De definitie van een kleine niet-residentiële eenheid stelt dat het aaneengesloten geheel van niet-residentiële gebouweenheden (AG NR geheel) een bruikbare vloeroppervlakte heeft die niet groter is dan 1000 m² en geen niet-residentiële eenheid bevat die groter dan 500 m² is.

Slechts één niet-residentiële eenheid aanwezig in het gebouw

  • Indien de niet-residentiële eenheid de enige niet-residentiële eenheid is in het gebouw (bijvoorbeeld krantenwinkel, kapper of apotheek op het gelijkvloers van een appartementsgebouw), dan is het aaneengesloten geheel de niet-residentiële eenheid zelf.
  • De grootte is gelijk aan de bruikbare vloeroppervlakte van de eenheid.

Volledig niet-residentieel gebouw

  • Indien de niet-residentiële eenheid in een gebouw ligt dat volledig niet-residentieel is (bijvoorbeeld een broodjeszaak op het gelijkvloers van een kantoorgebouw), dan is het AG NR geheel gelijk aan het totale gebouw.
  • De grootte van het AG NR geheel is de som van de bruikbare vloeroppervlakte van alle verdiepingen van het gebouw binnen het beschermde volume behoren, inclusief de oppervlakte van de circulatieruimten (tussen de verschillende eenheden) op die verdiepingen.
  • De bruikbare oppervlakten van de volledige verdiepingen worden dus opgeteld.

Niet volledig niet-residentieel gebouw

  • Wanneer er ook minstens één residentiële bestemming aanwezig is in het gebouw, worden de bruikbare vloeroppervlaktes opgeteld van alle niet-residentiële eenheden die op dezelfde verdieping liggen als de te beschouwen eenheid.
  • Als er nog niet-residentiële eenheden aanwezig zijn op boven- of onderliggende verdiepingen, wordt hun oppervlakte ook meegeteld, voor zover ze niet van de andere niet-residentiële eenheden gescheiden worden door een tussenliggende verdieping die volledig een andere bestemming heeft dan niet-residentieel (bijvoorbeeld een verdieping met enkel residentiële eenheden, zoals appartementen).
  • Dit betekent dat niet-residentiële eenheden die door een tussenliggende verdieping gescheiden zijn nooit tot hetzelfde aaneengesloten geheel van niet-residentiële gebouwen kunnen behoren. Door de tussenliggende verdieping sluiten deze niet-residentiële eenheden immers niet meer aan.
  • Stap 1

    Te beschouwen eenheid

    Vertrek van de te beschouwen niet-residentiële eenheid. Deze eenheid maakt altijd deel uit van het AG NR geheel.

  • Stap 2

    Verdieping van de te beschouwen eenheid

    Bekijk de verdieping waarop de eenheid gelegen is en identificeer de andere eenheden op deze verdieping en hun bestemming.

    • Bestaat de verdieping volledig uit niet-residentiële eenheden, neem dan de bruikbare vloeroppervlakte van de volledige verdieping. Gemeenschappelijke (circulatie)ruimten worden hierbij ALTIJD meegenomen.
    • Is de verdieping niet volledig niet-residentieel (er is bijvoorbeeld een conciërgewoonst of een appartement aanwezig), tel dan de bruikbare vloeroppervlakten op van de niet-residentiële eenheden. Gemeenschappelijke (circulatie)ruimten worden NOOIT meegenomen.
  • Stap 3

    Boven- en onderliggende verdiepingen

    Herhaal stap 2 voor de boven- en onderliggende verdiepingen tot de eerste volledige verdieping zonder niet-residentiële eenheden.

  • Stap 4

    Totale bruikbare vloeroppervlakte van AG NR geheel

    Maak de som van de bruikbare vloeroppervlakten van de clusters met niet-residentiële eenheden op de verschillende verdiepingen.

Winkelstraten en winkelcentra

    • In een winkelstraat palen verschillende opeenvolgende winkels aan elkaar.
    • Elke winkel heeft een eigen gebouw-ID.
    • Moeten de opeenvolgende winkels meegenomen worden in het aaneengesloten niet-residentiële deel?
    • Neen, het aaneengesloten niet-residentiële deel wordt bepaald binnen eenzelfde gebouw. Aangezien het hier gaat om verschillende gebouwen met elk een eigen gebouw-ID, worden de aanpalende winkels niet meegenomen in de bepaling van het aaneengesloten niet-residentiële deel.
    • Een gebouw van 1200 m² bestaat uit 8 niet-residentiële eenheden van elk 150 m².
    • Hoewel elke eenheid apart kleiner dan 500 m² is, zijn het geen kleine niet-residentiële eenheden omdat ze deel uitmaken van een groter niet-residentieel geheel (bruikbare vloeroppervlakte > 1000 m²).
    • Bij overdracht of verhuur van een winkel moet een een EPC NR opgesteld worden.
  • Het antwoord hangt af van de grootte van het aaneengesloten geheel van niet-residentiële eenheden.

    • Een kledingwinkel (= AG NR geheel) in een winkelstraat met een bruikbare vloeroppervlakte van 90 m² heeft een EPC nodig van zodra het te koop of te huur wordt gesteld. Men heeft dan de keuze om een EPC kNR of een EPC NR te laten opstellen.
    • Een kledingwinkel van 90 m² in een groot winkelcentrum valt niet onder het EPC voor kleine niet-residentiële gebouwen, omdat het winkelcentrum (= AG NR geheel) een bruikbare vloeroppervlakte heeft die groter is dan 1000 m².