Gedaan met laden. U bevindt zich op: SP 19021 - Doorgeefschenking Vlaamse Belastingdienst

SP 19021 - Doorgeefschenking

Administratief standpunt
Nummer
19021
Datum beslissing
24 oktober 2022
Publicatiedatum
8 november 2022

Heffing

  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.8.6.0.9. VCF

Hoe moeten de limieten van artikel 2.8.6.0.9 VCF berekend worden indien er meerdere onroerende goederen worden geschonken die niet allemaal deels uit een nalatenschap komen, en in de veronderstelling dat de totale waarde per begunstigde hoger is dan € 150.000 waardoor er deels belast wordt aan 3% en deels aan 9%. Concreet: hoe bereken je de principieel verschuldigde schenkbelasting (SB) vóór vrijstelling?

Deze vraagstelling doet ook de vraag rijzen naar andere situaties waarbij zowel roerend als onroerend goed wordt geschonken en waarbij de brutowaarde van het erfdeel al dan niet groter is dan de waarde van de geschonken goederen. Daarnaast bekijken we ook de situaties waarbij er wordt geopteerd om de onroerende goederen in verschillende akten te schenken en een schenking op last van een geldsom.

Daarnaast worden nog een aantal andere situaties besproken die zich kunnen voordoen in het kader van een doorgeefschenking.

  • Vrijstelling ten belope van geschonken waarde waarop erfbelasting betaald werd (1e limiet)

    • Proportionele reductie van de vrijstelling indien geschonken waarde > geërfde waarde
  • Bedrag van de vrijstelling kan niet hoger zijn dan betaalde erfbelasting (2e limiet)
    • Proportionele reductie van het maximum indien geërfde waarde > geschonken waarde
  • Voor onroerende goederen is vereist dat ze geheel of gedeeltelijk uit de nalatenschap afkomstig zijn om voor vrijstelling in aanmerking te komen.
  • Bij het uitwerken van de situaties kijken we steeds eerst of er erfenisvreemde onroerende [1] goederen worden geschonken. Is dit het geval, dan dient er een opsplitsing te worden gemaakt tussen de schenkbelasting op het erfenisvreemd OG en de overige schenkbelasting (op het niet-erfenisvreemd OG + RG). De SB op het erfenisvreemd OG zal steeds verschuldigd zijn.
  • Voor het aftoetsen van de limieten (zie hierna) moet er steeds verder worden gewerkt met de SB die in aanmerking komt voor de vrijstelling (dus de SB op het niet erfenisvreemd OG + RG). Heeft de schenking louter betrekking op goederen uit de erfenis, dan dient bovenstaande opsplitsing niet te worden gemaakt en wordt er gerekend met de totale SB en de totale belastbare grondslag van de SB.
  • In de situaties waarbij we afwijken van de letterlijke tekst van artikel 2.8.6.0.9, 2e lid VCF, en we dus niet de totale belastbare grondslag van de schenking weerhouden maar de belastbare grondslag in functie van de goederen die voor vrijstelling in aanmerking komen, is dit te rechtvaardigen door het 6e lid van voornoemd artikel dat duidelijk stelt dat er geen vrijstelling kan worden verleend in de mate de schenking een onroerend goed tot voorwerp heeft dat geen deel uitmaakte van de nalatenschap. Door voorafgaandelijk de schenkbelasting op deze erfenisvreemde onroerende goederen af te splitsen van de totale schenkbelasting, volgen we de ratio legis van de vrijstellingsregeling, en dient het 2e lid van artikel 2.8.6.0.9 VCF te worden gelezen als zijnde ‘de totale belastbare grondslag van de schenking die in aanmerking komt voor de vrijstelling’.
  • Situatie 1 : Schenking in één akte van een niet-erfenisvreemd OG en van een erfenisvreemd OG aan dezelfde begiftigde

  • Situatie 2 : Schenking in twee verschillende akten: eerst schenking van het erfenisvreemd OG en vervolgens schenking van het niet erfenisvreemd OG

  • Situatie 3 : Gelijktijdige schenking van zowel RG als een niet-erfenisvreemd OG (waarbij de schenking groter is dan het bruto-erfdeel)

  • Situatie 4 : Gelijktijdige schenking van RG en erfenisvreemd OG

  • Situatie 5 : Schenking van een niet-erfenisvreemd OG op last van een geldsom

  • Situatie 6 : Schenking van een erfenisvreemd OG op last van een geldsom
  • Situatie 7: schenking van zowel RG als niet-erfenisvreemde OG in éénzelfde akte waarbij door een opsplitsing enkel voor een deel van de geschonken goederen de vrijstelling gevraagd wordt
  • Situatie 8: Het onroerend goed dat doorgeschonken wordt, behoorde enkel voor het vruchtgebruik toe aan de erflater; dit vruchtgebruik dooft uit door het overlijden van de erflater. Kan in dergelijk geval een vrijstelling doorgeefschenking toegekend worden?
  • Situatie 9: Hoe gebeurt de omslag van de berekende schenkbelasting op het totaal van de geschonken onroerende goederen over de erfenisvreemde en de niet erfenisvreemde onroerende goederen, indien de schenking deels betrekking heeft op onroerende goederen die vrijgesteld zijn van schenkbelasting (bij gunstregime familiale onderneming)? Moet de waarde van de vrijgestelde onroerende goederen al dan niet gevoegd worden bij de waarde van onroerende goederen voor de omslag van de SB?
  • Situatie 10: Hoe dient bij gelijktijdige schenkingen aan meerdere begiftigden die belast worden aan verschillende tarieven in de schenkbelasting, de vrijstelling van schenkbelasting verdeeld te worden over de verschillende begiftigden?
  • Situatie 11: Wat bij combinatie vrijstelling doorgeefschenking, abattement handicap en vermindering minderjarige kinderen: in welke volgorde dienen ze worden toegepast?
  • Situatie 12: Doorgeefschenking voorafgegaan door twee overlijdens
  • Situatie 13: Wat indien VLABEL een tekortschatting vestigt op het geschonken goed waardoor aanvullende schenkbelasting verschuldigd is?

