VB 25129 - Statutenwijziging maatschap gevolgd door schenking
- Nummer
25129
- Datum beslissing
23 februari 2026
- Publicatiedatum
27 maart 2026
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.3, 3° VCF
- art. 2.7.1.0.7. VCF
- art. 2.7.1.0.9. VCF
- art. 2.8.6.0.3. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat de voorziene statutenwijziging, via een bijeenkomst van de buitengewone algemene vergadering, van de o.a. door de heer X opgerichte Maatschap […], met zetel te […], met ondernemingsnummer […] (hierna: “de Maatschap”), gevolgd door een schenking van (een gedeelte van) de aandelen van de Maatschap door de heer X aan zijn drie kinderen A, B en C:
- Onderworpen zal zijn aan de vrijstelling in de schenkbelasting op grond van 2.8.6.0.3. e.v. VCF, indien de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3. e.v. VCF zijn voldaan op het ogenblik van de schenking;
- Niet onder de toepassing zal vallen van de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF;
- Geen fiscaal misbruik vormen in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF;
De vader X verzoekt uitdrukkelijk dat de voorafgaande beslissing die terzake zal worden genomen een geldigheidsduur zal hebben tot zijn overlijden.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
2. De aanvraag wordt ingediend door Meester […], advocaat te […], namens:
De heer X, geboren te […] op xx.xx.1972, met rijksregisternummer […], ongehuwd en niet wettelijk samenwonend in de zin van artikel 1475 e.v. van het oud Burgerlijk Wetboek, wonende te […];
De heer X heeft één zoon en twee dochters:
- De heer A, geboren te […] op xx.xx.1999;
- Mevrouw B, geboren te […] op xx.xx.1999;
- Mevrouw C, geboren te […] op xx.xx.2003.
Zowel de Aanvrager als zijn zoon en zijn twee dochters zijn sinds meer dan vijf jaar voor heden inwoners van het Vlaams Gewest.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
a) Beschrijving van de voorgaande verrichtingen
1. Oprichting van de Maatschap
3. Bij onderhandse akte van xx.xx.2017 heeft de Aanvrager samen met drie andere vennoten (de heer D, de heer E en de heer F) de Maatschap opgericht.
Bij oprichting heeft de Aanvrager het volgende ingebracht:
- 1340 aandelen van de naamloze vennootschap G (voorheen […]), met zetel gevestigd te […], met ondernemingsnummer […] (hierna: “NV G”); en
- een geldsom van 80,00 euro
De heer D, de heer E en de heer F hebben bij de oprichting ieder een geldsom van 100,00 euro ingebracht.
In ruil werden aan de Aanvrager 135.697 aandelen van de Maatschap in volle eigendom uitgereikt. Aan de andere drie heren werd telkens 1 aandeel van de Maatschap in volle eigendom toebedeeld.
De Maatschap werd destijds opgericht vanuit de gedachte een omkadering te voorzien voor het geval Aanvrager op al te jonge leeftijd zou komen te overlijden, dan wel niet langer bekwaam zou zijn zelf het bedrijf te leiden, gegeven dat zijn kinderen nog jong waren op dat ogenblik. Vanuit die gedachte werden ook drie niet-familiale vennoten bij de oprichting betrokken, aangezien zij – eveneens met voldoende zakelijke insteek – de kinderen van Aanvrager in het voorkomend geval zouden kunnen begeleiden. Bijkomende bekommernis bij de oprichting van de Maatschap destijds was ten slotte ook de afscherming van het vermogen naar de ex-partner van Aanvrager toe, voor het geval één van de kinderen op het ogenblik van het overlijden van Aanvrager nog minderjarig zou geweest zijn. Als moeder had de ex-partner, zonder de Maatschap, immers op basis van haar ouderlijk gezag de zeggenschap over een gedeelte van de vennootschap gekregen, wat op geen enkele wijze strookte met de wens van Aanvrager.
2. Bijkomende inbreng en gedeeltelijke uittreding door de Aanvrager
4. Nadien heeft de Aanvrager op xx.xx.2017 een bijkomende inbreng verricht, waarvoor hij 102 aandelen van de Maatschap in volle eigendom in ruil verkreeg. Ingevolgde deze bijkomende inbreng hield de Aanvrager in totaal 135.799 aandelen van de Maatschap in volle eigendom aan.
Één jaar later vond er een gedeeltelijke uittreding plaats door de Aanvrager bij onderhandse akte tot uittreding uit de Maatschap van xx.xx.2018 ingevolge een beslissing tot kapitaalvermindering bij NV G. Hierbij is de Aanvrager met 16.054 aandelen in volle eigendom uit de Maatschap getreden, waardoor hij nog 119.745 aandelen in volle eigendom aanhield in de Maatschap.
3. Toetreden van de kinderen van de Aanvrager als aandeelhouders van de Maatschap
5. De kinderen van Aanvrager zijn inmiddels allen meerderjarig en ondertussen afgestudeerd (of nagenoeg afgestudeerd), waarbij de tijd rijp is om de kinderen van Aanvrager geleidelijk bij de werking van de Maatschap/de Vennootschap te betrekken.
Op xx.xx.2025 zijn de kinderen van de Aanvrager dan ook als aandeelhouders tot de Maatschap toegetreden ingevolge de overdracht van telkens 1 aandeel van de Aanvrager, de heer D, de heer E aan ieder van de kinderen. Ingevolge deze overdracht bezit ieder kind van de Aanvrager 1 aandeel in volle eigendom van de Maatschap. De heren D en E zijn sindsdien niet langer vennoten van de Maatschap.
4. Huidige stand van zaken van de Maatschap en NV G
6. Op heden houdt de Maatschap nog steeds 1340 aandelen van NV G aan, een verwaarloosbaar bedrag aan liquiditeiten (380 euro per xx.xx.2024), evenals een vordering op de Aanvrager ten belope van 73 euro per xx.xx.2024.
Tot slot kwalificeert NV G als een familiale vennootschap in de zin van artikel 2.8.6.0.3. e.v. VCF. Het voormelde werd o.a. bevestigd door Uw Dienst met het attest van 5 september 2025 met nummer […]. Voor de volledigheid wordt vermeld dat in het verleden ook al tweemaal een attest werd verkregen voor de schenking van de aandelen van de Maatschap […], waarbij telkens werd bevestigd dat de onderliggende vennootschap NV G kwalificeert als familiale vennootschap:
- Het attest met nummer […]; en
- Het attest met nummer […].
