VB 25137 - Schenking met last kwalificatie
- Nummer
25137
- Datum beslissing
23 februari 2026
- Publicatiedatum
22 mei 2026
Heffing
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.3.0.1. VCF
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. Deze vraag tot voorafgaandelijke beslissing strekt er toe de bevestiging te krijgen dat de voorgenomen schenking door de ouders van de onroerende goederen aan hun zoon A (hoofdbegiftigde), waarbij aan hem een last wordt opgelegd om een geldsom te betalen aan zijn broer en zus, in haar geheel gekwalificeerd kan worden als een schenking en niet als een verkoop (rechtshandeling onder bezwarende titel).
De vraag om voorafgaande beslissing betreft meer bepaald de artikelen 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.3.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF en 3.17.0.0.2 VCF.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
2. De aanvraag wordt gesteld door notaris […] namens:
2.1. De Heer X, geboren te […] op xx.xx.1954, (rijksregisternummer […]), en zijn echtgenote mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1957, (rijksregisternummer […]), samenwonende te […].
2.2. De Heer A, geboren te […] op xx.xx.1983,
(rijksregisternummer […]), wonende te […].
2.3. Mevrouw B, geboren te […] op xx.xx.1980,
(rijksregisternummer […]), wonende te […].
2.4. De Heer C, geboren te […] op xx.xx.1988, (rijksregisternummer […]), wonende te […].
3. De voornoemden randnummers 2.2. tot en met 2.4, zijn allen kinderen van de echtgenoten X-Y.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
4. Deze aanvraag betreft schenking van de volle eigendom van de hierna vermelde onroerende goederen, door de ouders, aan hun zoon A, onder last van betaling van een geldsom aan zijn broer en zus.
5. De geschonken goederen zijn de volgende:
5.1. STAD […] - vierde afdeling […]
Percelen hooiland en weiland, ter plaatse gekend als […], gekend volgens laatste titel, samen met ander goed, onder sectie B, nummers […] en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie B nummer […], voor een oppervlakte van zes hectare dertig are dertig centiare (6ha 30a 30ca).
5.2. STAD […] – vierde afdeling – […]
Een perceel weiland, ter plaatse gekend als ‘[…]’, gekend volgens laatste titel onder sectie B nummer 78/n en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie B nummer […], voor een oppervlakte van één hectare (1ha).
5.3. STAD […] - vierde afdeling – […]
Een perceel bouwland, ter plaatse gekend als […], gekend volgens laatste titel onder sectie B, nummer […] en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie B nummer […], voor een oppervlakte van twee hectare vierendertig are vierentwintig centiare (2ha 34a 24ca).
5.4. STAD […] - negende afdeling – […]
Percelen bouwland en hooiland, ter plaatse gekend als […], gekend volgens laatste titel onder sectie B, nummers […] en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie B, nummers […], voor een oppervlakte van twee hectare negenenveertig are zeventig centiare (2ha 49a 70ca).
5.5. STAD […] - achtste afdeling – […]
Percelen bouwland en weiland, ter plaatse gekend als […], gekend volgens laatste titel onder sectie B, nummers […] en volgens recent uittreksel kadastraal gekend onder sectie B nummers […], voor een oppervlakte van vier hectare negenenzeventig are zestig centiare (4ha 79a 60ca).
6. Deze goederen behoren allen tot de huwgemeenschap van de schenkers. De oorsprong van eigendom van de voormelde goederen staat nader beschreven in het ontwerp van schenkingsakte dat als bijlage bij deze aanvraag wordt gevoegd.
7. De verkoopwaarde van deze goederen in volle eigendom bedraagt € 1.059.423,00. Deze raming van de verkoopwaarde is gebaseerd op het schattingsverslag opgemaakt door de Heer […], erkend schatter-expert met identificatienummer […], op 30 juli 2025.
8. Het is de bedoeling van de schenkers om deze goederen voor de volledige volle eigendom te schenken aan hun zoon A.
De schenkingsakte maakt tevens een erfovereenkomst uit, waarbij de broer en de zus van de A, namelijk B en C, zullen tussenkomen.
Aan de schenking zijn de volgende lasten verbonden:
De betaling door A aan zijn broer en zus van volgende bedragen:
a) aan B de som van € 353.141,00 (zijnde 1/3de van de waarde van het geschonken goed)
aan C de som van € 353.141,00 (zijnde 1/3de van de waarde van het geschonken goed)
III. Motivering van de aanvraag
9. De voorgenomen verrichting kan gemotiveerd worden als volgt:
De ouders, zijnde de echtgenoten X-Y zijn gepensioneerd en hebben al enige tijd geleden de exploitatie van het landbouwbedrijf aan zoon A overgelaten.
Het is de wens van zoon A om de landbouwonderneming verder te zetten. Van de drie kinderen is enkel A hierin geïnteresseerd.