Situatie 1

Schenking in één akte van een niet-erfenisvreemd OG en van een erfenisvreemd OG aan dezelfde begiftigde

  1. Waarde geschonken goederen groter dan brutowaarde erfdeel.

We vertrekken van de situatie waarbij de waarde van de geschonken goederen groter is dan de brutowaarde van het erfdeel. Dit betekent dat de vrijstelling van de schenkbelasting moet worden beperkt overeenkomstig artikel 2.8.6.0.9., 2e lid VCF (toepassing 1e limiet).

Bruto-erfdeel: € 230.000

Betaalde EB: € 14.500

Schenking aan zijn 2 kinderen van:

  • een (deels) geërfd OG: € 250.000
  • een erfenisvreemd OG: € 100.000

Totale schenking: € 350.000, waarbij elk kind dus € 175.000 krijgt.

Artikel 2.8.6.0.9, 6e lid VCF bepaalt dat de vrijstelling van de schenkbelasting niet kan worden verleend voor onroerende schenkingen in de mate deze schenking een onroerend goed tot voorwerp heeft dat geen deel uitmaakte van de verkrijging bij het overlijden.

In die zin dienen we in bovenstaande casus de schenkbelasting op het erfenisvreemd OG eerst af te scheiden van de totale schenkbelasting. Aangezien het een schenking betreft van zowel erfenisvreemde als niet‑erfenisvreemde onroerende goederen, en de tarieven voor onroerende schenkingen progressief worden berekend, wordt eerst de totale schenkbelasting berekend en vervolgens pro rata opgesplitst tussen het erfenisvreemd en het niet-erfenisvreemd OG.

Elk kind krijgt € 175.000 geschonken.
Totale SB (zonder vrijstelling) = (€ 150.000 x 3%) + (€ 25.000 x 9%) = € 6.750 per kind

SB erfenisvreemd OG: € 6.750 (berekende SB per kind) x € 50.000 (schenking erfenisvreemd OG per kind)
/ € 175.000 (totale schenking per kind) = € 1.928,57 => hoe dan ook verschuldigd

SB geërfd OG: € 6.750 (berekende SB per kind) x € 125.000 (schenking geërfd OG per kind)
/ € 175.000 (totale schenking per kind) = € 4.821,43

Vervolgens dient de schenkbelasting op het geërfd OG te worden afgetoetst aan de twee limieten.
(Enkel de 1e limiet want 2e limiet vormt geen probleem.)

1e limiet: berekende SB geërfd OG x brutowaarde erfdeel / belastbare grondslag SB geërfd OG
€ 4.821,43 x € 230.000 / € 250.000 = € 4.435,72 (maximale vrijstelling per kind)

Aangezien we de totale schenkbelasting reeds hebben opgesplitst tussen het erfenisvreemd OG en het geërfd OG, en we in bovenstaande formule dus enkel verder werken met de SB op het geërfd OG, wordt voor de noemer eveneens enkel de belastbare grondslag van dat gedeelte van de schenking genomen. We steunen hierbij op artikel 2.8.6.0.9, 6e lid VCF dat zegt dat we geen rekening mogen houden met onroerende goederen die niet (deels) afkomstig zijn uit de nalatenschap.

De te betalen schenkbelasting per kind bedraagt: € 1.928,57 + (€ 4.821,43 - € 4.435,72) = € 2.314,28

  1. Waarde geschonken goederen kleiner dan bruto-erfdeel

Voorbeeld 1

Bruto-erfdeel: € 300.000

Betaalde EB: € 14.500

Schenking aan zijn 2 kinderen van:

  • een (deels) geërfd OG: € 250.000
  • een erfenisvreemd OG: € 100.000

Totale schenking: € 350.000, waarbij elk kind dus € 175.000 krijgt.

Indien de waarde van de geschonken goederen kleiner is dan de waarde van het bruto-erfdeel, kan dezelfde werkwijze als bovenstaand worden gevolgd maar dient de formule bij de 1e limiet niet te worden toegepast.

Er dient dus opnieuw eerst een opsplitsing te gebeuren tussen de SB op het erfenisvreemd OG en de SB op het niet-erfenisvreemd OG (zie situatie 1.A).

