daardoor was het niet mogelijk om elk jaar op het gepaste moment te tellen.
4.5 Variabele waterjuffer
4.5.1 Aantal tellingen, tellers en getelde locaties
Figuur 4.14 toont het aantal tellers, het aantal tellingen en het aantal getelde meetnetlocaties voor het meetnet Variabele waterjuffer. Ook hier zien we schommelingen in monitoringsinspanning als gevolg van de driejaarlijkse meetcyclus.
4.5.2 Vergelijking tussen de meetcycli
In Figuur 4.15 zien we dat er geen duidelijke verschillen zijn tussen de meetcycli. Als we kijken naar de aantallen per meetnetlocatie (Paragraaf 3.1.2), dan zien we een sterke variatie in hoe de aantallen variëren tussen de meetcycli. Bij een deel van de locaties nemen de getelde aantallen toe, terwijl bij een ander deel de aantallen dalen. Dit leidt tot een lage precisie van de geschatte verschillen tussen de meetcycli. Door over te schakelen van een driejarige naar een jaarlijkse meetcyclus proberen we in de toekomst een beter beeld te krijgen van de veranderingen in aantallen van Variabele waterjuffer.
4.5.3 Trend
Over de periode 2017-2025 vertoont de Variabele waterjuffer een gemiddelde jaarlijkse trend van -3.7% met een 90%-betrouwbaarheidsinterval tussen -9.1% en 2.0%. We kunnen dus spreken van een mogelijke afname (?-) van de Variabele waterjuffer in deze periode.
4.6 Vroege glazenmaker
4.6.1 Aantal tellingen, tellers en getelde locaties
Figuur 4.17 toont het aantal tellers, het aantal tellingen en het aantal getelde meetnetlocaties voor het meetnet Vroege glazenmaker.
4.6.2 Vergelijking tussen de meetcycli
Figuur 4.18 toont de verschillen t.o.v. de referentie-meetcyclus. Net zoals bij Variabele waterjuffer, zien we hier geen duidelijke verschillen tussen de meetcycli.
4.6.3 Trend
Over de periode 2017-2025 vertoont de Vroege glazenmaker een gemiddelde jaarlijkse trend van -1.8% met een 90%-betrouwbaarheidsinterval tussen -6.0% en 2.4%. We kunnen dus spreken van een mogelijke afname (?-) van de Vroege glazenmaker in deze periode.
4.7 Rivierrombout
4.7.1 Aantal tellingen, tellers en getelde locaties
Figuur 4.19 toont het aantal tellers, het aantal tellingen en het aantal getelde meetnetlocaties voor het meetnet Rivierrombout.
4.7.2 Vergelijking tussen de jaren.
Voor alle jaren vanaf 2018 hebben we een sterke toename in het aantal larvenhuidjes t.o.v. de start van het meetnet in 2016 (Figuur 4.20). In 2017, 2018 en 2019 zien we een toename van rond de 100 % t.o.v. het voorgaande jaar, wat dus neerkomt op een verdubbeling in het aantal larvenhuidjes (Figuur 4.21). In de laatste jaren zien we een afname in het aantal larvenhuidjes, maar de aantallen blijven nog wel hoger in vergelijking met het referentiejaar. Deze recente afname werd ook in bijvoorbeeld Duitsland vastgesteld (pers. com. Frank Suhling).
4.7.3 Trend
Over de periode 2016-2025 vertoont de Rivierrombout een gemiddelde jaarlijkse trend van 15.8% met een 90%-betrouwbaarheidsinterval tussen 8.6% en 23.2%. We kunnen dus spreken van een sterke toename (++) van de Rivierrombout in deze periode.
4.8 Sierlijke witsnuitlibel
4.8.1 Aantal tellingen, tellers en getelde locaties
Figuur 4.24 toont het aantal tellers, het aantal tellingen en het aantal getelde meetnetlocaties voor het meetnet Sierlijke witsnuitlibel.
4.8.2 Vergelijking tussen de jaren.
Figuur 4.25 toont de verschillen t.o.v. het referentiejaar en Figuur 4.26 de verschillen tussen opeenvolgende jaren.
