Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26020 - Wijziging huwelijksovereenkomst - wettelijk stelsel - toevoeging optioneel eenzijdig toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 26020 - Wijziging huwelijksovereenkomst - wettelijk stelsel - toevoeging optioneel eenzijdig toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

26020

Datum beslissing

20 mei 2026

Publicatiedatum

12 juni 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De heer X en mevrouw Y wensen bij wijze van huwelijksvoordeel een optioneel toekenningsbeding te koppelen aan goederen uit het eigen vermogen van de heer X, waardoor mevrouw Y, wanneer zij de langstlevende is, de mogelijkheid zal hebben om deze goederen zoveel als nodig en mogelijk zelfs integraal in volle eigendom te verkrijgen.[1]

Vooraleer zij hun huwelijksstelsel wijzigen, wensen de echtgenoten evenwel bevestiging te krijgen dat de uitwerking van het toekenningsbeding bij vooroverlijden van de heer X geen aanleiding zal geven tot de heffing van successierechten en dat er daarnaast geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

2. In wat volgt zullen de aanvragers zich kort voorstellen en hun huidige huwelijksvermogensrechtelijke regeling toelichten, om vervolgens toe te lichten dat er in hun hoofde enkele bezorgdheden en wensen hieromtrent zijn ontstaan. Nadien zullen de aanvragers de door hun voorgenomen verrichting omschrijven en motiveren.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. De aanvraag wordt ingediend door […], met adres te […], vertegenwoordigd door Meester […] en Meester […], namens:

  • De heer X, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1969, ingeschreven in het Belgische rijksregister onder nummer […];

hiervoor en hierna genoemd de “heer X”.

  • Mevrouw Y, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1971, ingeschreven in het Belgische rijksregister onder nummer […];

hiervoor en hierna genoemd “mevrouw Y”.

De heer X en mevrouw Y worden hierna gezamenlijk ook de “aanvragers” genoemd.

4. De aanvragers wonen samen te […] en hebben hun fiscale woonplaats aldus in het Vlaamse gewest.

5. De aanvragers zijn op xx.xx.1997 gehuwd te […] onder het Belgisch stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden op xx.xx.1997 voor notaris […], met standplaats te […], ongewijzigd tot op heden.

6. De aanvragers kozen destijds voor het stelsel van scheiding van goederen vanuit hun wens om een strikte vermogensafscheiding te organiseren, autonomie te behouden met betrekking tot de goederen waarvan zij elk eigenaar waren, en elkaars vermogen af te schermen van eventuele schuldeisers.

7. Doorheen de jaren ontstond in hoofde van de aanvragers evenwel de wens om meer solidariteit te creëren binnen hun huwelijksstelsel. Daarom besloten zij op xx.xx.2023, bij akte verleden voor notaris […] te […], om over te stappen van het stelsel van scheiding van goederen naar een wettelijk stelsel.[2] Op het nieuw tussen de aanvragers gecreëerde gemeenschappelijk vermogen werd een keuzebeding gemonteerd om de langstlevende de mogelijkheid te bieden om de goederen die bij het einde van het huwelijk door overlijden tot de huwgemeenschap zouden behoren, geheel of gedeeltelijk naar zich toe te trekken in volle eigendom of vruchtgebruik, naar keuze van de langstlevende. De echtgenoten hebben er evenwel bewust voor gekozen om hun eigen goederen niet in te brengen in het gemeenschappelijk vermogen dat tussen hen werd gecreëerd naar aanleiding van de wijziging van hun huwelijksstelsel, dit omdat zij maximale autonomie wensten te behouden met betrekking tot de goederen behorende tot hun respectieve eigen vermogen.

8. De aanvragers hebben drie gemeenschappelijke meerderjarige kinderen:

  • De heer […], van Belgische nationaliteit, geboren op xx.xx.1999, ingeschreven in het Belgisch rijksregister onder nummer […];
  • De heer […], van Belgische nationaliteit, geboren op xx.xx.2001, ingeschreven in het Belgisch rijksregister onder nummer […]; en
  • Mevrouw […], van Belgische nationaliteit, geboren op xx.xx.2005, ingeschreven in het Belgisch rijksregister onder nummer […].

Er zijn geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

Bezorgdheden en wensen van de aanvragers

9. Sedert hun huwelijkssluiting is de situatie van de aanvragers gewijzigd. Zo hebben de aanvragers samen drie gemeenschappelijke kinderen en zijn er binnen het huwelijk afspraken gemaakt rond de organisatie van het gezinsleven en de opvoeding van de kinderen die ertoe hebben geleid dat er een onevenwicht is ontstaan tussen de betrokken eigen vermogens.

Hierdoor is de laatste jaren bij de heer X de wens ontstaan om in een uitgebreidere en sterkere verzorging van mevrouw Y te voorzien mocht het huwelijk worden ontbonden door zijn overlijden, dit echter zonder afbreuk te doen aan de autonome beschikkingsbevoegdheden die hij op vandaag heeft met betrekking tot de goederen behorende tot zijn eigen vermogen.

