Bindend Sociaal Objectief (BSO) 2026 - 2042
Op 31 december 2025 liep het vorige Bindend Sociaal Objectief (BSO) af. Er is een nieuwe langetermijndoelstelling voor het sociaal woonaanbod uitgewerkt. Deze nieuwe doelstelling heet het ‘gewestelijk bindend sociaal objectief’. U leest hier de krijtlijnen.
Naar aanleiding van het einde van het vorige BSO, dringt een nieuwe langetermijndoelstelling voor het sociaal woonaanbod zich op. Deze nieuwe doelstelling, het zogenoemde ‘gewestelijk bindend sociaal objectief’, vormt het vertrekpunt voor een nieuw gemeentelijk BSO en bestaat uit twee delen:
- 45.000 woningen te realiseren via een verplicht Bindend Sociaal Objectief (BSO) per gemeente;
- 5.000 woningen, opschaalbaar tot 11.000 woningen, te realiseren door gemeenten die meer willen doen dan hun verplicht BSO.
Verloop beleidstraject
Op 12 september 2025 keurde de Vlaamse Regering de krijtlijnen voor een nieuwe langetermijndoelstelling over de realisatie van bijkomend sociaal woonaanbod voor de periode 2026-2042 een eerste keer principieel goed. Op 19 december 2025 gaf de Vlaamse Regering haar definitieve goedkeuring aan het ontwerpdecreet. Dit wijzigingsdecreet is op 25 februari 2026 aangenomen in het Vlaamse Parlement en vervolgens bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering op 27 februari 2026. Op 3 april 2026 heeft de Vlaamse Regering het ontwerpbesluit een tweede keer principieel goedgekeurd, waarbij ze de definitieve gemeentelijke BSO’s heeft vastgelegd. Op 5 juni 2026 keurde de Vlaamse Regering het ontwerpbesluit definitief goed. Het besluitvormingsproces is hiermee afgerond.
Krachtlijnen nieuwe BSO
Het gewestelijk objectief bestaat uit twee onderdelen:
- Een verplicht Bindend Sociaal Objectief (BSO) per gemeente. Dit komt neer op in totaal 45.000 sociale huurwoningen.
- Een vrijwillig aandeel van 5.000 sociale huurwoningen, opschaalbaar tot 11.000, te realiseren door gemeenten die meer willen doen dan hun verplicht BSO.
Gemeenten die meer willen doen dan hun verplicht BSO, kunnen het vrijwillig aandeel realiseren via een enveloppesysteem. Dit enveloppesysteem zorgt voor een vlotter en eenvoudiger proces bij de verwezenlijking van bijkomend sociaal woonaanbod. Het Bindend Sociaal Objectief is immers een minimumdoelstelling, geen maximumdoel. Omdat we in het nieuwe BSO zullen werken met dit enveloppesysteem, zal het systeem van de sociale woonbeleidsconvenanten stoppen.
De enveloppe wordt bovendien aangevuld met de vrijgestelde woningen uit een vermindering van de specifieke inhaalbeweging. Meer informatie: Hoe kunt u een vermindering specifieke inhaalbeweging aanvragen?
Het verplicht aandeel van in totaal 45.000 sociale huurwoningen wordt verdeeld over alle Vlaamse gemeenten op basis van de volgende elementen:
- Aandeel op peil houden:
- Het aandeel sociale huur moet minstens op peil blijven tegenover de huishoudensprognose 2042. Op die manier zorgen we ervoor dat niemand erop achteruitgaat. Het aandeel sociale huur is het aantal sociale huurwoningen, inclusief de specifieke inhaalbewegingen van BSO 2009-2025, tegenover het aantal huishoudens op 31 december 2025.
- We gebruiken hiervoor de nulmeting van het nieuwe BSO met basis 31 december 2025.
- Specifieke inhaalbeweging (SIB):
- Als van toepassing – Alle sociale huurwoningen, die in het kader van BSO 2009-2025 niet effectief gerealiseerd zijn op 31 december 2025, worden meegenomen als specifieke inhaalbeweging (SIB) in het nieuwe BSO. Deze SIB kennen we rechtstreeks toe aan de gemeente in kwestie. Op deze manier houden we rekening met historische inspanningen.
- We gebruiken hiervoor de eindmeting van het vorige BSO met basis 31 december 2025.
