Doel van het onderzoek

Gegeven het belang van duaal leren, de manier waarop duaal leren in Vlaanderen werd verankerd, de beperkte instroom en de onduidelijkheid over hoe leerlingen kiezen voor een studierichting, definiëren we in het onderzoek vier onderzoeksvragen:

  1. Welke factoren geeft de wetenschappelijke literatuur aan als bepalend voor de studiekeuze?
  2. Hoe verloopt het beslissingsproces van Vlaamse scholieren inzake hun studiekeuze voor duaal leren en welke (f)actoren zijn hierbij van invloed?
  3. Kan het aanbieden van informatie rond duaal leren het keuzeproces beïnvloeden?
  4. Hoe kan duaal leren voor meer jongeren een bewuste keuzen worden door gebruik te maken van gedragsinzichten?

Methode

De eerste onderzoeksvraag werd beantwoord via twee literatuurstudies. Naast de traditionele onderwijspsychologie, beroepen we ons ook op de inzichten van de gedragseconomie om het studiekeuzeproces van leerlingen te begrijpen.

De tweede onderzoeksvraag en derde onderzoeksvraag werden beantwoord aan de hand van een vragenlijst. De vragenlijst bevatte een keuze-experiment om het studiekeuzeproces van Vlaamse scholieren inzake duaal leren te doorgronden. Hierbij kozen leerlingen enkele keren tussen verschillende hypothetische opleidingen, die onderling verschillen op basis van enkele vastgelegde kenmerken. Naast de vragenlijst voor leerlingen werd ook een vragenlijst voor leraren ontwikkeld. Om de invloed van het aanbieden van informatie over duaal leren op het studiekeuzeproces na te gaan, namen leerlingen via de vragenlijst ook deel aan een informatie-experiment.

De laatste onderzoeksvraag werd beantwoord via een veldexperiment dat tracht van duaal leren een meer bewuste keuze te maken. Een selectie van scholen werd willekeurig aan de behandelings- of controlegroep toegewezen. Scholen in de controlegroep behielden hun huidige praktijk om leerlingen te begeleiden in hun studiekeuzeproces, terwijl de scholen in de behandelingsgroep daarbovenop deelnamen aan een campagne. Die campagne werd ontwikkeld geïnformeerd door de resultaten uit de eerste drie onderzoeksvragen.

Factoren die de studiekeuze bepalen

Welke factoren geeft de wetenschappelijke literatuur aan als bepalend voor de studiekeuze?
Het eerste deel van het literatuuroverzicht omtrent de studiekeuze leert ons waarover we leerlingen moeten informeren.

  1. Als de Vlaamse overheid en scholen erin slagen interesse aan te wakkeren voor duaal leren, leerlingen het gevoel te geven dat dit een opleiding is waar ze bekwaam voor zijn en die hun arbeidsmarktkansen kan verhogen, voorspelt de wetenschappelijke literatuur dat de aantrekkelijkheid van duale opleidingen zal toenemen. Dit lijken dus belangrijke elementen waarop beleid zich kan richten.
  2. Ten tweede is het belangrijk om zowel in te spelen op kennis als op gevoelens, en dit zo vroeg mogelijk. De vorming van attitudes tegenover een studierichting is een proces dat op jonge leeftijd begint en wordt beïnvloed door zowel kennis over als gevoelens tegenover bepaalde opleidingen. Het lijkt daarom wenselijk om, zolang het imago van duaal leren relatief negatief is, expliciet positieve campagnes uit te dragen, en die ook te richten op leerlingen in de eerste graad.
  3. Ten slotte leert dit literatuuroverzicht ons dat we niet alleen leerlingen moeten aanspreken, maar ook alle betrokken actoren: ouders, leerkrachten en scholen. Zij zijn immers cruciaal in het beïnvloeden van de vorming van de drie leerlingattitudes én hebben een rechtstreekse invloed op de keuze van de leerling.

Het tweede deel van het literatuuroverzicht stelt vier barrières voor die een keuze voor een duale opleiding zouden kunnen verhinderen.

  • default bias: ouders en leerlingen hebben, wegens een gebrek aan informatie of een gebrek aan aandacht voor studiekeuze, de neiging om te kiezen voor een niet-duale opleiding omdat dit als de standaardoptie wordt gepercipieerd
  • projection bias: leerlingen hebben de neiging om te onderschatten in welke mate hun voorkeuren in de toekomst zullen wijzigen, en dat vormt een barrière voor de keuze voor een duale opleiding
  • negatief imago, en de bijhorende negatieve invloed op het zelfbeeld
  • conformisme.

