Gedaan met laden. U bevindt zich op: Gemeentelijk actieprogramma: gronden van Vlaamse besturen inzetten voor sociale woningbouw Betaalbaar woonaanbod

Gemeentelijk actieprogramma: gronden van Vlaamse besturen inzetten voor sociale woningbouw

In het kader van het Bindend Sociaal Objectief (BSO) 2026-2042 moeten gemeenten het bouwpotentieel onderzoeken van de onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen. Hiervoor inventariseert iedere gemeente deze gronden en maakt ze vervolgens een actieprogramma op. U vindt hierover meer informatie op deze webpagina.

Inventarisatie van de gronden van Vlaamse besturen

Elke gemeente berekent uiterlijk op 31 oktober 2026 de gezamenlijke oppervlakte van onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen.
Gaat het om een vermindering van de specifieke inhaalbeweging? Dan doet de gemeente die berekening al tegen 1 juli 2026.

De resultaten blijven geldig tot en met 31 december 2042.

Volgt een gemeente het groeipad van het BSO niet en deelt een voortgangstoets die gemeente in in categorie 2? Dan moet de gemeente minstens 25% van de gezamenlijke oppervlakte van die gronden en kavels aanwenden voor sociaal wonen.

Bereikt de gemeente het BSO? Dan vervalt die verplichting.

Opmaak van een actieprogramma

Vervolgens maakt de gemeente een actieprogramma op, waarbij ze het bouwpotentieel van deze gronden onderzoekt en concrete acties uitwerkt. Als regisseur van haar lokaal woonbeleid waakt ze erover dat de Vlaamse besturen geconcerteerde acties ondernemen, zodat deze gronden aangewend worden voor de realisatie van het BSO 2026-2042 (zie ook artikel 2.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021).

Een gemeente kan op verschillende manieren gronden van Vlaamse besturen aanwenden voor sociale woningbouw. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • Afspraken maken met de eigenaar van de grond(en) in functie van sociaal wonen;

  • Een overeenkomst maken, waaruit blijkt dat de woonmaatschappij binnen een vastgestelde termijn een sociaal woonproject zal realiseren op deze grond(en) (bijvoorbeeld binnen drie jaar);

  • Concrete sociale woonprojecten plannen op deze grond(en);

  • Sociale woonprojecten realiseren of gerealiseerd hebben op deze grond(en).

Stappenplan

  • Stap 1

    U inventariseert welke Vlaamse besturen gronden in eigendom hebben binnen uw gemeente.

    Het gaat om volgende Vlaamse besturen (zie ook artikel 1.3, §1, punt 60° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021):

    • de Vlaamse ministeries, agentschappen en openbare instellingen;

    • de Vlaamse provincies, gemeenten en districten;

    • de Vlaamse gemeentelijke en provinciale extern verzelfstandigde agentschappen;

    • de Vlaamse verenigingen van provincies en gemeenten, vermeld in de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, en de samenwerkingsvormen, vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;

    • de Vlaamse openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen, vermeld in hoofdstuk 12 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;

    • de polders, vermeld in de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders, en de wateringen, vermeld in de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen;

    • de Vlaamse kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten. In Vlaanderen zijn er zes erkende erediensten, u vindt deze terug op de webpagina Overzicht erkende lokale geloofsgemeenschappen.

    Opgelet: een vzw is geen openbaar bestuur, ook niet wanneer deze verband houdt met erediensten.

    Tip: Mogelijk startpunt voor het opmaken van deze inventaris kan de dataset Percelen van Vlaamse en lokale overheden zijn, en/of de Terra Patrimoniumdatabank Vlaanderen.

    Tip: U bent niet verplicht om gronden van semipublieke besturen of van woonmaatschappijen mee te nemen in deze oefening, maar we raden sterk aan om ook de mogelijkheden op deze gronden verder te onderzoeken.

