Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25136 - Wijziging huwelijksovereenkomst - wettelijk stelsel - toevoeging optioneel eenzijdig toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 25136 - Wijziging huwelijksovereenkomst - wettelijk stelsel - toevoeging optioneel eenzijdig toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

25136

Datum beslissing

9 februari 2026

Publicatiedatum

17 april 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvragers wensen hun huwelijksstelsel aan te passen door de invoering van een specifieke regeling met betrekking tot de goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X.

Zij wensen met name, bij wijze van huwelijksvoordeel, een optioneel toekenningsbeding te koppelen met betrekking tot goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X, waardoor mevrouw Y, indien zij de langstlevende echtgenote zou zijn, de mogelijkheid zal hebben om dit eigen vermogen, in de mate van het nodige en mogelijke, en desgevallend zelfs volledig en in volle eigendom, te verkrijgen.

De heer X is thans exclusief eigenaar van een ondernemings- en investeringsvermogen met een aanzienlijke waarde. Mocht hij op vandaag plots komen te overlijden, komt dit vermogen in blote eigendom toe aan de zeer jonge kinderen van de aanvragers. Dit is geenszins in het belang van deze jonge kinderen en in de visie van de aanvragers zelfs volstrekt onverantwoord en onwerkbaar. Dit is evenmin in het belang van de andere stakeholders van het ondernemingsvermogen.

Dit is evenmin in het belang van de echtgenote, mevrouw Y. De heer X wenst evenwel op generlei wijze te moeten inboeten aan autonomie op het vlak van het beheer en het bestuur van zijn eigen vermogen, dat door zijn eigen inspanningen werd opgebouwd en die hij op de wijze die hij wenst te investeren, te ondernemen en/of te beleggen.

Mevrouw Y wenst op generlei wijze blootgesteld te worden aan het risico van voormelde ondernemingen en/of investeringen.

Een en ander heeft er dan ook toe geleid dat de echtgenoten X-Y overwegen om een optioneel toekenningsbeding aan hun huwelijksstelsel toe te voegen met betrekking tot specifieke eigen roerende goederen van de heer X dan wel de goederen die hiervoor in de plaats zullen komen. Via dit toekenningsbeding zal mevrouw Y bij de ontbinding van het huwelijksstelsel de mogelijkheid hebben om die goederen van het eigen vermogen van de heer X die zij verkiest, in volle eigendom te verkrijgen.

Vooraleer zij overgaan tot de wijziging van hun huwelijksstelsel, wensen de aanvragers evenwel duidelijkheid te bekomen omtrent de fiscale behandeling van voormelde verrichting. Met name wensen zij de bevestiging te verkrijgen dat de uitwerking van het toekenningsbeding bij vooroverlijden van de heer X geen aanleiding zal geven tot de heffing van erfbelasting in hoofde van mevrouw Y en dat er evenmin sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door […], namens:

  • de heer X, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1991 (rijksregisternummer […]); en
  • zijn echtgenote mevrouw Y, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1991 (rijksregisternummer […]), beiden wonende te […].

Hierna verder samen genoemd ‘de heer en mevrouw X-Y’, ‘de echtgenoten’ en/of ‘de aanvragers’.

Feitelijke context

3. De aanvragers, te weten de heer X en mevrouw Y, zijn gehuwd op xx.xx.2019 onder het Belgisch wettelijk stelsel van scheiding van goederen [1] met gemeenschap van aanwinsten, bij gebrek aan huwelijkscontract.

Aan dit huwelijksvermogensstelsel werden tot op heden geen wijzigingen aangebracht.

De aanvragers hebben samen drie minderjarige gemeenschappelijke kinderen, met name:

  1. Jongeheer […], geboren op xx.xx.2020;
  2. Jongeheer […], geboren op xx.xx.2022;
  3. Jongeheer […], geboren op xx.xx.2024.

De aanvragers hebben hun fiscale woonplaats in het Vlaams Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

1. Huwelijksstelsel van de aanvragers en actuele samenstelling van het eigen vermogen van de heer X

4. De aanvragers zijn op heden gehuwd onder het wettelijk stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten, bij gebrek aan huwelijkscontract, en dit sinds 2019.

Dit betekent onder meer dat overeenkomstig artikel 2.3.17 BW de goederen verworven vóór het huwelijk tot het eigen vermogen van de respectievelijke echtgenoten behoren.

Iedere echtgenoot bestuurt zijn eigen vermogen alleen (art. 2.3.39 BW).

Het eigen vermogen van de heer X bestaat op vandaag uit een aanzienlijk ondernemings- en investeringsvermogen, met name enerzijds vennootschapsaandelen en anderzijds liquide middelen en beleggingen.

2. Bezorgdheden en wensen van de aanvragers

Bescherming van de zeer jonge kinderen

5. Sinds hun huwelijk in 2019 hebben de aanvragers inmiddels drie kinderen. De twee oudste kinderen zijn respectievelijk 5 en 3 jaar. Hun derde kind is net 1 jaar oud. Gelet op de zeer jonge leeftijd van de kinderen, leeft bij de heer X een sterke bezorgdheid over de bescherming van zijn kinderen en het lot van zijn eigen vermogen in het geval hij zou komen te overlijden op een ogenblik waarop de kinderen nog niet in staat zijn om een vermogen van dergelijke aard en omvang op adequate wijze te beheren en besturen.

