Gedaan met laden. U bevindt zich op: Op pad met de Mobiele Eenheid van het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht Verhalen uit het agentschap

Op pad met de Mobiele Eenheid van het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht

Emmanuel Jouret (Manu voor de vrienden) werkt al 3 jaar bij de mobiele eenheid van het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht (VCET). Hij heeft drie kinderen (de oudste heeft een beloftestatuut voor topsport, en is op weg om de nieuwe Nina Derwael te worden). Hij is afkomstig uit Aalst (Oilsjt?), en heeft vele muzikale talenten(opent in nieuw venster).  

“Tijdloze oké voor je?”, vraagt Manu me wanneer ik om 12u, voor de late shift, bij hem in de auto stap om mee enkelbanden aan te sluiten. De attente muziekvraag typeert de man helemaal, zal ik later vaststellen. Hij probeert een ontspannen, zelfs luchtige sfeer te creëren in de woonkamers van zijn klanten. Waarna het controlesysteem genadeloos dichtklapt om de enkel. “In deze job moet je van alles wat zijn: psycholoog, technicus, chauffeur en klerk”.

Awel, ik ben eigenlijk blij dat je dit ook ziet. Dit is voor ons ook dagelijkse kost.

De chauffeur 

We staan in een file op een parking van enkele grootwarenhuizen. De politie had wat wegen afgezet (waarom hebben we niet kunnen zien) dus rondrijden via een parking was de snelste manier om opnieuw op onze route te raken, maar dat dacht dus ook de rest van vluchtend Brussel. Door deze wegomlegging lopen we een vertraging op van een dik half uur tegenover de planning in de app OptiTime. “Die app plant mijn dag, maar houdt geen rekening met vertragingen door het verkeer. Maar dat weten de collega’s wel. Het is geen probleem als ik ergens te laat, volgens de app, aankom.” legt Manu uit. Ik mag er eens door scrollen. De planning staat er gedetailleerd in, met navigatie naar alle locaties, en zo wordt zijn dag ook getrackt. Vandaag moet hij aan de kust activaties en interventies uitvoeren. We beginnen dus met een lange autorit, waardoor ik al een heleboel vragen op hem kan afvoeren. Hij heeft vier à vijf activaties of interventies per dag, altijd in dezelfde regio. Het lukt altijd wel om alles op de planning uit te voeren, ondanks de vertragingen die het verkeer veroorzaakt. Maar het is vooral veel op de baan zijn. Doet hij dat graag? “Ja, het is een soort van vrijheid. Mijn vorige job was ook op de baan, als medisch koerier. Maar het blijft wel vermoeiend.”

We raken met vertraging maar toch heelhuids op onze eerste bestemming. Iets na 14u beginnen we aan de eerste activatie.

Stijn  

Stijn woont in een rustige buurt, in een gezellige woning met een auto zonder nummerplaat op de oprit. Het gordijn opent een klein stukje, en enkele paren ogen kijken hoe Manu zijn handenvol materiaal uitlaadt. Wanneer we binnengaan, wordt meteen duidelijk wie het hoofdpersonage is in dit hoofdstuk: Fé, een meisje van rond de 2.5 jaar met twee blonde staartjes, begroet ons alsof we het beste zijn dat haar overkomen is die dag. Ze reikt haar handjes uit naar mij, en ze geeft me een greep aan voorwerpen om te bewonderen (twee kleine speelgoedfiguurtjes, een dekentje, een schoen, bijna een pop maar die bleek iets te zwaar) uit de weelde aan speelgoed die daar rondslingert. De mama van Fé excuseert zich voor de rommel, met een toon die zegt “wat kan je eraan doen?” We knikken begrijpend. De TV staat veel te luid. Er hangt een geur in het huis die hoe langer ik er sta, dieper in mijn longen kruipt. Ik kan er mijn vinger niet opleggen wat het is. De mama van Fé is vrijgevig met haar glimlach ook al ontbreken er een paar tanden; Stijn loopt er wat verloren bij, op zoek naar zijn identiteitskaart. Wanneer hij spreekt is zijn stem nauwelijks hoorbaar over Bumba. Ik ben onder de indruk van hoe vlot Manu binnenwandelt en controle neemt over de ruimte, zonder dat Stijn en zijn partner zich daardoor bedreigd lijken te voelen. Manu vult de ruimte met zijn aanwezigheid, drukt zich lovend uit over de muziekposters aan de muur, waardoor Stijn toch ietwat opwarmt. De activatie verloopt snel. Manu geeft zijn uitleg, een veel herhaald script, terwijl hij werkt, en Stijn moet er niet al te veel van weten, want “ik weet het al,” verzekert hij ons regelmatig.

