VB 25151 - Wijziging huwelijksstelsel - van wettelijk stelsel naar scheiding van goederen met toevoeging wederzijds optioneel toekenningsbeding
- Nummer
25151
- Datum beslissing
23 februari 2026
- Publicatiedatum
14 juli 2026
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.4. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.7.3.4.1. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvragers zijn op xx.xx.2021 bij gebrek aan huwelijksovereenkomst gehuwd onder het wettelijk stelsel.
2. Zij wensen hun huwelijksstelsel te wijzigen naar een stelsel van scheiding van goederen.
Gelijktijdig willen zij een wederzijds optioneel toekenningsbeding opnemen met betrekking tot bepaalde eigen goederen, waarbij zaakvervanging wordt voorzien (hierna: “het toekenningsbeding”) [1]. Het toekenningsbeding strekt in hoofdzaak tot een regeling bij de ontbinding van het huwelijk door overlijden maar kent ook een beperkte uitwerking in geval van ontbinding door echtscheiding.
3. Met het oog op de voorgenomen verrichting verzoeken de aanvragers uw dienst om voorafgaandelijk te bevestigen dat, noch bij het sluiten van de huwelijksovereenkomst, noch bij de ontbinding van het huwelijk door overlijden of echtscheiding, erf- of schenkbelasting verschuldigd is naar aanleiding van de opname, dan wel de uitwerking, van het toekenningsbeding:
- Art. 2.7.1.0.2, lid 1 VCF: verkrijging ingevolge wettelijke devolutie,
uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling
- Art. 2.7.1.0.3, 3° VCF: schenkingen van roerende goederen die de
erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Art. 2.7.1.0.4 VCF: verkrijging van meer dan de helft van de
gemeenschap ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen.
- Art. 2.7.1.0.5 VCF: goederen waarover de erflater kosteloos heeft beschikt gedurende vijf jaar voor zijn overlijden, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden.
- Art. 2.7.3.4.1, 1° tweede volzin VCF: niet-aanvaarding in het passief van de nalatenschap van schulden die voortkomen uit een huwelijksbeding dat betrekking heeft op de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel.
- Art. 2.8.1.0.1 VCF: schenkbelasting naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.
- Art. 3.17.0.0.2 VCF: algemene antimisbruikbepaling, in samenlezing met voormelde wetsartikelen.
4. Op grond van artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF vragen de aanvragers dat de voorafgaande beslissing geldt voor de duurtijd van het huwelijk, aangezien het toekenningsbeding slechts bij ontbinding van het huwelijk uitwerking zal krijgen.
5. De aanvragers hadden hun fiscale woonplaats in de zin van artikel 5, §2, 4° en 8° van de Bijzondere Financieringswet:
- van xx.xx.2018 tot en met xx.xx.2022 te […];
- vanaf xx.xx.2022 te […].
6. Omdat de aanvragers gedurende de afgelopen vijf jaar hoofdzakelijk in het Vlaams Gewest verbleven, is het Vlaams Gewest overeenkomstig artikel 5, §2, 4° en 8° van de Bijzondere Financieringswet bevoegd voor de inning en invordering van de erf- en schenkbelasting die verschuldigd zou zijn naar aanleiding van het overlijden van of een schenking door de aanvragers.
Bovendien hebben de aanvragers de intentie om in het Vlaams Gewest woonachtig te blijven.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
7. De voorafgaande beslissing wordt aangevraagd door […], namens de volgende natuurlijke personen (hierna: “de aanvragers”[2]):
- De heer X, geboren te […] op xx.xx.1988 met rijksregisternummer […] (hierna: “de heer X”)
- Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1991; (hierna: “mevrouw Y”)
samenwonende te […].
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
8. De aanvragers huwden op xx.xx.2021 onder het wettelijk stelsel.
9. Uit dit huwelijk is één zoon geboren:
- De heer A [3], geboren te […] op xx.xx.2023 met rijksregisternummer […].
10. Het eigen vermogen van de heer X bestaat hoofdzakelijk uit de volgende bestanddelen:
- […] aandelen ([…]) van de besloten vennootschap B, met zetel te […][4] en ondernemingsnummer […] (hierna: “B”);
- […] aandelen ([…]) van de naamloze vennootschap C, met zetel te […] en ondernemingsnummer […] (hierna: “C”).
Via B houdt de heer X bijkomend […] van de aandelen C aan.
11. Het eigen vermogen van mevrouw Y bestaat hoofdzakelijk uit de volgende bestanddelen:
- […] aandelen ([…]) van D.
Hierna wordt, naargelang de context, met “aandelen” verwezen naar de aandelen B, C en/of D.