Een eerste stap naar het organiseren van een sterkere verzorging van mevrouw Y als langstlevende werd reeds gezet in 2023 waarbij de overstap werd gemaakt van een stelsel van scheiding van goederen naar een wettelijk stelsel met toevoeging van een keuzebeding voor de goederen die bij ontbinding van het huwelijksstelsel door overlijden tot de huwgemeenschap behoren. Het gemeenschappelijk vermogen is in 2023 op nul gestart (er werden immers geen goederen ingebracht) en bestaat vandaag voornamelijk uit banktegoeden en beleggingen.

Het grootste deel van het vermogen dat doorheen de huwelijkse jaren is opgebouwd, behoort evenwel exclusief toe aan de heer X. Dit onder de vorm van aandelen van de besloten vennootschap naar Belgisch recht, Z, met zetel te […], ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer […] (voorheen ‘[…] BVBA’) en bancaire beleggingen.

Gelet op het feit dat de bulk van het vermogen eigen is van de heer X volstaat de loutere overstap van een stelsel van scheiding van goederen naar het wettelijk stelsel niet om te voorzien in een uitgebreide en zekere verzorging van mevrouw Y. Op vandaag kan zij enkel met zekerheid aanspraak maken op de goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen via het keuzebeding dat aan het huwelijksstelsel werd toegevoegd, maar de goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X zullen de regels volgen van de wettelijke of de testamentaire devolutie. Hierdoor riskeert mevrouw Y geconfronteerd te worden met de reservataire aanspraken van de kinderen wat haar positie als langstlevende kan aantasten. Bovendien biedt een testamentaire regeling haar onvoldoende zekerheid, omdat de heer X deze op elk moment tijdens zijn leven kan herroepen en vervangen.

Daarnaast bestaat er bij de heer X op vandaag ook een bezorgdheid met betrekking tot de bescherming van zijn kinderen en het lot van zijn eigen vermogen indien hij komt te overlijden op een tijdstip dat de kinderen nog niet in staat zijn om een vermogen van dien aard en omvang op adequate wijze te beheren.

Naast het feit dat het beheer van dergelijk vermogen een bepaalde kennis en ervaring vereist waarover kinderen tussen de 20 en 26 jaar nog niet beschikken, is het ook zo dat er een risico schuilt in het feit dat de betrokken goederen grotendeels liquide beschikbaar zullen zijn (bancaire beleggingen). Het is immers allesbehalve ondenkbaar dat de kinderen de gelden die ze op jonge leeftijd onder zich zouden krijgen op onverantwoorde wijze zouden spenderen.

Om calamiteiten te vermijden en het vermogen zoals het op vandaag bestaat af te schermen van de kinderen tot ze een zekere maturiteit hebben bereikt, wil de heer X een vangnet inbouwen dat de nodige bescherming biedt indien hij als eerste echtgenoot overlijdt op een moment dat het voor de kinderen nog te vroeg is om dergelijk vermogen te verkrijgen.

10. Tot slot is het de uitdrukkelijke wens van de heer X om de verzorging van zijn echtgenote op zodanige wijze te organiseren dat hij vandaag niet hoeft in te boeten aan autonomie inzake het beheer en het bestuur van zijn eigen vermogen. Deze wens ligt in lijn met de principes waarop ook de akte wijziging huwelijksstelsel van 2023 is gebaseerd: de aanvragers creëerden weliswaar een gemeenschappelijk vermogen vanuit een solidariteitsgedachte, maar hebben er op weloverwogen wijze voor gekozen om hun eigen goederen niet in dit gemeenschappelijk vermogen in te brengen (zie supra).

Beschrijving van de voorgenomen verrichting

11. Om verder tegemoet te komen aan de voormelde bezorgdheden en wensen, willen de aanvragers aan hun huwelijksstelsel een toekenningsbeding toevoegen voor de aandelen en beleggingen van het eigen vermogen van de heer X. Dit beding versterkt de positie van mevrouw Y als langstlevende echtgenote, aangezien het haar de mogelijkheid biedt om bij vooroverlijden van de heer X de aandelen en beleggingen die behoren tot het eigen vermogen van de heer X in volle eigendom te verkrijgen.

