Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 23021 - Schenking met last Vlaamse Belastingdienst

VB 23021 - Schenking met last

Voorafgaande beslissing
Nummer
23021
Datum beslissing
17 juli 2023
Publicatiedatum
30 augustus 2023

Heffing

  • Schenkbelasting
  • Verdeelrecht

Wettelijke basis

  • art. 2.10.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.3.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Deze vraag tot voorafgaandelijke beslissing strekt er toe de bevestiging te krijgen dat:

1.1. de voorgenomen schenking door de ouders van de onroerende goederen van de familiale onderneming, aan hun zonen, waarbij een last wordt opgelegd aan één van de begiftigden (hoofdbegiftigde) om een geldsom te betalen aan zijn broers, in haar geheel gekwalificeerd kan worden als een schenking en niet als een verkoop (rechtshandeling onder bezwarende titel);

1.2. de daarna volgende inbreng door de hoofdbegiftigde van een deel van het geschonken goed in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) (of indien wijziging van het huwelijksstelsel in het gemeenschappelijk vermogen) niet als fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF kan worden beschouwd.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door notaris […] te […], namens:

2.1. De Heer X, geboren te […] op xx.xx.1960, (rijksregisternummer […]), en zijn echtgenote;

2.2. mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1961, (rijksregisternummer […]),

samenwonende te […].

De voornoemde sub 2.1. en 2.2., zijnde de ouders of schenkers.

3. De betrokken partijen zijn:

3.1. De Heer A, geboren te […] op xx.xx.1990, (rijksregisternummer […]), gehuwd, wonende te […];

3.2. De Heer B, geboren te […] op xx.xx.1993, (rijksregisternummer […]), gehuwd, wonende te […];

3.3. De Heer C, geboren te […] op xx.xx.1997, (rijksregisternummer […]), echtgenoot van mevrouw D, hierna genoemd, wonende te […].

De voornoemden sub 3.1. tot en met 3.3, zijn de kinderen van de echtgenoten X- Y, in deze de begiftigden.

De heer C, sub 3.3. in deze ook “hoofdbegiftigde” genoemd

4. De betrokken onroerende goederen betreffen:

4.1. GEMEENTE […]

4.1.1. Drie percelen landbouwgrond, gelegen […], gekend volgens laatste titel en volgens recent kadastraal uittreksel onder sectie B nummer […], voor een respectievelijke oppervlakte van [...]

4.1.2. Drie percelen weiland, gelegen […], gekend volgens laatste titel en volgens recent kadastraal uittreksel onder sectie B, deel van nummer […], voor een op te meten oppervlakte (opmetingsplan van landmeter-schatter van xx.xx.2022) en nummers […], respectievelijk voor een oppervlakte van [...].

4.1.3. Een perceel weiland, gelegen […], gekend volgens laatste titel onder […] en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie B nummer […], voor een oppervlakte van [...].

4.1.4. Twee percelen weiland, op en met de grond, gelegen langs de […], gekend volgens laatste titel onder sectie B nummers […] en […], en volgens recent kadastraal uittreksel gekend onder […] en […], voor een oppervlakte van respectievelijk één [...].

4.1.5. Een perceel landbouwgrond, gelegen […], aan […], gekend volgens laatste titel onder grotere oppervlakte onder nummer […] en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie C nummer […], voor een oppervlakte van [...].

4.1.6. De landbouwgebouwen, met aanhorigheden op en met grond, staande en gelegen langs de […], gekend volgens laatste titels onder sectie B nummers […] en deel van nummer […], en volgens recent uittreksel kadastraal onder sectie B nummer […], voor een oppervlakte van [...].

4.1.7. Een perceel weiland, gelegen […], gekend volgens laatste titels onder grotere oppervlakte en samen met ander goed onder sectie B nummers […] en onder sectie B nummers […] en deel van nummers […] en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie B nummers […], voor een respectievelijke oppervlakte van [...].