12. Het gemeenschappelijk vermogen van de aanvragers bestaat hoofdzakelijk uit de volgende bestanddelen:
- 2% van de gezinswoning te […] [5]
- de inboedel van de gezinswoning te […]
- een spaarrekening bij […]
13. De aandelen C vormen het belangrijkste vermogensbestanddeel van het echtpaar X-Y met een geschatte totale waarde van ca. […] euro [6] (directe en indirecte participaties via B). De overige vermogensbestanddelen zijn relatief beperkt.
III. Motivering van de aanvraag
1. Motieven voor de overgang naar een stelsel van scheiding van goederen
14. De aanvragers zijn ondernemers en hebben elk hun eigen onderneming van nul opgebouwd:
14.1 De heer X is medeoprichter van C, een Belgische […]. De aandelen C van de oprichters worden aangehouden via de vennootschap E BV, waarvan de aandelen deels eigendom zijn van B. In totaal houdt de heer X […] aandelen ([…]) C aan waarvan […] ([…]) aandelen rechtstreeks en […] ([…]) aandelen via B (en E BV).
[…]
14.2 Mevrouw Y is actief als […] en baat via D een […] uit in […].
15. De aanvragers hechten belang aan professionele en vermogensrechtelijke autonomie. In het bijzonder wensen zij zelfstandig te kunnen beschikken over de aandelen van C, B en D en de verkoopprijs bij een eventuele verkoop vrij te kunnen (her)beleggen.
16. Het echtpaar huwde destijds onder het wettelijk stelsel, omdat er in praktijk weinig verschil was met een stelsel van scheiding van goederen.
17. De vennootschappen werden immers reeds opgericht voor het huwelijk zodat de meerwaarden op aandelen van C, B en D eigen blijven. Bovendien werden inkomsten op het niveau van de vennootschappen bedrijfsmatig geïnvesteerd en niet uitgekeerd zodat er nauwelijks gemeenschappelijke inkomsten zijn.
18. Recente ontwikkelingen brengen de aanvragers ertoe alsnog te opteren voor een stelsel van scheiding van goederen.
19. C kende de voorbije jaren een sterke groei, waardoor het eigen vermogen van de heer X substantieel is toegenomen.
20. Op xx.xx.2025 ging C naar de beurs ([…]), waarbij […] euro werd opgehaald. De huidige aandelenkoers weerspiegelt de waardestijging van het eigen vermogen van de heer X.
21. De heer X heeft nog geen aandelen C verkocht en is ingevolge de beursintroductie onderworpen aan een lock-up periode van 18 maanden voor de rechtstreeks aangehouden aandelen C en een langere lock-up periode van 3 jaar voor de aandelen C die E BV aanhoudt.
22. Na afloop van de lock-up periode is een gedeeltelijke realisatie van de aandelen C door de heer X waarschijnlijk.
23. Door de huidige structuur zal een verkoop van C eerder op niveau van E gebeuren zodat de gerealiseerde meerwaarden finaal als dividend via B zullen worden uitgekeerd aan de heer X. In het huidige stelsel valt dit dividend in de gemeenschap, hetgeen niet overeenstemt met de bedoeling van het echtpaar om vrij te kunnen beschikken over de verkoopprijs van hun onderneming.
Een eventuele meerwaarde die mevrouw Y zou realiseren op aandelen D zou daarentegen wel eigen zijn.
Deze ongelijke behandeling strookt niet met de doelstelling van de aanvragers om de aandelen en de daarop gerealiseerde meerwaarden zelfstandig te beheren, waardoor het wettelijk stelsel voor hen niet langer aangewezen is.
24. Bovendien heeft ook de bestuursregeling binnen het wettelijk stelsel ongewenste gevolgen.
Vandaag beheren de aanvragers hun vermogen volledig autonoom als statutair bestuurder [7] van hun eigen vennootschap. Bij realisatie van een gedeelte van de aandelen C is dit niet langer het geval:
(i) bij realisatie via E en wederuitkering via B zijn de ontvangen dividenden gemeenschappelijk en worden zij concurrentieel bestuurd;
(ii) bij realisatie van rechtstreeks aangehouden aandelen C (beperkte participatie) is de opbrengst wel eigen, maar is het na verloop van tijd moeilijk om het eigen karakter van wederbelegde gelden aan te tonen zodat derden in praktijk vaak toch de instemming van mevrouw Y zullen vragen voor belangrijke investeringen.