- Een gemeente kan een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van haar specifieke inhaalbeweging aanvragen tegen uiterlijk 1 juli 2026. In artikel 2.32, §2 van de Vlaamse Codex Wonen 2021 vindt u de criteria voor dit vrijstellingsverzoek terug. Meer informatie: Hoe kunt u een vermindering specifieke inhaalbeweging aanvragen?
- Vrijstelling omwille van overschrijding:
- Als van toepassing – Alle sociale huurwoningen, die in het kader van BSO 2009-2025 zijn gerealiseerd bovenop het BSO, brengen we in mindering van het nieuwe BSO. Op deze manier houden we rekening met historische inspanningen.
- We gebruiken hiervoor de eindmeting van het vorige BSO met basis 31 december 2025.
- Vrijstelling omwille van 9%-aftopping:
- Als van toepassing – Gemeenten, die een aandeel sociale huur van minstens 9% hebben, krijgen een afwijking van de Vlaamse Regering. Dat betekent dat zij hun aandeel van 9% op peil moeten houden tegenover de huishoudensprognose 2042. Op deze manier houden we rekening met historische inspanningen.
- Let op: dit impliceert niet dat alle gemeenten een aandeel van 9% moeten nastreven.
- Wettelijke doelgroep:
- De wettelijke doelgroep is het aandeel huishoudens in een gemeente dat privaat huurt en voldoet aan de inkomensvoorwaarde om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. Deze parameter geeft inzicht in de nood aan sociale huisvesting in een gemeente.
- Let op: dit betekent niet noodzakelijk dat de volledige wettelijke doelgroep daadwerkelijk via een sociale huurwoning geholpen wordt. De parameter dient vooral als richtinggevend referentiepunt voor de verdeling tussen gemeenten.
- We gebruiken hiervoor data van Statbel. U vindt het aantal huishoudens in de wettelijke doelgroep en het aandeel in de wettelijke doelgroep (in %) per gemeente in het excelbestand Wettelijke doelgroep_data. Voor de berekening van de gemeentelijke objectieven gebruiken we enkel de percentages.
Concreet berekenen we het BSO per gemeente aan de hand van de volgende formule:
- Aandeel op peil houden + specifieke inhaalbeweging + wettelijke doelgroep – overschrijding – 9%-aftopping = BSO
Om de berekening en de werking van de 5 parameters te verduidelijken die gebruikt worden om de gemeentelijke objectieven te berekenen, is er een webinar. Aan de hand van cijfervoorbeelden van twee fictieve gemeenten lichten we de berekeningen van het nieuwe BSO toe. Stap voor stap is er toelichting (met cijfers) over de impact van elke parameter op het BSO 2026-2042.
Alle sociale huurwoningen, die in het kader van BSO 2009-2025 niet effectief gerealiseerd zijn op 31 december 2025, worden meegenomen als specifieke inhaalbeweging (SIB) in het nieuwe BSO. Deze SIB kennen we rechtstreeks toe aan de gemeente in kwestie. Op deze manier houden we rekening met historische inspanningen. We gebruiken hiervoor de eindmeting van het vorige BSO met basis 31 december 2025.
Een gemeente kan een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van haar specifieke inhaalbeweging aanvragen tegen uiterlijk 1 juli 2026. In artikel 2.32, §2 van de Vlaamse Codex Wonen 2021 vindt u de criteria voor dit vrijstellingsverzoek terug. Meer informatie: Hoe kunt u een vermindering specifieke inhaalbeweging aanvragen?
Iedere gemeente sluit samen met de woonmaatschappij een overeenkomst met daarin een strategie voor de realisatie van het gemeentelijk BSO. Deze overeenkomst is verplicht. De initiatiefrol ligt bij het lokaal bestuur.
U laat de overeenkomst goedkeuren op de gemeenteraad. Indien gewenst kan de gemeenteraad deze beslissing delegeren aan het college van burgemeester en schepenen. Bij twijfel over de delegatie wordt de overeenkomst het best goedgekeurd door de gemeenteraad.
De woonmaatschappij bezorgt de verplichte, goedgekeurde overeenkomsten met alle gemeenten in haar werkingsgebied ten laatste op 1 december 2026 aan het agentschap Wonen in Vlaanderen.
In artikel 2.5/1, §3 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen vindt u de inhoud van deze overeenkomst terug. In de omzendbrief en de bijlage bij de omzendbrief vindt u concrete handvaten en een modelovereenkomst.
Twee of meer lokale besturen kunnen met de woonmaatschappij afspraken maken als er gemeenten in het werkingsgebied zijn die hun gemeentelijk objectief onderling willen herverdelen.
