Mens wordt meestal als de-woord gebruikt, in de betekenis ‘de mens als soort’ of ‘persoon’. Dat geldt ook voor -mens in samenstellingen, zoals stadsmens, avondmens, gevoelsmens, natuurmens en beleidsmens.
- De economie is er voor de mens en niet andersom.
- De boom groeit prachtig, de vogels vinden er een nest en de natuurmens geniet van de schaduw.
Mens komt ook als het-woord voor. Het mens wordt meestal gebruikt om een vrouwelijke persoon aan te duiden en heeft vaak – maar niet noodzakelijk – een minachtende of medelijdende bijklank.
- Het arme mens heeft al die tegenslag aan zichzelf te danken.
- Als dat mens ook maar naar hem durft te kijken, krab ik haar de ogen uit.
- Ik vind haar super. Dat mens weet echt wel van aanpakken!
In Nederland komt het mens af en toe ook voor als het gaat om een bepaald soort persoon, bijvoorbeeld iemand met een bepaalde eigenschap, bezigheid of hobby. In België is dat gebruik nagenoeg onbekend en ook in Nederland is de mens in die betekenis veel gebruikelijker.