25. Daarnaast achten de aanvragers het in de huidige situatie niet langer wenselijk dat schuldeisers in bepaalde gevallen verhaal kunnen halen op zowel het eigen als gemeenschappelijk vermogen (zie rn. 26.2 e.v.).
26. Alternatieven binnen het wettelijk stelsel, zoals de toevoeging van een clausule waarbij inkomsten uit eigen goederen eigen blijven, zijn niet afdoende op zoals hierna blijkt:
Autonoom bestuur van de aandelen (en de daarop gerealiseerde meerwaarde)
26.1. De bewijsproblematiek bij wederbelegging en het risico op een feitelijke instemmingsvereiste van mevrouw Y blijven bestaan wanneer de heer X aandelen C (via B) realiseert (zie hiervoor rn. 24).
Verhaal op het eigen en gemeenschappelijk vermogen door schuldeisers
26.2. Artikel 2.3.28, lid 1 BW bepaalt dat gemeenschappelijke schulden kunnen worden verhaald op zowel het eigen vermogen van elk van de echtgenoten als op het gemeenschappelijk vermogen. Schuldeisers kunnen daartoe ook het gemeenschapsvermoeden van artikel 2.3.25, §2 BW inroepen.
26.3. Een belangrijke uitzondering geldt voor schulden die door een van de echtgenoten zijn aangegaan ten behoeve van de huishouding of de opvoeding van de kinderen. Indien deze schulden, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, als buitensporig moeten worden beschouwd, kunnen zij niet worden verhaald op het eigen vermogen van de niet-contracterende echtgenoot.
26.4. De uitzonderingsregel voor buitensporige huishoud- of opvoedingsschulden biedt geen voldoende bescherming meer, nu de vermogens van de echtgenoten sterk verschillen in omvang.
26.5. Zo is het mogelijk dat de heer X een uitgave doet die, gelet op de gezamenlijke bestaansmiddelen, niet buitensporig is, maar waarvan verhaal op het eigen vermogen van mevrouw Y haar vermogen volledig zou uitputten. Omgekeerd kan de heer X worden geconfronteerd met uitgaven van zijn echtgenote die, hoewel zij in het licht van de gezamenlijke bestaansmiddelen niet buitensporig zijn, gelet op haar beperktere eigen vermogen vrijwel volledig op hem zouden worden verhaald.
26.6. In het verleden werd het risico op persoonlijke schulden en aansprakelijkheden van één van hen beperkt geacht, aangezien zij hun activiteiten uitsluitend via hun vennootschappen ontplooiden.
De beursgang van C heeft dit gewijzigd. De heer X zal op middellange termijn ook privé een aanzienlijk vermogen aanhouden waarmee hij buiten een vennootschapsstructuur actief zal zijn. Bovendien leidt de beursgang tot potentiële nieuwe aansprakelijkheden waarvan mevrouw Y niet volledig op de hoogte is (bv. wetgeving inzake openbare overnamebiedingen). Omwille hiervan wenst ook mevrouw Y dat de vermogens strikt gescheiden blijven.
Onduidelijkheid en gebrek aan coherentie van het stelsel
26.7. Meer algemeen rijst de vraag of het behoud van het wettelijk stelsel in combinatie met een clausule waarbij inkomsten uit eigen goederen eigen blijven nog strookt met de vereiste coherentie van het wettelijk stelsel (artikel 2.3.1 BW).
26.8. Het demarcatiecriterium tussen gemeenschapsstelsels en het stelsel van scheiding van goederen is immers het statuut van de beroepsinkomsten van de echtgenoten.[8] In het wettelijk stelsel worden de beroepsinkomsten van rechtswege gemeenschappelijk, terwijl in het stelsel van scheiding van goederen deze inkomsten eigen blijven aan de echtgenoot die ze ontvangt.
26.9. Door de concrete invulling van het wettelijk stelsel zullen de facto geen beroepsinkomsten (of andere inkomsten) in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomen. Dit zou nog versterkt worden door een clausule op grond waarvan inkomsten van eigen goederen eigen blijven. In dat geval zouden zelfs dividenden uit de werkvennootschappen eigen blijven.
26.10. Daarenboven is ook de toepassing van artikel 2.3.44, lid 3 BW onduidelijk en ontoereikend als solidariteitsmechanisme bij ontbinding van het huwelijk. Deze bepaling verplicht de echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen eigen zijn, om bij ontbinding van het stelsel aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding te betalen voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep buiten de vennootschap was uitgeoefend. In casu worden alle beroepsinkomsten systematisch binnen de vennootschap in bedrijfsmiddelen geïnvesteerd, zodat het gemeenschappelijk vermogen geen inkomsten heeft misgelopen. Gelet op de onduidelijkheid van deze bepaling verkiezen de aanvragers om hun onderlinge solidariteit duidelijk te regelen door middel van het toekenningsbeding (rn. 27 e.v.).