Manu vindt een plaats voor de box, die signalen ontvangt van de enkelband, op de buffetkast in de woonkamer, en gespt de band rond de enkel van Stijn. Terwijl Stijn in elke hoek van de ruimte zijn been plaatst om de perimeter af te bakenen, zet zijn partner een kunstwerkje voor de box. Als je niet weet wat het is, zou je volgens mij niet meteen denken aan elektronisch toezicht (het is een zwarte box met een telefoon en een klein schermpje op) maar ik snap dat ze het toch liever wat verbergen. “Spijtig dat hij niet in de tuin mag, hij zal bij de achterdeur moeten roken” zegt ze tegen mij wanneer Manu en Stijn bezig zijn met de afbakening. Ik haal mijn schouders op “Ja, spijtig.”

De psycholoog 

“Het is thuisdetentie, geen tuindetentie,” zegt Manu onderweg naar onze volgende bestemming. “Het is nog altijd een straf. Een gunststraf, weliswaar, wat velen wel beseffen, maar niet iedereen.” Hoe herken je dat dan? “Dat merk je wel aan hun houding.” Geen specifieke voorbeelden, maar het is mensenkennis dus, iets wat Manu in overvloed heeft, en waar hij best terecht trots op is. “Ik probeer bij iedereen bij wie ik kom een verbinding te maken, ook al is ons contact heel kort.” Bij Stijn was dat onder andere via een gelijkaardige muzieksmaak, bij anderen gewoon door zijn bemoedigende woorden op het einde van elk bezoek. “Wat ik daarnet zei, ‘goede moed, en nog veel succes met je elektronisch toezicht.’ Dat zeg ik op het einde van elk bezoek, en soms komt dat binnen, soms lachen ze het weg of geven ze een sarcastische opmerking, maar ik vind het belangrijk om het steeds te zeggen. Ik meen dat ook.” Hij beschrijft de kunst van ergens binnenkomen, en de ruimte over te nemen op een assertieve manier die aantoont dat je niet zomaar een bezoeker bent. “Het is een beetje scoutsleider zijn: je staat tussen de kinderen, maar ook erboven. Je moet de situatie altijd heel goed aanvoelen. Ik neem bijvoorbeeld nooit een drankje aan wanneer ze het mij aanbieden, en ik zet me zelden neer aan tafel om mijn papieren in te vullen. Je moet altijd alles in de gaten kunnen houden, en een snelle uitgang hebben. Je weet maar nooit…”

Wat zijn de moeilijkste situaties die hij tegenkomt en hoe gaat hij daarmee om? “Agressie komt veel voor, en we krijgen wel opleidingen om daarmee om te gaan. Belangrijk: je stem is je wapen. Agressieve honden kom je ook veel tegen. Als er honden zijn, vraag ik altijd om ze in een andere ruimte te steken want anders kom ik niet binnen. Zelfs als het een chihuahua is. Junkies hebben vaak staffords, en gebruiken die beesten om je te intimideren. Druggebruik of sporen daarvan zie je ook veel. Ik zie natuurlijk ook veel schrijnende toestanden. Als we echt iets zorgwekkends zien of aanvoelen dat er iets niet klopt, dan melden we dat ook. De justitieassistenten van het VCET kunnen dan verdere hulp inschakelen.” Manu heeft empathie voor elke persoon bij wie hij binnenwandelt, want “het is belangrijk waar je wiegje staat. Sommige mensen kennen niets anders dan miserie.”

En dan denk ik aan Fé. Ik vraag mij af hoe de plaats van haar wiegje haar later zal beïnvloeden.