Enerzijds vereist het beheer van dit vermogen een zekere kennis en ervaring, die jonge kinderen nog niet hebben. Anderzijds zijn er ook risico’s verbonden aan het feit dat de betrokken goederen hetzij liquide beschikbaar zijn, hetzij gemakkelijk kunnen worden geliquideerd. Indien de kinderen op jonge leeftijd de gelden ter beschikking zouden krijgen, bv. ingevolge een vrijwillige of gedwongen verkoop van aandelen, is het geenszins ondenkbaar dat zij deze op onverantwoorde wijze zouden uitgeven.

De heer X wil dergelijk scenario vermijden en zijn eigen vermogen afschermen van de kinderen tot ze een bepaalde leeftijd en maturiteit hebben bereikt. Hij wenst dan ook een vangnet in te bouwen dat enerzijds de nodige bescherming biedt voor het geval hij als eerste echtgenoot zou komen te overlijden op een ogenblik waarop de kinderen te jong zijn om een dergelijk vermogen te verwerven en te beheren, maar dat hem anderzijds toelaat om zijn eigen vermogen volledig autonoom te besturen tot aan zijn overlijden.

Verzorgingsgedachte ten aanzien van de langstlevende echtgenote

6. Daarnaast wenst de heer X bijkomend zijn echtgenote te beschermen en haar verzorgd achter te laten indien het huwelijk wordt ontbonden door zijn overlijden. Dit past in de solidariteitsgedachte die de echtgenoten voor ogen hadden bij het huwelijk en nog steeds nastreven. De bedoeling van de heer X is dat mevrouw Y haar levensstandaard kan behouden zoals die er was tijdens het huwelijk. In het kader van die verzorgingsgedachte wenst de heer X aan mevrouw Y de mogelijkheid te bieden om, zoals zij verkiest, zijn eigen vermogen geheel of gedeeltelijk in volle eigendom te verkrijgen op een wijze die zoveel mogelijk vermijdt dat de kinderen eventuele reservataire aanspraken kunnen laten gelden ten aanzien van haar. Ook hier wenst de heer X echter uitdrukkelijk zijn autonomie, zoals hij die op vandaag heeft, te behouden wat het beheer en bestuur van zijn eigen vermogen betreft.

Voor zoveel als nodig vermelden de aanvragers dat de heer X ook ingeval van echtscheiding een zodanige regeling wenst te voorzien voor mevrouw Y in de lijn van de solidariteitsgedachte die de echtgenoten nastreven. Dit onder andere ook om ervoor te zorgen dat zijn kinderen in dat geval bij beide ouders in een gelijkwaardige financiële omgeving kunnen opgroeien. Voor de heer X blijft het op vandaag echter van cruciaal belang dat hij zijn eigen vermogen autonoom kan blijven besturen, zoals hoger reeds herhaaldelijk vermeld. Mevrouw Y wenst niet deel te nemen in de risico’s tijdens de werking van het huwelijksstelsel zoals voormeld.

Gegeven de verschillende context van een overlijden en een echtscheiding zal de concrete uitwerking van het voorgenomen toekenningsbeding in beide hypotheses uiteraard wel verschillend zijn.

3. Omschrijving van de voorgenomen verrichting

7. Om tegemoet te komen aan de voormelde wensen en bezorgdheden, hebben de aanvragers het voornemen om aan de goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X een huwelijksvoordeel te koppelen, opdat mevrouw Y bij vooroverlijden van de heer X het eigen vermogen deels of geheel in volle eigendom zou kunnen toegekend krijgen, indien zij daarvoor kiest.

Concreet wensen zij in de akte houdende wijziging van het huwelijksstelsel [2] onder meer volgende clausule op te nemen:

“Artikel 32: Toekenningsbeding in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden

De toekenning van de in artikel 34 vermelde eigen goederen toebehorende aan de heer X., zoals voorzien in dit artikel, is van toepassing in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door vooroverlijden van de heer X..

Deze toekenning zal evenwel niet van toepassing zijn in de hypotheses zoals uiteengezet in artikel 30.

Artikel 33: Optioneel toekenningsbeding

De toepassing van de toekenning voorzien in dit artikel is optioneel. Zij biedt aan de langstlevende echtgenoot met betrekking tot de in artikel 34 omschreven goederen die op het tijdstip van het overlijden exclusief aan de eerststervende toebehoren, de mogelijkheid tot gehele of gedeeltelijke toekenning van de hierna vermelde eigen goederen van de heer X. in hetzij in volle eigendom, hetzij in blote eigendom, hetzij in vruchtgebruik naar keuze van de langstlevende echtgenoot.

De langstlevende maakt haar keuze kenbaar in een schriftelijke verklaring, die notarieel wordt vastgelegd of bij een notaris wordt neergelegd. De langstlevende vermeldt daarin de keuze die zij maakt betreffende de toekenning.

De langstlevende informeert de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot over deze keuze, op eigen initiatief en ten laatste binnen de 120 kalenderdagen te rekenen vanaf het overlijden, de dag van het overlijden niet inbegrepen.

De langstlevende zal haar keuze eveneens ter kennis brengen door middel van een per post aangetekend schrijven aan de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot en dit uiterlijk zeven (7) werkdagen na het afleggen van voormelde verklaring.

Indien de langstlevende echtgenoot haar keuze niet of niet tijdig heeft gemaakt, dan wordt zij geacht haar optierecht niet te hebben uitgeoefend en derhalve afstand te hebben gedaan van het toekenningsbeding.