b) Beschrijving van de voorgenomen verrichtingen
7. Aanvrager beoogt de hiernavolgende verrichtingen te stellen, in chronologische volgorde:
1. Statutenwijziging van de Maatschap
8. De Aanvrager wenst de Statuten te wijzigen van de Maatschap, via een bijeenkomst van de buitengewone algemene vergadering, die zal beslissen tot de wijziging van de hierna vermelde artikelen van de Statuten.[1]
De huidige versie van de Statuten van de Maatschap zal worden aangepast, niet alleen gelet op enkele wetswijzigingen, in het bijzonder de hervorming van het Burgerlijk Wetboek, maar vooral en in het bijzonder omwille van de recente toetreding van de kinderen als vennoten van de Maatschap, waarbij o.a. rekening wordt gehouden met volgende krachtlijnen:
- Aanpassing/afzwakking van de bevoegdheden van de zaakvoerder/de Aanvrager en een verschuiving van de beslissingsbevoegdheid naar de (buitengewone) algemene vergadering
Aanpassing van artikel 7 inzake latere inbrengen:
Voor een bijkomende inbreng zal voortaan een beslissing van de buitengewone algemene vergadering vereist zijn, in plaats van de schriftelijke toestemming van drie/vierde van de vennoten en de goedkeuring van de zaakvoerder
Aanpassing van artikel 8.2 inzake de omschrijving van het mandaat (zaakvoerder): Conform de voorgestelde statutenwijziging zal de zaakvoerder ook niet meer gerechtigd zijn om wezenlijke beslissingen te nemen. Deze beslissingen zullen voortaan, zoals beslissingen inzake daden van beschikking, door de algemene vergadering moeten worden goedgekeurd, bij besluit genomen door de buitengewone algemene vergadering;
Aanpassing van artikel 12.2 inzake de vereiste meerderheid van de buitengewone algemene vergadering:
Tijdens het zaakvoerderschap van de Aanvrager zal er voortaan een twee/derde meerderheid vereist zijn, evenals de goedkeuring door de zaakvoerder, in plaats van unanimiteit voor daden van beschikking, evenals voor wezenlijke beslissingen en dit tot zolang de Aanvrager mede zaakvoerder is. Na het defungeren van de Aanvrager is er unanimiteit vereist voor daden van beschikking. Voor wezenlijke beslissingen is na het defungeren van de Aanvrager unanimiteit evenals de goedkeuring van de heer F vereist, die als zaakvoerder ad hoc wordt aangesteld.
- Geleidelijke voorbereiding van de kinderen van de zaakvoerder/de Aanvrager op het beheer van het familiaal vermogen in het bijzonder ook in het geval de Aanvrager zelf voortijdig zou defungeren
Aanpassing van artikel 8.4 inzake de aanstelling en benoeming van de statutaire zaakvoerder en de opvolgende statutaire zaakvoerders:
De heer F zal samen met de kinderen van de Aanvrager als opvolgende zaakvoerders optreden, totdat de kinderen allen de volle leeftijd van 35 jaar hebben bereikt;
Aanpassing van artikel 8.5 inzake het stemrecht van de zaakvoerders en beslissingen van het college van zaakvoerders:
De heer F zal een niet-bindend advies verlenen aan de kinderen van de Aanvrager, van zodra de kinderen van de Aanvrager alleen deel uitmaken van het college van zaakvoerders en dus van zodra zij allen de volle leeftijd van 35 jaar hebben bereikt;
Aanpassing van artikel 9 inzake de bankrelatie:
Ieder kind zal als opvolgend zaakvoerder alleen kunnen optreden tot een bepaald grensbedrag. Voor handelingen die een eerste grensbedrag overschrijden, zal steeds de handtekening van twee zaakvoerders vereist zijn. Van zodra het tweede grensbedrag wordt overschreden, zullen drie zaakvoerders hun handtekening dienen te plaatsen. De handtekening van de heer F zal dan ook nodig zijn, indien de kinderen nog niet allen de volle leeftijd van 35 jaar hebben bereikt:
Aanpassing van artikel 12.2 inzake de vereiste meerderheid van de buitengewone algemene vergadering:
De kinderen zullen in hun hoedanigheid van opvolgende lasthebbers voor wezenlijke beslissingen de goedkeuring nodig hebben van de heer F;
2. Schenking van aandelen aan de zoon en de twee dochters
9. De Aanvrager wenst (een eerste gedeelte van) zijn aandelen van de Maatschap te schenken aan zijn zoon en zijn twee dochters en dit met voorbehoud van vruchtgebruik.[2]
De schenking zal verleden worden voor een Belgische notaris en aldus in België worden geregistreerd.
De akte houdende schenking zal onder andere volgende voorwaarden, modaliteiten en lasten voorzien:
- De schenking zal in blote eigendom gebeuren. De blote eigendom van de geschonken aandelen zal onmiddellijk worden overgedragen aan zijn zoon en zijn dochters. De schenker zal zich enkel het vruchtgebruik voorbehouden;
- Een beding van optionele conventionele terugkeer, dat bepaalt dat de schenking zal worden ontbonden bij een overlijden van een Begiftigde al dan niet met kinderen, doch enkel voor zover de schenker zich er op beroept;
- Een clausule fideïcommis de residuo in de zijlijn voor het geval één van de kinderen van Aanvrager zou komen te overlijden zonder afstammelingen;
- Een uitsluitingsclausule, die bepaalt dat de geschonken goederen niet kunnen worden ingebracht in een huwelijksvermogen;
- Een ontbindende voorwaarde, die bepaalt dat de Schenker de ontbinding van de Schenking kan vragen bij het zich voordoen van bepaalde ernstige gedragingen van een Begiftigde.
3. Doel van de verrichtingen
10. De Aanvrager wenst met deze verrichtingen een vermogensplanning tot stand te brengen die tegemoet dient te komen aan de volgende bekommernissen:
1) De Aanvrager wenst zijn opgebouwd familiaal vermogen te optimaliseren en duidelijk binnen zijn familie te behouden. Hij wenst te voorkomen dat dit vermogen opgedeeld zou worden ten gevolge van zijn plots en voortijdig overlijden.
De Aanvrager acht de figuur van de maatschap, die een gemeenschappelijk doelvermogen tot stand brengt, het meest aangewezen om de opdeling van het familiaal vermogen tegen te gaan, dit gecombineerd met de bepalingen die in de schenkingsakte zullen voorzien zijn (cfr. bijvoorbeeld de clausule fideïcommis de residuo in de zijlijn). Op deze manier kan hij de continuïteit van het familiaal vermogen verzekeren, zelfs over verschillende generaties heen.
2) De Aanvrager acht het belangrijk om zijn zoon en twee dochters geleidelijk aan voor te bereiden op het beheer van het familiebedrijf, zij het op een gecontroleerde wijze.
Op vandaag zijn de zoon en de twee dochters van Aanvrager weinig vertrouwd met het reilen en zeilen van het familiebedrijf. De finaliteit van de geleidelijke gecontroleerde overdracht van de aandelen van het familiebedrijf, die ook het belangrijkste deel van het vermogen van Aanvrager vertegenwoordigen, middels de figuur van de Maatschap is er dan ook op gericht om zijn zoon en zijn twee dochters geleidelijk vertrouwd te maken met het bedrijf en hen voor te bereiden op het tijdstip waarop zij of één van hen op zelfstandige wijze het bedrijf (en dus belangrijk vermogen) zullen dienen te beheren.
De kinderen van Aanvrager bevinden zich op dit ogenblik allen nog in het begin van hun professionele carrières en het is op vandaag dan ook nog niet uitgekristalliseerd op welke wijze het familiebedrijf in de toekomst zal worden bestuurd en of dat één of meerdere van de kinderen van Aanvrager effectief op termijn in het familiebedrijf zullen stappen.
De finaliteit van de Maatschap en de geleidelijke overdracht van de aandelen is er dan ook op gericht om de kinderen aan te moedigen het familiebedrijf te leren kennen, in eerste instantie op een high level niveau, om dit geleidelijk met verloop van tijd verder te kunnen concretiseren in functie van de concrete interesse van één of meerdere kinderen.