12. Het toekenningsbeding zal als huwelijksvoordeel worden geïntegreerd in hun bestaande huwelijksvermogensstelsel op de wijze zoals hierna vermeld. Het bestaande huwelijkscontract zal met het oog op de coherentie en leesbaarheid ervan integraal worden vervangen door een nieuw contract zodat alle bepalingen die van toepassing zijn op het huwelijksstelsel verenigd zijn in één gecoördineerde akte. Een ontwerp van de akte wijziging huwelijkscontract wordt als bijlage aan deze aanvraag gehecht en hieronder wordt de clausule in verband met de toevoeging van het toekenningsbeding hernomen:

“Artikel [X]. Overlevingsrechten met betrekking tot het eigen vermogen van de heer X

a. Algemeen

In het geval van ontbinding van het huwelijksstelsel door overlijden van de heer X, doch enkel en uitsluitend in dat geval, gelden de regels die hierna zijn uiteengezet ten voordele van mevrouw Y die langer leeft of ‘overleeft’ en die dus aanspraak maakt op overlevingsrechten.

Deze overlevingsrechten worden hierna verder uitgewerkt, doch gelden evenwel niet indien zich op het ogenblik van het overlijden van de heer X één (1) van de volgende hypotheses voordoet:

  • tussen de echtgenoten is een vordering of verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed ingesteld;
  • tussen hen bestaat een feitelijke scheiding om redenen die wijzen op een ontwrichting van het huwelijk. Er is geen sprake van een ontwrichting van het huwelijk wanneer, bijvoorbeeld, de feitelijke scheiding te wijten is aan overmacht, gezondheidstoestand, verzorgingsbehoeften of beroepsnoodwendigheden;
  • indien mevrouw Y onwaardig is om van de heer X te erven, in de zin van de artikelen 2.3.59 en 4.6 van het Burgerlijk Wetboek;
  • indien mevrouw Y niet erfgerechtigd is in de nalatenschap van de heer X.

In elk van deze omstandigheden wordt de gemeenschap bij gelijke delen verdeeld, alsof het huwelijk door echtscheiding was ontbonden.

b. Optioneel toekenningsbeding met betrekking tot welbepaalde eigen goederen van de heer X

i. Voorwerp toekenningsbeding

In geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden van de heer X (uitgezonderd de met echtscheiding gelijkgestelde gevallen zoals vermeld onder punt a. van dit artikel), zullen de volgende goederen, waarvan hij op vandaag exclusief eigenaar is, bij wijze van huwelijksvoordeel toekomen aan mevrouw Y als langstlevende echtgenote, voor zover zij daarvoor kiest.

Meer bepaald gaat het om de hierna vermelde goederen die thans exclusief in volle eigendom worden aangehouden door de heer X: *nader in het ontwerp van huwelijkscontract te omschrijven goederen*.

Mevrouw Y heeft de keuze om zich de bovenstaande goederen van de heer X te laten toebedelen, zowel voor de volle eigendom, de blote eigendom of voor het vruchtgebruik, voor het geheel of voor een door haar te bepalen breukdeel, dit alles naar haar wens.

Indien mevrouw Y opteert om zich slechts een breukdeel van de betrokken eigen goederen van de heer X te laten toebedelen, geniet zij het recht om:

  • de goederen aan te wijzen die zij zich, ten belope van de waarde van het door haar bepaalde aandeel in de eigen goederen van de heer X, bij voorrang wenst te laten toebedelen; en
  • om de schulden die betrekking hebben op de eigen goederen aan te wijzen die zij zal voldoen, zonder verhaal op de rechtsopvolgers van de heer X, dit onverminderd het bepaalde in dit artikel sub iii.

Mevrouw Y moet de keuze kenbaar maken overeenkomstig het in dit artikel sub ii. bepaalde.

Op dit toekenningsbeding is zakelijke subrogatie toepasselijk. Indien één van de goederen, voorwerp van dit toekenningsbeding, door de heer X wordt vervreemd, zal het beding uitwerking hebben op het goed of de goederen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, zakelijk in de plaats daarvan zijn getreden, tenzij mevrouw Y heeft ingestemd met deze vervreemding.

Tussen de echtgenoten zal, als gevolg van de toekenning krachtens dit beding, voor geen enkel van de toegekende goederen, nog enige verrekening verschuldigd zijn, als gevolg van enige bijdrage die door de ene of door de andere echtgenoot, financieel of anderszins, zou zijn geleverd voor de verkrijging van deze goederen, of voor kosten of werken met betrekking tot deze goederen. Mevrouw Y zal voor een dergelijke bijdrage niets aan het eigen vermogen van de heer X verschuldigd zijn, en zal evenmin voor een dergelijke bijdrage iets van het eigen vermogen van de heer X kunnen vorderen.

ii. Uitoefening keuze

Mevrouw Y maakt haar keuze, in uitvoering van de bedingen van deze overeenkomst, kenbaar in een schriftelijke verklaring, te verlijden voor, respectievelijk in bewaring af te geven bij een notaris.

Mevrouw Y brengt de gemaakte keuze ter kennis van de rechtsopvolgers van de heer X, op eigen initiatief en uiterlijk binnen een termijn van honderdtwintig (120) kalenderdagen te rekenen vanaf de dag waarop zij wordt aangemaand door een rechtsopvolger van de heer X om keuze te doen.