Artikel 34: Voorwerp van het beding

In geval van vooroverlijden van de heer X., zullen de volgende goederen die hem op heden persoonlijk toebehoren en/of die hiervoor in de plaats zullen komen en waarvan hij op het tijdstip van zijn overlijden nog exclusieve eigenaar is, ten belope van de hem toebehorende eigendomsrechten en in die mate, al naar gelang het geval, toekomen aan de langstlevende echtgenote, mevrouw Y., voor zover zij daarvoor kiest, op de wijze en volgens de voorwaarden en modaliteiten zoals bepaald in dit huwelijkscontract:

  • De beleggingsportefeuille aangehouden bij de bank […] thans met nummer […]
  • De beleggingsportefeuille aangehouden bij de bank […] thans met nummer […]
  • Zijn participatie in de besloten vennootschap […];

Artikel 35: Zaakvervangingsclausule

Overeenkomstig artikel 9 van deze overeenkomst, zullen de toepassing, evenals alle modaliteiten, voorwaarden en lasten van dit beding tevens betrekking hebben op de goederen en/of rechten die, al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging, subrogatie, belegging of wederbelegging in de plaats zijn gekomen van bovenvermeld voorwerp van dit beding.

Artikel 36: Uitwerking en passiefregeling

Tussen de echtgenoten zal, als gevolg van de toekenning krachtens dit beding, voor geen enkel van de toegekende goederen, nog enige verrekening verschuldigd zijn, als gevolg van enige bijdrage die door de ene of door de andere echtgenoot, financieel of anderszins, zou zijn geleverd voor de verkrijging van deze goederen, of voor de kosten of werken met betrekking tot deze goederen. De langstlevende zal voor een dergelijke bijdrage niets aan de nalatenschap van de overleden echtgenoot verschuldigd zijn, en zal evenmin voor een dergelijke bijdrage iets van de nalatenschap kunnen vorderen.

Dit beding zal uitwerking hebben, ongeacht of deze goederen, gelden, effecten en titels als aanwinsten kwalificeren van de overleden echtgenoot, dan wel of deze goederen werden verkregen vóór het huwelijk of tijdens huwelijk door erfenis of schenking.

Door de toepassing van dit huwelijksvoordeel ten voordele van mevrouw Y., zal mevrouw Y. er tevens toe gehouden zijn om proportioneel bij te dragen in de op het tijdstip van het overlijden nog openstaande eigen schulden van haar overleden echtgenoot die verband houden met voormelde goederen, en dit in verhouding tot het aandeel dat mevrouw Y. in voormelde eigen (onroerende) goederen verkrijgt.

Het artikel 2.3.57 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op dit beding.

Artikel 37. Huwelijksvoordelen

De voordelen die door de bedingen van dit contract in geval van echtscheiding overeenkomstig hoofdstuk 6 of overlijden overeenkomstig hoofdstuk 8 worden toegekend, zijn huwelijksvoordelen die niet aan de regels van de schenkingen onderworpen zijn.

Er kan slechts sprake van inkorting ervan indien een huwelijksvoordeel de perken overschrijdt zoals in het artikelen 2.3.57 BW bepaald.

De perken van artikel 2.3.57 BW dat toepasselijk is bij samenloop van de langstlevende met gemeenschappelijke kinderen, zijn slechts bereikt als de langstlevende echtgenoot meer zou verkrijgen dan alle huwelijkse aanwinsten (en de helft van andere goederen die door de overleden echtgenoot in de gemeenschap zouden zijn ingebracht).

III. Motivering van de aanvraag

8. In wat volgt motiveren de aanvragers waarom zij (1) van oordeel zijn dat de uitwerking van het toekenningsbeding bij vooroverlijden van de heer X geen aanleiding zal geven tot de heffing van erfbelasting, en (2) dat er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

a. Geen erfbelasting ingevolge de uitwerking van het toekenningsbeding met betrekking tot het eigen vermogen van de heer X

9. De aanvragers verzoeken met betrekking tot deze verrichting te bevestigen dat het huwelijksvoordeel dat de langstlevende zal verkrijgen door de toepassing van het toekenningsbeding als gevolg van deze verrichting, niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen, om de redenen die de aanvragers vermelden, dan wel om de redenen die de Vlaamse Belastingdienst hieromtrent zal uiteenzetten.

1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

10. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het toekenningsbeding zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling). Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel, dat onweerlegbaar geacht wordt ten bezwarende titel te zijn bedongen, en dus als niet-schenking.

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor een van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel (H. CASMAN, Huwelijksvoordelen, Antwerpen, Kluwer, 1976; deze definitie werd reeds in 2012 expliciet door de wetgever overgenomen in artikel 1429bis oud BW en is thans opgenomen in artikel 2.3.59 BW [3]).

Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel, waarvan de vereffening voorgaat op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap (Cass. 24 maart 2017). Het kan om die reden nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking (Cass. 10 december 2010). Deze kwalificatie is objectief, d.w.z. dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen (animus donandi) kan die kwalificatie niet wijzigen, sterker nog, het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen mag zelfs niet geleverd worden (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).

De kwalificatie als huwelijksvoordeel werkt volkomen indien het huwelijksvoordeel wordt toegekend over aanwinsten en niet-aanwinsten in zoverre de grenzen van artikel 2.3.57 BW (hier van toepassing aangezien er enkel gemeenschappelijke kinderen zijn) niet worden overschreden. Dit wil zeggen dat alle aanwinsten en de helft van de niet-aanwinsten aan de langstlevende kunnen worden toebedeeld. Deze kwalificatie van volkomen huwelijksvoordeel heeft belangrijke civielrechtelijke gevolgen. De goederen waarop het huwelijksvoordeel betrekking heeft, zullen immers integraal aan de langstlevende worden toegekend zonder dat deze voordelen kunnen worden ingekort. Ze worden zelfs niet opgenomen in de rekenboedel (art. 4.153 BW), bepalen niet mee de omvang van het beschikbaar deel van de nalatenschap, en worden noch op dat beschikbaar deel noch op de reserve aangerekend.

