Gedaan met laden. U bevindt zich op: Willy zocht hulp vanuit de gevangenis Comeb

Willy zocht hulp vanuit de gevangenis

Willy is veroordeeld voor zedenfeiten en zit een lange straf uit met terbeschikkingstelling. Na contact te hebben opgenomen met verschillende ‘Kerkelijke’ instanties kwam hij steeds van een kale reis thuis. Het antwoord was meestal, ‘te laat’. Uiteindelijk kwam hij te weten dat er een commissie was, en nam hij daar als laatste redmiddel contact mee op. Hij deed vanuit de cel beroep op de Commissie Erkenning en Bemiddeling om erkenning te krijgen voor het misbruik dat hij als prille tiener moest ondergaan. “Los van de feiten die ik gepleegd heb en waar ik mijn verantwoordelijkheid voor wil nemen, heb ik zelf een verhaal van onrecht dat me overkomen is. De hulp van de commissie heeft van mij een ander mens gemaakt. Een sterker mens die straks beter gewapend is om na mijn straf niet te hervallen”. 

Zoals veel daders van zedenfeiten, heb ik een verleden als slachtoffer. Erover kunnen praten heeft me een beter mens gemaakt.

Worden slachtoffers van seksueel geweld later daders? Uiteraard is het antwoord: ‘nee’. Meer dan 70 procent van de daders heeft geen verleden als slachtoffer van seksueel geweld. Maar er bestaat wel een link tussen slachtoffer zijn op jonge leeftijd en later zelf daden plegen. Een onderzoek dat werd gepubliceerd in het ‘British Journal of Psychiatry’ toonde aan dat één op de drie mannelijke kindermisbruikers zelf als kind is misbruikt. Bij niet-zedendelinquenten was dat het geval bij één op de tien. De Wereldgezondheidsorganisatie concludeert dat het een risicofactor is waarmee rekening moet worden gehouden. Of er bij de feiten die Willy pleegde een link bestaat met zijn verleden, weet hij niet. “Maar ik weet wel dat het in de ogen kijken van mijn verleden van mij een ander mens heeft gemaakt. Dat bewijst hoe hard het misbruik er in heeft gehakt”. Willy is zelf sterk vragende partij om te getuigen over zijn ervaring met de commissie: “Het heeft mijn leven weer doel gegeven om voor te strijden”.

Willy: Ik ben een kind van gescheiden ouders, groeide op in het centrum van het land met mijn moeder die vaak moest werken. Ik was als kind veel alleen thuis en dat maakte mijn moeder ongerust. Ze stuurde me op kostschool. Dat was in het begin van de jaren ’70. Over seks werd helemaal niet gesproken. Misbruik ‘binnen de kerk’ bestond toen niet, althans niet voor die generatie en er werd niet over gesproken. In het begin was kostschool voor mij een zeer fijne ervaring. Ik viel nogal op. Letterlijk, ik was nogal een grote kerel. Ik werd gevraagd voor de sportploeg, ik integreerde zeer snel op de school.

Maar ik viel ook op bij de broeders, meervoud. (stilte). Het waren er vijf… (langere stilte) en deden alle vijf hetzelfde, het was net alsof ze een draaiboek hadden, want daar leek het op. Na een jaar van misbruik door de broeders, vertelde ik het mijn moeder. Haar antwoord: “Broeders doen dat niet.” Nu neem ik haar niets kwalijk, die generatie was het potje/dekseltje generatie. Al die jaren heb ik het meegedragen. Niet verdrongen, niets vergeten. Ik kon het niet vergeten. Ik zweeg er gewoon over. Ik heb zo goed als ik kon proberen een normaal leven op te bouwen. Vrouw, kind, werken… zonder voorbeeld en hopen dat het goed was…

En dan maak ik een sprong van 40 jaar in de tijd. Naar net iets meer dan tien jaar geleden. Ik ben veroordeeld voor zedenfeiten. Na verschillende gevangenissen kwam ik via een transfer in Tilburg (Nederlandse gevangenis die door de Belgische overheid werd gehuurd) Daar kwam ik aan de praat met een stagiaire hulpverlener van het humanistisch verbond die wekelijks met gevangenen praat. Zij voelde aan door de gesprekken dat er in mij iets vast zat. Iets waar ik ‘moest’ over praten maar het gewoonweg niet kon. Ik begon stapje voor stapje met mijn verhaal tot op een bepaald moment de stagiaire zei: ‘Stop dit is iets te veel en te zwaar voor mij en verwees mij door naar de psychologe.” En toen het er eindelijk lag, ben ik meteen doorverwezen naar de psychologen die in de Nederlandse gevangenis vrij aanspreekbaar zijn. Anderhalf jaar wekelijkse gesprekken met psychologen bracht heel mijn verhaal op tafel. Stukje voor stukje, met vallen en opstaan, veel tranen, en vooral veel schaamte over mezelf. Maar zonder de opmerkzaamheid van de stagiaire, zweeg ik vandaag waarschijnlijk nog. Vanaf dat moment wilde ik dat mijn verhaal gehoord werd. Die psychologen in Nederland hebben me prima geholpen om mijn verhaal op papier te zetten.