26.11. In deze context biedt een stelsel van scheiding van goederen een transparantere en meer coherente regeling, aangezien het beter aansluit bij de feitelijke vermogensstructuur, de economische realiteit en de doelstellingen van de aanvragers.
2. Motieven voor het toekenningsbeding en de civiele kwalificatie ervan
27. De huidige regeling voorziet niet in een begunstiging van de langstlevende echtgenoot bij overlijden. De aanvragers wensen dat bij overlijden van één van hen de aandelen aan de langstlevende toekomen. Dit onder meer om te vermijden dat hun minderjarige zoon reeds een aanzienlijk vermogen erft.
28. Zij wensen daarom een wederzijds optioneel toekenningsbeding op te nemen waardoor, bij overlijden, de aandelen in B en C respectievelijk de aandelen in D aan de langstlevende echtgenoot worden toebedeeld op grond van het huwelijksvermogensstelsel. In het geval van echtscheiding krijgt het toekenningsbeding slechts beperkt uitwerking.
29. De wijziging van het stelsel staat los van de keuze voor het toekenningsbeding, aangezien het toekenningsbeding uitsluitend betrekking heeft op goederen die nu reeds eigen zijn. Ook in het wettelijk stelsel hadden de aanvragers een toekenningsbeding met betrekking tot eigen goederen kunnen opnemen.[9] Dit dossier verschilt dus van eerder dossiers waarin uw dienst zich negatief uitsprak over toebedelingsbedingen op postcommunautaire onverdeeldheden na ontbinding van een gemeenschapsstelsel. In dergelijke gevallen vormt de wijziging van het stelsel immers een noodzakelijke voorwaarde om tot een toebedelingsbeding op het eigen aandeel in de onverdeeldheid te komen.
30. Hoewel het besluitvormingsorgaan zich niet uitspreekt over de burgerrechtelijke kwalificatie of geldigheid van het toekenningsbeding, achten de aanvragers het nuttig dit nader toe te lichten, gelet op het belang ervan voor de verdere fiscale analyse en de relevantie voor de motivering van deze aanvraag.
31. Artikel 2.3.1 BW laat echtgenoten toe hun stelsel te kiezen of te wijzigen, op voorwaarde dat het stelsel coherent blijft en niet strijdig is met dwingend recht of openbare orde.
32. Binnen deze contractuele vrijheid kunnen echtgenoten “huwelijksvoordelen” bedingen die op onweerlegbare wijze worden geacht onder bezwarende titel te zijn aangegaan zodat de daaruit voortvloeiende voordelen niet als schenking worden beschouwd.[10] Met andere woorden, dergelijke bedingen kwalificeren objectief als ‘ten bezwarende’ titel ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van een animus donandi.
33. Volgens de heersende opvatting in de rechtsleer [11] en de rechtspraak [12] zijn huwelijksvoordelen voordelen die een echtgenoot verkrijgt uit de werking, samenstelling of verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. Zij onderscheiden zich van schenkingen doordat zij hun oorzaak vinden in het stelsel zelf en niet in een begiftigingsinzicht.
34. De kwalificatie als voordeel “ten bezwarende titel” is in de eerste plaats relevant voor de berekening van de reservataire aanspraken van de kinderen bij het overlijden van één van de echtgenoten. Aangezien huwelijksvoordelen geen schenkingen zijn, worden zij in principe niet toegevoegd aan de rekenboedel voor de berekening van het beschikbaar deel overeenkomstig artikel 4.153 BW.
35. Om te vermijden dat huwelijksvoordelen de reserve van de kinderen volledig zouden uithollen ten voordele van de langstlevende echtgenoot, heeft de wetgever evenwel voorzien dat zij in bepaalde gevallen in aanmerking worden genomen voor de berekening van de rekenboedel, zodat zij het voorwerp kunnen uitmaken van een vordering tot inkorting (zie art. 2.3.57, 2.3.58 en 2.3.64 BW voor stelsels van scheiding van goederen).
36. In deze gevallen spreekt men van “oneigenlijke” huwelijksvoordelen. Belangrijk is dat dergelijke voordelen burgerrechtelijk nog steeds onder bezwarende titel worden geacht te zijn aangegaan en derhalve als niet-schenkingen kwalificeren.[13] De herkwalificatie als schenking geldt dus uitsluitend voor de berekening van de rekenboedel.