Op heden zijn de zoon en de twee dochters van de Aanvrager sinds recent (ingevolge overdracht d.d. xx.xx.2025) aandeelhouder van de Maatschap. Ieder van hen bezit momenteel 1 aandeel in volle eigendom. Hun aandelenbezit zal in de toekomst toenemen ingevolge geleidelijke schenkingen van de aandelen door de Aanvrager.
Mocht één van de kinderen van de Aanvrager het familiebedrijf willen verder zetten (wat uiteraard de hoop van Aanvrager is), wordt door de figuur van de Maatschap tevens een kader gecreëerd om hem/haar in dit proces te begeleiden door de adviserende (en in bepaalde scenario’s zelfs beslissende) rol die is weggelegd voor de derde partij, de heer F, die als mede-aandeelhouder in de Maatschap is betrokken.
De Aanvrager is er dan ook van overtuigd dat de interesse in en betrokkenheid bij het familiebedrijf van zijn zoon en zijn twee dochters groter zal zijn wanneer zij geleidelijk – via schenking van de aandelen van de Maatschap – zelf (alsmaar meer) eigenaars worden van het ingebrachte en verder op te bouwen vermogen, doch op gecontroleerde wijze.
Hierbij zal Aanvrager weliswaar eerst zelf nog het voortouw nemen, volgens dezelfde gedachte en systematiek als toen Aanvrager zelf werd betrokken bij het familiebedrijf met de ambitie om in de voetsporen van zijn vader te treden.
Het is hierbij de intentie van Aanvrager eens zijn kinderen zich verder op professioneel vlak ontplooid hebben en het duidelijk is of ze al dan niet actief zullen worden in het familiebedrijf de statuten van de Maatschap bij te sturen om ook tijdens zijn leven zijn kinderen een verdere actieve rol te geven.
Voorlopig is – tot zolang dit niet duidelijk is –bovenal het opzet van de Aanvrager om zijn kinderen warm te maken voor een carrière binnen het familiebedrijf, door ze te betrekken als aandeelhouders van de Maatschap.
3) De Maatschap vormt in deze ook een beschermingsmechanisme naar de zoon en de twee dochters toe voor het geval de Aanvrager voortijdig zelf het beheer niet meer zou kunnen waarnemen of zou te komen overlijden.
Zoals geschetst, worden de kinderen van Aanvrager in eerste fase geleidelijk mede aandeelhouder van de Maatschap om hen voeling te geven met het familiebedrijf.
In het bijzonder is er de bekommernis om het familiebedrijf te vrijwaren en ervoor te zorgen dat op een doordachte wijze beslissingen worden genomen m.b.t. de aandelen van het familiebedrijf in het bijzonder wanneer de Aanvrager niet meer zelf zou kunnen optreden als zaakvoerder en dit alvorens de kinderen van de Aanvrager de leeftijd hebben om zulke beslissingen te nemen.
Voor Aanvrager is het immers van wezenlijk belang dat het familiebedrijf, dat als globale groep alleen al in België meer dan 100 werknemers kent, ten allen gevrijwaard kan blijven en niet ten prooi kan vallen aan onderlinge twisten tussen de kinderen van Aanvrager onderling.
Om die reden zullen de kinderen van zodra ze mede-zaakvoerders worden in de Maatschap goed begeleid worden, in eerste instantie op bindende wijze doordat in de voorgestelde statutenwijziging van de Maatschap is voorzien dat de andere aandeelhouder, de heer F, tot het ogenblik dat alle kinderen de leeftijd van 35 jaar hebben bereikt, mee zal optreden als zaakvoerder en in dat geval de beslissingen met unanimiteit dienen te worden genomen.
Ook als de kinderen van Aanvrager de volle leeftijd van 35 jaar hebben bereikt, zullen ze – gelet op het belang van het goed bestuur van het familiebedrijf – verder begeleid worden door de heer F, zij het op dat ogenblik in een adviserende rol.
Ook vanuit bovenstaande bekommernissen is de duurtijd van de Maatschap niet gekoppeld aan de levensduur van de Aanvrager – ouder/schenker, maar gekoppeld aan een duurtijd die de toekomst van het familiebedrijf maximaal zal vrijwaren.
4) Aangezien het familiebedrijf een aanzienlijk, zo niet het belangrijkste te behouden na de schenking. Bijgevolg zal de Aanvrager schenken met voorbehoud van vruchtgebruik.
5) Bovenvermelde bekommernissen indachtig is de figuur van de Maatschap in se in eerste instantie het verlengstuk van het door de Schenker voorbehouden vruchtgebruik en bewerkstelligt in hoofde van de Aanvrager – ouder/schenker geen andere controle dan een rechttoe rechtaan schenking met voorbehoud van vruchtgebruik ten aanzien van zijn zoon en zijn twee dochters zou realiseren (wel integendeel, zie ook hierna nog toegelicht). Evenwel kan de schenking door de figuur van de Maatschap verder worden omkaderd om aan bovenvermelde bekommernissen en overwegingen tegemoet te komen.
III. Motivering van de aanvraag
1.A. Vraag 1: bevestigd te zien dat het voorwerp van de te sluiten overeenkomst zal genieten van de vrijstelling van de schenkbelasting in het Vlaamse Gewest
Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 2.8.6.0.3, §1 VCF
“§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld :
1° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.
In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.
Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de schenker.
(…)”
Artikel 2.8.6.0.4 VCF
“De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is alleen toepasselijk als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° de schenking van de activa of aandelen van de familiale onderneming of vennootschap wordt vastgesteld bij authentieke akte;
2° aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, is voldaan.”
Toepassing in concreto
11. De Aanvrager meent dat de schenking kan genieten van de vrijstelling van schenkbelasting, zoals deze van toepassing is in het Vlaamse Gewest, overeenkomst het artikel 2.8.6.0.3. e.v. VCF.
Zoals hierboven reeds werd uiteengezet, heeft de Aanvrager hiervoor een aanvraag bij Uw Dienst ingediend op 25 juni 2025, met als bijlage een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier. Uw Dienst heeft op 9 september 2025 een attest met nummer […] afgeleverd, waarbij uw Dienst heeft bevestigd dat NV G kwalificeert als een familiale vennootschap en zal genieten van de vrijstelling van schenkbelasting, indien de voorwaarden van artikelen 2.8.6.0.3 en 2.8.6.0.4 VCF op het ogenblik van de schenking voldaan zijn.
De Aanvrager verzoekt Uw Dienst dan ook te bevestigen dat de schenking zal onderworpen zijn aan de vrijstelling van schenkbelasting van het Vlaamse gewest, zoals vastgelegd in de artikelen 2.8.6.0.3. e.v. VCF, indien de voorwaarden van artikelen 2.8.6.0.3 en 2.8.6.0.4 VCF op het ogenblik van de schenking vervuld zijn.
Ter volledigheid bevestigt de Aanvrager dat zij ervan op de hoogte is dat deze vrijstelling uitsluitend behouden kan blijven, mits naleving van artikel 2.8.6.0.6, §2 VCF.
I.B. Vraag 2: Bevestigd te zien dat het voorwerp van de te sluiten overeenkomst niet onder de toepassing valt van artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 vcf
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
…
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”
Toepassing in concreto
12. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF viseert specifiek schenkingen, die werden gedaan onder de opschortende voorwaarde of de opschortende termijn, die vervuld worden ingevolge het overlijden van de schenker. Dergelijke schenkingen worden als een legaat beschouwd bij het overlijden van de schenker en aldus aan erfbelasting onderworpen.