De toekenning aan de langstlevende echtgenote van meer dan de helft van de niet-aanwinsten wordt civielrechtelijk weliswaar met een schenking gelijkgesteld maar dit louter met het oog op de erfrechtelijke verrekening ervan. Dit maakt van dit huwelijksvoordeel evenwel geen schenking. De afwijkende kwalificatie strekt er enkel toe de rechten van de reservataire erfgenamen te vrijwaren (Cass. 5 januari 2017). Ze leidt dus niet tot een volledige assimilatie van het huwelijksvoordeel met een schenking. Op dit huwelijksvoordeel waarvan de reservataire erfgenamen desgevallend de inkorting zullen kunnen vorderen, is artikel 2.7.1.0.2 VCF dan ook niet van toepassing.

De voormelde civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als niet-schenking dus aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken, wat in casu niet het geval is.

De toebedeling van de goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X op grond van het overwogen toekenningsbeding, dat kwalificeert als een huwelijksvoordeel (H. CASMAN en A.-L. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022/1, 9), kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

11. Omwille van de kwalificatie van het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zou verkrijgen evenmin artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden toegepast. Deze bepaling belast met erfbelasting schenkingen van roerende goederen die de erflater zou hebben gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het toekenningsbeding zou weliswaar pas uitwerking hebben bij overlijden van de heer X, maar van een schenking is geen sprake (cf. Cass. 5 januari 2017). Het toekenningsbeding is een huwelijksvoordeel, dat als niet-schenking wordt gekwalificeerd (cf. supra).

De toebedeling op grond van het overwogen toekenningsbeding kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

12. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt.

Het toekenningsbeding wordt in casu gekoppeld aan goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X. Deze goederen behoren niet tot een huwgemeenschap zodat artikel 2.7.1.0.4 VCF geen toepassing kan vinden (cf. ook Antwerpen 5 oktober 2004).

4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

13. Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: (1) een kosteloze beschikking; (2) gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden; (3) waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.

Het voorgenomen toekenningsbeding betreft evenwel geen kosteloze beschikking, zoals hierboven uitgebreid toegelicht. Een toekenningsbeding is een huwelijksvoordeel en dus een overeenkomst onder bezwarende titel, geen schenking. Dat bevestigde ook het Hof van Cassatie (Cass. 5 januari 2017), zoals eerder aangehaald.

In de mate dat er sprake is van een ‘onvolkomen huwelijksvoordeel’ omdat de grenzen van artikel 2.3.57 BW overschreden zouden zijn (toebedeling van meer dan de helft van de niet-aanwinsten), herhalen de aanvragers dat het huwelijksvoordeel in dat geval louter met het oog op de erfrechtelijke verrekening met een schenking wordt gelijkgesteld. De afwijkende kwalificatie strekt er enkel toe de rechten van de reservataire erfgenamen te vrijwaren (Cass. 5 januari 2017). Zij leidt niet tot een volledige assimilatie van het huwelijksvoordeel met een schenking. Artikel 2.7.1.0.5 VCF is dan ook niet van toepassing op dit huwelijksvoordeel waarvan de reservataire erfgenamen desgevallend de inkorting zouden kunnen vorderen.

Artikel 2.7.1.0.5 VCF kan aldus geen toepassing vinden op de toebedeling op grond van het door de aanvragers overwogen toekenningsbeding.

5. Tussentijds besluit

14. Uit het voorgaande blijkt dat artikel 2.7.1.0.2, artikel 2.7.1.0.3, 3°, artikel 2.7.1.0.4 en artikel 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing zijn op de voorgenomen verrichting. Het toekenningsbeding kwalificeert immers als een huwelijksvoordeel dat huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen en dus ten bezwarende titel is. Er is geen sprake van enige schenking of kosteloze beschikking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker, noch kwalificeert de verrichting als een erfrechtelijke verkrijging.

Dit impliceert dat de toebedeling op grond van het overwogen toekenningsbeding niet onderworpen is aan (schenk- of) erfbelasting.

b. Geen fiscaal misbruik

15. De aanvragers zijn van oordeel dat zij zich door de implementatie van de voorgenomen verrichting geenszins in een toestand plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving (objectief element). Daarnaast motiveren zij waarom uitsluitend de voorgenomen verrichting beantwoordt aan hun wensen en doelstellingen, en deze keuze aldus niet strekt tot het verkrijgen van een belastingvoordeel (subjectief element).

De aanvragers verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de hierna uiteengezette motieven.

1. Geen frustratie van de doelstellingen van de fiscale wetgeving (objectief element)

16. De aanvragers tonen aan dat zij zich op geen enkele wijze in een toestand plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving (objectief element).

De voorgenomen verrichting frustreert geenszins de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.2, artikel 2.7.1.0.3, 3°, artikel 2.7.1.0.4 en artikel 2.7.1.0.5 VCF. De aanvragers verwijzen hieromtrent ook naar hun uiteenzetting hiervoor onder III.a.

  • Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2 VCF

De aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.2 VCF niet omdat de langstlevende echtgenote de goederen niet verkrijgt uit de nalatenschap (dus niet via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling), maar wel op grond van een beding in het huwelijkscontract en dus als huwelijksvoordeel (niet-schenking). Het gaat om een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging en niet om een erfrechtelijke verkrijging, zoals ook bevestigd door het Hof van Cassatie (Cass. 10 december 2010).

  • Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

De aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet omdat zij niet overgaan tot enige schenking of kosteloze beschikking waarvan de uitwerking kunstmatig tot aan het overlijden wordt uitgesteld. Het toekenningsbeding is een huwelijksvoordeel en geen schenking (zie ook Cass. 10 december 2010; Cass. 5 januari 2017).

  • Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.4 VCF

De aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.4 VCF niet omdat de goederen waaraan het toekenningsbeding wordt gekoppeld, niet tot een huwgemeenschap behoren en daar ook nooit toe hebben behoord.

  • Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.5 VCF

De aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.5 VCF niet omdat zij niet overgaan tot een kosteloze beschikking. Een toekenningsbeding is een huwelijksvoordeel en dus een overeenkomst onder bezwarende titel en geen schenking (zie ook Cass. 10 december 2010; Cass. 5 januari 2017).

Tussentijds besluit

17. Zoals hiervoor uiteengezet, frustreert de voorgenomen planning aldus geen enkele specifieke antimisbruikbepaling noch haar doelstellingen, zodat er alleen al om die reden geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik.

2. Civielrechtelijke doelstellingen die niet strekken tot verkrijgen belastingvoordeel (subjectief element)

18. Voor het geval de belastingadministratie zou aantonen dat een bepaald artikel van VCF in haar doelstellingen zou zijn gefrustreerd, verantwoorden de aanvragers waarom uitsluitend de voorgenomen verrichting beantwoordt aan hun wensen en doelstellingen, en de keuze voor het toekenningsbeding aldus niet strekt tot het louter verkrijgen van een belastingvoordeel (subjectief element). Zij lichten dit hierna verder toe.

Zoals hoger vermeld, wenst de heer X zijn eigen vermogen te beschermen voor het geval hij als eerste komt te overlijden en dit gelet op de zeer jonge leeftijd van de kinderen. De heer X is bezorgd over de mogelijke nadelige gevolgen van zijn onverwacht overlijden. Mocht hij immers op vandaag plots komen te overlijden (accidenteel of anders), komt zijn eigen vermogen, met een belangrijke financiële waarde, in blote eigendom toe aan zijn erg jonge kinderen, wat in de visie van de aanvragers ten zeerste onverantwoord en onwerkbaar is. Het is geenszins in het belang van de kinderen om op hun jonge leeftijd over een dergelijk omvangrijk vermogen te beschikken. Dit is ook niet in het belang van de overige stakeholders van dit ondernemingsvermogen.

Daarnaast wenst de heer X na zijn overlijden ook in de verzorging van zijn echtgenote, mevrouw Y, te voorzien, zonder evenwel nu reeds op enige wijze te moeten inboeten aan autonomie op het vlak van het beheer en het bestuur van zijn eigen vermogen, dat door zijn eigen inspanningen werd opgebouwd. De bedoeling van de heer X is dat mevrouw Y haar levensstandaard kan behouden zoals die er was tijdens het huwelijk. In het kader van die verzorgingsgedachte wenst de heer X aan mevrouw Y de mogelijkheid te bieden om, zoals zij verkiest, zijn eigen vermogen geheel of gedeeltelijk in volle eigendom te verkrijgen op een wijze die zoveel mogelijk vermijdt dat de kinderen eventuele reservataire aanspraken kunnen laten gelden ten aanzien van haar. Ook hier wenst de heer X echter uitdrukkelijk zijn autonomie, zoals hij die op vandaag heeft, te behouden wat het beheer en bestuur van zijn eigen vermogen betreft.

Voor zoveel als nodig vermelden de aanvragers dat de heer X ook ingeval van echtscheiding een zodanige regeling wenst te voorzien voor mevrouw Y in de lijn van de solidariteitsgedachte die de echtgenoten nastreven. Dit onder andere ook om ervoor te zorgen dat zijn kinderen in dat geval bij beide ouders in een gelijkwaardige financiële omgeving kunnen opgroeien. Voor de heer X blijft het op vandaag echter van cruciaal belang dat hij zijn eigen vermogen autonoom kan blijven besturen, zoals hoger reeds herhaaldelijk vermeld. Mevrouw Y wenst niet deel te nemen in de risico’s tijdens de werking van het huwelijksstelsel zoals voormeld.

Om deze wensen en doelstellingen en met name de voormelde beschermings- en verzorgingsgedachte te kunnen realiseren, wensen de aanvragers een optioneel toekenningsbeding aan hun huwelijksstelsel toe te voegen. Via dit toekenningsbeding zal mevrouw Y de mogelijkheid hebben om die goederen van het eigen vermogen van de heer X die zij verkiest, in volle eigendom te verkrijgen, en dit zonder afbreuk te doen aan de autonomie van de heer X met betrekking tot zijn eigen vermogen en dit tot aan zijn overlijden.

