Inkorting - opgave rekenboedel - de wijze van inkorting werd weldegelijk vermeld in de aangifte van nalatenschap
- Nummer
24/2747/A
- Datum beslissing
23 april 2026
- Publicatiedatum
2 juni 2026
- Rechtbank
Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent
- Status
Definitief
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.7.0.1. VCF
- art. 3.3.1.0.8, §1, eerste lid, 17° VCF
- art. 4.153 BW
Samenvatting
Mevr. M is op 02/11/2023 overleden. Zij liet één dochter, mevr. G, na.
Op 16/11/2023 werd bij notaris D een eigenhandig testament neergelegd. In dat testament verklaarde mevr. M dat zij haar halfbroer de heer J (= eiser) aanstelt als haar enige algemene legataris van haar volledige nalatenschap.
Door notaris D werd, namens zowel mevr. G, als eiser de heer J, op 17/01/2024 een attest van erfvolging opgesteld.
Daarin wordt vastgesteld dat, op basis van de wettelijke devolutie alsook het eigenhandig testament, de erflaatster als enige, wettelijke en reservataire respectievelijk als testamentaire erfgerechtigden naliet, haar dochter G en haar halfbroer J langs moederszijde.
Zo ook dat iedere erfgerechtigde diens erfkeuze heeft uitgeoefend en de nalatenschap heeft aanvaard en aldus de hoedanigheid van erfgenaam heeft.
Vervolgens gaat de notaris, optredende voor zowel mevr. G als voor eiser halfbroer J, over tot de vaststelling van de gerechtigdheden van de erfgenamen.
lngevolge het reservatair erfdeel van mevr. G, wordt het legaat aan eiser, beperkt tot het grootst beschikbaar deel. En wordt verklaard dat bijgevolg, zoals uitdrukkelijk bepaald door de notaris, mevr. G recht heeft op de helft van de volle eigendom en eiser eveneens op de helft van de volle eigendom.
Aangezien de nalatenschap enkel roerende goederen betreft, zal de inbezitstelling onderhands tussen de erfgenamen gebeuren.
Het gaat ter zake om een authentieke akte die op basis van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek tot betichting van valsheid een bewijs oplevert van wat de openbare of ministeriële ambtenaar persoonlijk heeft verricht of vastgesteld, zonder dat het voor de partijen mogelijk is om daarvan af te wijken.
Een authentieke akte levert een volledig bewijs op van de overeenkomst die erin vervat is tussen de partijen.
Vervolgens heeft notaris D, opnieuw in opdracht van zowel mevr. G en eiser, op 01/03/2024 een gezamenlijke aangifte van nalatenschap ingediend.
In de aangifte wordt, overeenkomstig de akte van vaststelling van erfopvolging, mevr. G als aangever 1 aangemerkt met recht op ½ van de volle eigendom. Eiser wordt als aangever 2 aangemerkt met eveneens recht op ½ van de volle eigendom.
Specifiek in verband met de inkorting, wordt in de gezamenlijke aangifte van nalatenschap, die de notaris voor zowel mevr. G als eiser indiende, het volgende opgenomen:
“Er werd inkorting gevraagd:
Beschrijving van de inkorting: lnkorting ten belope van de helft van het legaat zodat mevrouw G haar wettelijke reserve verkrijgt.
Personen die inkorting hebben gevraagd:
Naam 1 G”
VLABEL bevestigt zelf dat blijkens de aangifte de inkorting door mevr. G werd gevraagd.
VLABEL stelt dat in de aangifte ook vermeld moet worden op welke wijze de inbreng of de inkorting gebeurt (toepassing van artikel 3.3.1.0.8 § 1, eerste lid, 17° VCF).
In tegenstelling tot wat VLABEL voorhoudt, werd dit wel degelijk in de aangifte vermeld:
“Beschrijving van de inkorting: lnkorting ten belope van de helft van het legaat zodat mevr. G haar wettelijke reserve verkrijgt.”
Aan de voorwaarde van artikel 3.3.1.0.8 § 1, eerste lid, 17° VCF werd dan ook wel degelijk voldaan. Gemeld wordt op welke wijze de inbreng of inkorting gebeurt.
Daarbij wordt ook aangegeven, bij de vermeldingen van het ‘fiscaal vermogen’ dat er geen schenkingen, levensverzekeringen en legaten zijn die aan inbreng of inkorting onderworpen zijn.
Verder geeft VLABEL zelf toe dat het mogelijk is, zoals eiser stelt, dat de rekenboedel beschikbaar en duidelijk is, gelet op het feit dat er geen voorafgaande verrichtingen zijn gebeurd.
Ten onrechte stelt VLABEL dat dit evenwel niet zeker is gelet op het feit dat mevr. G dit niet wil bevestigen in antwoord op een brief van de raadsman van eiser.
Dat mevr. G ter zake niet meer wil tussenkomen is evenwel begrijpelijk gelet op het feit dat zij een aanslag in de erfbelasting ontving met 0,00 EUR te betalen rechten.
Dit doet geen afbreuk aan de vermeldingen die werden opgenomen, namens zowel mevr. G als namens eiser, in de erfrechtverklaring waarin er niets vermeld wordt van voorafgaande verrichtingen, en in de gezamenlijke aangifte waarin, opnieuw namens mevr. G. en namens eiser, uitdrukkelijk vermeld wordt dat er geen voorafgaande verrichtingen waren. Er ligt geen enkel stuk voor waaruit blijkt dat mevr. G., die zelf verklaarde de inkorting te vragen, niet akkoord ging met de verdeling van ieder ½ van de volle eigendom. Gelet op het feit dat er enkel roerende goederen waren, was er geen discussie over de rekenboedel die op basis van de stukken bepaald en duidelijk is.
Artikel 2.7.7.0.1 VCF bepaalt dat de erfbelasting wordt gevestigd op zicht van de aangifte of ambtshalve als de aangifte niet is ingediend binnen de termijn, of bij onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte.
In casu werd de aangifte binnen de termijn ingediend, terwijl VLABEL niet aantoont dat er sprake is van een onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte.
Gevolg is dat de aanslag lastens eiser overeenkomstig de aangifte, moest worden gevestigd op het erfdeel zoals vermeld in deze aangifte, meer bepaald op ½ van de volle eigendom van de nalatenschap.