37. Het is bovendien zonder belang of huwelijksvoordelen betrekking hebben op aanwinsten of niet-aanwinsten [14], dan wel op eigen of gemeenschappelijke goederen. Dit blijkt uit de mogelijkheid om niet-aanwinsten (bv. voorhuwelijkse goederen) via een combinatie van inbreng in de gemeenschap en een verblijvingsbeding aan de langstlevende echtgenoot toe te kennen als huwelijksvoordeel. Evenzeer laat de wetgever in een stelsel van scheiding van goederen toe dat via een verrekeningsbeding “eigen” aanwinsten van de vooroverleden echtgenoot aan de langstlevende echtgenoot worden toegekend.
38. De kwalificatie als huwelijksvoordeel veronderstelt wel dat het voordeel geïntegreerd is in het huwelijksvermogensstelsel zelf. Een loutere opname van een bepaling in een huwelijksovereenkomst volstaat dus niet indien het beding geen verankering heeft in het gekozen stelsel.
39. Gelet op de aard en de concrete bewoordingen van het voorgenomen toekenningsbeding zijn de aanvragers van oordeel dat het kwalificeert als een huwelijksvoordeel ten bezwarende titel, in overeenstemming met de visie die ook in de rechtsleer wordt onderschreven. [15]
40. De aanvragers handelen bovendien niet vanuit een animus donandi:
(i) De aanvragers wensen een beheersregeling te voorzien voor het geval één van hen overlijdt terwijl A nog minderjarig of jongvolwassen is. Zij achten het niet wenselijk dat A op dat moment reeds de volle of blote eigendom zou verkrijgen van een aanzienlijk vermogen. De bedoeling is dat de langstlevende echtgenoot de inkomsten kan innen en de aandelen kan realiseren zonder rechterlijke tussenkomst van derden, zoals een machtiging van de vrederechter.
(ii) De aanvragers zijn twee zelfstandige ondernemers voor wie wederzijdse financiële onafhankelijkheid essentieel is. Er is dan ook geen intentie om een gift te doen of te aanvaarden. Het toekenningsbeding weerspiegelt een wederkerige en aleatoire verbintenis tussen de echtgenoten, waarbij ieder zowel voordeel als risico draagt binnen het gekozen huwelijksvermogensstelsel. Dit wordt bovendien versterkt doordat de echtgenoot die de activa verkrijgt, ook deelt in de corresponderende passiva. Voor de goede orde, het aleatoire karakter heeft niet tot gevolg dat er sprake is van een kanscontract in de zin van standpunt 17044 van 17 april 2023 inzake bedingen van aanwas.
(iii) Via het toekenningsbeding wordt een duidelijke regeling bekomen die beide echtgenoten een correcte en billijke weergave achten van de door hen gewenste solidariteit. De aanvragers wensen te verzekeren dat zij delen in het professionele vermogen dat elk binnen hun eigen vermogen heeft kunnen opbouwen mede dankzij de inspanning van de andere binnen huwelijk. Deze solidariteitsgedachte wordt versterkt doordat zelfs ingeval van scheiding het toekenningsbeding in beperkte mate uitwerking heeft. Op die manier vervangen zij ook de werking van artikel 2.3.44, lid 3 BW — dat zij als onduidelijk en ontoereikend ervaren — door een duidelijke contractuele bepaling (zie rn. 26.10).
41. De overname van het passief en de beoogde vergoedingsregeling voor professionele inkomsten die binnen de vennootschap werden opgebouwd, bevestigen des te meer dat het toekenningsbeding integraal deel uitmaakt van het gekozen huwelijksvermogensstelsel.
42. Voor de volledigheid merken de aanvragers op dat geen ander burgerrechtelijk instrument tot een gelijkwaardig resultaat leidt:
42.1. Een schenking van de aandelen, al dan niet onherroepelijk via de huwelijksovereenkomst, is niet aan de orde omdat de aanvragers op heden geen eigendomsoverdracht van de aandelen wensen. Bovendien is er geen sprake van een animus donandi (zie rn.40). Gelet op de lock up periode zouden de aanvragers bovendien zelfs niet in staat zijn om de eventueel verschuldigde schenkbelasting te betalen.
42.2. Een inbreng in gemeenschap (TIGV) van de aandelen in combinatie met een verblijvingsbeding heeft niet het gewenste gevolg omdat dit indruist tegen het voornemen van partijen om hun vermogen individueel te beheren.
