Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25050 - Inbreng - onrechtstreekse schenking - fiscaal misbruik Vlaamse Belastingdienst

VB 25050 - Inbreng - onrechtstreekse schenking - fiscaal misbruik

Voorafgaande beslissing
Nummer

25050

Datum beslissing

17 november 2025

Publicatiedatum

9 januari 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting
  • Verkooprecht

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.7. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 2.8.6.0.3. VCF
  • art. 2.9.1.0.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat:

1.1. er geen verkooprecht verschuldigd is op de voorgenomen inbreng van de Bedrijfssite in de Vennootschap op grond van art. 2.9.1.0.1. VCF;

1.2. de voorgenomen onrechtstreekse schenking (via inbreng ten behoeve van een derde) wordt belast tegen het tarief toepasselijk voor roerende goederen en niet tegen de progressieve tarieven toepasselijk voor onroerende goederen zoals opgenomen in art. 2.8.4.1.1.§1 VCF. Aangezien de aanvragers van mening zijn dat de voorwaarden daartoe zijn voldaan, zullen zij in de akte om toepassing van de vrijstelling voorzien in art. 2.8.6.0.3. VCF verzoeken. Er wordt evenwel geen voorafgaande beslissing gevraagd omtrent de toepassing van de vrijstelling voorzien in art. 2.8.6.0.3. VCF, aangezien wij begrepen hebben dat naar oordeel van de Dienst Voorafgaande Beslissingen dit een vraag zou betreffen omtrent het gebruik van bewijsmiddelen waarvoor geen voorafgaande beslissing kan worden bekomen;

1.3. de voorgenomen onrechtstreekse schenking, bij overlijden van één van de ouders (schenkers), niet aan erfbelasting wordt onderworpen op grond van art. 2.7.1.0.7. VCF of enige andere bepaling

1.4. de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken als bedoeld in art. 3.17.0.0.2. VCF.

2. Art. 3.22.0.0.1. VCF bepaalt dat een voorafgaande beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag een langere termijn rechtvaardigt. Aangezien de gevraagde voorafgaande beslissing ook de toepassing van art. 2.7.1.0.7. VCF betreft, past het dat de voorafgaande beslissing wordt getroffen voor een periode die eindigt bij het overlijden van de langstlevende van de heer X en mevrouw Y, beiden voornoemd.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. De aanvraag tot voorafgaande beslissing wordt ingediend door […] te […], namens:

3.1. De heer X, wonende te […] en rijksregisternummer […] (hierna “X” genoemd);

3.2. Mevrouw Y, wonende te […] en rijksregisternummer […] (hierna “Y” genoemd);

3.3. Mevrouw D, wonende te […] en rijksregisternummer […] (hierna “D” genoemd);

3.4. De heer E, wonende te […] en rijksregisternummer […] (hierna “E” genoemd);

3.5. De besloten vennootschap “Z”, met zetel te […], ingeschreven in het rechtspersonenregister van […], afdeling […], onder het nummer […] (hierna “de Vennootschap” genoemd).

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

4. De Vennootschap oefent haar activiteiten (zie website: […]) uit in een geheel van gebouwen gelegen te […] (hierna “de Bedrijfssite” genoemd).

De Bedrijfssite betreft volgende 3 kadastrale percelen (zie bijlage 1 bij de aanvraag): […]. De inplanting van gebouwen, wegenissen en andere constructies loopt over de perceelsgrenzen heen. De gronden zijn integraal eigendom van X en Y (behorende tot de tussen hen bestaande huwgemeenschap). De gebouwen zijn deels eigendom van X en Y (eveneens behorende tot de huwgemeenschap) en deels eigendom van de Vennootschap ingevolge recht van opstal toegestaan op het perceel […] (zie bijlage 2 bij de aanvraag). De Vennootschap maakt gebruik van het geheel, deels als huurder (zie bijlage 3 bij de aanvraag) en deels als opstalhouder.

5. De aandelen van de Vennootschap zijn in gevolge schenking door X en Y voor 50% volle eigendom van D en voor 50% volle eigendom van E. D en E voeren de operationele leiding over de vennootschap en zijn derhalve beiden tot bestuurder benoemd.