Andy 

Bij Andy moeten we even zoeken naar de ingang van zijn woonst. Er zijn enkele oude appartementsblokken, en we moeten een buitentrap op om aan zijn voordeur te raken. Wanneer we binnenkomen probeer ik vooral mijn reactie niet op mijn gezicht te projecteren maar dat lukt me niet helemaal. Andy woont in een vreselijk vuil appartement. De keukenruimte is aan de voordeur, het eerste wat opvalt is een kleine ronde tafel vol halfvolle pizzadozen, vuile vaat, etensresten, en hetzelfde op het aanrecht. Er staat een ingezakte Halloween-pompoen op de vensterbank (het was februari). Het stinkt. Andy weet dit, hij is niet iemand die de schijn heeft opgegeven. “Ik heb nog geen tijd gehad om te kuisen sinds ik hier terug ben.” Ik veronderstel uit de gevangenis. “Zodra jullie weg zijn begin ik eraan!” Manu en ik zeggen snel en opgewekt “Tuurlijk! Geen probleem. Stoort helemaal niet.” De living bestaat uit een vuile sofa met een kleine TV ervoor. De slaapkamerdeur staat open, daar ligt een matras op de grond. Andy zelf oogt verlegen en een tikkel nerveus, zijn armen staan vol blauwe plekken en wonden. Andy biedt ons meteen iets aan om te drinken, waar we hem vriendelijk voor bedanken. Manu stelt zijn wapen iets bij: zijn stem is zachter, hij spreekt iets langzamer. Manu herkent Andy’s accent als gelijkend aan het zijne, en begint zelf meer dialect te spreken. Manu maakt meer mopjes, en Andy lacht, zichtbaar dankbaar voor Manu’s vriendelijke en professionele houding. Hij stelt wat vragen, en Manu antwoordt geduldig terwijl hij zoekt naar een gepaste plek voor de box. Die is niet evident om te vinden, gezien het beperkte meubilair, en op de grond kan je dat ding niet zetten, anders kan het geen goede verbinding maken met de enkelband. We vinden plaats op een rekje. “Is alles OK?” vraagt Andy terwijl Manu met de box bezig is. “Nee.” Zegt Manu, “je moet terug naar den bak.” Andy’s ogen schieten vol paniek, de angst overheerst zijn capaciteit om het (toch wel duidelijke) grapje te herkennen. Manu begint snel te lachen, en Andy lacht hartelijk mee. “Je had me bijna liggen!” Maar de opluchting is groot. Dit is wat Manu bedoelde met het erkennen van de gunststraf. Andy zegt verschillende keren dat hij hierna nooit meer in contact zal komen met justitie, en ik geloof hem. Want dat is op dat moment de grootste gunst die je hem kan doen.

De technicus 

Wat doe je wanneer je nergens een plek vindt om de box te zetten in een Spartaanse woning? “Improviseren,” zegt Manu eenvoudigweg. “Je moet soms wat spullen herschikken om plaats te maken; maar dat is dus waarom het zo belangrijk is om even baas te zijn in hun huis, anders belandt die box ergens waar die niet hoort, en moet er binnen de kortste keren een collega langs om het op te lossen.” De box moet hoog staan, dus. En liefst in een centrale, open ruimte, ver genoeg van andere elektronische apparaten zoals televisies, microgolfovens… “Ik kwam eens op een appartement een technische interventie doen waar de schacht van de lift zorgde voor een storing in de verbinding, dus je moet met alles rekening houden.”