Indien de keuze niet tijdig is gemaakt, vervalt de keuzemogelijkheid en behoren de goederen waarop de bedingen van dit contract betrekking hebben, tot de nalatenschap van de heer X.

De keuze is een strikt persoonlijk recht; de keuze kan dan ook uitsluitend door mevrouw Y als langstlevende echtgenote worden uitgeoefend, en niet door haar rechtsopvolgers of schuldeisers. De keuzebevoegdheid gaat echter wel over op de persoon die ingevolge een buitengerechtelijke of een rechterlijke beschermingsmaatregel aangewezen is om de goederen van mevrouw Y te beheren of om haar hierin bij te staan.

iii. Gevolgen van de keuze voor het passief

De voordelen die door de bedingen van dit contract aan mevrouw Y worden toegekend, leiden voor haar tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de heer X te dragen, doch enkel voor wat de schulden betreft die verband houden met de eigen goederen van de heer X waarvan ze de toebedeling vraagt.

Indien mevrouw Y kiest voor een beperkte uitvoering van het toekenningsbeding moet zij slechts proportioneel bijdragen in de schulden van de heer X zoals in het vorige lid omschreven.

Artikel [X]. Huwelijksvoordelen

De voordelen die door de bedingen van dit contract aan de langstlevende echtgenoot worden toegekend, zijn huwelijksvoordelen die niet aan de regels van de schenkingen onderworpen zijn.

Er kan immers slechts sprake zijn van aanrekening op het beschikbaar deel en bijgevolg van een eventuele inkorting ervan indien een huwelijksvoordeel de perken overschrijdt zoals in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek bepaald.

De perken van de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek die toepasselijk zijn bij samenloop met gemeenschappelijke kinderen, zijn slechts bereikt als de langstlevende echtgenoot meer zou verkrijgen dan alle huwelijkse aanwinsten en de helft van andere goederen die in de gemeenschap zouden worden ingebracht.”

III. Motivering van de aanvraag

13. Hierna motiveren de aanvragers waarom zij zich op geen enkele manier in een toestand plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving door implementatie van de voorgenomen verrichting (objectief element).

Daarnaast verantwoorden zij waarom enkel de voorgenomen verrichting aansluit bij hun uitgangspunt, en die keuze geenszins strekt tot het verkrijgen van een belastingvoordeel (subjectief element).

a. Objectief element: geen frustratie van de doelstellingen van de fiscale wetgeving

14. De aanvragers verzoeken te bevestigen dat het voordeel dat de langstlevende zal verkrijgen door de toepassing van hogervermeld toekenningsbeding niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen, om de redenen die de aanvragers vermelden.

15. Als eerste tonen de aanvragers aan dat zij zich op geen enkele manier in een toestand plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving (objectief element).

I. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2. VCF

16. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het toekenningsbeding zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling). In casu is er sprake van een voordeel dat louter huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking (H. CASMAN en A.-L. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022/1, 9, nrs. 18-19).

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor een van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel (H. CASMAN, Huwelijksvoordelen, Antwerpen, Kluwer, 1976; deze definitie werd reeds in 2012 expliciet door de wetgever overgenomen in artikel 1429bis van het oud Burgerlijk Wetboek en is thans vervat in artikel 2.3.59 van het Burgerlijk Wetboek). Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel, waarvan de vereffening voor gaat op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap (Cass. 24 maart 2017). Het kan om die reden nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking (Cass. 10 december 2010). Deze kwalificatie is objectief, d.w.z. dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen (animus donandi) kan die kwalificatie niet wijzigen (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).

Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als niet-schenking dus aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken, wat in casu niet het geval is.

17. Volledigheidshalve wensen de aanvragers te verduidelijken dat ook de civielrechtelijke kwalificatie van een volkomen dan wel onvolkomen huwelijksvoordeel in de zin van artikel 2.3.57 van het Burgerlijk Wetboek (in casu van toepassing aangezien er gemeenschappelijke kinderen zijn), van dit huwelijksvoordeel geen schenking maakt.

Een volkomen huwelijksvoordeel houdt in dat de langstlevende ingevolge de werking van het huwelijksvoordeel niet meer dan alle aanwinsten en de helft van de niet-aanwinsten van de vooroverleden echtgenoot verkrijgt. Civielrechtelijk heeft dit tot gevolg dat de goederen waarop het huwelijksvoordeel betrekking heeft, integraal aan de langstlevende zullen worden toegekend zonder dat deze voordelen kunnen worden ingekort. Ze worden niet opgenomen in de rekenboedel (artikel 4.153 van het Burgerlijk Wetboek), bepalen de omvang van het beschikbaar deel van de nalatenschap niet mee, en worden noch op dat beschikbaar deel noch op de reserve aangerekend.