Deze overeenkomst is vrijblijvend. De initiatiefrol ligt bij de lokale besturen. U laat de overeenkomst goedkeuren op de gemeenteraad. Indien gewenst kan de gemeenteraad deze beslissing delegeren aan het college van burgemeester en schepenen. Bij twijfel over de delegatie wordt de overeenkomst het best goedgekeurd door de gemeenteraad
Het is de taak van de woonmaatschappij om de goedgekeurde overeenkomst met de gemeenten in haar werkingsgebied ten laatste op 1 december 2026 te bezorgen aan het agentschap Wonen in Vlaanderen. Vervolgens bekrachtigt de Vlaamse Regering de overeenkomst. Het wordt op die manier een driepartijenovereenkomst.
Bij de onderlinge herverdeling van de gemeentelijke BSO’s gelden enkele voorwaarden:
- Elke gemeente moet minstens 25% van het door de Vlaamse Regering vastgelegde gemeentelijk objectief zelf uitvoeren;
- De specifieke inhaalbeweging, en ook de twee vrijstellingen (omwille van overschrijding en omwille van 9%-aftopping), blijft op het niveau van de gemeente verplicht. Het is dus niet mogelijk om dit te herverdelen binnen het werkingsgebied van de woonmaatschappij;
- De som van de gemeentelijke BSO’s na herverdeling is gelijk aan de som van de gemeentelijke BSO’s die de Vlaamse Regering heeft vastgelegd.
In artikel 2.5/1, §4 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen vindt u de inhoud van deze driepartijenovereenkomst terug. In de omzendbrief en de bijlage bij de omzendbrief vindt u concrete handvaten en een modelovereenkomst.
Als vertrekpunt voor dit nieuwe BSO heeft de Vlaamse Regering een nulmeting vastgesteld, op basis van het bestaand sociaal woonaanbod op 31 december 2025. Deze nulmeting dient als basis voor de gemeentelijke objectieven en de gemeentelijke groeipaden, en geldt voor de periode 2026-2042.
Welke woningen tellen mee in de nulmeting?
Sociale huurwoningen in eigendom of in beheer van een woonmaatschappij. Dit is inclusief leegstaande huurwoningen (frictieleegstand en structurele leegstand, bijvoorbeeld in het kader van grondige renovaties);
Sociale huurwoningen van woonmaatschappijen die verhuurd worden buiten het sociaal huurstelsel;
Sociale huurwoningen die woonmaatschappijen ingehuurd hebben op de private markt;
Sociale huurwoningen van lokale besturen (inclusief lokaal sociaal aanbod verhuurd voor 2008);
Sociale huurwoningen van het Vlaams Woningfonds;
Sociale huurwoningen van Vlabinvest apb.
- Let op: voor de parameter specifieke inhaalbeweging en de vrijstelling op basis van overschrijding wordt rekening gehouden met de eindmeting van het vorige BSO 2008-2025 (met basis 31 december 2025). Dit is exclusief sociale huurwoningen van woonmaatschappijen die verhuurd worden buiten het sociaal huurstelsel en lokaal sociaal aanbod verhuurd voor 2008.
- Sociale huurwoningen die op 31 december 2025 leegstaan en later na een grondige renovatie opnieuw sociaal verhuurd worden, tellen niet mee als netto-aangroei bij de voortgangstoets. Ook sociale huurwoningen die op 31 december 2025 verhuurd worden buiten het sociaal huurstelsel en later terug sociaal verhuurd worden, tellen niet mee als netto-aangroei bij de voortgangstoets. Deze woningen tellen namelijk al mee in de nulmeting.
Wonen in Vlaanderen voert jaarlijks een meting en driejaarlijks een voortgangstoets uit. Hierbij zet het agentschap de resultaten van het gerealiseerd en gepland sociaal woonaanbod per gemeente af tegenover het groeipad dat de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, of de afspraken in de driepartijenovereenkomst.
Op basis van de meting vergelijkt Wonen in Vlaanderen de inspanningen van de gemeente met het gemeentelijk groeipad. Dat groeipad is het ritme van de programmatie van sociale huurwoningen in de periode 2026-2042.
- Gemeenten die het groeipad volgen, worden ingedeeld in categorie 1. De voortgangstoets is ten einde.
- Gemeenten die het groeipad niet volgen, worden ingedeeld in categorie 2 en moeten een plan van aanpak opmaken om hun inspanningen aan te tonen.