Het Burgerlijk Wetboek laat op vandaag toe om een dergelijk toekenningsbeding aan de eigen goederen van een echtgenoot te koppelen waardoor deze goederen bij diens overlijden, in de mate dat de langstlevende echtgenoot daarvoor kiest, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom toekomen aan de langstlevende (cf. artikel 2.3.64, § 1 BW [4]). Deze bepaling kan ook worden toegepast op echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel in zoverre het hun respectievelijke eigen vermogens betreft (zie o.a. CASMAN, H., VERBEKE, A., Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen, TEP 2022, afl. 1, 3-15 [5]; en de Voorafgaande Beslissing nr. 23024 inzake de toevoeging van een eenzijdig optioneel toekenningsbeding eigen goederen in een gemeenschapsstelsel, https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb23024).

De aanvragers opteren voor het inlassen van een toekenningsbeding met betrekking tot de eigen goederen van de heer X omdat zij de door hen nagestreefde doelstellingen en de beoogde civielrechtelijke gevolgen niet (minstens niet volledig) via een alternatieve planningstechniek kunnen realiseren.

Bescherming van het eigen vermogen tegen de verkrijging door jonge kinderen – horizontale bescherming via langstlevende ouder noodzakelijk.

19. Zoals hoger uiteengezet, wensen de aanvragers de goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X af te schermen van de jonge kinderen van de aanvragers, tot zij een bepaalde leeftijd hebben bereikt en in staat zijn om een dergelijk vermogen op verantwoorde wijze te beheren. Daarom dient er ingeval van een vroegtijdig overlijden van de heer X een horizontale bescherming, via de langstlevende ouder-echtgenoot, te worden geboden tegen enerzijds de erfrechtelijke verkrijging van deze goederen door de kinderen, en anderzijds de reservataire aanspraken die de kinderen zouden kunnen laten gelden (desgevallend al dan niet via een wettelijke vertegenwoordiger in geval van minderjarigheid) in het kader van de vereffening-verdeling van de nalatenschap van de heer X.

Het toekenningsbeding heeft zakelijke werking en een huwelijksvoordeel (tenzij indien de grenzen van art. 2.3.57 BW overschreden zijn) is niet vatbaar voor erfrechtelijke verrekening of inkorting – dit in tegenstelling tot een planning via schenking, testament of contractuele erfstelling. Dit impliceert dat een planningstechniek via huwelijksvoordeel onder de vorm van de toevoeging van een toekenningsbeding het beste beantwoordt aan de wensen en doelstellingen van de aanvragers. Mevrouw Y zal immers, als langstlevende echtgenote, vanaf de kennisgeving van haar keuze met terugwerking tot aan het overlijden van de heer X, zakelijk in het bezit worden gesteld en volle eigenaar zijn van de goederen die haar op basis van het toekenningsbeding in natura worden toebedeeld. De kinderen van de aanvragers kunnen hoogstens de inkorting in waarde vorderen in de mate dat het voordeel dat mevrouw Y verkrijgt de grenzen van artikel 2.3.57 BW zou overschrijden.

Deze bescherming is niet enkel in het belang van de bescherming van de minderjarige kinderen, maar ook van de andere stakeholders van de onderneming.

Verzorging van de langstlevende

20. Daarnaast beantwoordt de planning van het eigen vermogen van de heer X via huwelijksvoordeel ook het beste aan de wens om mevrouw Y als langstlevende verzorgd achter te laten.

Dit past in de solidariteitsgedachte van het echtpaar dat bij de oorsprong met gemeenschap van goederen is gehuwd, maar beantwoordt tegelijk ook aan de wensen van de respectievelijke echtgenoten om 1) wat de heer X betreft het vermogen autonoom te kunnen beheren volgens de (ondernemings)risico’s die hij passend acht en 2) wat mevrouw Y betreft niet blootgesteld te zijn aan de risico’s die de heer X wenst te nemen gedurende de werking van het stelsel.

Zoals aangegeven, wil de heer X mevrouw Y verzorgd achterlaten, dit op een wijze die haar zoveel als mogelijk beschermt tegen de reservataire aanspraken van de kinderen. Zoals reeds vermeld, is een huwelijksvoordeel slechts vatbaar voor erfrechtelijke verrekening of inkorting indien de grenzen van artikel 2.3.57 BW worden overschreden, hetgeen van het toekenningsbeding een geschikt instrument maakt om ervoor te zorgen dat de goederen van het eigen vermogen van de heer X zoveel als mogelijk zonder discussie of inmenging van de gemeenschappelijke kinderen aan de langstlevende toekomen. De toekenning gebeurt overigens in natura en heeft dus zakelijke werking.

Daarnaast kan een huwelijksvoordeel niet eenzijdig worden herroepen, in tegenstelling tot een testament, schenking tussen echtgenoten of contractuele erfstelling. Voor de herroeping van een huwelijksvoordeel is een wijziging van het huwelijkscontract vereist hetgeen enkel mogelijk is met de medewerking van beide echtgenoten. Dit zorgt voor gemoedsrust in hoofde van mevrouw Y.

Deze gemoedsrust voor mevrouw Y geldt des te meer nu het toekenningsbeding – anders dan andere klassieke planningstechnieken – zakelijke werking heeft. Mevrouw Y zal dus ingevolge de uitoefening van de optie in het huwelijkscontract een zakelijk recht verkrijgen op de goederen behoren tot het eigen vermogen van de heer X zodat zij deze goederen onmiddellijk in natura zal verwerven (dit in tegenstelling tot een louter verbintenisrechtelijke vordering op de rechtsopvolgers van de heer X zoals in het geval van een verrekenbeding).