Een onvolkomen huwelijksvoordeel betreft de toekenning boven de helft van de niet-aanwinsten aan de langstlevende echtgenoot. Louter met het oog op de erfrechtelijke verrekening wordt dergelijk huwelijksvoordeel civielrechtelijk gelijkgesteld met een schenking. Deze gelijkstelling heeft enkel als doel de rechten van de reservataire erfgenamen te vrijwaren (Cass. 5 januari 2017), en leidt aldus niet tot een volledige assimilatie van het huwelijksvoordeel met een schenking.

18. De toebedeling van goederen van het eigen vermogen van de heer X op grond van het overwogen optioneel toekenningsbeding, dat kwalificeert als een huwelijksvoordeel, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

II. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

De aanvragers frustreren dit artikel niet omdat zij niet overgaan tot een schenking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld door het overlijden van de eerste echtgenoot. Een toekenningsbeding is zoals vermeld een huwelijksvoordeel en geen schenking.

III. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.4 VCF

19. De aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.4 VCF niet omdat de goederen waaraan het toekenningsbeding wordt gekoppeld niet tot een huwgemeenschap behoren, maar wel tot het eigen vermogen van de heer X.

20. Daarnaast kan de toevoeging van een toekenningsbeding aan een gemeenschapsstelsel met betrekking tot goederen die tot het eigen vermogen behoren in casu evenmin fiscaal misbruik uitmaken. De aanvragers hebben immers niet-fiscale motieven om te opteren voor de toevoeging van een toekenningsbeding in plaats van te werken met een inbreng van goederen in de huwgemeenschap. Het behoud van autonomie in hoofde van beide echtgenoten met betrekking tot hun eigen vermogen vormt de rode draad doorheen het huwelijk van partijen (reden waarom partijen oorspronkelijk zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen en waarom er bij de overstap naar het wettelijk stelsel in 2023 werd gekozen om geen goederen in te brengen in de huwgemeenschap).

IV. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.5 VCF

21. De aanvragers frustreren dit artikel niet omdat zij niet overgaan tot een kosteloze beschikking. Een toekenningsbeding is zoals voormeld een huwelijksvoordeel, en dus een overeenkomst onder bezwarende titel en geen schenking, zoals bevestigd door het Hof van Cassatie (cfr. supra). Ook de mate waarin het huwelijksvoordeel de grenzen van artikel 2.3.57 van het Burgerlijk Wetboek overschrijdt leidt niet tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF, aangezien dit voordeel louter voor de erfrechtelijke verrekening met een schenking wordt gelijkgesteld ter vrijwaring van de rechten van de reservataire erfgenamen (cfr. supra).

​​​​​​​V. Tussentijdse samenvatting

22. De voorgenomen wijziging van het huwelijksstelsel frustreert de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.2, artikel 2.7.1.0.3, 3°, artikel 2.7.1.0.4 en artikel 2.7.1.0.5 VCF niet. De verrichting verleent immers een huwelijksvoordeel dat huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen, en de aanvragers gaan niet over tot enige schenking of kosteloze beschikking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker, noch kwalificeert de verrichting als een erfrechtelijke verkrijging. Dit impliceert dat de overgang/ toebedeling op grond van het overwogen toekenningsbeding niet onderworpen is aan (schenk- of) erfbelasting. Voormelde overgang/ toebedeling valt dus niet onder de hierboven vermelde decretale bepalingen. Aangezien de voorgenomen verrichting geen enkele fiscale bepaling frustreert, kan er ook geen sprake zijn van fiscaal misbruik.

b. Subjectief element: civielrechtelijk oogmerk dat niet strekt tot verkrijgen belastingvoordeel

​​​​​​​I. De wijze waarop het huwelijksstelsel thans is vormgegeven, beantwoordt niet volkomen aan de wensen van de aanvragers

23. De aanvragers benadrukken dat hun keuze om een toekenningsbeding aan hun huwelijksstelsel toe te voegen met betrekking tot goederen van het eigen vermogen van de heer X geenszins strekt tot het louter verkrijgen van een belastingvoordeel (subjectief element). Dit lichten zij hieronder nader toe.

24. In 1997 hebben de aanvragers ervoor geopteerd om te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen vanuit volgende overwegingen:

  • zij wensten gedurende het huwelijk hun autonomie te behouden en hun vermogen alleen en zelfstandig te kunnen besturen; en
  • te vermijden dat de beroepsactiviteiten van een echtgenoot of een eventuele risicovolle (her)investering een negatieve weerslag zouden hebben op het eigen vermogen van de andere echtgenoot en diens vermogen aldus ook te beschermen tegen potentiële schuldeisers van de echtgenoot-schuldenaar.

