Gedaan met laden. U bevindt zich op: Afdeling 2/1. Proeftijd statutaire personeelsleden Hoofdstuk 2. Loopbaan

Afdeling 2/1. Proeftijd statutaire personeelsleden

Artikel 12/1

(art. 32 BVR RPR 2007 en art. 47, §1, BVR RPR 2010)

De proeftijd beoogt de integratie van het op proef aangestelde statutaire personeelslid in het bestuur en de inwerking in zijn functie en stelt de aanstellende overheid in staat de geschiktheid van het personeelslid voor de functie te verifiëren.

Met het personeelslid worden de nodige afspraken gemaakt voor de integratie in het bestuur en de inwerking in zijn functie.

Artikel 12/2

(art. 33 BVR RPR 2007 en art. 47, §2, eerste lid, BVR RPR 2010)

De raad stelt de duur van de proeftijd vast.

Hij bepaalt welke vormen van afwezigheid een verlenging van de proeftijd tot gevolg hebben.

Artikel 12/3

(art. 34 BVR RPR 2007)

De diensten die een kandidaat ononderbroken tot de datum van de statutaire aanstelling op proef in tijdelijk verband bij het bestuur heeft vervuld in dezelfde functie als de functie waarin hij aangesteld wordt, worden in aanmerking genomen voor de proeftijd, op voorwaarde dat het personeelslid daarvoor een gunstig evaluatieresultaat heeft gekregen.

Artikel 12/4

(art. 35 BVR RPR 2007 en art. 47, §2, tweede en derde lid, BVR RPR 2010)

§1. De raad stelt de regels voor de evaluatie tijdens de proeftijd vast.

Het statutaire personeelslid op proef krijgt tijdens de proeftijd feedback over zijn manier van functioneren. Voor de proeftijd afgelopen is, vindt een eindevaluatie van de proeftijd plaats.

Het resultaat van de eindevaluatie van de proeftijd is ofwel gunstig ofwel ongunstig.

De raad kan bepalen dat de evaluator een verlenging van de proeftijd kan voorstellen als uit de eindevaluatie blijkt dat de duur van de proeftijd niet volstaat om tot een gefundeerd evaluatieresultaat te komen. De verlenging kan eenmaal toegepast worden.

§2. Als de duur van de proeftijd zes maanden of meer is, kan de raad in afwijking van §1 bepalen dat het statutaire personeelslid op proef voor de proeftijd afgelopen is, tussentijds onderworpen wordt aan een evaluatie. In voorkomend geval wordt de tussentijdse evaluatie pas uitgevoerd na een periode van ten minste drie maanden.

Artikel 12/5

(art. 36 BVR RPR 2007 en art. 47, §2, tweede lid, BVR RPR 2010)

De raad kan bepalen dat het statutaire personeelslid op proef met een ongunstig resultaat voor de tussentijdse evaluatie, vermeld in artikel 12/4, §2, ontslagen wordt.

Het statutaire personeelslid op proef dat na het verstrijken van de proeftijd op grond van het ongunstige resultaat van de eindevaluatie niet in aanmerking komt voor de vaste aanstelling in statutair verband, wordt ontslagen.

Het ontslag, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt gegeven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 24/6, §1. De aanstellende overheid hoort het personeelslid vooraf.

Artikel 12/6

(art. 37 BVR RPR 2007)

Na afloop van de proeftijd behoudt het statutaire personeelslid op proef zijn hoedanigheid van op proef aangesteld personeelslid, tot de aanstellende overheid beslist over de vaste aanstelling of het ontslag. De aanstellende overheid neemt haar beslissing zonder uitstel.

Artikel 12/7

(art. 38 BVR RPR 2007 en art. 48 BVR RPR 2010)

Het statutaire personeelslid op proef wordt vast aangesteld in statutair verband op voorwaarde dat het:

1° voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan de aanwervingsvoorwaarden die voor de functie van toepassing zijn;

2° de proeftijd heeft afgesloten met een gunstig resultaat voor de evaluatie.

Het personeelslid wordt vast aangesteld in statutair verband in de functie waarin het op proef werd aangesteld.