Elk kind krijgt € 175.000 geschonken.
Totale SB (zonder vrijstelling) = (€ 150.000 x 3%) + (€ 25.000 x 9%) = € 6.750 per kind

SB erfenisvreemd OG: € 6.750 (berekende SB per kind) x € 50.000 (schenking erfenisvreemd OG per kind)
/ € 175.000 (totale schenking per kind) = € 1.928,57 => hoe dan ook verschuldigd

SB geërfd OG: € 6.750 (berekende SB per kind) x € 125.000 (schenking geërfd OG per kind)
/ € 175.000 (totale schenking per kind) = € 4.821,43

Vervolgens dient de schenkbelasting op het geërfd OG te worden afgetoetst aan de twee limieten.

Aangezien de brutowaarde van het erfdeel groter is dan de waarde van de geschonken goederen die in aanmerking komen voor de vrijstelling, valt de vrijstelling binnen de 1e limiet (zonder toepassing van de formule). Bijgevolg bedraagt de maximale vrijstelling per kind: € 4.821,43.

Het vrijgestelde bedrag mag niet meer bedragen dan de betaalde erfbelasting (toepassing 2e limiet). Voor het bedrag van de betaalde erfbelasting mag bovendien enkel rekening worden gehouden met de erfbelasting betaald op de goederen die worden (door)geschonken en voor vrijstelling in aanmerking komen. Aangezien er minder wordt doorgeschonken dan er werd geërfd, moet het bedrag van de erfbelasting beperkt worden als volgt:

Beperking erfbelasting voor toepassing 2e limiet: betaalde EB x belastbare grondslag SB geërfde goederen / totaal bruto-erfdeel
€ 14.500 x € 250.000 / € 300.000 = € 12.083,33 /2 (kinderen) = € 6.041,67

Aangezien er 2 begiftigden zijn, wordt de 2e limiet berekend per begiftigde. Wanneer er meerdere begiftigden zijn, moeten de limieten worden verdeeld over de begiftigden naar verhouding van hun aandeel in de schenking.

Dit is het bedrag van de betaalde EB met betrekking tot het doorgeschonken (geërfd) onroerend goed. Aan dit bedrag dient het bedrag van de vrijstelling te worden afgetoetst in functie van de 2e limiet.

2e limiet: bedrag vrijstelling < betaalde EB
€ 4.821,43 < € 6.041,67 dus € 4.821,43 mag volledig worden vrijgesteld.

De te betalen schenkbelasting bedraagt dan € 1.928,57, namelijk de schenkbelasting op het erfenisvreemd onroerend goed.

Voorbeeld 2

Bruto-erfdeel: € 300.000

Betaalde EB: € 9.000

Schenking door de partner van de erflater van de gezinswoning aan hun 2 kinderen:

  • een (deels) geërfd OG: € 250.000
  • een erfenisvreemd OG: € 100.000

Totale schenking: € 350.000.

Er dient opnieuw eerst een opsplitsing te gebeuren tussen de SB op het erfenisvreemd OG en de SB op het niet-erfenisvreemd OG (zie situatie 1.A).

Elk kind krijgt € 175.000 geschonken.
Totale SB (zonder vrijstelling) = (€ 150.000 x 3%) + (€ 25.000 x 9%) = € 6.750 per kind

SB erfenisvreemd OG: € 6.750 (berekende SB per kind) x € 50.000 (schenking erfenisvreemd OG per kind)
/ € 175.000 (totale schenking per kind) = € 1.928,57 => hoe dan ook verschuldigd

SB geërfd OG: € 6.750 (berekende SB per kind) x € 125.000 (schenking geërfd OG per kind)
/ € 175.000 (totale schenking per kind) = € 4.821,43

Vervolgens dient de schenkbelasting op het geërfd OG te worden afgetoetst aan de twee limieten.

Aangezien de brutowaarde van het erfdeel groter is dan de waarde van de geschonken goederen die in aanmerking komen voor de vrijstelling, valt de vrijstelling binnen de 1e limiet (zonder toepassing van de formule). Bijgevolg bedraagt de maximale vrijstelling per kind: € 4.821,43.

Het vrijgestelde bedrag mag niet meer bedragen dan de betaalde erfbelasting (toepassing 2e limiet). Voor het bedrag van de betaalde erfbelasting mag bovendien enkel rekening worden gehouden met de erfbelasting betaald op de goederen die worden (door)geschonken en voor vrijstelling in aanmerking komen. Aangezien er minder wordt doorgeschonken dan er werd geërfd, moet het bedrag van de erfbelasting beperkt worden als volgt:

Beperking erfbelasting voor 2e limiet: betaalde EB x belastbare grondslag SB geërfde goederen / totaal bruto-erfdeel:
€ 9.000 x € 250.000 / € 300.000 = € 7.500 /2 (kinderen) = € 3.750 per begiftigde

Dit is het bedrag van de betaalde EB met betrekking tot het doorgeschonken (geërfd) onroerend goed. Aan dit bedrag dient het bedrag van de vrijstelling te worden afgetoetst in functie van de 2e limiet.

2e limiet: bedrag vrijstelling < betaalde EB
€ 4.821,43 > € 3.750 dus de vrijstelling wordt beperkt tot € 3.750.

De te betalen schenkbelasting bedraagt dan € 3.000 per begiftigde, namelijk € 1.928,57 + (€ 4.821,43 - € 3.750).

Situatie 2

Schenking in twee verschillende akten: eerst schenking van het erfenisvreemd OG en vervolgens schenking van het niet erfenisvreemd OG

Vertrekbasis: voorbeeld uit situatie 1.A waarbij de waarde van de geschonken goederen groter is dan de brutowaarde van het erfdeel (m.a.w. toepassing van de 1e limiet).