6. De voorgenomen verrichting betreffen:

a) Inbreng door X en Y van hun eigendomsrechten van de Bedrijfssite in de Vennootschap, tegen uitgifte van nieuwe aandelen.

Het betreft concreet:

  • voor wat betreft het perceel […]: grond en constructies/gebouwen;
  • voor wat betreft het perceel […]: grond en constructies/gebouwen;
  • voor wat betreft het perceel […]: grond exclusief constructies/gebouwen gelet op het toegestane recht van opstal.

b) Uitgifte aandelen aan X en Y voor het vruchtgebruik en D en E voor de blote eigendom (inbreng ten behoeve van een derde).

Naar aanleiding van de inbreng van de bedrijfssite zullen ook de statuten van de Vennootschap worden aangepast.

7. Onrechtstreekse schenking via inbreng ten behoeve van een derde

De naar aanleiding van de inbreng nieuw te creëren aandelen zullen worden uitgegeven aan de ouders X en Y voor het vruchtgebruik en de kinderen D en E voor de blote eigendom. Dergelijke werkwijze maakt een inbreng ten behoeve van een derde uit en is vennootschapsrechtelijk een geldig procedé. Het is een bijzondere vorm van vennootschapsrechtelijke inbreng, waarbij er geen of geen volledige overeenstemming is tussen de persoon of personen die een inbreng verrichten en de persoon of personen die de door de vennootschap in ruil uit te geven aandelen verkrijgen (en dus vennoot worden). Het Hof van Cassatie heeft het procedé reeds in haar arrest van 7 februari 1975 aanvaard, waarin het oordeelde dat uit ons vennootschapsrecht nergens afgeleid kan worden dat wie een inbreng doet, noodzakelijkerwijze ook zelf vennoot moet worden. Omgekeerd veronderstelt de hoedanigheid van vennoot wel degelijk een inbreng, maar die hoeft niet noodzakelijk te gebeuren door de persoon die vennoot wordt.[1]

In de relatie tussen de inbrengers (X en Y) en de verkrijgers van de aandelen (D en E) maakt het procedé een onrechtstreekse schenking (via derdenbeding) uit indien er begiftigingsinzicht aanwezig is in hoofde van de inbrengers.

Dit inzicht zal in de notariële akte worden bevestigd door X en Y en de (onrechtstreekse) schenking zal door D en E worden aanvaard.

Volgende modaliteiten zullen aan de schenking worden verbonden:

  • Voorbehoud van vruchtgebruik;
  • Verbod om de blote eigendom van de aandelen te vervreemden zonder toestemming van de vruchtgebruikers (ter vrijwaring van de rechten van de vruchtgebruikers);
  • Ontbindende voorwaarde (optioneel) van vooroverlijden van een begiftigde.

8. Gesplitste uitgifte aandelen

De naar aanleiding van de inbreng te creëren aandelen zullen worden uitgegeven in de verhouding vruchtgebruik/blote eigendom. De splitsing van het eigendomsrecht en vruchtgebruik en blote eigendom gebeurt via notariële akte, zijnde de akte waarin ook de inbreng wordt opgenomen.

9. Affectio societatis

Het begrip ‘affectio societatis’ verwijst naar een intentioneel element (in hoofde van de personen die vennoot worden), meer bepaald de ingesteldheid om op gelijke voet samen te werken om het vennootschapsdoel te verwezenlijken en de bereidheid om de risico’s van deze samenwerking samen te ondergaan [2]. Het begrip is sterk gelinkt aan de definitie van ‘inbreng’ zoals opgenomen in art. 1.8.§1 WVV: “De inbreng is de handeling waarbij een persoon iets ter beschikking stelt van een op te richten of een bestaande vennootschap, met het oogmerk vennoot ervan te worden of zijn aandeel in de vennootschap te vergroten, en derhalve deel te nemen in de winst.”

Volgende elementen zijn van belang, telkens op de voorgenomen verrichtingen toegepast:

  • “Iets ter beschikking stellen” de onroerende goederen die worden ingebracht zullen verder aangewend worden voor de activiteiten van de vennootschap. De onroerende goederen zijn cruciaal voor de bedrijfsvoering.
  • “Oogmerk vennoot te worden of zijn aandeel in de vennootschap te vergroten” de hoedanigheid van vennoot veronderstelt o.a. het dragen van het risico en dus de kans op winst en verlies. Aangezien de n.a.v. de inbreng te creëren aandelen zullen worden uitgegeven in de verhouding vruchtgebruik/blote eigendom dient het dragen van het risico ook in die verhouding te worden begrepen.