    Specifiek vormen de gronden van woonmaatschappijen een onderdeel van de verplichte overeenkomst tussen gemeente en woonmaatschappij, die u tegen 1 december 2026 moet opmaken. U vindt hierover meer informatie op de webpagina over het BSO 2026-2042.

    Daarnaast kunnen deze gronden een belangrijke rol spelen in functie van uw visie op sociaal wonen en van een eventuele verminderingsaanvraag op de specifieke inhaalbeweging. Meer informatie op de webpagina over hoe een vermindering van de specifieke inhaalbeweging aanvragen.

  • Stap 2

    U onderzoekt welke ‘bebouwbare’ onbebouwde bouwgronden en kavels u moet opnemen in de berekening.

    Welke gronden tellen wel mee?
    Het betreft alle onbebouwde bouwgronden en kavels waar op basis van de bestemming ontwikkeling van woningbouw mogelijk is. Meer specifiek gaat het over de bouwgronden en kavels die voldoen aan volgende definities in artikel 1.3, §1, punt 6°, 26° en 32° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021:

    • Onbebouwd: beantwoordend aan de criteria voor opname in het register van onbebouwde percelen, gesteld bij en krachtens artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;

    • Bouwgronden: gronden, met uitsluiting van kavels, die palen aan een voldoende uitgeruste weg in de zin van artikel 4.3.5, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en gelegen zijn in een woongebied of in een woonreserve-gebied dat al voor bebouwing in aanmerking komt op grond van een vrijgavebesluit als vermeld in artikel 5.6.12 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of op grond van een nog geldig principieel akkoord dat afgegeven werd overeenkomstig artikel 5.6.6, §2, of gevat was door artikel 5.6.6, §3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals deze bepalingen golden tot 7 juli 2023;

    • Kavels: de in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van een niet vervallen verkaveling afgebakende percelen.

    Welke gronden tellen niet mee?
    Gronden die voldoen aan een van de onderstaande karakteristieken tellen niet mee voor deze berekening (zie ook artikel 5.107, 1° VCW):

    • De grond wordt gebruikt voor de uitoefening van een taak van het Vlaamse bestuur zelf;

    • De grond is ingericht als collectieve voorziening (inclusief aanhorigheden, zoals een park of speelplein);

    • Er geldt een recht van erfpacht, van opstal, van vruchtgebruik of van gebruik op de grond;

    • De grond wordt verpacht volgens de Pachtwet van 1969 en hiervan kan een bewijs aangeleverd worden;

    • De grond is geregistreerd in het Geïntegeerd Beheers- en Controlesysteem in het kalenderjaar vóór het heffingsjaar;

    • Er geldt een bouwverbod of een andere erfdienstbaarheid tot openbaar nut waardoor woningbouw niet mogelijk is;

    • Het is onmogelijk om op de grond woningen te bouwen door een oorzaak, die niet de schuld is van het Vlaamse bestuur (zoals de grootte, ligging, vorm of fysieke toestand);

    • De grond zal een bestemming krijgen, die niet geschikt is voor wonen. Dit gebeurt op basis van een voorlopig vastgesteld of voorlopig aangenomen ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) of plan van aanleg.

  • Stap 3

    Zodra u stap 1 en stap 2 heeft onderzocht, berekent u de gezamenlijke oppervlakte van deze onbebouwde bouwgronden en kavels die in eigendom zijn van Vlaamse besturen uiterlijk op 31 oktober 2026. U gebruikt hiervoor de eigendomstoestand zoals die geldt op uiterlijk 31 oktober 2026.

    Elke Vlaamse gemeente is verplicht deze berekening te maken.

    Opgelet: gemeenten die een vermindering van de specifieke inhaalbeweging willen aanvragen, moeten deze berekening tegen uiterlijk 1 juli 2026 maken.

    U maakt hiervoor een overzichtelijke inventaris op van deze gronden.

