Voorwaarden

Een kleine niet-residentiële eenheid is een gebouweenheid:

  • met een niet-residentiële hoofdbestemming
  • met een bruikbare vloeroppervlakte die niet groter dan 500 m² is
    • In geval er meerdere bestemmingen aanwezig zijn in de gebouweenheid, dan wordt er gekeken naar de gezamenlijke oppervlakte van alle bestemmingen die samen de gebouweenheid uitmaken
    • bijv. een winkel met een residentieel deel dat geen aparte wooneenheid is (wegens geen eigen afsluitbare toegang of onvoldoende voorzieningen om functioneel zelfstandig te zijn) of een kantoor met een deel industrie
  • waarbij het aaneengesloten geheel van niet-residentiële gebouweenheden binnen hetzelfde gebouw waarvan de gebouweenheid deel uitmaakt:
    • een bruikbare vloeroppervlakte heeft die niet groter dan 1000 m² is
    • geen niet-residentiële eenheid bevat die groter dan 500 m² is.

Voor kleine niet-residentiële eenheden wordt er een EPC klein Niet-Residentieel of een EPC Niet-Residentieel opgemaakt.

Waarom een aparte groep kleine niet-residentiële eenheden?

Het niet-residentiële gebouwpark is heel divers en verscheiden. Zo omvat deze groep onder meer :

  • Een dokterspraktijk op het gelijkvloers van een appartementsgebouw
  • Een ziekenhuis
  • Een school
  • Een lokale bakker
  • Een gemeentehuis

Qua gebouwkarakteristieken verschillen bovenstaande voorbeelden sterk van elkaar. De kleinere eenheden zoals een dokterspraktijk, lokale bakker, apotheker, … hebben dan wel een niet-residentiële bestemming maar vertonen bouwfysisch en architecturaal vaak eerder gelijkenissen met de woningbouw. Je vindt deze eenheden dan ook vaak verweven met het residentiële gebouwenpark. Het komt bij dit type eenheden ook vaak voor dat na verkoop of bij verhuur de bestemming wijzigt van niet-residentieel naar residentieel of omgekeerd.

Ook vanuit energetisch, en bouwtechnisch standpunt zijn de lokale bakker of apotheker anders te benaderen dan grotere eenheden zoals ziekenhuizen of sportcomplexen, waar de opbouw van de schildelen, de installaties en gebruikte (bouw)technieken immers complex en uniek zijn.

Deze verschillen vragen om een aangepaste aanpak, afgestemd op de typische karakteristieken en noden van kleine niet-residentiële eenheden.

Voorbeelden