In hoofde van de vruchtgebruikers (X en Y) blijkt de deelname in het risico uit het gegeven dat zij na de inbreng niet langer recht hebben op een vaste huurvergoeding, maar slechts op een dividend. Dergelijk dividend kan slechts worden uitgekeerd in de mate de vennootschap in het betrokken boekjaar winst maakt en de algemene vergadering tot winstuitkering besluit (zie ook verder onder titel 2.4). Het vroegere zeker huurrendement wordt dus vervangen door een onzeker dividend, hetgeen eigen is aan het aspect risico bij een vennootschapsaandeel.

In hoofde van de blote eigenaars (D en E) volgt de deelname in het risico in de eerste plaats uit de toekomstige waarde-evolutie van de aandelen die ze (in blote eigendom) verwerven. Deze waarde van de aandelen is evident te onderscheiden van de waarde van de ingebrachte onroerende goederen. Zo kunnen hun aandelen bijvoorbeeld dalen door afnemende bedrijfsresultaten, zelfs al zou de waarde van de ingebrachte onroerende goederen stijgen.

Besluit: de inbreng gebeurt met affectio societatis.

10. Statuten

De buitengewone algemene vergadering van de Vennootschap die tot inbreng zal besluiten, zal tevens nieuwe statuten aannemen. Daarin zal onder meer worden voorzien:

  • Organisatie van het bestuur van de vennootschap:
    • Benoeming van E en D als statutair bestuurder, in anticipatie op een onverwacht defungeren van één van hen:
      • Duidelijke beschrijving wanneer iemand geacht wordt te defungeren of buiten functie te zijn;
      • De overblijvende statutair bestuurder kan verder alleen handelen, onder meer in functie van de continuïteit van de bedrijfsvoering;
      • De overblijvende statutair bestuurder kan slechts worden ontslagen met de bijzondere meerderheid nodig voor een statutenwijziging. Het opzet bestaat er in dat de overblijvende statutair bestuurder beschermd is tegen ontslag, in de zin dat zijn akkoord nodig is om tot zijn ontslag te besluiten (zo nodig -afhankelijk van het aantal nieuw uit te geven aandelen- zal in een strengere bijzondere meerderheid worden voorzien dan de algemene regel zoals opgenomen in art. 5:100 WVV).
    • De benoeming van (een) bijkomende niet-statutaire bestuurder(s) is mogelijk, maar dit veronderstelt een meerderheid in de algemene vergadering. In voorkomend geval geldt volgende specifieke regeling:
      • De statutair bestuurder en de niet-statutair(e) bestuurder(s) vormen samen een college;
      • De houders van aandelen soort A en de houders van aandelen soort B hebben elk recht op één bestuurder, naar gelang het geval in de statuten (E/D) dan wel buiten de statuten benoemd;
      • De houders van aandelen soort A en de houders van aandelen soort B (zie hierna) hebben daarom elk recht op benoeming van één niet-statutair bestuurder, voor het geval de statutair benoemde bestuurder verbonden aan de betrokken aandelensoort niet meer in functie is;
      • Dagelijks bestuur kan worden opgedragen aan de statutair bestuurder;
      • Vertegenwoordigingsbevoegdheid ligt bij de statutair bestuurder (of 2 niet-statutaire bestuurders).
  • Creatie van soorten van aandelen:
    • Soort A: 50% van de huidige aandelen, zijnde de aandelen waarvan D volle eigenaar is;
    • Soort B: 50% van de huidige aandelen, zijnde de aandelen waarvan E volle eigenaar is;
    • Soort C: nieuw uit te geven aandelen n.a.v. de inbreng ten behoeve van een derde, toekomende aan X/Y voor het vruchtgebruik en D/E voor de blote eigendom;
    • Aan de onderscheiden soorten van aandelen worden volgende bijzondere rechten verbonden:
      • Soort A/B:
        • Recht op benoeming niet-statutair zaakvoerder (zie ook hoger);
        • Winstbestemming: pro rata aandeel in uitkering van het te bestemmen jaarresultaat, na aftrek van het preferent gedeelte toekomende aan de aandeelhouders C;
        • Uitkeringen reserves: komen integraal toe aan de aandeelhouders A en B, naar verhouding van het aantal aandelen. De aandeelhouders C hebben geen recht op uitkering van reserves.
  • Soort C: recht op preferent dividend: 20% van het te bestemmen jaarresultaat komt preferent toe aan de aandeelhouders C. Indien meer dan 20% van het jaarresultaat wordt uitgekeerd als dividend, komt het meerdere pro rata toe aan de aandeelhouders A&B samen.