Dit plan van aanpak kan uitgewerkt worden volgens twee opties:
- Lijst van gronden in eigendom van sociale woonorganisaties of openbare besturen.
- Een op het lokaal woonoverleg afgesproken planning voor de realisatie van bijkomend sociaal woonaanbod op deze gronden.
- Verplichte instrumenten regelmatig aanwenden: De gemeente maakt regelmatig gebruik van volgende instrumenten om sociale woningen te realiseren:
- De gemeente komt de rechtsplicht van artikel 2.29, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen na. Dit betekent bestaande gemeentelijke plannen en reglementen met invloed op de realisatie van sociaal woonaanbod afstemmen op het nieuwe BSO;
- De gemeente berekent de gezamenlijke oppervlakte van onbebouwde bouwgronden en kavels van Vlaamse besturen, stelt een actieprogramma op en voert het uit. Meer informatie: Gemeentelijk actieprogramma;
- De gemeente wendt minstens 25% van de onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen aan voor sociaal woonaanbod.
- Let op: de verplichting om 25% van de gronden van Vlaamse besturen aan te wenden voor sociaal wonen geldt voor alle gemeenten die ingedeeld worden in categorie 2. In het plan van aanpak moet aangetoond worden hoe de gemeente deze onbebouwde bouwgronden en kavels aanwendt.
- Een gemeente kan op verschillende manieren onbebouwde bouwgronden en kavels van Vlaamse besturen aanwenden voor sociale woningbouw. Enkele voorbeelden die een gemeente kan aanhalen in haar plan van aanpak zijn:
- Afspraken maken met de eigenaar van de grond(en) in functie van sociaal wonen;
- Een overeenkomst maken waaruit blijkt dat de woonmaatschappij binnen een vastgestelde termijn een sociaal woonproject zal realiseren op deze grond(en) (bijvoorbeeld binnen drie jaar);
- Concrete sociale woonprojecten plannen op deze grond(en);
- Sociale woonprojecten realiseren of gerealiseerd hebben op deze grond(en).
- Vrijwillige instrumenten regelmatig aanwenden: De gemeente motiveert haar inspanningen aan de hand van de ingezette instrumenten. Artikel 2.57, §4 van het besluit Vlaamse Codex Wonen bevat een lijst met voorbeelden. De gemeente is vrij om bijkomende instrumenten aan te wenden. Mogelijke instrumenten zijn:
- Een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met voldoende aandacht voor sociaal woonaanbod;
- Een actief beleid rond recht van voorkoop;
- Een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening voor sociaal wonen;
- De aankoop van private gronden voor bijkomend sociaal woonaanbod;
- Op het lokaal woonoverleg actief zoeken naar locaties voor sociale woonprojecten en doelgroepen voor sociaal wonen afbakenen;
- Een actief beleid rond leegstand van gebouwen en woningen, met minstens een geactualiseerd leegstandsregister;
- Het uitoefenen van sociaal beheersrecht;
- Het beschikken over een visie op sociaal wonen.
- Minimum inhuur: De gemeente ligt in een werkingsgebied van een woonmaatschappij met een minimum aantal ingehuurde woningen vanaf 31 december 2030 (zie ook art. 4.46/2, tweede lid van de Vlaamse Codex Wonen van 2021). Dit betekent:
- Bij voortgangstoets 2028 geldt deze verplichting nog niet. Dit wordt dus niet beoordeeld;
- Bij voortgangstoets 2031 geldt deze verplichting wel. Ofwel moet het werkingsgebied van de woonmaatschappij minstens 150 ingehuurde woningen tellen, ofwel moet het aantal ingehuurde woningen met minstens 25% gestegen zijn ten opzichte van de nulmeting (met basis 31 december 2025);
- Bij voortgangstoetsen 2034, 2037 en 2040 moet het werkingsgebied van de woonmaatschappij minstens 150 ingehuurde woningen tellen, ofwel minstens met 25% zijn gestegen ten opzichte van de jongste voortgangstoets (respectievelijk 2031, 2034 en 2037).
In het plan van aanpak kan een gemeente haar geleverde inspanningen aantonen, maar ook motiveren waarom ze het groeipad niet volgt (bijvoorbeeld door situaties van overmacht).