Het voorwerp van de voorgenomen schenking betreft de blote eigendom van een gedeelte van de aandelen van de Maatschap. Door de schenking van de blote eigendom van de aandelen van de Maatschap verdwijnt de blote eigendom van de geschonken aandelen definitief uit het vermogen van de schenker. De blote eigendom van deze geschonken aandelen behoort geenszins nog tot zijn eigendom.
Bij een schenking onder opschortende voorwaarde/termijn bevindt de eigendom van de geschonken goederen zich nog bij de schenker en dit zolang de opschortende voorwaarde/termijn niet wordt vervuld. De eigendom van de geschonken goederen gaat dus pas over bij het vervullen van de opschortende voorwaarde/termijn van het overlijden van de schenker, terwijl dit bij de schenking van de blote eigendom van de aandelen van de Maatschap onmiddellijk gebeurt. Een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik kan dan ook onder geen enkel beding worden gelijkgesteld met een schenking onder opschortende voorwaarde/termijn waar de eigendomsoverdracht wordt uitgesteld.
Zoals geschetst, is de Maatschap in eerste instantie in se dan ook niet meer dan het verlengstuk van het door de Schenker voorbehouden vruchtgebruik, dat toelaat om maximaal aan de bekommernissen en overwegingen, zoals omstandig uiteengezet onder titel II.B.b) iii, tegemoet te komen.
Hierbij wordt overigens – net omwille van de wens van de Aanvrager om zijn zoon en zijn twee dochters geleidelijk te betrekken in de werking van de Maatschap en dus voeling te laten krijgen met het familiebedrijf (en het corresponderende vermogen) – het controlevoorbehoud van de schenker-vruchtgebruiker tot op zekere hoogte in de Maatschap afgezwakt.
Tegelijkertijd wordt er in begeleiding voorzien voor de kinderen van Aanvragers, die volledig losstaat van de Aanvrager zelf.
De voorgestelde statutenwijziging van de Maatschap voorziet dan ook:
- Op niveau van de zaakvoerders:
“8.4. Aanstelling en benoeming van de statutaire zaakvoerder en de opvolgende statutaire zaakvoerders
b. Hypothese B
Bij het defungeren van Partij sub A, wordt hij opgevolgd door Partij sub B, Partij sub C, Partij sub D en Partij sub E, totdat de kinderen van Partij sub A, te weten Partijen sub B, C en D, allen de volle leeftijd van vijfendertig (35) jaar hebben bereikt.
c. Hypothese C
Bij het defungeren van Partij sub A, wordt hij opgevolgd door een college van zaakvoerders bestaande uit Partij sub B, Partij sub C en Partij sub D, vanaf Partijen sub B, C en D allen de volle leeftijd van vijfendertig (35) jaar hebben bereikt.
[…]
- Op niveau van het stemrecht van de zaakvoerders:
“8.5. Stemrecht van de zaakvoerders en beslissingen van het college van zaakvoerders
a. Iedere zaakvoerder heeft één stem.
b. Indien er meerdere zaakvoerders zijn, treden zij op als college dat collegiaal beslissingen neemt. Elke beslissing van het college van zaakvoerders wordt genomen met unanimiteit.
c. In voormelde Hypothese C onder sub 4, zal het college van zaakvoerders slechts een beslissing kunnen nemen na het inwinnen van het niet-bindend advies van Partij sub E.
d. Bij staking van stemmen vervalt het voorstel. Indien hierdoor evenwel de werking van de Maatschap wordt verlamd, wordt Partij E, aangesteld als zaakvoerder ad hoc, die een doorslaggevende stem heeft binnen het college van zaakvoerders.”
- Op niveau van de gewone algemene vergadering:
“11.4. Vereiste meerderheid
Beslissingen worden genomen met gewone meerderheid van stemmen, behoudens de bijzondere meerderheden voorzien in artikel 17,5 van de Statuten.”
[…]
- Op niveau van de buitengewone algemene vergadering:
“12.2. Vereiste meerderheid
- Tijdens het zaakvoerderschap van Partij sub A worden daden van beschikking en wezenlijke beslissingen aangaande de maatschap zelf overeenkomstig artikel 12.3. van de Statuten genomen met een twee/derde meerderheid van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen, goed te keuren door de zaakvoerder.
- In afwijking van het voorgaande, worden, na het defungeren van Partij sub A als zaakvoerder, de volgende beslissingen genomen met de volgende meerderheden:
- Daden, die kwalificeren als daden van beschikking, met uitzondering van wezenlijke beslissingen overeenkomstig artikel 12.3.b. van de Statuten, met unanimiteit van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen;
- Wezenlijke beslissingen overeenkomstig artikel 12.3.b. van de Statuten met unanimiteit van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen en met goedkeuring van de Partij E, die als zaakvoerder ad hoc wordt aangesteld.
12.3. Daden van beschikking die dienen goedgekeurd te worden door een buitengewone algemene vergadering (niet-exhaustief)
De buitengewone algemene vergadering is overeenkomstig artikel 8.2.c. van de Statuten bevoegd om beslissingen te nemen met betrekking tot daden, die kwalificeren als daden van beschikking, dan wel met betrekking tot wezenlijke beslissingen. Volgende daden behoren tot de bevoegdheid van de buitengewone algemene vergadering:
a. Beslissingen aangaande de Maatschap zelf, zijnde onder meer de beslissingen tot goedkeuring met als voorwerp:
- De beslissing tot voortijdige ontbinding overeenkomstig artikel 4.3 van de Statuten;
- De beslissing tot overdracht van aandelen onder levenden aan een derde niet-vennoot overeenkomstig artikel 6.1 van de Statuten;
- De beslissing tot goedkeuring van een bijkomende inbreng overeenkomstig artikel 7.1 van de Statuten;
- De beslissing tot aanstelling als zaakvoerder overeenkomstig artikel 8.2 van de Statuten;
- De beslissing tot wijziging van Statuten van de Maatschap;
- De beslissing tot de overdracht van activa of tot omzetting van de Maatschap overeenkomstig artikel 10bis van de Statuten;
- De beslissing over de uittreding van een vennoot overeenkomstig artikel 24 van de Statuten;
- De beslissing tot uitsluiting overeenkomstig artikel 25 van de Statuten.
b. Wezenlijke beslissingen aangaande de aandelen van een niet-beursgenoteerde vennootschap die de Maatschap aanhoudt, zijn beslissingen aangaande deze aandelen met als voorwerp:
- De liquidatie of vroegtijdige ontbinding van de vennootschap;
- De stemming tot overdracht (door verkoop of anderszins) van de aandelen van de vennootschap.
c. Indien er redelijke twijfel bestaat over de kwalificatie van bepaalde daden als daad van beheer dan wel als daad van beschikking, dan dienen deze daden als daad van beschikking te worden aangemerkt.”
Gelet op het gegeven dat het in deze een dadelijke schenking van de blote eigendom van de aandelen betreft en het daarenboven duidelijk is dat de Aanvrager geen volledige controle meer heeft over de geschonken aandelen, kan er in deze op geen enkele wijze sprake zijn van een schenking onder opschortende voorwaarde of termijn van het overlijden van de schenker, die niet dezelfde rechtsgevolgen ressorteert.