III. Motivering van de aanvraag

10. Aan de verrichtingen zoals uiteengezet, liggen volgende niet-fiscale motieven ten grondslag:

10.1. Samenbrengen eigendomsstructuur

De eigendomsstructuur van de Bedrijfssite is thans verdeeld over de Vennootschap enerzijds en X en Y anderzijds in gevolge recht van opstal. Het samenbrengen van de eigendom binnen de Vennootschap biedt volgende voordelen aan de Vennootschap:

  • rechtstreeks zeggenschap over de Bedrijfssite: toekomstige investeringen en aanpassingswerken kunnen rechtstreeks door de Vennootschap gebeuren;
  • de Vennootschap is verzekerd van het verdere gebruik van de Bedrijfssite op lange termijn;
  • de eigendomsstructuur geraakt niet verdeeld door overlijden van (een) familiant(en) waardoor mogelijkse geschillen tussen mede-eigenaars worden vermeden.

Het samenbrengen van de eigendomsstructuur binnen de Vennootschap is des te pertinenter aangezien:

  • de Vennootschap haar activiteiten uitoefent binnen de Bedrijfssite;
  • de commerciële ligging van de Bedrijfssite van bijzonder belang is voor de Vennootschap, gelet op de aard van haar activiteiten;
  • de inplanting van gebouwen, wegenissen en andere constructies over de perceelsgrenzen heen loopt.

10.2. Continuïteit bedrijfsvoering in geval van defungeren/overlijden D/E

Doordat de Bedrijfssite eigendom wordt van de Vennootschap is de bestuursregeling zoals hoger omschreven ook op de Bedrijfssite van toepassing. In vergelijking met de situatie waarbij de Bedrijfssite tot het privé-vermogen van D of E zou behoren (na schenking of erfenis vanwege de ouders), geeft een eventueel defungeren of overlijden van D of E geen aanleiding tot bijkomende moeilijkheden. Dit geldt zowel op het vlak van het beheer van de Bedrijfssite (de bestuursregeling uitgewerkt binnen de Vennootschap is van toepassing versus de gewone regels inzake mede-eigendom) als op het vlak van bestemming van de Bedrijfssite (er zijn geen mede-eigenaars die de verdeling en/of verkoop kunnen vorderen).

11. Te onderzoeken artikelen VCF

11.1. Art 2.9.1.0.1. VCF

Uit art. 2.9.1.0.1. VCF in combinatie met art. 115bis W.Reg. volgt dat er geen verkooprecht verschuldigd is wanneer natuurlijke personen onroerende goederen inbrengen in vennootschap, althans wanneer het onroerende goederen betreft die niet geheel of gedeeltelijk voor bewoning worden aangewend of tot bewoning zijn bestemd.

In casu betreft het een bedrijfssite. Er is dan ook geen sprake van een onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk voor bewoning worden “aangewend” of tot bewoning worden “bestemd”.

Er worden ook geen schulden mee overgedragen.

Besluit: er is geen verkooprecht verschuldigd.

11.2. Art 2.8.4.1.1.§1 VCF

Het voorwerp van de onrechtstreekse schenking door X/Y en D/E betreft de aandelen die de Vennootschap in ruil voor de inbreng van de Bedrijfssite uitgeeft. Het zijn deze aandelen die in het vermogen van D en E terechtkomen (voor de blote eigendom).