De ouders wensen hun zoon A te steunen in zijn voornemen om het landbouwbedrijf voort te zetten. Zij zijn oprecht blij dat hun levenswerk binnen de familie zal worden verder gezet.
Anderzijds wensen zij hun drie kinderen zo veel als mogelijk gelijk te behandelen. Zij zijn er van overtuigd dat een gelijke berechtiging van de kinderen de sleutel is tot het behoud van de goede familiale relaties.
Vandaar dat er ter compensatie een last moet betaald worden door A aan zijn broer en zijn zus. Ondanks deze last, blijft de bevoordeling in hoofde van elk kind (en dus ook in hoofde van A) aanzienlijk, namelijk een netto-bevoordeling van € 353.141,00.
Deze opgelegde lasten beletten geenszins dat de overeenkomst in haar geheel een schenking is. Het is de bedoeling van de ouders om te schenken. Zij willen zich dadelijk en onherroepbaar ontdoen van de landbouwgronden, met de intentie om al hun kinderen – in gelijke mate - te verrijken.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
10. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
11. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van de verrichting.
12. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:
- artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”
- artikel 2.8.3.0.1 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belastbare grondslag als volgt vastgesteld :
1° voor de schenking van financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet, volgens de beurswaarden ervan op datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt. Als er op die datum geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt voor bepaalde van de geschonken waarden wel en voor andere geen notering is, wordt de belastbare grondslag van die laatste waarden vastgesteld volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is;
2° voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed, zoals in artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7 is bepaald;
3° voor de schenking van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen, volgens de volgende formule :
belastbare grondslag = a x b, waarbij :
a) a = de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van de goederen;
b) b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de datum van de schenking;
4° voor de schenking van het voor een bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, door het bedrag van de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren over de duur van het vruchtgebruik, bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastbare grondslag mag evenwel niet meer bedragen dan hetzij de waarde, berekend volgens punt 3°, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een natuurlijke persoon, hetzij twintig keer de opbrengst, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een rechtspersoon;
5° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen;
6° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens punt 3° of punt 4° ;
7° voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen, op basis van het jaarlijkse bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, die op de begiftigde moet worden toegepast;
8° voor schenkingen van een altijddurende rente, op basis van het jaarlijkse bedrag van de rente, vermenigvuldigd met twintig.
§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt de last die bestaat uit een som, een rente of een pensioen, onder kosteloze titel bedongen ten voordele van een derde die aanvaardt, in hoofde van die derde als schenking belast en wordt de last van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken. In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de tarieven, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1.”
- artikel 2.8.4.1.1 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt
berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan :
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.
In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het eerste lid, 10°, of het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.”
- artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
13. Een schenking met last is een schenking waarbij de begiftigde er zich toe verbindt een bepaalde tegenprestatie te leveren.
Deze tegenprestatie wordt aan de begiftigde opgelegd door de schenker en kan zijn bedongen in diens eigen voordeel of in het voordeel van een derde.
14. In casu schenken de aanvragers voornoemd in randnummer 2.1. aan hun zoon de heer A voor de volledige volle eigendom de onroerende goederen voornoemd in randnummer 5. met een voorlopig door de partijen geschatte waarde van € 1.059.423,00 onder last van uitkering € 353.141,00 aan zijn zus B, voornoemd in randnummer 2.3. en € 353.141,00 aan zijn broer C, voornoemd in randnummer 2.4.
Rekening houdende met de opgelegde lasten en de geschatte waarde van de te schenken goederen zou de hoofdbegiftigde een voordeel van € 353.141,00 bekomen.
15. In geval van een schenking met last moet worden uitgemaakt of de overeenkomst nog wel de aard van een schenking heeft, dan wel als een rechtshandeling onder bezwarende titel moet gekwalificeerd worden.
16. De last belet niet dat de overeenkomst in haar geheel een gift is, wanneer de waarde van de last lager is dan die van de geschonken goederen, zodat de verrichting voor de begiftigde nog een voordeel oplevert.
Bovendien moet bij de schenkers de wil aanwezig zijn om zich te verarmen (animus donandi) (subjectief element).
17. Uit de gegevens van de aanvraag blijkt dat de aanvragers de goederen voornoemd in randnummer 5. aan hun zoon de heer A willen schenken. De hoofdbegiftigde houdt na uitvoering van de lasten nog een substantieel voordeel over.
18. Uit het geheel van de feiten blijkt dat naast de verarming van de schenkers en de verrijking van de begiftigde ook het begiftigingsinzicht bij de schenkers aanwezig is zodat de voorgenomen verrichting, voor zover de waardering van de te schenken goederen met de werkelijkheid zal overeenstemmen, een schenking is en geen overdracht onder bezwarende titel.
19. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. De voorgenomen verrichtingen maken geen fiscaal misbruik uit in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.