We formuleren hierbij ook tien mogelijke interventies of ‘nudges’ die deze gedragsbarrières kunnen verhelpen. Deze worden ingedeeld in drie groepen, op basis van de mate waarin ze inspelen op eerder actieve of eerder passieve besluitvorming. Hierbij is er telkens oog voor de wetenschappelijke evidentie rond hun (kosten)effectiviteit en mogelijke heterogeniteit.

Beslissingsproces duaal leren

Hoe verloopt het beslissingsproces van Vlaamse scholieren inzake hun studiekeuze voor duaal leren en welke (f)actoren zijn hierbij van invloed?

Ten eerste blijkt er veel heterogeniteit te zijn tussen de bevraagde leerlingen met betrekking tot hun voorkeur voor een duale of niet-duale opleiding. Sommige bevraagde leerlingen hebben een sterke voorkeur voor ofwel duale ofwel niet duale opleidingen, maar voor een groot deel van de leerlingen is dit een minder belangrijk kenmerk van de opleiding. Zo geeft 42% van de leerlingen meer om de mening van de klastitularis dan om het soort opleiding. Gemiddeld genomen lijken leerlingen van het vierde middelbaar iets vaker te kiezen voor opleidingen met minder werkplekleren, ongeacht of het een duale of niet-duale opleiding betreft.

Ten tweede blijkt dat de mening van de klastitularis en de leervergoeding van een opleiding een sterkere invloed hebben op het studiekeuzeproces dan de keuze van de vrienden en de pendeltijd naar de leerwerkplek.

Ten derde blijkt het relatief belang van de verschillende attributen samen te hangen met enkele achtergrondkenmerken van de leerlingen. De mening van de klastitularis weegt bijvoorbeeld het sterkst door bij leerlingen uit het TSO. Jongens hadden een sterkere voorkeur voor duale opleidingen, net als leerlingen met hoge studieresultaten.
Ten slotte bleek dat de mening van de ouders een zeer sterk effect kan hebben op de keuze van de leerling. Controleren voor de mening van de ouders vermindert bovendien het effect van de mening van de klastitularis en doet de negatieve voorkeur voor veel werkplekleren verdwijnen. Dat leerlingen in het vierde middelbaar in het keuze-experiment kozen voor opleidingen met minder werkplekleren zou met andere woorden verklaard kunnen worden door een gemiddelde voorkeur van de ouders ten aanzien van opleidingen met minder werkplekleren.

Dit zien we ook gereflecteerd in de attitudes tegenover duale opleidingen. De meerderheid van de leerlingen zelf is geïnteresseerd in werkplekleren, denkt dat hij of zij het goed zou kunnen en is positief over de latere arbeidsmarktkansen. Toch blijft het beeld hangen dat leerlingen voor een duale opleiding kiezen uit schoolmoeheid of voor de leervergoeding. Desondanks dat veel leerlingen zelf positief zijn over een duale opleiding op zich, zou het kunnen dat ze hier niet voor kiezen wegens het geassocieerde negatief imago. De mening van de ouders zou hierbij weleens een belangrijke rol kunnen spelen. Zowel leerlingen als leerkrachten geven aan dat ouders het minst positief staan tegenover duale opleidingen. We zien ook verschillen tussen leerlingen in TSO en BSO.

Leerlingen in het TSO zijn iets minder geïnteresseerd in werkplekleren en iets minder positief over de arbeidsmarktkansen van duale opleidingen dan leerlingen in het BSO. Ze zijn echter positiever over het imago van duale opleidingen. De grootte van deze verschillen tussen onderwijsvormen zijn tegelijkertijd zeker niet enorm. Bijvoorbeeld, waar leerlingen in het BSO hun interesse in werkplekleren gemiddeld als 3,8 op een schaal van vijf schatten, is dit bij leerlingen in het TSO gemiddeld 3,5. Desalniettemin zijn de uitdagingen omtrent het promoten van duaal leren als evenwaardig leertraject in beide onderwijsvormen licht verschillend.

Keuzeproces beïnvloeden

Kan het aanbieden van informatie rond duaal leren het keuzeproces beïnvloeden?

De informatie-behandeling, in de vorm van een korte interactieve quiz aan het begin van de vragenlijst, werd ontwikkeld aan de hand van de gedragsinzichten uit de literatuurstudie. De quiz informeerde leerlingen over het toekomstig economisch nut van een duale opleiding en framede de opleiding als uitdagend en evenwaardig. De quiz maakte ook gebruik van een sociale vergelijkings-nudge door de populariteit van de opleiding in ander landen te benadrukken.

De informatie-behandeling leidde tot een sterkere voorkeur voor duale opleidingen in het keuze-experiment, maar enkel als we de analyse baseren op BSO leerlingen in hun 4e, 5e of 6e jaar. Het betrekken van deze hogere jaren en het uitsluiten van TSO leerlingen was nodig om dit effect te vinden. Zij lijken dus meer ontvankelijk te zijn voor een informatie-nudge die de voordelen van duaal leren benadrukt. Dit toont aan dat goed ontwikkelde korte interventies al een effect kunnen hebben op de voorkeuren voor studierichtingen van leerlingen.