De progressieve tarieven vermeld in art. 2.8.4.1.1.§1 VCF zijn derhalve niet van toepassing. Wel geldt het tarief voor roerende goederen. Indien de voorwaarden daartoe zijn voldaan, kunnen de aanvragers aanspraak maken op de vrijstelling voorzien in art. 2.8.6.0.3. VCF. Aangezien de aanvragers van mening zijn dat de bedoelde voorwaarden inderdaad zijn voldaan, zullen zij in de akte van inbreng om toepassing van de vrijstelling verzoeken.

11.3. Art 2.7.1.0.7. VCF

De Vennootschap zal in ruil voor de inbreng van de Bedrijfssite aandelen uitgeven, die voor het vruchtgebruik zullen toebehoren aan X en Y en voor de blote eigendom aan D en E. Er ligt dus een fictief legaat voor in de zin van art. 2.7.1.0.7. VCF.

Lid 2 van art. 2.7.1.0.7. VCF bepaalt evenwel dat de (fictieve) kwalificatie als legaat niet geldt wanneer geen bedekte bevoordeling voorligt. Het tegenbewijs kan geleverd worden door een voorafgaande al dan niet geregistreerde schenking [3]. Met ander woorden: wanneer de splitsing van het eigendomsrecht in vruchtgebruik en blote eigendom ontstaat via notariële akte en niet via de gesplitste inschrijving zelf, ligt er geen bedekte bevoordeling voor. In casu is dit het geval: de (onrechtstreekse) schenking wordt opgenomen in de notariële akte van inbreng. De inschrijving in het aandelenregister is daar slechts het gevolg van.

De kwalificatie als fictief legaat ex art. 2.7.1.0.7. VCF is dan ook niet van toepassing.

11.4. Art 3.17.0.0.2. VCF

Omwille van de redenen en motieven hoger uiteengezet maken de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uit.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

12. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

13. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van de verrichting.

14. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • Art 2.9.1.0.1. VCF

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.”

  • Art 2.8.4.1.1.§1 VCF

“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:


TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

  • Art 2.7.1.0.7. VCF

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing :
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • Art 3.17.0.0.2. VCF

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

15. De aanvragers nemen zich voor om:

  • Onroerende goederen van het vermogen van beide aanvragers in te brengen in de besloten vennootschap “Z”.
  • en vervolgens de uitgifte van aandelen in ruil voor de inbreng, voor het vruchtgebruik toegekend aan X en Y (inbrengers) en voor de blote eigendom worden toe te kennen aan D en E (inbreng ten behoeve van een derde).

Het procedé van de inbreng ten behoeve van een derde bestaat erin dat de inbrenger onroerende goederen in volle of blote eigendom inbrengt in een vennootschap waarbij de tegenprestatie, namelijk de als vergoeding voor deze inbreng toegekende aandelen, door de vennootschap worden toebedeeld aan een andere persoon dan de inbrenger. De aanvragers motiveren dat er begiftigingsinzicht aanwezig is vanwege de inbrengers en dat de schenking in de notariële akte wordt aanvaard door de begiftigden. Het gevolg hiervan is dat de inbreng eveneens een schenking uitmaakt aan D en E, namelijk van de blote eigendom van de aandelen die worden uitgeven als tegenprestatie voor de inbreng van de bedrijfssite door Y en X.

Zoals hiervoor vermeld is de Vlaamse Belastingdienst niet bevoegd om zich uit te spreken over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van dit procedé. Bijgevolg spreekt deze beslissing zich enkel uit over de fiscale gevolgen.

Deze techniek kan in het onderhavig geval fiscaal worden aanvaard mits de kinderen in de authentieke akte van inbreng tussenkomen en de schenking aanvaarden.

1) Mogelijke toepassing van artikel 2.9.1.0.1. VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?

16. De onroerende goederen die niet voldoen aan de definitie van woning zullen indien de inbreng wordt vergoed door de toekenning van maatschappelijk rechten geen Vlaamse registratiebelasting opeisbaar maken. Op basis van de inbrengakte, gaat het in casu om een niet-residentieel bedrijfsgebouw en een grond.

2) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?

17. Bij de voorgelegde verrichting worden de verkregen aandelen gesplitst aangehouden:

  • de huwgemeenschap X-Y: 411 aandelen voor het vruchtgebruik
  • mevrouw D en de heer E: 411 aandelen in blote eigendom

De verkrijging van het vruchtgebruik en van de blote eigendom gebeuren gelijktijdig, naar aanleiding van de inbreng in de besloten vennootschap Z.