4.1.8. Een perceel weiland, gelegen […], gekend volgens laatste titel onder […] en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie B nummer […], voor een oppervlakte van [...].

4.1.9. Een perceel weiland, gelegen […], gekend volgens laatste titel en volgens recent kadastraal uittreksel onder sectie B deel van nummer […], voor een oppervlakte volgens de hierna vermelde meting van [...], volgens opmetingsplan van de landmeter-schatter van 12 december 2022.

4.1.10. Een weg, gelegen […], gekend volgens laatste titel onder grotere oppervlakte en samen met ander goed onder sectie B […] en volgens recent kadastraal uittreksel onder sectie B nummer […], voor een oppervlakte van [...].

4.1.11. Een weg en een kapel, gelegen […] en nabij […], gekend volgens laatste titel onder grotere oppervlakte en samen met ander goed onder sectie B nummer […] volgens recent kadastraal uittreksel onder sectie B nummer […], voor een respectievelijke oppervlakte van [...].

4.2. GEMEENTE […] - VIERDE AFDELING - […] TWEEDE AFDELING

4.2.1. Een perceel landbouwgrond, gelegen […], gekend volgens laatste titel onder nummers […], en deel van nummers […], en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie D nummer […], voor een oppervlakte van [...].

4.2.2. Een perceel landbouwgrond, gelegen […], gekend volgens laatste titel onder grotere oppervlakte onder nummer […] en deel van nummers […] en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie D nummer […], voor een oppervlakte van [...].

4.3. STAD […] - EERSTE AFDELING

Een perceel weiland, gelegen […], gekend volgens laatste titel onder en volgens recent kadastraal uittreksel onder sectie C nummer […], voor een oppervlakte van [...].

Behoudens het goed sub 4.1.5 (enkel eigendom van de Heer X), behoren al de voormelde goederen toe aan de echtgenoten X-Y.

De oorsprong van eigendom van de voormelde goederen staat nader beschreven in het ontwerp van schenkingsakte dat als bijlage bij de aanvraag wordt gevoegd.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

5. Deze aanvraag betreft een schenking van de vermelde onroerende goederen onder punt 4 door de ouders aan hun drie kinderen als volgt:

5.1. De onroerende goederen sub 4.1.1., 4.1.6., 4.1.10., 4.1.11. en 4.2.1. in volle eigendom aan de partij vermeld onder punt 3.3.;

5.2. de onroerende goederen sub 4.1.2., 4.1.3., 4.1.7. en 4.1.8. in blote eigendom aan de partij vermeld onder punt 3.3.;

5.3. de onroerende goederen sub 4.1.4., 4.1.5., 4.2.2. en 4.3. in blote eigendom aan de partijen vermeld onder punt 3.1 tot en met 3.3. in onverdeeldheid;

5.4. het onroerende goed vermeld onder punt 4.1.9. in volle eigendom aan de partij vermeld onder punt 3.2..

6. Hetgeen aan de zonen van de schenkers geschonken wordt, wordt geschonken als voorschot op erfdeel.

7. De verkoopwaarde van al de voormelde goederen in volle eigendom samen bedraagt [...],

namelijk:

7.1. Voor voorschreven goederen sub 4.1.1., een waarde van [...];

7.2. Voor voorschreven goederen sub 4.1.2., een waarde van [...];

7.3. Voor voorschreven goed sub 4.1.3., een waarde van [...];

7.4. Voor voorschreven goederen sub 4.1.4, een waarde van [...];

7.5. Voor voorschreven goed sub 4.1.5., een waarde van [...];

7.6. Voor voorschreven goederen sub 4.1.6., 4.1.10. en 4.1.11. samen, een waarde van [...];

7.7. Voor voorschreven goed 4.1.7., een waarde van [...];

7.8. Voor voorschreven goed sub 4.1.8., een waarde van [...];

7.9. Voor voorschreven goed sub 4.1.9., een waarde van [...];

7.10. Voor voorschreven goed sub 4.2.1., een waarde van [...];

7.11. Voor voorschreven goed sub 4.2.2., een waarde van [...];

7.12. Voor voorschreven goed sub 4.3., een waarde van [...].

8. De waarde van de geschonken goederen in volle eigendom, per persoon, is als volgt:

8.1. Aan de Heer C: [...]

8.2. Aan de Heer B: [...]

8.3. Aan de Heer A: [...]

9. De voormelde waarden werden bepaald op basis van vergelijkingspunten, doch wel rekening houdend met het gegeven dat de landbouwgronden laag gelegen zijn en deels overstromingsgevoelig bij hevige neerslag.

Voor wat de gebouwen betreft, werd bij de waardering rekening gehouden met het actuele economisch nut.

Zo is er bijvoorbeeld een varkensstal die weliswaar vergund is tot 2028, maar waarvan de vergunning normaal gezien niet verlengd zal kunnen worden gelet op de nabijheid van woningen. Ook is er een rundveestal die thans ingericht is voor wit/blauw-runderen, maar die een volledige herinrichting zal nodig hebben om geschikt te zijn voor melkvee.

Voor wat de gebouwen betreft, werd tevens rekening gehouden met het feit dat er aanzienlijk wat asbest aanwezig is, hetgeen in casu een aanzienlijk waardevermindering met zich meebrengt.

10. Al de goederen worden aangewend voor de familiale onderneming ‘X’ met ondernemingsnummer […]. Voor al deze goederen zal om de vrijstelling van artikel 2.8.6.0.3, §1, VCF worden verzocht. In dit verband werd een attest aangevraagd, hetwelk werd afgeleverd op 11 mei 2023 met referentie: […].

11. Naar aanleiding van de voorgenomen schenking, zouden er aan de Heer C volgende lasten worden opgelegd:

Door de begiftigde, C, te betalen:

- een bedrag van [...] aan de Heer B,

- een bedrag van [...] aan de Heer A.

Totaal: [...]

Deze last wordt aan de respectievelijke begunstigden deels (ten belope van [...]) betaald bij het verlijden van de akte, en deels (ten belope [...]) binnen een termijn van vijf jaar.

12. Met het oog op de betaling van de last bij de schenkingsakte én de overname van de roerende goederen van het landbouwbedrijf, zal er door de hoofdbegiftigde, de Heer C een financiering aangegaan worden als volgt:

- voor de betaling van de last: een win-winlening aan te gaan bij de ouders voor een bedrag van [...]. Het overige deel wordt betaald met eigen middelen, deels bij de akte, deels op een termijn van 5 jaar.

- voor de overname van de roerende goederen van het landbouwbedrijf: krediet aan te gaan bij een bank (onderhandelingen met banken zijn nog lopende).

Ter informatie wordt hierbij tevens het overzicht gevoegd van de over te nemen roerende goederen, met waardebepaling hiervan (Totaal bedrag: [...]).

13. De aanvraag betreft tevens de inbreng door de Heer C van de goederen vermeld sub 4.1.6., 4.1.10 en 4.1.11 in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen gecreëerd bij huwelijkscontract van scheiding van goederen verleden op xx.xx. 2021 (dan wel ingeval van wijziging van het stelsel van scheiding van goederen naar het wettelijke stelsel, de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen):

III. Motivering van de aanvraag

14. De voorgenomen verrichting kan gemotiveerd worden als volgt:

14.1. De ouders, zijnde de echtgenoten X-Y hebben de leeftijd van respectievelijk 62 en 61 jaar bereikt. Zij wensen hun beroepsloopbaan binnen zeer korte termijn te beëindigen.

Het is de wens van de jongste zoon, C, om de familiale onderneming, zijnde een landbouwbedrijf, over te nemen. Van de drie zonen is enkel C hierin geïnteresseerd. De andere zonen hebben andere toekomstplannen.