42.3. Een contractuele erfstelling (schenking van toekomstige goederen) vereist volgens gezaghebbende rechtsleer dat de begunstigde conventioneel wordt aangesteld als erfgerechtigde met algemene roeping of een roeping onder algemene titel tot de nalatenschap zodat onzeker is of een contractuele erfstelling ten bijzondere titel wettelijk mogelijk is (art. 4.132, §4, tweede lid juncto art. 4.2 BW).[16] De aanvragers wensen het beding juist te beperken tot de aandelen, wat een contractuele erfstelling ten bijzondere titel zou uitmaken.
Daarnaast bestaat onzekerheid over de mate waarin de echtgenoten in dat scenario nog over de aandelen kunnen beschikken, zowel ten bezwarende (art. 4.237, §3 BW juncto art. 4.235 BW) [17] als ten kosteloze titel (art. 4.233, §2 BW). Dit strookt niet met hun wens vrij over de aandelen te kunnen beschikken ten bezwarende titel en de verkoopprijs vervolgens te (her)beleggen. Voorts wenst de heer X in de toekomst een gedeelte van de aandelen om niet te kunnen schenken aan zijn broer en zus.
Rekening houdende met het voorgaande bepaalt het toekenningsbeding dat overdrachten ten bezwarende titel mogelijk zijn mits de herbelegging traceerbaar blijft, zodat zaakvervanging verzekerd is. Overdrachten om niet mogen niet meer bedragen dan de helft van de goederen waarop het toekenningsbeding betrekking heeft, behoudens wanneer het gaat om schenkingen aan gemeenschappelijke kinderen.
Bovendien veronderstelt een contractuele erfstelling een begiftigingsinzicht in hoofde van de echtgenoten, wat hier ontbreekt (zie rn.40).
De regels inzake inkorting blijven ook onverkort van toepassing bij een contractuele erfstelling, zodat A als reservataire erfgenaam minstens recht zou hebben op de helft van het vermogen in blote eigendom.
42.4. Een finaal verrekenbeding zou bij het overlijden van de heer X tot gevolg hebben dat:
- A als reservataire erfgenaam minstens de helft van de aandelen B en C in blote eigendom zou erven; en
- De verrekenvordering van mevrouw Y gedeeltelijk rust op A als erfgenaam.
De aanvragers wensen daarentegen dat mevrouw Y de volle eigendom van de aandelen behoudt, zodat zij, gelet op de jonge leeftijd van A, de nodige liquiditeiten kan vrijmaken zonder rechterlijke machtiging. Zij willen bovendien vermijden dat A een schuldpositie zou erven tegenover zijn moeder die niet onmiddellijk kan worden voldaan bij gebrek aan liquiditeiten of slechts na verkoop van de aandelen (hetgeen voorlopig bovendien onmogelijk is ingevolge de lock-up periode (zie rn. 21)).
3. Juridische motivering van de aanvraag met verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan
3.1 Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF
43. Artikel 2.7.1.0.2 VCF luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
[…]
44. Het voorgenomen toekenningsbeding vormt burgerrechtelijk een huwelijksvoordeel (zie rn. 27 e.v.) dat zijn oorsprong vindt in het door de aanvragers gekozen huwelijksvermogensstelsel.
45. De uitvoering van het toekenningsbeding gebeurt in het kader van de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel, die voorafgaat aan de vaststelling van de omvang van de nalatenschap, ongeacht of de uitwerking afhankelijk is van het lichten van de optie door de langstlevende echtgenoot.[18]
46. De uitwerking van het toekenningsbeding kan dan ook nooit een erfrechtelijke verkrijging uitmaken ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
47. Zelfs indien het toekenningsbeding gedeeltelijk een voor inkorting vatbaar ‘oneigenlijk’ huwelijksvoordeel zou zijn (zie rn. 34), heeft dit niet tot gevolg dat het alsnog in de nalatenschap valt en derhalve onderworpen zou zijn aan de erfbelasting [19] of gedeeltelijk kwalificeert als een schenking of contractuele erfstelling.[20]
48. Aangezien de civielrechtelijke kwalificatie van het beding doorwerkt in het fiscaal recht, kan niet worden gesproken van een verkrijging ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Artikel 2.7.1.0.2 VCF is derhalve niet van toepassing.
3.2 Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
49. Artikel 2.7.1.0.3 VCF luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
[..]
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.
50. Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt uit het toekenningsbeding kwalificeert burgerrechtelijk als niet-schenking, ook indien het (gedeeltelijk) voor inkorting vatbaar zou zijn (zie rn. 34).
51. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, dat enkel schenkingen onder opschortende voorwaarde viseert, kan bijgevolg niet worden toegepast.