Ingeval van toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF en het mogelijk tegenbewijs kan worden verwezen naar het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst met betrekking tot gesplitste aankoop of inschrijvingen vruchtgebruik – blote eigendom en het tegenbewijs (SP nr. 20067 dd. 11/10/2024).

Concreet betekent dit dat het tegenbewijs tegen het vermoeden van bedekte bevoordeling van artikel 2.7.1.0.7 VCF bij een gesplitste inschrijving van effecten enkel kan geleverd worden als de blote eigenaar kan aantonen dat er een openlijke en voorafgaande schenking is gebeurd, zoals bepaald in Standpunt 20067. Over “het onderzoek, de controle en het gebruik van bewijsmiddelen” kan via voorafgaande beslissing evenwel geen uitspraak worden gedaan gelet op artikel 3.22.0.0.1, §3, VCF. Deze beoordeling zal gebeuren door de taxatiediensten bij de verwerking van de akte.

3) Mogelijke toepassing van artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?

18. De inbreng, gepaard aan de schenking van de aandelen van de vennootschap verschaft onmiskenbaar een fiscaal voordeel voor de partijen aangezien de aandelen kunnen geschonken worden aan het gunstige vlak tarief van 3% voor schenkingen van roerende goederen in rechte lijn. Dit in tegenstelling tot een schenking van de onroerende goederen zelf die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF.

Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. Er moet worden onderzocht of het daadwerkelijk de bedoeling is van de inbrenger/ schenker om de ingebrachte onroerende goederen te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het niet de bedoeling is de onroerende goederen te schenken aan de begunstigden van de aandelen.

Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat in casu de inbreng van de onroerende goederen in de vennootschap door de heer en mevrouw vermeld in 3.1 en 3.2 gepaard aan een schenking via een beding ten behoeve van een derde, van de blote eigendom van de aandelen aan hun kinderen vermeld in 3.3 en 3.4 fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF. Door het onroerend goed in te brengen ten behoeve van de begiftigden wordt ingegaan tegen de doelstelling van artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF, m.n. de progressiviteit in de schenkbelasting.

19. Met deze progressiviteit in de schenkbelasting wordt bedoeld dat het tarief van de schenkbelasting voor onroerende goederen wordt bepaald door een dubbel progressievoorbehoud: zowel de band die de schenker heeft met de begiftigde, als de grootte van de schenking bepalen het tarief.

Om deze progressiviteit in de schenkbelasting te kunnen kaderen moeten we teruggrijpen naar het verleden:

Vóór de Wet van 30 augustus 1913 werd het schenkingsrecht berekend volgens een gewoon evenredig tarief met een verschillend percentage naargelang de schenking roerende of onroerende goederen tot voorwerp had, naargelang het ging om schenkingen aan verwanten in de rechte lijn of aan andere personen.

Door de Wet van 30 augustus 1913 werden voor het schenkingsrecht en het successierecht dezelfde tarieven ingevoerd. Hierbij werd de verschillende tarifering van de schenkingen van roerende en van onroerende goederen opgeheven doch werden voor de schenkingen aan andere dan verwanten in rechte lijn verschillende tariefklassen ingevoerd.

Door artikel 19 van de Wet van 11 oktober 1919 (B.S. 13 november 1919, 6025) brengende wijzigingen in de wetten op de successie-, registratie- en overschrijvingsrechten werd de parallelle tarifering van de schenkingsrechten en de successierechten verbroken door de invoering van een progressief successierecht per schijf. Het schenkingsrecht bleef gewoon evenredig.

In de memorie van toelichting (Kamer, 1918/19, 109) is het volgende te lezen:

“Bij art. 19 wordt de nieuwe bepaling der tarieven vastgesteld. Hierin het voorbeeld van het merendeel der Europeesche landen en, inzonderheid, dat onzer Noorder- en Zuiderburen volgende, wordt door het ontwerp eene belasting gevestigd, die bij schijven klimt te gelijkertijd als de hoegrootheid van het aan elken erfgenaam of legataris opgekomen aandeel. Indiener eene belasting is, die zich leent aan trapsgewijze verhooging volgens het vermogen van den belastingplichtige, zoo is dat onmiskenbaar wel het successierecht, omdat deze belasting volgens de bewoordingen van de Heer Raymond Poincaré “atteint le redevable au moment où il s’enrichit, sans effort, sans travail, souvent d’une manière inesperée”.