De Aanvrager vraagt Uw Dienst dan ook te bevestigen dat artikel 2.7.1.0.3,3° VCF niet kan worden toegepast op de schenking van de blote eigendom van de aandelen die hij wenst te verrichten en dat deze schenking niet als een legaat kan worden beschouwd bij het overlijden van de schenker.
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 2.7.1.0.7 VCF
“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
Het eerste lid is niet van toepassing :
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”
Toepassing in concreto
13. Artikel 2.7.1.0.7 VCF beoogt om bepaalde goederen toch tot de fiscale nalatenschap te laten behoren, hoewel zij daar juridisch gezien geen deel van uitmaken. Het gaat zowel om goederen die ten bezwarende titel gesplitst worden aangekocht als om effecten en geldbeleggingen die gesplitst zijn ingeschreven.
Met betrekking tot de gesplitste inschrijving van effecten of geldbeleggingen, volstaat een loutere materiële inschrijving van effecten voor het vruchtgebruik op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde, opdat het wettelijk vermoeden van artikel 2.7.1.0.7 VCF speelt. Wel kan het tegenbewijs worden geleverd door aan te tonen dat er geen sprake is van een bedekte bevoordeling.
De Aanvrager wenst na de statutenwijziging van de Maatschap, een gedeelte van zijn aandelen van de Maatschap met voorbehoud van vruchtgebruik te schenken aan zijn zoon en zijn twee dochters. Bijgevolg zullen deze aandelen gesplitst worden ingeschreven, voor het vruchtgebruik op naam van de Aanvrager, en voor de blote eigendom op naam van zijn zoon en zijn twee dochters.
In huidige situatie is er evenwel duidelijk geen sprake van een bedekte bevoordeling. De schenking zal namelijk worden verleden bij notariële akte voor een Belgische notaris. De ‘bedekte bevoordeling’ staat tegenover de openlijke of transparante bevoordeling. Er kan geen sprake zijn van een bedekte bevoordeling – en dus ook niet van de toepassing van voornoemd wetsartikel – wanneer er een openlijke voorafgaande schenking is, of wanneer de gesplitste inschrijving het gevolg is van een openlijke bevoordeling (schenking).
Artikel 2.7.1.0.7 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting. De Aanvrager vraagt Uw Dienst dit dan ook te bevestigen.
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 2.7.1.0.9 VCF
“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”
Toepassing in concreto
14. Artikel 2.7.1.0.9 VCF viseert de verrichting onder bezwarende titel, waarbij de erflater een goed aan één van zijn erfgenamen, legatarissen, begiftigden of aan een tussenpersoon heeft afgestaan, en zich het vruchtgebruik of om het even welk ander levenslang recht heeft voorbehouden.[3]
Voormelde verrichtingen hebben betrekking op overeenkomsten ten bezwarende titel. Meer bepaald gaat het om rechtshandelingen ten kosteloze titel, die bewust verkeerdelijk worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten bezwarende titel.
- Geen toepassing mogelijk als rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd
De schenking van de Aanvrager aan zijn drie kinderen zal niet bedekt zijn, maar wordt openlijk als een schenking gekwalificeerd. De toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF is niet mogelijk indien de rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd.[4]
- Geen overeenkomst ten bezwarende titel
Mocht, quod non in casu, toch worden geoordeeld dat artikel 2.7.1.0.9 VCF toepassing kan vinden als de rechtshandeling openlijk wordt gekwalificeerd als een schenking, kan de voorgenomen verrichting in elk geval niet worden geherkwalificeerd in een overeenkomst ten bezwarende titel.
Een overeenkomst ten bezwarende titel houdt immers in dat er een wederkerige overeenkomst is die voor beide partijen een pecuniair voordeel oplevert [5]. Indien zij voor één van de partijen geen voordeel oplevert, dan is zij om niet. Wanneer een vermogensbestanddeel derhalve zonder gelijkwaardig geachte economische tegenprestaties van één vermogen naar een ander gaat, ligt er een overeenkomst om niet voor.
Aangezien de Aanvrager, met de intentie om zijn drie kinderen te begunstigen, de blote eigendom van (een gedeelte van) zijn aandelen zal overdragen en hiervoor geen enkel voordeel, en al zeker geen voordeel van economische aard, zal ontvangen, kan de voorgenomen rechtshandeling uitsluitend als een schenking worden gekwalificeerd. Gelet op de begunstigingsintentie en het gebrek aan tegenprestatie, kan voorgenomen verrichting dan ook niet worden geherkwalificeerd in een overeenkomst ten bezwarende titel.
Artikel 2.7.1.0.9 VCF kan derhalve niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting. De Aanvrager vraagt Uw Dienst dit dan ook te bevestigen.
I.C. Vraag 3: Bevestigd te zien dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 3.17.0.0.2 VCF
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
Toepassing in concreto
15. De Aanvrager verzoekt Uw Dienst te bevestigen dat de artikelen 2.7.1.0.3,3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, niet zullen kunnen worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen, op grond waarvan bij overlijden van de schenker erfbelasting zou verschuldigd zijn.
Er kan enkel sprake zijn van fiscaal misbruik indien de belastingplichtige zich in een toestand plaatst die strijdig is met een bepaling van de VCF, zonder dat hiervoor andere motieven voorliggen dan het ontwijken van erfbelasting.[6]
Om de algemene misbruikbepaling zoals vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF te kunnen toepassen, moet de Vlaamse Belastingdienst enerzijds aantonen welke bepaling van de VCF geschonden wordt (objectief element) en anderzijds zal de Vlaamse Belastingdienst moeten aantonen dat de belastingplichtige enkel het ontwijken van erfbelasting beoogt (subjectief element).
Dat zowel het objectieve element als het subjectieve element niet vervuld zijn, wordt hieronder verder toegelicht.
3.1. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF wordt niet gefrustreerd
16. Oorspronkelijk werd artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (voorheen artikel 4, 3° Wetboek Successierechten) ingevoerd om te vermijden dat de bij het Vlaamse Decreet van 9 december 2003 ingevoerde verlaagde en vlakke tarieven in de schenkbelasting (i.e. 3% of 7%) gecombineerd worden met het uitstel van overdracht van het geschonken goed tot het overlijden van de schenker.
Bij een schenking onder opschortende voorwaarde van overlijden van de schenker, komt de eigenlijke eigendomsoverdracht van het geschonken goed pas tot stand wanneer de voorwaarde wordt vervuld, i.e. bij het overlijden van de schenker.[7]
Op dat tijdstip verkrijgt de begiftigde de eigendom van het geschonken goed en is zij hierop schenkbelasting verschuldigd (aan het vlakke tarief van 3% of 7%, dan wel zou de vrijstelling van toepassing zijn cfr. artikel 2.8.6.0.3. e.v. VCF). Ook bij een legaat zal de begiftigde pas de eigendom van het gelegateerde goed verkrijgen wanneer de testator overlijdt. Omdat het in dat laatste geval echter gaat om een uiterste wilsbeschikking en niet om een schenking bij leven, zal de begiftigde wel erfbelasting verschuldigd zijn op deze verkrijging.
Hoewel schenkingen die plaatsvinden onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker dus min of meer dezelfde burgerrechtelijke gevolgen kennen als een legaat dat per testament wordt toegekend, was de fiscale behandeling in de schenk- en erfbelasting verschillend.