25. Hoewel de aanvragers nog steeds vasthouden aan deze uitgangspunten, is hun situatie doorheen de jaren gewijzigd (cfr. supra). Nu het gezin van de aanvragers drie kinderen tussen 20 en 26 jaar telt, maakt de heer X zich zorgen over de potentieel nadelige gevolgen van een onverwacht overlijden. Deze bezorgdheid betreft zowel zijn echtgenote (in het bijzonder haar mogelijkheid om de levensstandaard van tijdens het huwelijk aan te houden) als zijn kinderen, die op jonge leeftijd een groot vermogen zouden erven terwijl zij hier mogelijk nog onvoldoende op voorbereid zijn.

26. In 2023 werd al een eerste stap gezet om tegemoet te komen aan de bezorgdheden met betrekking tot de verzorging van mevrouw Y, dit door meer solidariteit in te bouwen in het huwelijksstelsel van de aanvragers. Zo besloten de aanvragers om hun huwelijksstelsel van scheiding van goederen in te ruilen voor het wettelijk stelsel met toevoeging van een keuzebeding voor de goederen die bij beëindiging van het huwelijk door overlijden behoren tot het gemeenschappelijk vermogen.

27. De hogervermelde regeling biedt bij een onverwacht overlijden van de heer X echter geen oplossing voor de goederen die thans deel uitmaken van zijn eigen vermogen en dan in het bijzonder zijn aandelen en beleggingen. Om ook voor deze eigen goederen tegemoet te komen aan de bovengenoemde verzorgings- en beschermingsgedachte, wensen de aanvragers thans via de toevoeging van een optioneel toekenningsbeding aan het tussen hen bestaande huwelijksstelsel te voorzien in de mogelijkheid voor mevrouw Y als langstlevende om goederen van het eigen vermogen van de heer X in volle eigendom te verkrijgen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de autonomie van de heer X met betrekking tot zijn eigen vermogen zolang hij leeft.

28. Het Burgerlijk Wetboek laat op vandaag toe om dergelijk toekenningsbeding aan bepaalde eigen goederen van een echtgenoot te koppelen waardoor deze goederen bij diens overlijden, in zoverre de langstlevende hiervoor kiest, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom toekomen aan de langstlevende.

29. De aanvragers opteren voor een planning van de goederen van het eigen vermogen van de heer X via toekenningsbeding omdat er geen alternatieve planningstechniek voorhanden is die beantwoordt aan alle wensen en bezorgdheden.

Nood aan een asymmetrische regeling

30. Aangezien de bezorgdheid van de aanvragers zich toespitst op de aandelen en beleggingen van het eigen vermogen van de heer X, is er nood aan een planningstechniek die de aanvragers toelaat om slechts in één richting te werken. Een planning via kanscontract of een beding van aanwas is hierdoor niet aan de orde.

Bescherming van het eigen vermogen tegen een vroegtijdige verkrijging door de kinderen

31. Aangezien de aanvragers goederen van het eigen vermogen van de heer X willen afschermen van de kinderen totdat ze een bepaalde maturiteit hebben bereikt en in staat zijn om het vermogen op adequate wijze te beheren, is het van belang dat de planningstechniek, in het geval van een voortijdig overlijden van de heer X, zoveel als mogelijk bescherming biedt tegen:

  • de erfrechtelijke verkrijging van deze goederen door de kinderen; en
  • de reservataire aanspraken die de kinderen kunnen laten gelden in het kader van de vereffening en verdeling van de nalatenschap van de heer X.

Doordat het toekenningsbeding zakelijke werking heeft en een huwelijksvoordeel, uitgezonderd wanneer de grenzen van artikel 2.3.57 van het Burgerlijk Wetboek worden overschreden, niet vatbaar is voor erfrechtelijke verrekening of inkorting, dit in tegenstelling tot een planning via schenking, testament of contractuele erfstelling, komt de planning via huwelijksvoordeel onder de vorm van de toevoeging van een toekenningsbeding aan het huwelijksstelsel het beste tegemoet aan de wensen van de aanvragers.

Mevrouw Y zal als langstlevende immers vanaf de kennisgeving van haar keuze, maar met uitwerking vanaf het overlijden in het bezit en in de volle eigendom treden van de goederen, die haar op basis van het toekenningsbeding in natura werden toegekend. De kinderen van de aanvragers zullen hoogstens de inkorting in waarde kunnen vragen in de mate dat het voordeel dat de langstlevende verkrijgt de grenzen van artikel 2.3.57 van het Burgerlijk Wetboek overschrijdt.

Geen mogelijkheid tot eenzijdige herroeping

32. Daarnaast veronderstelt de herroeping van een huwelijksvoordeel steeds de wijziging van het huwelijkscontract, hetgeen enkel kan met akkoord van beide echtgenoten, terwijl een planning via testament, schenking of contractuele erfstelling te allen tijde eenzijdig herroepen kan worden. Een toekenningsbeding als huwelijksvoordeel creëert aldus zekerheid en comfort voor mevrouw Y.