Ik zocht hulp buiten de gevangenissen met mijn verhaal en schreef er eigenhandig verschillende organisaties en instellingen aan. Tot ik in contact kwam met een vertegenwoordiger van het Bisdom. De vertegenwoordiger nam contact op met de congregatie waarna ik op de hoogte werd gebracht dat ze zouden langskomen met iemand van de congregatie om mijn verhaal te aanhoren. Dat was voor mij zeer belangrijk, dat ik mijn verhaal kon vertellen aan iemand van buiten de gevangenis. Met alle respect voor wie ons hier in de Belgische gevangenissen probeert te helpen, maar je vertelt je verhaal en het verdwijnt ergens in een dossier en daar blijft het bij. Het blijft hier hangen. Nu was het iemand van de kerk en de congregatie die kwam luisteren en dat verhaal mee zou nemen buiten deze vier muren. Dat was in mijn hoofd zo belangrijk.

De afgevaardigde van de congregatie was helaas een grote teleurstelling. De broeder die zelf geen dader was in mijn verhaal, hij was zeer bejaard, vrijwel doof en blind maar hij sprak wel namens zijn congregatie. Een man van 90 jaar waarom wordt hij afgevaardigd? Naderhand is mij ter oren gekomen dat er niemand anders beschikbaar was op dat moment. “Sorry”, was zowat het enige woord dat hij kon zeggen. “Sorry voor wat jou is overkomen”. Eerlijk gezegd, ik kon daar niet veel mee doen. Ik liep de muren op. Kende die man mijn verhaal wel? En zo ja, dan was hij het zeker al vergeten nog voor hij de gevangenis verlaten had. Wilde hij met “sorry” mij de erkenning geven waar ik zo’n nood aan had? En wat met al mijn vragen?

Moest “sorry” dan op al mijn vragen een antwoord zijn? Wat met mijn verhaal? Ik ben blijven worstelen met vragen zonder antwoorden. Dan ging ik op transfer terug naar België naar de plaats waar ik tot op heden zit. Ook hier was het zoeken naar, ja naar wat? Tot ik te horen kreeg dat de ‘Commissie Erkenning en Bemiddeling’ bestond. Die eerste ontmoeting was hartelijk ook al wist ik niet wat ik kon verwachten. Ik heb het vandaag nog steeds moeilijk om te spreken over wat toen gebeurd is, maar met een vertrouwenspersoon en de mensen van de commissie ging dat vlot. Ze forceerden me niet, namen de tijd om te luisteren, maar gaven me ook tijd en ruimte op moeilijke momenten. Alles wat je op zo’n moment echt nodig hebt wisten ze me ook te geven. Een nieuwe ontmoeting met iemand van de congregatie, die niet bijna ‘doof en blind’ was, die mijn vragen kon beantwoorden, dat kon wel. De commissie kreeg het voor mekaar. Er werd geluisterd, ik kreeg antwoorden en de erkenning die ik zocht. De bevestiging dat mijn verhaal klopt. Dat er geen discussie bestaat dat ik de waarheid heb verteld. Ik werd geloofd en mijn pijn was echt geworden en dat was me alles waard.

Ik voelde meteen na dat gesprek en de antwoorden op merendeel van mijn vragen dat de rugzak die ik mijn hele leven meesleurde een stuk lichter was geworden. Ergens voel ik nu wel dat ik sterker op mijn benen sta en mezelf ook beter begrijp. Ik weet nu ook waarom ik zo’n eenzaat geworden ben bijvoorbeeld. Of ik nu anders aankijk naar mijn eigen feiten? Ik weet het niet, ik durf daar eigenlijk niet op antwoorden. Hoe groot de invloed van de feiten uit het verleden op de feiten van nu is weet ik nog niet. Maar ik weet nu wel dat ik hier veel en veel sneller hulp voor had moeten zoeken. Dat mijn leven misschien heel anders was gelopen dan nu. Weet je wat een groot verschil is? De eerste keer dat ik echt merkte dat er echt iets veranderd was? Dat was toen ik openlijk kon praten over waarom ik hier zit. Mensen die zedenfeiten plegen, praten daar niet over. Ze zeggen dan gemakkelijker dat ze voor ‘drugsfeiten’ zitten. En velen hebben ook een eigen verleden als slachtoffer, dat weet ik nu zelf door de gesprekken met andere gedetineerden. Als de commissie zich op die veroordeelden zou kunnen concentreren, denk ik dat ze straks sterker buitenkomen en beter gewapend zijn tegen herval. Dat in combinatie met de ambulante en/of residentiële begeleiding buiten de muren. Ik in ieder geval wel.