Daarom is het volgens de Memorie van Toelichting bij het Vlaams Decreet van 24 december 2004 (waarmee artikel 4, 3° W. Succ. werd ingevoerd) nodig dat schenkingen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker gelijkgesteld worden met een legaat:
“Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn/haar overlijden.”
De doelstelling van artikel 4, 3° W. Succ / artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF is dus duidelijk: men kan geen schenking bewerkstelligen, onderworpen aan het lagere en vlakke tarief in de schenkbelasting (of vrijstelling in casu naar analogie met voormelde), en tegelijkertijd nog tot aan het eigen overlijden eigenaar blijven van diezelfde goederen die men schenkt.
De doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF bestaat er louter in om dit uitstel van de eigendomsoverdracht te viseren en kan niet uitgebreid worden tot de eventuele controle of de beschikkingsbevoegdheid die een schenker zichzelf zou voorbehouden (hoewel de Vlaamse Belastingdienst dit nochtans toch zo interpreteert in diverse voorafgaande beslissingen).
a) Er is geen uitgestelde eigendomsoverdracht gekoppeld aan het overlijden van de schenker
De goederen die door de Aanvrager ingebracht werden in de Maatschap, zijn uit het vermogen van de inbrengende vennoot verdwenen en vormen een onverdeelde boedel, die omschreven kan worden als een afgescheiden doelvermogen.[8] In ruil voor deze inbreng heeft de Aanvrager aandelen verkregen, in dat afgescheiden doelvermogen.
Bijgevolg heeft hij als vennoot nog een zakelijk recht ten aanzien van het afgescheiden vermogen in zijn geheel, maar heeft hij geen rechtstreeks zakelijk recht meer ten aanzien van de goederen, die deel uitmaken van het afgescheiden vermogen. Het voorgaande blijkt o.a. uit de volgende consequenties van de inbreng [9]:
- Een vennoot kan niet individueel beschikken voor eigen rekening over de goederen van de Maatschap;
- De goederen van de Maatschap kunnen niet worden uitgewonnen door de persoonlijke schuldeisers van de vennoten;
- De ontbinding van een Maatschap gaat gepaard met een volwaardige vereffening, waarna enkel het netto-actief wordt uitgekeerd aan de vennoten.
In casu zullen de drie kinderen van de Aanvrager blote eigenaars worden van de aandelen van de Maatschap ten gevolge van de schenking die zij zullen ontvangen vanwege de Aanvrager. De overdracht van de blote eigendom van de aandelen geschiedt onmiddellijk en is aldus op geen enkele wijze een uitgestelde overdracht, zoals deze geviseerd wordt door artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
b) Enkel de buitengewone algemene vergadering kan beslissen om daden van beschikking en wezenlijke beslissingen te stellen betreffende het vennootschapsvermogen
Ten overvloede wordt opgemerkt dat de bevoegdheden waarover de Aanvrager als vruchtgebruiker beschikt in het licht van de Maatschap, hetzij in de gewijzigde Statuten van de Maatschap, één op één worden gereflecteerd (zodat ze overeenstemmen met de bevoegdheidsverdeling tussen een vruchtgebruiker/blote eigenaar in een schenking zonder de figuur van de Maatschap), dan wel zelfs nog tot op zekere hoogte worden beperkt.
Daarnaast zou de vennootschapsrechtelijke realiteit worden miskend indien men zou stellen dat de schenker in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de maatschap nog dezelfde bevoegdheden kan uitoefenen al was hij volle eigenaar van het vennootschapsvermogen.
Zoals hierboven reeds wordt aangehaald, is de zaakvoerder conform artikel 8.2. van de (gewijzigde) Statuten van de Maatschap gerechtigd om (slechts) alle daden van beheer te stellen en ter zake alle mogelijke beslissingen te nemen en vertegenwoordigingshandelingen te stellen met betrekking tot het in de Maatschap ingebrachte en nog in te brengen vermogen.
De zaakvoerder is daarentegen niet gerechtigd om daden van beschikking of wezenlijke beslissingen te nemen, zoals omschreven in artikel 12.3. van de Statuten. Iedere daad van beschikking en iedere wezenlijke beslissing dient tijdens het zaakvoerderschap van de Aanvrager met een twee/derde meerderheid van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen, evenals met de goedkeuring door de Aanvrager/zaakvoerder, overeenkomstig artikel 12.2. van de Statuten te worden genomen. Bovendien wordt het stemrecht dan door de vruchtgebruiker, in casu de ouder, en de blote eigenaar, in casu zijn drie kinderen, samen uitgeoefend.
Enkel alle vennoten samen, waaronder dus ook de zoon en de twee dochters van de Aanvrager, kunnen over het vermogen van de Maatschap beschikken, gezien er naast de goedkeuring door de zaakvoerder een twee/derde meerderheid vereist is.
3.2. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF wordt niet gefrustreerd
17. Artikel 2.7.1.0.7 VCF werd ingevoerd om te vermijden dat een derde bedekt bevoordeeld wordt door de gesplitste verkrijging of inschrijving van (bepaalde) goederen en dit zonder de betaling van schenk- of erfbelasting.
Aangezien het doel van artikel 2.7.1.0.7 VCF erin bestaat om de bedekte bevoordeling ingevolge een gesplitste inschrijving te sanctioneren, en er in casu geen sprake is van een bedekte bevoordeling maar van een openlijke bevoordeling, valt de schenking noodzakelijkerwijze volledig buiten de doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF wordt door de voorgenomen verrichtingen niet gefrustreerd.
De Aanvrager verzoekt te willen bevestigen dat er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, omdat de geplande verrichtingen de doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF duidelijk niet frustreren.
3.3. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.9 VCF wordt niet gefrustreerd
18. Artikel 2.7.1.0.9 VCF heeft tot doel om rechtshandelingen ten kosteloze titel, die bewust verkeerdelijk worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten bezwarende titel, toch tot de fiscale nalatenschap te laten behoren, hoewel zij daar juridisch gezien geen deel van uitmaken. De doelstelling bestaat er kortom in om overeenkomsten die in het vooruitzicht van het overlijden van de schenker onder het mom van een vervreemding ten bezwarende titel werden gedaan, maar waarbij het eigenlijk om schenkingen gaat, te belasten in het erfrecht.
Voormelde doelstelling blijkt duidelijk uit de wettekst zelf en verder uit de Memorie van Toelichting van de wet van 11 oktober 1919 bij de invoering van de artikelen 5 tot 7 W.Succ (naderhand de artikelen 9 tot 11 W.Succ. en thans 2.7.1.0.7 tot 2.7.1.0.9 VCF). De wet bepaalt namelijk dat het tegenbewijs kan geleverd worden indien:
“wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer”. Voormelde Memorie van Toelichting stelt: “Eindelijk ziet men vaak personen, in het vooruitzicht van hun overlijden, aan hunne wettige of aangestelde erfgenamen alle hunne goederen of een deel daarvan mits eene lijfrente afstaan. De akte wordt geboekt tegen het voor verkoopen bepaalde recht en de schatkist blijft verstoken van het verschil tusschen dit recht en het erfenisrecht”.