Bruto-erfdeel: € 230.000

Betaalde EB: € 14.500

Schenking aan zijn twee kinderen als volgt:

  • een 1e schenking van erfenisvreemd OG: € 100.000; elk kind krijgt dus € 50.000
  • een 2e schenking van een geërfd OG: € 250.000; elk kind krijgt dus € 125.000

SB op 1e akte (erfenisvreemd OG) per kind: € 50.000 x 3% = € 1.500
Hierop kan geen vrijstelling worden toegepast aangezien het gaat om een erfenisvreemd OG.

SB op 2e akte (geërfd OG) per kind: (€ 100.000 x 3%) + (€ 25.000 x 9%) = € 5.250 (toepassing progressie-voorbehoud cf. artikel 2.8.3.0.3 VCF)

Op de berekende SB van akte 2 worden de limieten toegepast.

1e limiet: berekende SB geërfd OG x brutowaarde erfdeel / belastbare grondslag SB geërfd OG
€ 5.250 x € 230.000 / € 250.000 = € 4.830 (maximale vrijstelling per kind)

2e limiet: bedrag vrijstelling < betaalde EB
€ 4.830 < (€ 14.500 /2 (kinderen)) => OK

De te betalen schenkbelasting bedraagt voor elk kind in akte 2: € 5.250 – € 4.830 = € 420.

Op de beide akten samen betaalt elk kind dus € 1.920 (= € 1.500 + € 420) schenkbelasting, wat veel voordeliger is dan in het geval van gelijktijdige schenking (€ 2.314,28) (zie situatie 1).

Het voordeel wordt groter naarmate de tweede schenking voor een groter aandeel onder het tarief van 9% (en 18% en 27%) valt.

We erkennen dat deze piste voor de BP voordeliger kan zijn, doch dit is een keuze die de BP zelf kan maken (in functie van de kosten die met een tweede akte gepaard gaan) en die niet strijdig is met de wet.

Situatie 3

Gelijktijdige schenking van zowel RG als een niet-erfenisvreemd OG (waarbij de schenking groter is dan het bruto-erfdeel)

Brutowaarde erfdeel RG: € 50.000

Brutowaarde erfdeel OG: € 200.000

Totaal bruto-erfdeel: € 250.000

Betaalde EB: € 14.700

Schenking aan 1 kind van:

  • geërfd OG: € 200.000
  • RG: € 60.000

Totale schenking: € 260.000

We berekenen de totale schenkbelasting zonder toepassing van de vrijstelling. Alle geschonken goederen komen volledig of deels uit de erfenis en dus kan de totale schenkbelasting in aanmerking komen voor de toepassing van de vrijstelling (maar rekening houdend met de toe te passen limieten hierna).

SB RG: € 60.000 x 3% = € 1.800
SB OG: (€ 150.000 x 3%) + (€ 50.000 x 9%) = € 9.000
Totale SB: € 10.800

Aangezien de waarde van de geschonken goederen groter is dan de waarde van het bruto-erfdeel, dienen we de beperking overeenkomstig artikel 2.8.6.0.9, 2e lid VCF toe te passen (toepassing 1e limiet). Bij de toepassing van deze limiet wordt de totale SB weerhouden ten opzichte van de totale belastbare grondslag van de SB aangezien er geen erfenisvreemde OG worden geschonken.

1e limiet: berekende SB totaal x brutowaarde erfdeel totaal/belastbare grondslag SB totaal
€ 10.800 x € 250.000 / € 260.000 = € 10.384,62 (maximale vrijstelling)

2e limiet is OK.

De verschuldigde schenkbelasting bedraagt: € 10.800 - € 10.384,62 = € 415,38.

Situatie 4

Gelijktijdige schenking van RG en erfenisvreemd OG

Brutowaarde erfdeel RG: € 50.000

Brutowaarde erfdeel OG: € 200.000

Totaal bruto-erfdeel: € 250.000

Betaalde EB: € 14.700

Schenking aan 1 kind van:

  • een (ander) erfenisvreemd OG: € 180.000
  • RG: € 80.000

Totale schenking: € 260.000.

Aangezien er erfenisvreemde OG worden geschonken, dient er eerst een opsplitsing gemaakt te worden tussen de SB op de erfenisvreemde goederen en de SB op de niet-erfenisvreemde goederen (zie eveneens situatie 1 en 2). Hier kan de opsplitsing eenvoudig plaatsvinden aangezien er enkel erfenisvreemde OG worden geschonken.

SB RG: € 80.000 x 3% = € 2.400

SB (erfenisvreemd) OG: (€ 150.000 x 3%) + (€ 30.000 x 9%) = € 7.200 => hoe dan ook verschuldigd

De SB op de RG wordt vervolgens afgetoetst aan de twee limieten.

Aangezien de waarde van de geschonken goederen die voor de vrijstelling in aanmerking komen (€ 80.000) kleiner is dan de brutowaarde van het erfdeel (€ 250.000), dient de vrijstelling niet te worden beperkt in functie van de 1e limiet. De maximale vrijstelling bedraagt bijgevolg € 2.400.