Manu doet het er simpel uitzien wanneer hij vlot de box instelt en de perimeter afbakent. Voor mij is het een serie van bieps. Manu legt het geduldig uit: eerst plaatst hij de box, hij sluit het aan (biep). Checken of het werkt (biep). Dan de enkelband activeren (biep), de range instellen (hoe ver is het bereik van de box tot de enkelband), de range test starten: de justitiabele gaat in elke ruimte staan met zijn nieuw accessoire om te zien dat hij overal gedetecteerd wordt, door gesloten deuren en achter muren (meer bieps). De perimeter afbakenen. Intussen bellen met monitoring, aan hun kant moet alles goed doorkomen. Hoe lang duurde het voor hij dat allemaal in de vingers had? “Lang! In het begin dacht ik echt, nee, dit ga ik nooit kunnen.” Maar hij had dan ook geen normale start. “Ik ben begonnen op 1 april 2020. In de lockdown dus. Mijn collega die mij opleidde en ik reden in twee aparte auto’s achter elkaar naar de justitiabelen.” Het duurde ongeveer anderhalf jaar voor hij zich volledig comfortabel voelde met alle technische aspecten van de job. “En dan nog kan er wel eens iets foutgaan hé, maar dan heb je tenminste al een toolkit om dat op te lossen. Wat lastig is, is dat je na een moeilijke dag alleen naar huis moet rijden. Dat is ook mentaal zwaar. Je kan niet even vragen aan een collega om het stuur over te nemen.” Manu heeft tijdens zijn dag alleen maar contact met de justitiabelen, en zijn collega’s bij monitoring. Maar die kan hij niet bereiken via een apart nummer, hij komt in dezelfde wachtrij terecht als de justitiabelen (die gelukkig nooit lang is). Een aparte lijn, en een parkeerkaart zoals thuisverpleegkundigen bijvoorbeeld hebben - maar daar wordt werk van gemaakt - zijn twee dingen die voor Manu en zijn collega’s een wereld van verschil kunnen maken.

Jaak 

Voor het appartementsgebouw van Jaak was zo’n kaart handig geweest. Er was geen parking te vinden, en dus moet Manu zich in een straat verderop zetten. Met armenvol gerief wandelen we naar de voordeur. Jaak woont in een proper appartement, zonder stank, ook al wordt er binnen gerookt; er ligt een asbak op de sofa. Hier worden we begroet door een zwart-grijze kat. “Geef hem maar een stamp,” zegt Jaak wanneer de kat mij een kopje geeft. “Mag ik hem een aai geven?” Vraag ik in de plaats. Het is een ruim appartement, mooi ingericht, en Jaak is net terug van zijn werk wanneer wij aanbellen. Hij staat nog in zijn werkkledij. Na ons iets te drinken aan te bieden, waar we weer voor bedanken, begint hij meteen te razen over het feit dat hij continu wakker gebeld wordt, ofwel door zijn collega’s, ofwel door mensen van monitoring omdat de box geen verbinding heeft met zijn enkelband, en het zo lijkt dat hij niet thuis is. “Ze vragen dan ‘waar ben jij?’ en dan zeg ik: het is 2 uur ’s nachts waar denk je dat ik ben?”

De box bij Jaak werkt niet naar behoren, en Manu ziet snel waarom. “Die staat daar niet goed.” De box staat ergens onderaan op het TV-meubeltje. Manu zet het ding op de buffetkast, dichtbij de deur richting de andere kamers in het appartement. “Zo is er een veel directere verbinding.” Het lijkt Jaak niet te storen dat het op een prominentere plek staat. “Schoon decoratie, waar kan ik dat kopen?” Grapt hij. De verbinding wordt getest; Jaak gaat in elke hoek en elke ruimte staan, morrend over het feit dat hij dat de vorige keer ook al had gedaan. Misschien is hij nors door zijn slaapgebrek. “Ik ben er toch bijna vanaf. Ik begrijp echt niet dat mensen proberen te trichen met die box of die band. Het is toch veel beter dan in de gevangenis te zitten?” “En toch gebeurt het,” verzekert Manu hem. “Idioten,” vindt Jaak.

Manu gaat rustig verder en laat zich niet door de moodswings van Jaak beïnvloeden, ook al vallen zijn gewoonlijke bemoedigende woorden op het einde van elk bezoek hier op dovemansoren. “Ben je ermee aan het lachen?” vraagt Jaak, die de succeswensen van Manu zelf erg grappig lijkt te vinden. “Je moet blijven lachen hé.” Zegt Manu, die beseft dat het benadrukken van zijn oprechtheid toch niets zou uithalen. Hopelijk kan Jaak zijn laatste dagen onder elektronisch toezicht doorbrengen met meer nachtrust.