Eigendomsrecht

33. Voormelde zekerheid en comfort voor mevrouw Y wordt bovendien versterkt door de zakelijke werking van een toekenningsbeding, waardoor zij vanaf de kennisgeving van haar keuze, maar met uitwerking vanaf het overlijden, in het bezit en in de volle eigendom zal treden van de goederen die haar op basis van het toekenningsbeding in natura werden toegekend.

Flexibiliteit

34. Daarenboven biedt een optioneel toekenningsbeding flexibiliteit voor mevrouw Y. Zij zal immers als langstlevende kunnen kiezen welk deel van de goederen uit het eigen vermogen van de heer X zij verkrijgt, en zij zal haar keuze aldus kunnen laten afstemmen op de samenstelling van het vermogen, het geldende economische klimaat, haar eigen noden, haar leeftijd op dat moment, de leeftijd van de kinderen en hun capaciteiten om zelf een vermogen te beheren en te besturen enz.

Autonomiebehoud in hoofde van de heer X

35. Verder speelt de wens tot volstrekt autonomiebehoud in hoofde van de heer X een belangrijke rol bij de keuze voor de planning via huwelijksvoordeel. Zoals reeds meermaals aangegeven, is het voor de heer X van belang dat hij de goederen van zijn eigen vermogen en de opbrengsten die eruit voortkomen op autonome wijze kan blijven beheren en besturen zonder inmenging van anderen. Een optioneel toekenningsbeding heeft geen onmiddellijke eigendomsoverdracht tot gevolg en laat het recht van de heer X om de goederen van zijn eigen vermogen autonoom te beheren en te besturen onverlet.

36. Gelet op al het bovenstaande, zijn de redenen voor de aanvragers om een toekenningsbeding toe te voegen aan hun huwelijkscontract aldus duidelijk civielrechtelijk van aard.

37. Ter staving van het feit dat deze aanvraag artikel 3.17.0.0.2 VCF niet frustreert, verwijzen de aanvragers voor de volledigheid naar de voorafgaande beslissing met nummer 23024 die eerder door uw dienst werd gewezen in een soortgelijk geval. In deze beslissing werd uitdrukkelijk bepaald dat de toekenning van een huwelijksvoordeel door toevoeging van een optioneel toekenningsbeding aan een wettelijk stelsel met betrekking tot welbepaalde eigen goederen geen fiscaal misbruik uitmaakt. Ook in dat geval ging het om echtgenoten die door middel van de toevoeging van een toekenningsbeding aan hun huwelijksstelsel een huwelijksvoordeel wensten toe te kennen aan de langstlevende echtgenoot met betrekking tot goederen die tot hun eigen vermogen behoren, vanuit een verzorgings- en beschermingsgedachte.

​​​​​​​II. Tussentijdse samenvatting

38. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvragers de voorgenomen verrichting duidelijk overwegen omwille van niet-fiscale motieven.

Er kan maar sprake zijn van fiscaal misbruik indien ook het vereiste subjectieve element is vervuld, met name het feit dat een belastingplichtige een rechtshandeling (of het geheel van rechtshandelingen) alleen kiest met als wezenlijk doel het verkrijgen van een belastingvoordeel. De aanvragers verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet-fiscale motieven er hoe dan ook geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot de voorgenomen verrichting die ze u voorleggen, en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.

Conclusie

39. De aanvragers hebben op basis van goed overwogen uitgangspunten een wijziging van hun huwelijksstelsel uitgewerkt waarbij zij via de toevoeging van een optioneel toekenningsbeding de toebedeling van goederen van het eigen vermogen van de heer X aan mevrouw Y als langstlevende waarborgen, dit de volgende doelstellingen:

  • het vermogen beschermen tegen de potentiële gevaren van een voortijdig overlijden van de heer X;
  • voorzien in een uitgebreidere en zekere verzorging van mevrouw Y als langstlevende echtgenote; en
  • behoud van autonomie over hun respectievelijke eigen vermogens.

40. De motieven zijn duidelijk aangehaald en zijn niet-fiscaal van aard. Om die reden menen de aanvragers dat de voorgenomen verrichting bij overlijden van de eerste echtgenoot niet leidt tot de heffing van successierechten en dat de voorgenomen verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

41. Graag vragen wij uw dienst om bevestiging hiervan.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

42. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

43. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

44. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

45. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt wordt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:

De echtgenoten X – Y zijn oorspronkelijk gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1997.

De echtgenoten besloten om over te stappen van het stelsel van scheiding van goederen naar het wettelijk stelsel, met toevoeging van een keuzebeding voor de goederen die bij ontbinding van het huwelijksstelsel door overlijden tot de huwgemeenschap behoren, ingevolge akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2023.

De heer X en mevrouw Y wensen thans, bij wijze van huwelijksvoordeel, een optioneel toekenningsbeding te koppelen aan bepaalde goederen uit het eigen vermogen van de heer X, waardoor mevrouw Y, wanneer zij de langstlevende echtgenote is, de mogelijkheid zal hebben om deze goederen zoveel als nodig en mogelijk zelfs integraal in volle eigendom te verkrijgen.