Er dient wel rekening te worden gehouden met de toepassing van artikel 2.8.6.0.9, 4e lid VCF.. Er mag namelijk enkel rekening worden gehouden met de betaalde erfbelasting van de geschonken goederen die in aanmerking komen voor de vrijstelling. De goederen die niet in aanmerking komen voor de vrijstelling werden reeds uit de berekening van de vrijstelling gehaald (zie hierboven).

Beperking erfbelasting voor 2e limiet: € 14.700 (betaalde EB) x € 80.000 (belastbare grondslag SB RG) /

€ 250.000 (totaal bruto-erfdeel) = € 4.704 (betaalde EB RG)

=> toepassing 2e limiet: de vrijstelling mag niet hoger zijn dan de betaalde EB (van de geschonken goederen die in aanmerking komen voor de vrijstelling) => OK dus € 2.400 volledig vrijgesteld.

De verschuldigde SB bedraagt € 7.200.

Situatie 5

Schenking van een niet-erfenisvreemd OG op last van een geldsom

Brutowaarde erfdeel OG: € 125.000

Brutowaarde erfdeel RG: € 50.000

Totaal bruto-erfdeel: € 175.000

Betaalde EB: € 9.450

Schenking OG € 250.000 (voor de helft geërfd) aan A op last van een geldsom van € 125.000 aan B.

SB A en B elk: € 125.000 x 3% = € 3.750

1e limiet: berekende SB x totale brutowaarde erfdeel/totale belastbare grondslag SB

€ 3.750 x € 175.000 / € 250.000 = € 2.625 (maximale vrijstelling)

2e limiet is OK. (€ 2.625 < (€ 9.450 / 2))

€ 3.750 – € 2.625 = € 1.125 schenkbelasting te betalen door zowel A als B.

Situatie 6

Schenking van een erfenisvreemd OG op last van een geldsom

Brutowaarde erfdeel OG: € 125.000

Brutowaarde erfdeel RG: € 50.000

Totaal bruto-erfdeel: € 175.000

Betaalde EB: € 9.450

Schenking OG € 250.000 (erfenisvreemd) aan A op last van een geldsom van € 125.000 aan B.

SB A en B elk: € 125.000 x 3% = € 3.750

De hoofdschenking betreft een erfenisvreemd OG dus er kan geen vrijstelling worden toegepast in hoofde van A. In hoofde van B wordt de secundaire schenking (indien aanvaard[2]) in toepassing van artikel 2.8.3.0.1, § 3 VCF eveneens beschouwd als een onroerende schenking. Aangezien de hoofdschenking betrekking heeft op een erfenisvreemd OG, geldt dit eveneens voor de secundaire schenking en kan B dus geen aanspraak maken op de vrijstelling (niettegenstaande de schenking van een som geld op zich een roerende schenking zou zijn). Ook in het kader van een gelijke behandeling tussen de kinderen A en B is dit te rechtvaardigen.

Situatie 7

Schenking van zowel RG als niet-erfenisvreemde OG in éénzelfde akte waarbij door een opsplitsing enkel voor een deel van de geschonken goederen de vrijstelling gevraagd wordt

Indien de vrijstelling slechts voor een deel wordt aangevraagd, dient artikel 2.8.6.0.9 VCF letterlijk toegepast te worden en moet De schenkbelasting bedoeld in de parameter uit artikel 2.8.6.0.9, 2e lid, 1° VCF berekend worden op alles wat in de akte wordt geschonken en dus niet enkel op de goederen waarvoor de vrijstelling gevraagd wordt.

Bruto-erfdeel goederen: € 338.000

Betaalde erfbelasting : € 28.000

De schenkingsakte wordt gesplitst in 2 schenkingen namelijk eerst een “gewone” schenking gevolgd door een doorgeefschenking :

  1. gewone schenking (zonder aanvraag vrijstelling)

roerende goederen ter waarde van € 300.000

onroerende goederen ter waarde van € 150.000

  1. doorgeefschenking (met aanvraag vrijstelling)

roerende goederen ter waarde van € 295.000

onroerende goederen ter waarde van € 100.000

TOTALE SCHENKING = € 845.000

Eerst dient de totale schenkbelasting berekend te worden zonder toepassing van de vrijstelling. Alle geschonken onroerende goederen komen volledig of deels uit de erfenis en dus komt de totale schenkbelasting in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling :

SB RG : € 595.000 x 3% = € 17.850

SB OG : (€ 150.000 x 3% ) + (€ 100.000 x 9%) = € 13.500

Totale SB : € 31.350

Aangezien de waarde van de geschonken goederen (zijnde € 845.000) groter is dan de waarde van het bruto-erfdeel (zijnde € 338.000) moet de beperking overeenkomstig de in artikel 2.8.6.0.9., 2de lid VCF vermelde formule toegepast worden :

1 ° limiet : berekende SB x brutowaarde erfdeel totaal/totale belastbare grondslag van de schenking

= € 31.350 x € 338.000/€ 845.000 = € 12.540 (maximale vrijstelling)

2° limiet : het bedrag van de vrijstelling (€ 12.540) mag nooit hoger zijn dan het bedrag van de erfbelasting (€ 28.000) dat geheven werd op de overdracht aan de schenker. Dit vormt in casu geen probleem dus het maximale bedrag van de vrijstelling bedraagt € 12.540.

De verschuldigde schenkbelasting bedraagt: € 31.350 - € 12.540 = € 18.810.