De ouders wensen hun jongste zoon C te steunen in zijn voornemen om het landbouwbedrijf over te nemen en voort te zetten. Zij zijn oprecht blij dat hun levenswerk binnen de familie zal worden verdergezet.

14.2. Anderzijds wensen zij hun drie zonen zo veel als mogelijk gelijk te behandelen. Zij zijn ervan overtuigd dat een gelijke berechtiging van de kinderen de sleutel is tot het behoud van de goede familiale relaties.

Vandaar dat er ter compensatie een last moet betaald worden door C aan zijn beide broers. Deze last is niet voldoende om een evenwicht te bereiken, doch zowel B als A hebben van hun vader recentelijk elk al een bouwgrond ontvangen.

Namelijk:

-de schenking van onroerend goed door de Heer X aan de Heer A, verleden voor Notaris […], te […] op xx.xx.2021, overgeschreven op het Kantoor Rechtszekerheid te […], onder formaliteit […],

-de schenking van onroerend goed door de goed door de Heer X aan de Heer B, verleden voor Notaris […], te […] op xx.xx.2020, overgeschreven op het Kantoor Rechtszekerheid te […], onder formaliteit […].

Bovendien houdt men er binnen de familie ook rekening mee dat de ouders na de voorgenomen schenking nóg onroerend goed hebben, hetwelk op termijn ook nog geschonken zal worden.

Deze opgelegde lasten beletten geenszins dat de overeenkomst in haar geheel een schenking is. Het is de bedoeling van de ouders om te schenken. Zij willen zich dadelijk en onherroepbaar ontdoen van de landbouwgronden en de hoevegebouwen, met de intentie om al hun kinderen te verrijken.

Het feit dat de Heer C vervolgens een deel het van hem geschonken goed wil inbrengen in het TIGV of gemeenschappelijk vermogen wordt ingegeven door het feit dat de echtgenoten C-D ook tussen hen een financieel evenwicht wensen te bewaren. Deze inbreng gebeurt bovendien met het oog op de belangen van Mevrouw D in geval haar echtgenoot voor haar zou komen te overlijden.

Zij zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen. Een kopie van hun huwelijkscontract wordt eveneens bijgevoegd. Mogelijks zou hun huwelijksstelsel nog gewijzigd worden naar het wettelijk stelsel en zou er dan een inbreng in het gemeenschappelijk vermogen gebeuren i.p.v. in het TIGV. De beslissing hiertoe hangt af van de betrokkenheid die Mevrouw D zal hebben bij het verderzetten van het landbouwbedrijf.

15. De vraag om voorafgaande beslissing betreft meer bepaald de artikelen 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.3.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF en 3.17.0.0.2 VCF.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

16. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

17. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

18. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

- Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”;

- Artikel 2.8.3.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belastbare grondslag als volgt vastgesteld:

1° voor de schenking van financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet, volgens de beurswaarden ervan op datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt. Als er op die datum geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt voor bepaalde van de geschonken waarden wel en voor andere geen notering is, wordt de belastbare grondslag van die laatste waarden vastgesteld volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is;

2° voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed, zoals in artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7 is bepaald;

3° voor de schenking van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen, volgens de volgende formule:

belastbare grondslag = a x b, waarbij :

a) a = de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van de goederen;

b) b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de datum van de schenking;

4° voor de schenking van het voor een bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, door het bedrag van de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren over de duur van het vruchtgebruik, bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastbare grondslag mag evenwel niet meer bedragen dan hetzij de waarde, berekend volgens punt 3°, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een natuurlijke persoon, hetzij twintig keer de opbrengst, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een rechtspersoon;

5° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen;

6° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens punt 3° of punt 4° ;

7° voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen, op basis van het jaarlijkse bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, die op de begiftigde moet worden toegepast;

8° voor schenkingen van een altijddurende rente, op basis van het jaarlijkse bedrag van de rente, vermenigvuldigd met twintig.