    Tip: We raden u sterk aan om onderstaande elementen op te nemen in deze inventaris. U bent vrij om nog andere elementen op te nemen:

    • Perceelnummer
    • Oppervlakte

    • Eigenaar

    • Woongebied of woonreservegebied

    Tip: We raden u aan om ook een aanduiding op kaart te maken. U kunt makkelijk zelf percelen aanduiden via het Grootschalig Referentiebestand (Geopunt) of via uw eigen lokale kadastrale toepassing.

  • Stap 4

    U laat de berekening en de inventaris van onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen goedkeuren op de gemeenteraad. De gemeenteraad kan deze beslissing delegeren aan het college van burgemeester en schepenen. De berekening mag goedgekeurd worden na 31 oktober 2026.

    Opgelet: gemeenten die een vermindering van de specifieke inhaalbeweging willen aanvragen, moeten deze berekening tegen uiterlijk 1 juli 2026 maken.

  • Stap 5

    U bezorgt deze berekening en inventaris aan Wonen in Vlaanderen via het e-mailadres lokalebesturen.wonen@vlaanderen.be(opent in uw e-mail applicatie).

    Als u een aanduiding op kaart maakte, bezorgt u deze ook best.

    Opgelet: deze berekening wordt opgevolgd via de driejaarlijkse voortgangstoets. Gemeenten die het groeipad niet volgen, moeten minstens 25% van deze gronden aanwenden voor sociaal woonaanbod. U vindt hierover meer informatie op de webpagina over het BSO 2026-2042.

  • Stap 6

    Zodra u de gezamenlijke oppervlakte van deze gronden heeft berekend, maakt u een gemeentelijk actieprogramma op. Hierbij koppelt u concrete acties aan deze onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen.

    Hoe doet u dat?

    U onderzoekt de mogelijkheden voor sociale woningbouw op deze gronden.
    Vervolgens gaat u na welke concrete acties u kunt ondernemen op elk van deze gronden. U maakt hierover afspraken met de eigenaar van deze grond(en).

    Enkele richtinggevende vragen:

    • Wat zijn de opportuniteiten voor sociaal wonen?

    • Wat zijn de belemmeringen voor sociaal wonen?

    • Wat is er nodig om sociaal wonen te kunnen realiseren op deze gronden (bijvoorbeeld een ruimtelijk uitvoeringsplan, infrastructuurwerken, ...)?

    • Is de locatie geschikt voor sociaal wonen (bijvoorbeeld de omgeving, het voorzieningenniveau, ...)? Zo niet, kan deze locatie geschikt gemaakt worden voor sociaal wonen (bijvoorbeeld via meer voorzieningen, …)?

    • Hoeveel sociale huurwoningen kunnen potentieel op deze gronden gerealiseerd worden?

    Vervolgens laat u het actieprogramma goedkeuren door de gemeenteraad. U voert het actieprogramma uit.

    Tip: Wij raden u sterk aan om de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en het actieprogramma in één beweging op te maken. Dit kadert in een ruimere oefening om een strategie uit te werken in functie van de verplichte overeenkomst tussen gemeente en woonmaatschappij, die u tegen 1 december 2026 moet opmaken.

    Opgelet: de opmaak van een actieprogramma is enkel verplicht voor gemeenten met een BSO.

Opvolging van het actieprogramma

De opmaak en de uitvoering van het actieprogramma worden opgevolgd via de driejaarlijkse voortgangstoets. Concreet moeten gemeenten die het groeipad niet volgen een plan van aanpak opmaken. Dat kan aan de hand van twee opties:

  • Optie 1: De gemeente kan haar BSO volledig op eigen gronden realiseren.

  • Optie 2: De gemeente kan haar BSO niet volledig op eigen gronden realiseren.

Bij optie 2 bevat het plan van aanpak onder andere de berekening van de gezamenlijke oppervlakte (inventaris) en het actieprogramma. Daarnaast moet de gemeente minstens 25% van de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen aanwenden voor sociaal wonen.

U vindt meer informatie op de webpagina over het BSO 2026-2042.