Opmerking: dezelfde redenering geldt wanneer de vrijstelling niet voor alle begiftigden in de schenkingsakte wordt gevraagd.

Schenking OG € 250.000 (erfenisvreemd) aan A op last van een geldsom van € 125.000 aan B.

SB A en B elk: € 125.000 x 3% = € 3.750

De hoofdschenking betreft een erfenisvreemd OG dus er kan geen vrijstelling worden toegepast in hoofde van A. In hoofde van B wordt de secundaire schenking (indien aanvaard[1]) in toepassing van artikel 2.8.3.0.1, § 3 VCF eveneens beschouwd als een onroerende schenking. Aangezien de hoofdschenking betrekking heeft op een erfenisvreemd OG, geldt dit eveneens voor de secundaire schenking en kan B dus geen aanspraak maken op de vrijstelling (niettegenstaande de schenking van een som geld op zich een roerende schenking zou zijn). Ook in het kader van een gelijke behandeling tussen de kinderen A en B is dit te rechtvaardigen.

Situatie 8

Het onroerend goed dat doorgeschonken wordt, behoorde enkel voor het vruchtgebruik toe aan de erflater; dit vruchtgebruik dooft uit door het overlijden van de erflater. Kan in dergelijk geval een vrijstelling doorgeefschenking toegekend worden

Nee. Indien het gaat om een onroerend goed , dan moet de erfopvolger – schenker dit onroerend goed minstens voor een deel uit de (fiscale) nalatenschap verkregen hebben. Vruchtgebruik is maximaal een levenslang recht, en duurt maximaal tot aan het overlijden van de vruchtgebruiker. Door het overlijden van de vruchtgebruiker dooft het zakelijk recht van vruchtgebruik uit. Aangezien het recht uitdooft door overlijden is het niet aanwezig in de nalatenschap van de vruchtgebruiker, en werd ook niet belast met erfbelasting.

Situatie 9

Hoe gebeurt de omslag van de berekende schenkbelasting op het totaal van de geschonken onroerende goederen over de erfenisvreemde en de niet erfenisvreemde onroerende goederen, indien de schenking deels betrekking heeft op onroerende goederen die vrijgesteld zijn van schenkbelasting (bij gunstregime familiale onderneming)? Moet de waarde van de vrijgestelde onroerende goederen al dan niet gevoegd worden bij de waarde van onroerende goederen voor de omslag van de SB?

Worden er in het kader van de vrijstelling van schenkbelasting van art. 2.8.6.0.9 VCF (doorgeefschenking) tegelijkertijd erfenisvreemde én niet-erfenisvreemde onroerende goederen én onroerende goederen die vrijgesteld zijn van schenkbelasting in het kader van het gunstregime van familiale ondernemingen geschonken (ongeacht of deze vrijgestelde goederen erfenisvreemd dan wel niet-erfenisvreemd zijn), dan wordt de waarde van deze geschonken vrijgestelde onroerende goederen niet bij de belastbare grondslag van de totale schenkingen (zoals bedoeld in art. 2.8.6.0.9, 2de lid, 3°c VCF) gevoegd voor de berekening van de schenkbelasting m.b.t. de niet-erfenisvreemde niet vrijgestelde onroerende goederen. Het aldus bekomen bedrag van de schenkbelasting is de parameter zoals bedoeld in art. 2.8.6.0.9, 2de lid, 1°a VCF.

Situatie 10

Hoe dient bij gelijktijdige schenkingen aan meerdere begiftigden die belast worden aan verschillende tarieven in de schenkbelasting, de vrijstelling van schenkbelasting verdeeld te worden over de verschillende begiftigden?

Niets belet dat een erfopvolger gelijktijdig een doorgeefschenking doet aan verschillende begiftigden.

In dat geval moeten de limieten worden bepaald door rekening te houden met het totaalbedrag van alle schenkingen samen (zie 2.8.6.0.9) en moet het aldus bekomen bedrag van de vrijstelling worden verdeeld over de voor elke begiftigde berekende schenkbelasting t.o.v. de totale schenkbelasting.

Voorbeeld:

bruto erfdeel erfopvolger 380.000; EB 28.200 euro ((hetzij 130.000 roerend = 8.700 EB) + (250.000 onroerend = 19.500 EB))

  1. Eerst berekening schenkbelasting:

Erfopvolger schenkt aan kind A 300.000 euro roerend. SB: 300.000 x 3% =9.000

Erfopvolger schenkt aan kind B 300.000 onroerend. SB: (150.000 x 3% + 100.000 x 9% + 50.000 x 18%) = 22.500

Totaal schenkingen door erfopvolger: 600.000, totaal SB begiftigden A en B: 31.500

  1. Vervolgens berekening vrijstelling:

1ste limiet: schenking > bruto erfdeel è SB te beperken: 31.500 x 380.000/600.000 = 19.950

2de limiet: EB 28.200

kleinste bedrag = 19.950 vrijstelling

  1. omslag vrijstelling over begiftigden:

Proportionele omslag vrijstelling over de verschillende begiftigden naar verhouding van de voor elke begiftigde berekende schenkbelasting t.o.v. de totale schenkbelasting (en niet over de belastbare grondslagen):

  • Kind A: 19.950 x 9000/31500 = 5.700; verschuldigd: 9.000 – 5.700 = 3.300 euro
  • Kind B: 19.950 x 22.500/31500 = 14.250; verschuldigd: 22.500 – 14.250 = 8.250 euro

Situatie 11

Wat bij combinatie vrijstelling doorgeefschenking, abattement handicap en vermindering minderjarige kinderen: in welke volgorde dienen ze worden toegepast?