4.8.3 Trend
Over de periode 2020-2025 vertoont de Sierlijke witsnuitlibel een gemiddelde jaarlijkse trend van 61.7% met een 90%-betrouwbaarheidsinterval tussen 35.7% en 92.9%. We kunnen dus spreken van een sterke toename (++) van de Sierlijke witsnuitlibel in deze periode.
De Sierlijke witsnuitlibel vertoont de laatste 20 jaar een duidelijke toename in West-Europa (Knijf et al., 2024) en heeft een groot deel van zijn areaal uit begin 20ste eeuw terug gekoloniseerd. Dit deed zich ook in Vlaanderen voor, maar in tegenstelling tot de buurlanden en -regio’s komt er hier slechts één populatie voor. Bij de opstart van dit meetnet werd op een tweede locatie larven gevonden. Monitoring de komende jaren resulteerde echter niet in waarnemingen van imago’s, waarna besloten werd om deze locatie niet langer op te volgen voor de Sierlijke witsnuitlibel. De laatste jaren worden op meerdere locaties imago’s van deze soort waargenomen, zonder evenwel herhaalde waarnemingen de jaren daarop. Wellicht zullen de komende jaren meer populaties gevonden worden, waarna die ook zullen worden opgevolgd.
4.9 Gevlekte witsnuitlibel
4.9.1 Aantal tellingen, tellers en getelde locaties
Figuur 4.27 toont het aantal tellers, het aantal tellingen en het aantal getelde meetnetlocaties voor het meetnet Gevlekte witsnuitlibel.
4.9.2 Vergelijking tussen de jaren.
Als we de aantallen tussen de jaren vergelijken (Figuur 4.28 en Figuur 4.29) dan merken we dat de populatie-aantallen grote schommelingen vertonen. Zo heeft de soort duidelijk jaren waarin er meer dieren worden geteld, zoals in 2018, 2021 en 2025, en jaren waarin de aantallen flink lager zijn, zoals in 2019. Mogelijks heeft dit te maken met de hoeveelheid neerslag het voorgaande jaar en de maanden voorafgaand het uitsluipen. Ook valt het niet uit te sluiten dat er in zogenaamd goede jaren (bijvoorbeeld 2018) zwervende dieren van uit het noordoosten in Vlaanderen geraken en zo onze lokale populaties ‘voeden’.
4.9.3 Trend
Over de periode 2016-2025 vertoont de Gevlekte witsnuitlibel een gemiddelde jaarlijkse trend van -7.0% met een 90%-betrouwbaarheidsinterval tussen -12.3% en -1.6%. We kunnen dus spreken van een afname (-) van de Gevlekte witsnuitlibel in deze periode.
4.10 Kempense heidelibel
4.10.1 Aantal tellingen, tellers en getelde locaties
Figuur 4.32 toont het aantal tellers, het aantal tellingen en het aantal getelde meetnetlocaties voor het meetnet Kempense heidelibel.
4.10.2 Vergelijking tussen de jaren.
Figuur 4.33 toont de verschillen t.o.v. het referentiejaar en Figuur 4.34 de verschillen tussen de opeenvolgende jaren.
4.10.3 Trend
Over de periode 2016-2025 vertoont de Kempense heidelibel een gemiddelde jaarlijkse trend van -39.5% met een 90%-betrouwbaarheidsinterval tussen -46.1% en -32.6%. We kunnen dus spreken van een sterke afname (--) van de Kempense heidelibel in deze periode.
De Kempense heidelibel komt momenteel nog maar in één gebied in Vlaanderen voor, waar de soort geteld wordt op 2 tellocaties. De afgelopen jaren namen de aantallen zo sterk af dat er in 2025, ondanks verschillende bezoeken aan het gebied, slechts één mannetje en één vrouwtje werd waargenomen. We vrezen dan ook dat de soort binnen enkele jaren uitgestorven zal zijn in Vlaanderen .
De laatste jaren werden door de beheerder wel beschermingsmaatregelen genomen, maar de populatie was allicht al zo sterk gedaald dat deze maatregelen weinig effect hebben. Bijkomend zorgt het lage waterpeil op de Dommel voor een sterk drainerend effect in de zomer, waardoor de herstelmaatregelen teniet gedaan worden.
Westra, T., De Knijf, G., Ledegen, H., Van de Poel, S. & Onkelinx, T. (2026) 10.21436/inbor.148382180