In casu zal de begiftiging van de drie kinderen op geen enkele manier verborgen worden gehouden. Integendeel, de aandelen worden geschonken aan de drie kinderen middels een notariële schenkingsakte, die wordt verleden voor een Belgisch notaris. Bijgevolg is er kennelijk geen sprake van bedrog.
De Aanvrager verzoekt te willen bevestigen dat er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, omdat de geplande verrichtingen de doelstelling van artikel 2.7.1.0.9 VCF niet frustreren.
3.4. Er zijn andere dan fiscale motieven om de verrichtingen tot stand te brengen
19. Mocht de Vlaamse Belastingdienst evenwel de mening zijn toegedaan dat er wel degelijk sprake is van frustratie van een doelstelling van één van voornoemde bepalingen van de VCF, quod non, wijst de Aanvrager erop dat het geheel van de verrichtingen die worden beoogd duidelijk ingegeven is door andere dan fiscale motieven. Hiervoor wordt verwezen naar titel II.B.b) iii.
De Aanvrager verzoekt Uw Dienst te bevestigen dat ingevolge de aanwezigheid van de niet-fiscale motieven de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet kan worden toegepast.
II. CONCLUSIE
20. Gelet op al het voorgaande, dient te worden geconcludeerd dat de voorgenomen schenking zal onderworpen zijn aan de vrijstelling in de schenkbelasting op grond van 2.8.6.0.3. e.v. VCF, indien de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3. e.v. VCF zijn voldaan op het ogenblik van de schenking.
De Aanvrager verzoekt Uw Dienst dit te willen bevestigen.
Dat de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF niet zullen kunnen worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen, op grond waarvan bij overlijden van de schenker/ouder erfbelasting zou verschuldigd zijn.
De Aanvrager verzoekt Uw Dienst dit te willen bevestigen.
Dat er geen sprake is van fiscaal misbruik, omdat de geplande verrichten de doelstellingen van de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF niet frustreren, evenals gelet op de aanwezigheid van niet-fiscale motieven.
De Aanvrager verzoekt Uw Dienst dit te willen bevestigen.
De Aanvrager vraagt dat de geldigheid van de voorafgaande beslissing zich in de tijd zou uitstrekken tot aan zijn overlijden.
IV. Beslissing
21. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
22. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
23. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke geldigheid van de verrichting.
24. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.
A. Onderzoek artikelen VCF
25. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.8.6.0.3, §1 VCF, dat luidt als volgt:
“§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld :
1° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.
In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.
Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de schenker.
(…)”
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.”
- Artikel 2.7.1.0.7 VCF, dat luidt als volgt:
“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
Het eerste lid is niet van toepassing :
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”
- Artikel 2.7.1.0.9 VCF, dat luidt als volgt:
“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”
- artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
B. Beoordeling
26. Aanvragers nemen zich voor om volgende verrichtingen uit te voeren:
Een schenking bij notariële akte van de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik aan de drie meerderjarige kinderen van de aanvrager, van in totaal 39.912 aandelen, hetzij 13.304 aandelen aan elke begiftigde, van een in 2017 opgerichte maatschap. Deze meerderjarige kinderen zijn thans reeds medevennoot elk voor 1 van de in totaal 119.748 aandelen van deze maatschap.
Na de voorgenomen schenking zullen de aandelen van de maatschap bijgevolg verdeeld zijn als volgt:
- Voor in totaal 39.912 aandelen in blote eigendom en 3 aandelen in volle eigendom aan de 3 kinderen
- Voor 39.912 aandelen in vruchtgebruik en 79.832 aandelen in volle eigendom aan de vader-schenker
- Voor 1 aandeel in volle eigendom aan een derde persoon
27. In de aanvraag wordt aangeven dat het aandelenbezit in de maatschap van de kinderen van aanvrager “in de toekomst zal toenemen ingevolge geleidelijke schenkingen van de aandelen door de Aanvrager.”
Op grond van artikel 3.22.0.0.1, §2 VCF is vereist dat de aanvraag een volledige beschrijving bevat van een bijzondere situatie of verrichting die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. Men dient bijgevolg de situatie of verrichting nauwkeurig uiteen te zetten en duidelijk te omschrijven, met verwijzing naar een concreet project waarvan de realisatie ernstig overwogen wordt.
De bedoeling van de voorafgaande beslissing is immers aan de aanvrager rechtszekerheid te verstrekken met betrekking tot verrichtingen of situaties die hij in het kader van zijn aanvraag voorlegt aan de administratie en voor zover hij deze verrichtingen verwezenlijkt of deze situatie zich concretiseert overeenkomstig de beschrijving die hij eraan gegeven heeft.
Onderhavige beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op de concreet voorgenomen schenking bij notariële akte, en bijgevolg niet op eventuele latere schenkingen waarnaar slechts hypothetisch en niet concreet verwezen wordt in de aanvraag.
1) Onderzoek van artikel 2.8.6.0.3 VCF
28. In de schenkbelasting bepalen de artikelen 2.8.6.0.3 en volgende van de Vlaamse Codex Fiscaliteit dat aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de vrijstelling in de schenkbelasting moet voldaan zijn op het ogenblik van de schenking. Het recht op vrijstelling zal door de Vlaamse Belastingdienst dan ook op het ogenblik van de schenking beoordeeld worden.
Aangezien het gaat over het onderzoek, de controle en het gebruik van bewijsmiddelen (art. 3.22.0.0.1, §3, tweede lid, c, VCF), kan geen voorafgaande beslissing worden genomen over het al dan niet voldoen aan voormelde voorwaarden.
Huidige voorafgaande beslissing vervangt het voorafgaand attest waarvan sprake in art. 3.21.0.0.1 VCF niet.
29. Wanneer gewerkt wordt via een maatschap, kunnen overgedragen aandelen in een familiale vennootschap tevens in aanmerking komen voor de vrijstelling of vermindering. Omdat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, is zij fiscaal transparant. Er wordt zodoende rechtstreeks gekeken naar de participaties die door de natuurlijke personen achter de maatschap worden aangehouden.
Gezien in casu de te schenken aandelen van de maatschap zowel aandelen in een familiale vennootschap als liquide middelen bevatten, zal bijgevolg de taxatie als familiale vennootschap enkel kunnen gebeuren voor het proportioneel gedeelte in de aandelen die aandelen in een familiale vennootschap vertegenwoordigen.
2) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
30. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF treft schenkingen van roerende goederen die door de erflater zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt door het overlijden van de schenker.
Schenkingen die onder de toepassing vallen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden fiscaal beschouwd als een legaat en belast met erfbelasting in hoofde van de begiftigde.
Aangezien aan de voorgenomen schenking geen opschortende modaliteit die wordt vervuld ingevolge het overlijden van één van de schenkers, zal gekoppeld worden, vindt artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF geen rechtstreekse toepassing op de voorgenomen verrichting.
3) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.7 VCF
31. Overeenkomstig de gegevens van de aanvraag, neemt de aanvrager zich voor een schenking te doen bij notariële akte.
Artikel 2.7.1.0.7 VCF viseert de inschrijving van effecten op naam van de toekomstige erflater voor het vruchtgebruik en op naam van een toekomstig erfopvolger voor de blote eigendom. Deze fictiebepaling heeft tot gevolg dat de goederen die het voorwerp waren van de verrichting geacht worden in volle eigendom in de nalatenschap aanwezig te zijn en door de medecontractant als legaat te zijn verkregen.