We gebruiken voor de eerste limiet de SB zonder toepassing gunstregeling (gunstregeling wordt in laatste instantie in mindering gebracht van de SB in hoofde van de begiftigde – genieter van de gunstregeling)

Totaal schenkingen 440.000 (per kind: 220.000), totaal SB (zonder toepassing abattement): 16.800 totale SB

1ste limiet: schenking > bruto erfdeel è SB te beperken: 16.800 x 380.000/440.000 = 14.509,09 euro

2de limiet: EB 28.200

kleinste bedrag = 14.509,09 maximale vrijstelling; om te slaan over kind A en B volgens hun aandeel in de SB (8.400 x 8400/16.800); hetzij een vrijstelling doorgeefschenking van 7.254,55 voor elk kind

  • A is uiteindelijk verschuldigd: 8.400 – 7.254,55 = 1.145,45
  • B is uiteindelijk verschuldigd: 8.400 – 1.530 = 6.870 – (7254,55 ) = 0,00

Situatie 12

Doorgeefschenking voorafgegaan door twee overlijdens

Voor de berekening van de limieten bij een doorgeefschenking (in één akte) voorafgegaan door 2 overlijdens, waarbij de schenker-erfopvolger een onroerend goed schenkt dat afkomstig is deels uit elk van beide nalatenschappen wordt aanvaard dat de belastingplichtige deze schenking naar vrije keuze kan opsplitsen en kan toerekenen op elk van de twee nalatenschappen (voor limieten bruto-erfdeel en erfbelasting), voor zover het onroerend goed minstens voor een deel uit elke nalatenschap verkregen wordt..

Om consequent te zijn, wordt de opsplitsing van de schenking ook gevolgd voor de berekening van de respectievelijke schenkbelasting, rekening houdend met de progressiviteit in volgorde van de twee overlijdens. De aldus berekende schenkbelasting wordt, voor de berekening van de limieten, toegerekend op iedere respectievelijke schenking.

Doet de belastingplichtige geen opsplitsing van de schenkingen over de twee nalatenschappen, dan wordt, voor de berekening van de limieten, de totale schenking opgesplitst naar evenredigheid, waarbij beoordeeld wordt welke geschonken goederen afkomstig zijn uit welke van beide nalatenschappen.

  • Schenking uit nalatenschap 1 = totale doorgeefschenking x (schenking afkomstig uit nalatenschap1/ totaal van de schenkingen afkomstig uit nalatenschap 1 + 2).
  • Schenking uit nalatenschap 2 = totale doorgeefschenking x (schenking afkomstig uit nalatenschap 2/totaal van de schenkingen afkomstig uit nalatenschap 1 + 2).

Voorbeeld:

Vader doet een doorgeefschenking aan zijn dochter van een onroerend goed waarde 300.000

Schenkbelasting:

  • 150.000 x 3% = 4.500
  • 100.000 x 9% = 9.000
  • 50.000 x 18% = 9.000
  • Totaal schenkbelasting op doorgeefschenking: 22.500

Dit onroerend goed heeft erfopvolger-schenker verkregen:

  • Uit nalatenschap vader: 1/10 of 30.000
  • Uit nalatenschap moeder: 1/10 of 30.000
  • Uit afstand deling: 240.000

In nalatenschap vader zijn de gegevens in hoofde van erfopvolger-schenker:

  • bruto erfdeel: 210.000
  • erfbelasting: 15.000

in nalatenschap moeder zijn de gegevens in hoofde van de erfopvolger-schenker:

  • bruto-erfdeel: 200.000
  • erfbelasting: 12.000

1. berekening volgens opsplitsing doorgeefschenking door belastingplichtige: schenker neemt schenking op uit nalatenschap vader ten belope van 210.000, uit nalatenschap moeder ten belope van 90.000

a. nalatenschap vader:

  • schenking: 210.000
  • berekening schenkbelasting:
    • 150.000 x 3% = 4.500
    • 60.000 x 9% = 5.400
      • Totaal schenkbelasting: 9.900
  • Berekening vrijstelling doorgeefschenking - toetsing limieten:
    • 1ste limiet: belastbare grondslag schenking = bruto-erfdeel: bedrag SB = 9.900
    • 2de limiet: 15.000 x 210.000/210.000 = 15.000
      • Vrijstelling = 9.900

Op de doorgeefschenking van 210.000 is de begiftigde verschuldigd: 9.900 – 9.900 = 0,00 (volledig vrijgesteld)

b. Nalatenschap moeder:

  • Schenking: 90.000
  • Berekening schenkbelasting:
    • 210.000 reeds belast
    • 40.000 x 9% = 3.600
    • 50.000 x 18% = 9.000
      • Totaal schenkbelasting: 12.600
  • Berekening vrijstelling doorgeefschenking – toetsing limieten:
    • 1ste limiet: belastbare grondslag schenking < bruto-erfdeel: bedrag SB = 12.600
    • 2de limiet: 12.000 x 90.000/200.000 = 5.400
      • Vrijstelling: 5.400