Tot slot zorgt de voorgenomen werkwijze via het toekenningsbeding voor flexibiliteit in hoofde van mevrouw Y. Aangezien het beding een optioneel karakter zal hebben, zal mevrouw Y als langstlevende echtgenote zelf kunnen beslissen voor welk gedeelte van het eigen vermogen van de heer X zij de optie wenst te lichten. Op die manier kan zij een en ander afstemmen op haar noden op dat ogenblik, alsook op de leeftijd en ontwikkeling van de kinderen. De keuze van mevrouw Y zal immers mogelijk evolueren in de toekomst naargelang haar leeftijd, de leeftijd van de kinderen, hun capaciteiten en ontwikkeling, de relatie tussen moeder en kinderen, etc.

Autonomiebehoud in hoofde van de heer X

21. Voor de heer X is het zeer belangrijk dat hij volledige autonomie kan behouden met betrekking tot het beheer en bestuur van zijn eigen vermogen. Hij wenst daarbij geen inmenging van anderen (waaronder zijn echtgenote en/of zijn kinderen). Een optioneel toekenningsbeding heeft geen onmiddellijke eigendomsoverdracht tot gevolg en doet aldus geen afbreuk aan het recht van de heer X om zijn eigen vermogen op autonome wijze te besturen en te beheren. Dit is niet het geval bij inbreng in het gemeenschappelijk vermogen van het echtpaar.

Bescherming van het gemeenschappelijk vermogen

22. Tot slot wensen de aanvragers het gemeenschappelijk vermogen zoveel mogelijk te beschermen tegen potentiële schuldeisers van de heer X en tegen eventuele risicovolle herinvesteringen die hij zou doen. Dit verklaart mede hun keuze voor een toekenningsbeding in plaats van een inbreng in de huwgemeenschap.

Nood aan een asymmetrische regeling

23. Aangezien de bezorgdheden van de aanvragers gericht zijn op de goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X, is er nood aan een planningstechniek waarbij het mogelijk is voor de aanvragers om in één richting te werken. Daardoor is het niet aan de orde om te opteren voor een kanscontract, aanwasbeding of klassiek verrekenbeding (waarbij een verrekenmassa wordt samengesteld, waarna er tussen de echtgenoten louter verbintenisrechtelijk wordt verrekend conform een vooraf bepaalde verrekensleutel).

Tussentijds besluit

24. Uit voormelde uiteenzetting blijkt duidelijk dat de redenen voor de aanvragers om te opteren voor de toevoeging van een toekenningsbeding in hun huwelijksstelsel duidelijk civielrechtelijk van aard zijn en dat er dus niet-fiscale motieven ten grondslag liggen aan de voorgenomen verrichting. Er kan maar sprake zijn van fiscale misbruik indien ook het subjectief element aanwezig is, te weten dat de belastingplichtige een rechtshandeling (of geheel van rechtshandelingen) louter kiest met als wezenlijk doel het verkrijgen van een belastingvoordeel. Dit is in casu geenszins het geval. De aanvragers verzoeken u dan ook te willen bevestigen dat er omwille van deze niet-fiscale motieven hoe dan ook geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot de voorgenomen verrichting en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF aldus geen toepassing kan vinden.

3. Besluit

25. Uit wat voorafgaat blijkt dat zowel het objectief element als het subjectief element, die beiden vereist zijn voor het bestaan van fiscaal misbruik, niet aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen verrichting die het voorwerp vormt van onderhavige aanvraag.

Enerzijds plaatsen de aanvragers zich door de implementatie van de voorgenomen verrichting geenszins in een toestand die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving (objectief element). Anderzijds overwegen de aanvragers de voorgenomen verrichting omwille van niet-fiscale motieven en dus niet met als wezenlijk doel het verkrijgen van een belastingvoordeel (subjectief element). Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet fiscale motieven hoe dan ook geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot de voorgenomen verrichting die ze u voorleggen, en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.

Voor de volledigheid en ter ondersteuning van het feit dat de overwogen planning geenszins fiscaal misbruikt uitmaakt, verwijzen de aanvragers naar de Voorafgaande Beslissing nr. 23024 die door uw dienst werd gewezen op 13 juni 2023 in een zeer gelijkaardig geval, waarin uitdrukkelijk werd bevestigd dat de toekenning van een huwelijksvoordeel door toevoeging van een optioneel toekenningsbeding aan het huwelijksstelsel met betrekking tot eigen goederen geen fiscaal misbruik is.

BESLUIT

Voorafgaand karakter van de aanvraag

26. De heer en mevrouw X-Y wensen een aanvraag in te dienen tot het bekomen van een voorafgaande beslissing in de zin van artikel 3.22.0.0.1 VCF.

De voorwaarde van het “voorafgaand karakter” wordt in casu gerespecteerd aangezien de wijziging van de huwelijksovereenkomst van de aanvragers nog niet heeft plaatsgevonden. Bijgevolg kan over deze vraag een geldige aanvraag tot voorafgaande beslissing worden ingediend op basis van artikel 3.22.0.0.1 VCF.

De aanvragers wensen, bij wijze van huwelijksvoordeel, een eenzijdig optioneel toekenningsbeding te koppelen aan het eigen vermogen van de heer X, waardoor mevrouw Y, indien zij de langstlevende echtgenote zou zijn, de mogelijkheid zal hebben om dit eigen vermogen, in de mate van het nodige en mogelijke, en desgevallend zelfs volledig en in volle eigendom, te verkrijgen.

De aanvragers wensen zekerheid te verkrijgen omtrent de fiscale behandeling van voormelde verrichting.

