Heffing

  • Erfbelasting

Vlaamse Codex Fiscaliteit

  • 2.7.3.2.1.

Standpunt

Eigen gelden gestort op een eigen of gemeenschappelijke bankrekening behoren, behoudens tegenbewijs, tot het gemeenschappelijk vermogen (vermoeden van gemeenschappelijkheid overeenkomstig art. 2.3.22, §3 BW; arrest Hof van Cassatie dd. 21.01.2011). Als er eigen gelden op de bankrekening worden gezet, wordt vermoed dat de echtgeno(o)te niet de bedoeling had deze som apart te houden. Het is aan de echtgeno(o)te om het tegenbewijs hiervan te leveren.

Om gelden die op een bankrekening zijn gestort nog als eigen te kunnen beschouwen dient bewezen te worden dat deze individualiseerbaar/traceerbaar zijn.

Er treedt vermenging op van eigen gelden met gemeenschapsgelden indien ingevolge verschillende transacties en bewegingen op de bankrekening de eigen gelden niet langer individualiseerbaar/traceerbaar zijn.

Het enkele gegeven dat tijdens het huwelijk eigen gelden zijn terechtgekomen op een bankrekening, hetzij op naam van beide echtgenoten hetzij op naam van een van beide echtgenoten, waarop het wettelijk vermoeden van gemeenschap van toepassing is, volstaat niet als bewijs dat er vermenging is opgetreden tussen eigen gelden en gemeenschapsgelden (Cassatie 4 september 2020, C.19.0635.N en Cassatie 17 maart 2022, C.21.0373.N).

Ook het feit dat er interesten zijn bijgekomen die zowel betrekking hebben op de gemeenschappelijke als de eigen gelden, maakt nog niet dat we van vermenging kunnen spreken.

Historiek

  • gewijzigd op 20.06.2022, publicatie op 15.07.2022
  • aangevuld op 21.06.2017, publicatie op 10.07.2017
  • oorspronkelijk standpunt dd. 02.03.2015, publicatie op 17.03.2015