Deze maatregel gaf geen bevrediging.

Voor belangrijke schenkingen lieten de percentages nog in belangrijke mate de ontwijking toe van de successierechten. Bovendien werden schenkingen voor een klein of middelmatig bedrag door de toepasselijke percentages gehinderd.

Met het K.B. nr. 9 van 3 juli 1939 (BS 5 juni 1939, 4544) werd zowel voor de successierechten als voor de schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd.

In het verslag aan de koning valt te lezen:

“Twee verwijten werd in den laatsten tijd gericht tot het huidig heffingsstelsel der evenredige registratierechten op de schenkingsakten.

Het eerste is dat, om reden van hun hoog bedrag … deze rechten doorgaans van aard zijn de giften onder levenden tusschen personen van lage of middelbaren stand te verhinderen, hetgeen bijzonder betreurenswaardig is wanneer het gaat om verdeelingen gedaan door bloedverwanten in de opgaande lijn.

Het tweede is dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigt dat er voor rijke personen in bestaat, aan den vooravond van hun dood, door geregistreerde akte, de geheelheid of een deel van hun goederen aan hun vermoedelijke erfgenamen of legatarissen te schenken, en zulks derwijzen dat deze het hoog bedrag niet hoeven te betalen van de progressieve successierechten, die berekend worden op alles wat zij in de nalatenschap van den schenking mochten verkrijgen. Ten einde aan die nadeelen te verhelpen, belast artikel 8 de schenkingen onder levenden met dezelfde progressieve rechten als de nalatenschappen …”.

Deze aangenomen progressieve tarieven werden overgenomen in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en griffierechten.

Na de regionalisering van de successie- en het schenkingsrecht is er in de meeste gewesten opnieuw een verschil tussen beiden tarieven.

In het licht van de vroegere activering van vermogen en het zichtbaar maken van overdrachten van vermogen werd het progressief tarief voor de schenking van roerende goederen afgeschaft en vervangen door een vast tarief. Voor onroerende goederen bleef dit evenwel bestaan met dezelfde ratio legis, nl. de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.

20. In randnummer 10 geven de aanvragers de volgende niet-fiscale motieven voor de voorgenomen verrichtingen:

  • Samenbrengen eigendomsstructuur
    • rechtstreeks zeggenschap over de Bedrijfssite: toekomstige investeringen en aanpassingswerken kunnen rechtstreeks door de Vennootschap gebeuren;
    • de Vennootschap is verzekerd van het verdere gebruik van de Bedrijfssite op lange termijn;
    • de eigendomsstructuur geraakt niet verdeeld door overlijden van (een) familiant(en) waardoor mogelijkse geschillen tussen mede-eigenaars worden vermeden.
  • Continuïteit bedrijfsvoering in geval van defungeren/overlijden D/E

Gelet op de concrete feitenconstellatie volstaan de niet-fiscale motieven in dit geval om het misbruik te weerleggen. In casu zal de schenkbelasting op de schenking van roerende goederen worden geheven tenzij er toepassing gemaakt wordt van de vrijstelling overeenkomstig art. 2.8.6.0.3 VCF.

Het besluit dat de voorgenomen verrichting niet geviseerd wordt door artikel 3.17.0.0.2 VCF, blijft slechts gelden voor zover noch de onroerende goederen binnen een korte termijn door de vennootschap worden vervreemd, noch de aandelen van de vennootschap worden verkocht aan derden.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op registratiebelasting en erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Zie o.a. SPRUYT, “Inbreng ‘ten behoeve van een derde’, Vlabel stapt mee in het verhaal”, Fiscale Actualiteit nr. 2017/26, pag. 1-7 en de uiteenzetting in WERDEFROY, “Registratierechten”, nr. 10196.

[2] Zie de uiteenzetting in WERDEFROY, “Registratierechten”, nr. 1000.

[3] SP 20067 dd. 11 oktober 2024, publicatiedatum 23 oktober 2024.