3.3 Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF
52. Artikel 2.7.1.0.4 VCF luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
53. De aanvragers zullen na wijziging van hun huwelijksstelsel gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen zonder toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen of enige andere vorm van gemeenschap.
54. Bij gebrek aan gemeenschap kan artikel 2.7.1.0.4 VCF niet van toepassing zijn.
3.4 Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF
55. Artikel 2.7.1.0.5 VCF luidt als volgt:
§ 1 De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
[…]
56. Deze bepaling vereist dat de erflater kosteloos heeft beschikt over de betrokken goederen.
57. Het toekenningsbeding wordt ingevolge het huwelijksvermogensrecht geacht niet ten kosteloze titel te zijn bedongen.
58. Aan de voorwaarden van artikel 2.7.1.0.5 VCF is bijgevolg niet voldaan.[21]
3.5 Geen toepassing van artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF
59. Artikel 2.7.3.4.1 VCF luidt als volgt:
Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard:
1° de schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan. Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;
[…]
60. Artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF sluit verrekenschulden uit van het passief van de nalatenschap indien zij voortkomen uit de vereffening van een huwelijksvermogensstelsel.
61. Het voorgenomen toekenningsbeding doet echter geen schuld ontstaan, maar verleent aan de langstlevende echtgenoot een rechtstreekse en zakenrechtelijke aanspraak op de eigen goederen van de eerststervende, ongeacht of dit afhankelijk is van het lichten van de optie.
62. Artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF is daarom niet van toepassing.
3.6 Geen toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF
63. Artikel 2.8.1.0.1 VCF luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.
64. Schenkbelasting wordt enkel geheven wanneer een akte of geschrift het bewijs levert van een schenking onder de levenden.
65. Het optioneel toekenningsbeding kwalificeert burgerrechtelijk als een huwelijksvoordeel ten bezwarende titel, en niet als schenking, zelfs indien het uitwerking krijgt bij echtscheiding.
66. Artikel 2.8.1.0.1 VCF is derhalve niet van toepassing.
3.7 Geen toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF in samenlezing met voormelde wetsartikelen
67. Artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
68. Fiscaal misbruik vereist zowel een objectief als subjectief element. Het objectief element houdt in dat de belastingplichtige zich door de verrichting in een toestand plaatst die in strijd is met de doelstelling van de wetgever. Het subjectief element vereist dat het wezenlijke doel van de verrichting het bekomen van een belastingvoordeel is.
69. Het bewijs van het objectieve element rust op de administratie. Zij moet aantonen welke doelstelling de betrokken bepaling nastreeft en hoe deze zou worden gefrustreerd. De belastingplichtige kan dan het tegenbewijs leveren door aan te tonen dat niet-fiscale motieven ten gronde liggen aan de door hem gestelde verrichting.
70. Zelfs indien het besluitvormingsorgaan zou oordelen dat aan het objectief element is voldaan, beschikken de aanvragers over voldoende niet-fiscale motieven zoals blijkt uit de aanvraag.
In het bijzonder wijzen de aanvragers erop dat het toekenningsbeding betrekking heeft op goederen die reeds eigen zijn (en blijven) en dus los staat van de wijziging van het stelsel. Zij konden immers binnen het wettelijk stelsel reeds een toekenningsbeding met betrekking tot de eigen goederen sluiten (zie rn. 29). Er is dan ook geen sprake van “een geheel van rechtshandelingen” in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF. Afzonderlijk beschouwd kunnen het toekenningsbeding en de wijziging van stelsel geen misbruik uitmaken.
Het stelsel van scheiding van goederen sluit beter aan bij de doelstellingen van de aanvragers, zoals uiteengezet in randnummers 19 e.v. (autonoom beheer van de aandelen en eventuele opbrengsten van de aandelen, schuldeiserbescherming, vergoedingsregeling,…).
De opname van het toekenningsbeding past binnen de ruime autonomie die partijen tijdens het huwelijk nastreven, zonder dat dit enige vorm van solidariteit bij de beëindiging ervan uitsluit. Het beding waarborgt bovendien dat beide echtgenoten finaal kunnen delen in elkaars professionele inkomsten zonder nood aan een complexe verrekening, zoals thans het geval zou kunnen zijn op grond van artikel 2.3.44, lid 3 BW (zie rn. 26.10).
Alternatieve planningsinstrumenten bieden evenmin het gewenste resultaat, gelet op de jonge leeftijd van A en de illiquide aard van de aandelen in het licht van de huidige lock-up periode (zie rn. 41 e.v.).
Bovendien heeft het toekenningsbeding ook beperkte uitwerking bij echtscheiding waaruit blijkt dat de aanvragers niet louter erfbelasting wensen te vermijden.