§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt de last die bestaat uit een som, een rente of een pensioen, onder kosteloze titel bedongen ten voordele van een derde die aanvaardt, in hoofde van die derde als schenking belast en wordt de last van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken. In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de tarieven, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1.”;

- Artikel 2.8.4.1.1 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :
TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000


§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan :
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.

In afwijking van het eerste lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.

Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun
zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.”;

- Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”.

19. Een schenking met last is een schenking waarbij de begiftigde er zich toe verbindt een bepaalde tegenprestatie te leveren.

Deze tegenprestatie wordt aan de begiftigde opgelegd door de schenker en kan zijn bedongen in diens eigen voordeel of in het voordeel van een derde.

20. In casu worden onroerende goederen van het landbouwbedrijf met een waarde van [...] geschonken aan de zoon, C, onder last een som van [...] euro te betalen aan elk van zijn broers (in totaal [...] ). Naast de onroerende goederen zal de zoon C ook de roerende goederen van het landbouwbedrijf overnemen voor een waarde van [...] euro.

Rekening houdende met de opgelegde lasten zou de hoofdbegiftigde een voordeel van [...] – [...] = [...] euro verkrijgen, hetzij 75% van de schenking aan hem gedaan. Hierbij werd geen rekening gehouden met de goederen die in dezelfde akte aan zijn broers werden geschonken, noch met de win-winlening verleend door de ouders, noch met de financiering voor de overname van de roerende goederen van het landbouwbedrijf.

21. In geval van een schenking met last moet worden uitgemaakt of de overeenkomst nog wel de aard van een schenking heeft dan wel als een rechtshandeling onder bezwarende titel moet gekwalificeerd worden.

22. De last belet niet dat de overeenkomst in haar geheel een gift is, wanneer de waarde van de last lager is dan die van de geschonken goederen, zodat de verrichting voor de begiftigde nog een voordeel oplevert.

Bovendien moet bij de schenkers de wil aanwezig zijn om zich te verarmen (animus donandi) (subjectief element).

23. Uit de gegevens van de aanvraag blijkt dat de ouders vermeld onder punt 2.1 en 2.2. de onroerende goederen vermeld onder punt 5.1., 5.2 en 5.3 aan hun zoon, de heer C, die als enige van hun kinderen landbouwactiviteiten wenst uit te oefenen, wensen te schenken. In het voordeel van de secundaire begiftigden, hun twee andere kinderen, bedingen zij een last van [...] euro, elk. De hoofdbegiftigde houdt na uitkering van de lasten een waarde van [...] euro over.

Er is duidelijk sprake van begiftigingsinzicht bij de schenkers, die met deze schenking de gelijke behandeling van de kinderen voor ogen hebben.

24. Uit het geheel van de feiten blijkt dat naast de verarming van de schenkers en de verrijking van de begiftigde ook het begiftigingsinzicht bij de schenkers aanwezig is zodat de voorgenomen verrichting voor zover de waardering van de te schenken goederen met de werkelijkheid overeenstemt een schenking is en geen overdracht onder bezwarende titel.

Dat de hoofdbegiftigde voor de betaling van de last hem opgelegd bij de schenking een financiering (win-winlening) moet aangaan heeft geen invloed op deze beoordeling.

25. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. De overdracht van een van de onroerende goederen vermeld onder 4.1.1 tot en met 4.1.8, 4.1.10, 4.1.11, 4.2.1, 4.2.2 en 4.3 bij schenking met last gevolgd door de inbreng van de onroerende goederen vermeld sub 4.1.6., 4.1.10 en 4.1.11 door de partij vermeld onder punt 3.3 in hetzij een TIGV, hetzij in het gemeenschappelijk vermogen maakt geen fiscaal misbruik uit. Aan deze rechtshandelingen liggen immers ook niet-fiscale motieven ten grondslag liggen die voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.