De klerk 

Wat komt er dan nog bij kijken wat voor de buitenstaander verrassend kan zijn? “De administratie.” De paperassen die ingevuld moeten worden tijdens de activatie zijn inderdaad niet min. Gegevens van de justitiabele, de bevestiging van ontvangst van het materiaal, bevestiging dat bewuste schade aan of verlies van het materiaal voor de rekening is van de justitiabele,… Manu duidt aan welk soort woonst het is, tekent een plattegrond van de verschillende ruimtes, duidt aan waar de box staat. Manu doet dit met veel zorg om het zijn collega’s zo makkelijk mogelijk te maken. Het is duidelijk dat Manu een beetje een perfectionist is. Zo neemt dat luik ook veel tijd in beslag.

Dylan 

We rijden eindelijk een stukje langs de kust. De zee is heel even zichtbaar, nu het nog licht genoeg is, voor we afslaan in een kleiner steegje. Hoeveel mensen zitten hun straf met een enkelband uit met zicht op zee, en is dat moeilijker of makkelijker? Is het pijnlijk om iets moois te zien dat je niet kan bereiken, of word je uitzichtloos van het gebrek daaraan?

Het is laat aan het worden.

We bellen aan bij Dylan. Wanneer zijn stem door het speakertje galmt en wij ons voorstellen, staat er een dame achter ons in de hal. “Ja, wat zeg je dan?” zegt Manu in de rammelige lift. “Dan weten alle buren dat elektronisch toezicht hier is, maar je kan toch moeilijk iets anders zeggen?”

We worden door een zieke Dylan verwelkomd in een kleine maar gezellige woonkamer; de deur naar een kinderkamer - ingericht met regenbogen en eenhoorns - staat open, klaar voor wanneer zijn dochtertje langskomt. Alles is piekfijn ingericht en opgeruimd. Dylan zelf neemt meteen weer plaats in de zetel, in zijn kamerjas. Hij klinkt echt verkouden. Dylan heeft een nieuwe enkelband nodig, de gesp van de vorige was stuk. Dylan had zijn best gedaan om het nog werkzaam te houden: de enkelband moet altijd contact hebben met de huid, dus Dylan had de enkelband met wat tape hersteld. Hij wilde zeker niet de indruk wekken dat het met opzet was, en zo lijkt het ook niet.

Dylan vraagt of hij vanaf nu op zijn balkon mag komen. Niet dat het balkon geschikt is om gezellig op te aperitieven op een zonnige namiddag, Dylan heeft het nog niet kunnen renoveren. Je ziet er nog de overblijfselen van de vorige bewoners: rommel en vuiligheid, duidelijke sporen van druggebruik, vooral veel hondenuitwerpselen. “Staffords?” Vraagt Manu. “Ik denk het.” Zegt Dylan. Manu werpt mij een betekenisvolle blik. Zijn perimeter wordt niet veranderd, dus hij zal die renovatie nog even moeten uitstellen.

Dylan is kapper, en zijn haar ziet er inderdaad geweldig uit. Manu vraagt meelevend hoe het met zijn zaak ging tijdens corona. “Ik zat toen in de gevangenis.” Geen probleem dus, voor de zaak. Dylan zegt voor de rest weinig, wel wil hij trots vertellen over het appartement dat hij helemaal in orde heeft gebracht, voor zijn dochter. Hij lijkt me rustig zijn best te doen om zijn leven weer op te bouwen. Ik hoop dat zijn dochter zich welkom voelt in haar mooie kamer, en dat hij met haar een band kan opbouwen ondanks zijn afwezigheid door zijn detentie. Hoe lang die ook was.

Op de terugweg wordt er niet erg veel meer gesproken over het werk. Manu zegt dat het een dag was zoals de andere, voor zover dat mogelijk is. Ik vraag me af hoe de mensen die we vandaag hebben gezien hun avond aan het besteden zijn. Ik haal me ze allemaal voor de geest, TV-kijkend in de zetel, rokend aan de achterdeur. Na vandaag is het duidelijk waarom Manu, ondanks de uitdagingen, deze job graag doet. En dat hij er ook de perfecte persoon voor is.

Bedankt, Manu, om mij mee op pad te nemen.