Er is toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF als de achterliggende activa van de burgerlijke maatschap effecten of geldbeleggingen zijn, die gesplitst zijn ingeschreven, voor het vruchtgebruik op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
Gelet op de fiscale transparantie van de maatschap, worden de maten beschouwd als gezamenlijke eigenaars van de achterliggende activa van de burgerlijke maatschap. De activa van de maatschap zijn effecten of geldbeleggingen die beschouwd worden als gesplitst te zijn ingeschreven door de ouders en het kind overeenkomstig artikel 2.7.1.0.7 VCF.
Hiervoor kan worden verwezen naar het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst met betrekking tot gesplitste aankoop of inschrijvingen vruchtgebruik – blote eigendom en het tegenbewijs (SP nr. 20067 dd. 21/06/2021).
Aanvrager stelt dat de schenking van de blote eigendom van de deelbewijzen van de maatschap zal gebeuren middels een Belgische notariële akte die aan schenkbelasting zal worden onderworpen. Aangezien er in casu geen sprake is van een bedekte bevoordeling doch wel van een openlijke bevoordeling, zal er geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.7 VCF.
4) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.9 VCF
32. In het door aanvragers voorgelegde ontwerp van notariële schenkingsakte wordt optioneel voorzien om een rentelast op te leggen aan de begiftigde:
“[OPTIE] Artikel 8. Optionele rentelast
De Schenkers bedingen als last van de door hen gedane Schenking (of wat bij wijze van wettelijke of contractuele zaakvervanging of indeplaatsstelling hiervan in de plaats zou zijn getreden) lastens de Begiftigde dat zij jaarlijks een rente ten belope van maximaal * euro (€ *) (te indexeren conform het hierna bepaalde) aan de Schenkers zal betalen.
De Begiftigde zal de jaarlijkse rente voldoen bij éénmalige betaling, en dit binnen de maand nadat de Schenkers of de langstlevende van hen erom heeft gevraagd, via storting op een door de betreffende Schenkers aangeduide bankrekening.
Voormelde rente wordt jaarlijks, dit is op de verjaardag van onderhavige akte, aangepast aan de evolutie van het Belgisch indexcijfer van de consumptieprijzen (consumptie- en prijsindex) en wordt daartoe gekoppeld aan het basisindexcijfer van de maand * 2026. Het nieuwe indexcijfer waaraan het bedrag aangepast zal worden, is dat van de maand die de aanpassing voorafgaat. Deze aanpassing geschiedt automatisch en zonder dat de Schenkers erom moeten verzoeken. Het aangepaste bedrag kan nooit lager zijn dan het in deze akte overeengekomen basisbedrag.
Deze last is pas uitvoerbaar enkel en alleen voor zover de uitvoering ook effectief wordt verzocht door de Schenkers en is niet meer opeisbaar indien het totaal van de opgevraagde rentelasten door de Schenkers sinds de Schenking een bedrag gelijk aan vijfenzeventig procent (75%) van de waarde van de Schenking heeft bereikt.
De Schenkers of de langstlevende van hen behouden zich het recht voor om de rente op te vragen, tot twee maand na het jaar waarin ze er recht op hebben. Ze zullen de rente aan de Begiftigde schriftelijk opvragen, hetzij per brief, hetzij per email, hetzij via enig ander communicatiemiddel. Na het verstrijken van deze termijn, en bij gebreke aan tijdige opvraging, vervalt dit recht.
Indien de Begiftigde in gebreke blijft de rente te voldoen binnen veertien dagen na de vervaldag, zal het vervallen en niet betaalde bedrag van rechtswege en zonder ingebrekestelling interest opbrengen tegen de interestvoet die wordt gehanteerd om de gerechtelijke interesten te berekenen, vanaf de vervaldag tot de dag van de werkelijke betaling.
[OPTIE] Artikel 9. Last tot verzorging
De Schenkers bedingen als last van huidige Schenking lastens de Begiftigde dat zij de verplichting heeft ten aanzien van hen, om kosten van medische en ambulante verzorging, kosten van ziekenhuis, rusthuis, serviceflat, thuisverpleging, en dergelijke meer, kortom alle kosten van onder andere medische hulpbehoevendheid en zorgbehoevendheid van de Schenkers of de langstlevende te dragen, voor zover deze kosten niet worden terugbetaald door een ziekenfonds of enige verzekering en zij de som van tweeduizend vijfhonderd euro (€ 2.500) per jaar overtreffen.
Deze last is pas uitvoerbaar voor zover de uitvoering ervan ook effectief wordt verzocht door de Schenkers of de langstlevende onder hen en is niet meer opeisbaar indien het totaal van de ten laste genomen kosten (samen met de rentelast voormeld in artikel 8 van onderhavige schenking) sinds de Schenking een bedrag gelijk aan vijfenzeventig procent (75%) van de waarde van de Schenking heeft bereikt.”
33. Door de plafonnering van de geldelijke last op 75% van de waarde van de schenking op het moment van de schenking, wordt beoogd dat de last niet zo hoog oploopt dat het in feite geen schenking meer is, waardoor er zich een herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zou opdringen.
Het besluitvormingsorgaan aanvaardt dat voor zover de schenking niet kan worden uitgeput door de plafonnering van de last, er geen herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zal gebeuren.
In dit geval zal geen rechtstreekse toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.9 VCF.
5) Onderzoek van artikel 3.17.0.0.2 VCF (de antimisbruikbepaling)
34. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.
35. Gelet op de concrete feitenconstellatie is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de concreet voorgenomen verrichting, namelijk de notariële schenking van in totaal 39.912 aandelen van deze maatschap voor de blote eigendom de kinderen van aanvrager, in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
36. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.
Voetnoten
[1] Het ontwerp van notulen van de buitengewone algemene vergadering van de Maatschap, evenals het ontwerp van de gecoördineerde Statuten van de Maatschap na statutenwijziging, werden als bijlagen bij de aanvraag toegevoegd.
[2] Het ontwerp van de voorgenomen notariële schenkingsakte werd meegedeeld bij het indienen van de aanvraag.
Bij email van 4 februari 2026 heeft aanvrager aan het Besluitvormingsorgaan het juiste aantal te schenken aandelen meegedeeld, namelijk in totaal 39.912 (3 x 13.304) aandelen in blote eigendom van de maatschap:
“De heer X zal de blote eigendom van 13.304 aandelen aan ieder kind (mevrouw B, de heer A en mevrouw C) schenken.”
[3] Ruysseveldt J., Vlaamse Erfbelasting, Knokke, Lex Forum, 2015, 87.
[4] Ruysseveldt J., Vlaamse Erfbelasting, Knokke, Lex Forum, 2015, 87.
[5] Van Gerven W., Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 1998-99, 18-19
[6] Decuyper J. en Ruysseveldt J., Successierechten 2018-2019, 2019, Deel II, 1552-1553, afl. 1712/1.
[7] Barbaix R., Het contractuele statuut van de schenking, 2008, 339-340.
[8] Gruyaert D., ‘Fiduciaire rechtsfiguren in het notariaat’ in Buyssens F. en Verbeke A. L. (eds.), 2016-2017, 2017, 64-74
[9] Vanroye J., ‘Slingerende toerekening: de zakelijke rechten van een maatschap’, TRV 2014, 258.