Het voorwerp van dit beding betreft de aandelen van de besloten vennootschap ‘Z’ alsook een beleggingsportefeuille met alle daaraan gekoppelde rekeningen, die thans exclusief in volle eigendom worden aangehouden door de heer X.

Het beding wordt optioneel geformuleerd. Mevrouw Y heeft de keuze om zich de bovenstaande goederen te laten toebedelen, zowel voor de volle eigendom, de blote eigendom of voor het vruchtgebruik, voor het geheel of voor een door haar te bepalen breukdeel.

In het ontwerp van akte houdende wijziging van huwelijksovereenkomst is voorzien in een passiefregeling en in zaakvervanging.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF

46. De aanvragers zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel der gemeenschap van aanwinsten. Het voorgenomen toekenningsbeding heeft volgens de echtgenoten X – Y betrekking op goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over tot welk vermogen de in de aanvraag beschreven vermogensbestanddelen behoren, maar gaat in onderhavige beslissing uit van de kwalificatie die de aanvrager hieraan geeft, namelijk zijnde eigen goederen van de heer X. Indien bij overlijden blijkt dat bepaalde goederen zoals bijvoorbeeld winstuitkeringen van eigen aandelen, zich in de gemeenschap van aanwinsten bevinden, zullen hierop de heffingsregels uit het VCF toegepast worden, zoals hierna uiteengezet.

47. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

48. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben, van een eenzijdig (optioneel) toekenningsbeding van eigen goederen in een gemeenschapsstelsel, zoals in casu voorligt.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich evenmin uit over de rechtsgeldigheid van de voorgenomen overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.

In de mate bijgevolg dat het voorgenomen eenzijdig (optioneel) toekenningsbeding van eigen goederen burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

49. In de mate dat het eenzijdig (optioneel) toekenningsbeding van eigen goederen van de ene echtgenoot in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking zou zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichtingen.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

50. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

51. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

52. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het eenzijdig optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

53. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

54. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen, onder erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Het optioneel toekenningsbeding heeft volgens de aanvragers geen betrekking op gemeenschapsgoederen, maar op goederen die behoren tot het eigen vermogen van de heer X.

55. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

56. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

57. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

58. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

59. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

60. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).

61. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

62. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten oorspronkelijk gehuwd zijn onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1997.

De echtgenoten kozen destijds voor het stelsel van scheiding van goederen vanuit hun wens om een strikte vermogensafscheiding te organiseren, autonomie te behouden om hun vermogen alleen en zelfstandig te kunnen besturen en elkaars vermogen af te schermen van eventuele schuldeisers.

Tijdens het huwelijk is de wens ontstaan in hoofde van de aanvragers om meer solidariteit te creëren binnen hun huwelijksstelsel. Daarom besloten de echtgenoten om over te stappen van het stelsel van scheiding van goederen naar het wettelijk stelsel, met toevoeging van een keuzebeding voor de goederen die bij ontbinding van het huwelijksstelsel door overlijden tot de huwgemeenschap behoren, ingevolge akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2023.

De echtgenoten hebben drie meerderjarige gemeenschappelijke kinderen.

De echtgenoten X – Y wensen thans, bij wijze van hetgeen zij als huwelijksvoordeel kwalificeren, een eenzijdig optioneel toekenningsbeding te koppelen aan bepaalde goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X.

Volgens de gegevens in de aanvraag heeft het toe te voegen optioneel toekenningsbeding betrekking op de volgende eigen goederen van de heer X: aandelen van de besloten vennootschap ‘Z’ en een beleggingsportefeuille met alle daaraan gekoppelde rekeningen.

De heer X wenst zijn eigen vermogen te beschermen tegen potentieel nadelige gevolgen voor het geval hij voortijdig komt te overlijden. De aanvragers wensen de eigen goederen van de heer X af te schermen van de kinderen totdat zij voldoende maturiteit hebben bereikt om dit op een adequate wijze te beheren. Daarom is het voor de echtgenoten belangrijk bescherming te voorzien tegen de erfrechtelijke verkrijging van deze goederen door de kinderen alsook tegen mogelijke reservataire aanspraken van hen in het kader van de vereffening en verdeling van de nalatenschap van de heer X.

Daarnaast wenst de heer X te voorzien in een uitgebreidere en sterkere verzorging van mevrouw Y voor mocht het huwelijk door zijn overlijden worden ontbonden, zonder daarbij afbreuk te doen aan zijn huidige autonome beschikkingsbevoegdheden met betrekking tot de goederen uit tot zijn eigen vermogen. De bedoeling van de heer X is dat mevrouw Y haar levensstandaard van tijdens het huwelijk kan behouden.

63. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

64. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[2] Een kopie van de wijzigingsakte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2023 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.