Daarnaast zagen we dat bij de gehele steekproef van leerlingen in hun 4e jaar de informatiebehandeling de perceptie van een diploma duaal leren als volwaardige diploma verbeterde, maar dat het de perceptie over de doorstroommogelijkheden na een duale opleiding deed verslechteren. Dit laatste is verbazend mits geen enkele van de stellingen over de doorstroommogelijkheden sprak. Het is echter mogelijk dat de informatiebehandeling leerlingen meer deed nadenken over duaal leren, en dat de vrees voor lagere slaagkansen in het hoger onderwijs hierdoor spontaan toenam. Dit is ook een mogelijke reden waarom de informatiebehandeling geen effect had op de voorkeur voor duaal leren bij leerlingen in het TSO.

Gedragsinzichten

Hoe kan duaal leren voor meer jongeren een bewuste keuze worden door gebruik te maken van gedragsinzichten?

Bij de analyse van de resultaten van de campagne in onze steekproef van TSO en BSO scholen zagen we een positief maar insignificant geschat effect op het aantal leerlingen in duale opleidingen, en een positief en (afhankelijk van de specificatie) significant geschat effect op het aandeel leerlingen in duale opleiding. We zagen een gemiddelde toename van ongeveer één leerling in TSO en BSO scholen, maar met een relatief grote standaardfout. Hierdoor kunnen we niet met zekerheid uitsluiten dat het geschatte effect aan toeval te wijten is, en moeten de resultaten met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. We zagen wel een toename van 0.3 tot 0.8 procentpunten in het aandeel leerlingen (op een gemiddelde van ongeveer 2%), een geschat effect dat afhankelijk van de specificatie wel significant is. Dit verschil in conclusie naar gelang de uitkomstvariabele is te wijten aan het verschil in totale inschrijvingsaantallen van de scholen. Omdat de geschatte effecten wel altijd positief waren en de campagne expliciet positieve feedback kreeg van leraren, is een zeker voorzichtig optimisme over de positieve invloed op zijn plaats. De resultaten zijn echter te onbetrouwbaar om met zekerheid te stellen dat een bredere uitrol van de campagne gelijkaardige effecten zou teweegbrengen. De grootte van het effect blijft ook relatief beperkt.

Daarom moeten we stilstaan bij de mogelijke oorzaken van de onzekerheid en beperkte grootte van de invloed van de campagne.

  1. Ten eerste lijkt het dat niet alle scholen de volle breedte van het campagnemateriaal even intens hebben benut, ondanks dat de scholen zich in de eerste plaats vrijwillig hadden aangemeld voor het onderzoek. Waar de filmpjes slechts beperkt bezocht worden, werd de quiz die in klasverband kon worden gespeeld wel intens gebruikt. Dit benadrukt opnieuw de cruciale rol van leerkracht als facilitator van het studiekeuzeproces.
  2. Ten tweede is het mogelijk dat de campagne te laat viel gezien het mogelijks vroegere orïenteringsproces richting duale opleidingen.
  3. Ten derde is het mogelijk dat door het gebrek aan aangeboden opleidingen de inschrijvingsaantallen in duaal leren relatief rigide zijn. Met andere woorden, duaal leren promoten bij leerlingen die voor hun huidige studierichting geen duaal equivalent hebben is vermoedelijk weinig effectief. Het promoten van duaal leren als actieve en bewuste keuze zet in dat geval best niet alleen in op de vraagzijde, namelijk de leerlingen en ouders, maar ook de aanbodzijde.

Beleidsimplicaties

Aan de hand van de bovenstaande resultaten formuleren we acht beleidsimplicaties:

  1. Hanteer een veelzijdige en gedifferentieerde aanpak in het promoten van duaal leren als evenwaardig leertraject.
  2. Informeer leerlingen duurzaam, helder en aandachtsgrijpend om in te spelen op actieve besluitvormingsprocessen.
  3. Speel in op affectieve elementen en andere passieve besluitvormingsprocessen.
  4. Spreek externe actoren, zoals ouders en leerkrachten, expliciet aan.
  5. Bied voldoende inzichten in de doorstroommogelijkheden van duale opleidingen.
  6. Het benadrukken van de leervergoeding kan effectief zijn, maar houdt risico’s in.
  7. Voor het promoten van duaal leren als evenwaardig leertraject is meer dan goed campagnemateriaal nodig.
  8. Evalueer innovaties eerst kleinschalig via gerandomiseerde experimenten.