Op de doorgeefschenking van 90.000 is de begiftigde verschuldigd: 12.600 – 5.400 = 7.200

2. Proportionele toerekening indien geen opsplitsing doorgeefschenking door belastingplichtige werd gemaakt:

a. Nalatenschap vader:

  • Schenking: 300.000 x 30.000/60.000 = 150.000
  • Berekening schenkbelasting:
    • 150.000 x 3% = 4.500
  • Berekening vrijstelling doorgeefschenking – toetsing limieten:
    • 1ste limiet: belastbare grondslag schenking < bruto-erfdeel: bedrag SB = 4.500
    • 2de limiet: 15.000 x 150.000/210.000 = 10.714,29
      • Vrijstelling: 4.500

Op de doorgeefschenking van 150.000 is de begiftigde verschuldigd: 4.500 – 4.500 = 0,00 (volledig vrijgesteld)

b. Nalatenschap moeder:

  • Schenking: 300.000 x 30.000/60.000 = 150.000
  • Berekening schenkbelasting:
    • 150.000 reeds belast
    • 100.000 x 9% = 9.000
    • 50.000 x 18% = 9.000
      • Totaal schenkbelasting: 18.000
  • Berekening vrijstelling doorgeefschenking – toetsing limieten:
    • 1ste limiet: belastbare grondslag schenking < bruto erfdeel: bedrag SB = 18.000
    • 2de limiet: 12.000 x 150.000/200.000 = 9.000

èOp de doorgeefschenking van 150.000 is de begiftigde verschuldigd: 18.000 – 9.000 = 9.000

Situatie 13

Wat indien VLABEL een tekortschatting vestigt op het geschonken goed waardoor aanvullende schenkbelasting verschuldigd is?

De aanvullende schenkbelasting m.b.t. de tekortschatting wordt berekend op dezelfde wijze zoals bij opeenvolgende doorgeefschenkingen: indien de brutowaarde van het erfdeel en de betaalde erfbelasting nog niet volledig zijn opgebruikt bij de oorspronkelijke berekening van de doorgeefschenking ontstaat er een resterend saldo; de vrijstelling van de aanvullende schenkbelasting wordt berekend rekening houdend met de resterende brutowaarde van het erfdeel en met de resterende erfbelasting.

Voorbeeld:

Brutowaarde erfdeel: 60.000

Betaalde erfbelasting: 900

Schenking: 40.000

Schenkbelasting: 1.200 schenkbelasting (zonder de toepassing van de vrijstelling).

Berekening vrijstelling:

Tweede limiet: 900 x 40.000 / 60.000 = 600

Verschuldigd door A: 600 (1.200 – 600)

Resterende saldo’s:

  • brutowaarde erfdeel: 60.000 - 40.000 = 20.000
  • EB: 900 – 600 = 300

voorbeeld 1: tekortschatting (i.p.v. tweede schenking) van 10.000 die aanleiding geeft tot 300 aanvullende schenkbelasting (zonder de toepassing van de vrijstelling)

  • Het resterend saldo van de brutowaarde v/h erfdeel is hoger dan de bijkomende belastbare grondslag v/d schenking (tekortschatting) : toepassing eerste limiet: 300 (resterend saldo EB) x 10.000/20.000 = 150
  • vrijstelling van schenkbelasting ten belope van 150 (laagste bedrag – 2de limiet)
  • heffing aanvullende SB m.b.t. de tekortschatting :300 - 150= 150 aanvullende SB

voorbeeld 2: tekortschatting (i.p.v. tweede schenking) van 30.000 die aanleiding geeft tot 900 aanvullende schenkbelasting (zonder de toepassing van de vrijstelling)

  • Het resterend saldo v/d brutowaarde v/h erfdeel is lager dan de bijkomende belastbare grondslag van de schenking : toepassing eerste limiet: 900 (SB) x 20.000/30.000=600
  • Vrijstelling van schenkbelasting ten belope van 300 euro (resterend saldo EB - tweede limiet)
  • Heffing aanvullende SB m.b.t. de tekortschatting: 900 – 300 = 600 aanvullende SB

De belastingverhoging ingevolge tekortschatting wordt berekend op de aanvullende schenkbelasting die verschuldigd is nà toepassing van de (herberekende) vrijstelling van de schenkbelasting van art. 2.8.6.0.9 VCF.

Voetnoten

[1] Voor RG dient er geen onderscheid gemaakt te worden tussen erfenisvreemde en niet-erfenisvreemde RG. Hiervoor geldt dat de waarde van de geërfde goederen mag worden (door)geschonken.

[2] Anders geldt artikel 2.7.1.0.6, § 1, 3e lid VCF en is er erfbelasting verschuldigd en geen schenkbelasting als de schenker binnen de drie jaar komt te overlijden.

Historische versies

Hieronder vindt u een overzicht van de historische versies van dit standpunt:

Standpunt nr. 19021 dd. 10.10.2022, publicatie op 25.10.2022
Standpunt nr. 19021 dd. 06.12.2021, publicatie op 22.12.2021
Standpunt nr. 19021 dd. 18.01.2021, publicatie op 02.02.2021
Standpunt nr. 19021 dd. 18.02.2019, publicatie op 18.03.2019