Met name wensen zij de bevestiging te verkrijgen: (1) dat de uitwerking van het toekenningsbeding bij vooroverlijden van de heer X geen aanleiding zal geven tot de heffing van erfbelasting in hoofde van mevrouw Y; en (2) dat er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

Graag vragen wij uw dienst om bevestiging van het voorgaande.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

27. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

28. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

29. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

30. De echtgenoten X – Y zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel, bij gebrek aan huwelijkscontract, en dit sinds 2019.

Volgens aanvragers bestaat het eigen vermogen van de heer X op vandaag uit een aanzienlijk ondernemings- en investeringsvermogen, met name enerzijds vennootschapsaandelen en anderzijds liquide middelen en beleggingen.

De echtgenoten X – Y wensen, bij wijze van huwelijksvoordeel, een optioneel toekenningsbeding te koppelen met betrekking tot goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X, waardoor mevrouw Y, indien zij de langstlevende echtgenote zou zijn, de mogelijkheid zal hebben om dit eigen vermogen, in de mate van het nodige en het mogelijke, en desgevallend zelfs volledig en in volle eigendom, te verkrijgen.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF

31. De aanvragers zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel der gemeenschap van aanwinsten. Het voorgenomen toekenningsbeding heeft volgens de echtgenoten X – Y betrekking op goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over tot welk vermogen de in de aanvraag beschreven vermogensbestanddelen behoren, maar gaat in onderhavige beslissing uit van de kwalificatie die de aanvrager hieraan geeft, namelijk zijnde eigen goederen van de heer X. Indien bij overlijden zou blijken dat bepaalde goederen zoals bijvoorbeeld winstuitkeringen van eigen aandelen, zich wel in de gemeenschap van aanwinsten zouden bevinden, zullen hierop de heffingsregels uit het VCF toegepast worden, zoals hierna uiteengezet.

32. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

33. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben, van een eenzijdig (optioneel) toekenningsbeding van eigen goederen in een gemeenschapsstelsel, zoals in casu voorligt.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich evenmin uit over de rechtsgeldigheid van de voorgenomen overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.

In de mate bijgevolg dat het voorgenomen eenzijdig (optioneel) toekenningsbeding van eigen goederen burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

34. In de mate dat het eenzijdig (optioneel) toekenningsbeding van eigen goederen van de ene echtgenoot in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking zou zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichtingen.

1.1 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

35. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

36. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

37. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het eenzijdig optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

38. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

39. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen, onder erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Het optioneel toekenningsbeding heeft volgens de aanvragers geen betrekking op gemeenschapsgoederen.

40. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

41. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

42. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

43. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

44. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

45. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).

46. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

47. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag en de bijgevoegde stukken blijkt dat de aanvragers gehuwd zijn onder het Belgisch wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten bij gebrek aan huwelijksovereenkomst, niet gewijzigd tot op heden.

De aanvragers hebben drie minderjarige gemeenschappelijke kinderen.

De echtgenoten X – Y wensen, bij wijze van hetgeen zij als huwelijksvoordeel kwalificeren, een eenzijdig optioneel toekenningsbeding te koppelen met betrekking tot goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X.

Volgens de gegevens in de aanvraag heeft het toe te voegen optioneel toekenningsbeding betrekking op de volgende eigen goederen van de heer X: twee beleggingsportefeuilles en zijn participatie in de besloten vennootschap […].

De heer X wenst zijn eigen vermogen te beschermen voor het geval hij als eerste komt te overlijden en dit gelet op de zeer jonge leeftijd van de kinderen. De heer X is bezorgd over de mogelijke nadelige gevolgen van zijn onverwacht overlijden. Het is volgens de aanvragers geenszins in het belang van de kinderen om op hun jonge leeftijd over vermogen van belangrijke financiële waarde te beschikken. Dit is ook niet in het belang van de overige stakeholders van het ondernemingsvermogen. Daarnaast wenst de heer X na zijn overlijden ook in de verzorging van zijn echtgenote te voorzien, zonder evenwel nu reeds op enige wijze te moeten inboeten aan autonomie op het vlak van het beheer en het bestuur van zijn eigen vermogen. De bedoeling van de heer X is dat mevrouw Y haar levensstandaard kan behouden zoals die er was tijdens het huwelijk. Ook hier wenst de heer X echter uitdrukkelijk zijn autonomie, zoals hij die op vandaag heeft, te behouden wat het beheer en bestuur van zijn eigen vermogen betreft.

48. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

49. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: In de intentieverklaring van de voorgenomen wijziging van huwelijksovereenkomst wordt het volgende vermeld: “De echtgenoten verklaren gehuwd te zijn volgens het wettelijk huwelijksvermogensstelsel van gemeenschap van goederen.”

[2] Het ontwerp van de voorgenomen wijzigingsakte werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[3] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: De aanvragers verwijzen naar artikel 2.3.59 BW waarin expliciet zou opgenomen zijn dat een huwelijksvoordeel wordt gedefinieerd als een voordeel dat voor een van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. In artikel 2.3.59 BW is echter sprake van een voordeel dat de langstlevende echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen.

[4] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: het artikel 2.3.64 BW dat de aanvragers aanhalen staat in het BW in hoofdstuk 5 ‘Scheiding van goederen’. De aanvragers zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten.

[5] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Behoudens vergissing wordt in de tekst waarnaar de aanvragers verwijzen nergens geschreven dat de bepaling van artikel 2.3.64, §1 BW ook kan worden toegepast op echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel in zoverre het hun respectievelijke eigen vermogens betreft.