Gemeenten in categorie 2 die een plan van aanpak indienen en voldoende inspanningen leveren, worden ingedeeld in categorie 2A. Gemeenten in categorie 2 die geen plan van aanpak indienen en/of onvoldoende inspanningen leveren, worden ingedeeld in categorie 2B.
Bij de driejaarlijkse voortgangstoets volgen we enkele principes. We voeren in het midden en aan het einde van een lokale legislatuur een voortgangstoets (VGT) uit. Hierbij volgen we het ritme van de programmatie op de meerjarenplanning (MJP) en korte termijnplanning (KTP).
Bijvoorbeeld:
- Bij VGT 2028 (dd. 31 december 2027) is minimum 50% van het groeipad voor de legislatuur 2026-2030 minstens opgenomen op de meerjarenplanning (MJP);
- Bij VGT 2031 (dd. 31 december 2030) is minimum 50% van het groeipad 2026-2030 minstens opgenomen op de kortetermijnplanning (KTP), het saldo van groeipad 2026-2030 staat minstens op MJP;
- Bij VGT 2034 (dd. 31 december 2033) is 100% van groeipad 2026-2030 minstens opgenomen op KTP, en is minimum 50% van groeipad 2031-2036 minstens opgenomen op MJP;
- Dit ritme (de afwisseling van MJP en KTP) herhaalt zich tot eind 2042.
De specifieke inhaalbeweging (SIB) voor gemeenten kent een ander ritme en moet versneld gerealiseerd worden. Concreet moet de helft van de SIB effectief gerealiseerd zijn eind 2036. Tegen 31 december 2042 moet 100% van de SIB gerealiseerd zijn.
Lokale besturen in categorie 2B, die het groeipad niet volgen en onvoldoende inspanningen leveren, moeten een bijdrage leveren aan de financiering van de huurpremie. De bijdrage staat maximaal gelijk aan de maximale huurpremie voor elke woning die niet verwezenlijkt is volgens het groeipad. De hoogte van de bijdrage hangt af van het jaartal van de voortgangstoets: bij de voortgangstoets in 2028 wordt bijvoorbeeld de bijdrage voor 25% aangerekend.
De Vlaamse Regering legt de nulmeting en de gemeentelijke objectieven definitief vast op basis van de situatie op 31 december 2025.
In de jaren 2029, 2034, 2039 worden de gemeentelijke objectieven, of in afwijking hiervan de driepartijenovereenkomsten, bijgesteld. Dit gebeurt telkens bij de start van de Vlaamse legislatuur. De Vlaamse Regering houdt hierbij rekening met de meest recente gegevens die op dat moment beschikbaar zijn over:
- de wettelijke doelgroep;
- de huishoudensprognoses per gemeente.
Zesjaarlijks kunnen de partijen de onderlinge herverdeling van de gemeentelijke objectieven in de driepartijenovereenkomst herzien. Ook de overeenkomst tussen gemeente en woonmaatschappij kunnen de partijen herzien voor de planning. De woonmaatschappij bezorgt de herziene overeenkomsten ten laatste op 1 november van het eerste volledige jaar van een gemeentelijke legislatuur aan Wonen in Vlaanderen.
Meer informatie vindt u in artikel 2.5/1, §5 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen.
Regelgevingsdocumenten
Contact
Lokale Besturen en Woonactoren
- lokalebesturen.wonen@vlaanderen.be
- Adres
Wonen in Vlaanderen
Lokale Besturen en WoonactorenHerman Teirlinckgebouw
Havenlaan 88, 1000 Brussel, België
Routeplanner opent in nieuw vensterWonen in Vlaanderen
Lokale Besturen en WoonactorenLange Kievitstraat 111, 2018 Antwerpen, België
Routeplanner opent in nieuw vensterWonen in Vlaanderen
Lokale Besturen en WoonactorenKoning Albert I-laan 1,2, 8200 Brugge
Routeplanner opent in nieuw vensterWonen in Vlaanderen
Lokale Besturen en WoonactorenKoningin Maria Hendrikaplein 70, 9000 Gent
Routeplanner opent in nieuw vensterWonen in Vlaanderen
Lokale Besturen en WoonactorenKoningin Astridlaan 50, 3500 Hasselt, België
Routeplanner opent in nieuw vensterWonen in Vlaanderen
Lokale Besturen en WoonactorenDiestsepoort 6, 3000 Leuven
Routeplanner opent in nieuw venster- Postadres
Wonen in Vlaanderen
Lokale Besturen en WoonactorenKoning Albert II laan 15 bus 253, 1210 Brussel, België