71. De aanvragers zijn van oordeel dat zij zichzelf met de beoogde verrichting niet buiten het toepassingsgebied van voormelde wetsartikelen plaatsen in strijd met de doelstelling van de wetgever zodat ook niet aan het objectief element wordt voldaan.
71.1. Art. 2.7.1.0.2 VCF – Door het toekenningsbeding in hun huwelijksovereenkomst op te nemen, plaatsen de aanvragers zich niet buiten het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.2 VCF. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk een andere behandeling willen voorzien voor verkrijgingen op grond van het erfrecht (met inbegrip van testamenten en contractuele erfstellingen) enerzijds en verkrijgingen op een andere rechtsgrond anderzijds, behoudens de toepassing van de fictiebepalingen. Hij had ervoor kunnen opteren om erfbelasting te heffen op al wat de erflater nalaat, met inbegrip van vruchtgebruik, lijfrenten, tijdelijke winstaandelen enz., of op al wat naar aanleiding van het overlijden overgaat, maar hij heeft er bewust voor gekozen dat niet te doen. [22]
Dit werd recent nogmaals bevestigd door de decreetgever bij de invoering van artikel 2.7.1.0.2, tweede lid VCF, dat het wettelijk opvolgend vruchtgebruik, in tegenstelling tot de terugval, aan erfbelasting onderwerpt.[23] Twee bedingen die economisch eenzelfde effect hebben, worden bewust verschillend behandeld naargelang de rechtsgrond van de verkrijging.
Bovendien heeft de wetgever voor huwelijksvoordelen specifieke fictiebepalingen uitgewerkt (art. 2.7.1.0.4 en art. 2.7.3.4.1, lid 1, 1°), die in casu niet van toepassing zijn.
71.2. Art. 2.7.1.0.3, 3° VCF – Bij decreet van 9 december 2003 werden, voor wat het Vlaamse Gewest betreft, verlaagde tarieven van 3% en 7% ingevoerd voor het registratierecht op schenkingen onder de levenden van roerende goederen. Doel daarvan was een fiscale hinderpaal weg te nemen die de intergenerationele overdracht van roerende vermogens tijdens het leven bemoeilijkte. Om te vermijden dat belastingplichtigen via schenkingen onder opschortende voorwaarde, in strijd met deze doelstelling, toch van het verlaagde tarief zouden kunnen genieten, heeft de decreetgever beslist om een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde fiscaalrechtelijk gelijk te stellen met een legaat (toenmalig nieuw lid 3° bij artikel 4 W. Succ. Vl.).[24]
Door het toekenningsbeding in hun huwelijksovereenkomst op te nemen, beogen de aanvragers echter geenszins gebruik te maken van het verlaagde tarief van 3% in de schenkbelasting. Een dergelijk beding is burgerrechtelijk een niet-schenking en valt dus niet onder de schenkbelasting. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF wordt daardoor niet gefrustreerd.
71.3. Art. 2.7.1.0.4 VCF - Met artikel 7 van de wet van 17 december 1851, het latere artikel 5 W. Succ. (huidig artikel 2.7.1.0.4 VCF), heeft de wetgever een fiscale fictie ingevoerd om de situatie te belasten waarin de langstlevende echtgenoot, ingevolge een niet aan schenkingsregels onderworpen huwelijksovereenkomst, meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt. De bedoeling was de ongelijkheid weg te werken tussen (i) de langstlevende in een gemeenschapsstelsel die door verblijving van de gemeenschap onbelast een reëel voordeel genoot, en (ii) de langstlevende in een stelsel van scheiding van goederen die voor een gelijkaardig voordeel wél belast werd.[25]
Het hier voorgenomen toekenningsbeding heeft evenwel betrekking op eigen goederen zodat het op gelijke wijze geldt binnen gemeenschapsstelsels als stelsels van scheiding van goederen. Van enige ongelijke behandeling in strijd met de doelstelling van de wetgever is dan ook geen sprake.
71.4. Art. 2.7.1.0.5 VCF – Met artikel 3 van de wet van 11 oktober 1919, het latere artikel 7 W. Succ. (thans artikel 2.7.1.0.5 VCF), heeft de wetgever een fiscale fictie ingevoerd volgens dewelke goederen waarover de erflater kosteloos heeft beschikt gedurende de drie (thans vijf) jaren vóór zijn overlijden, geacht worden deel uit te maken van zijn nalatenschap voor de heffing van de erfbelasting, tenzij de bevoordeling aan de schenkbelasting werd onderworpen.
De ratio daarvan was te vermijden dat niet-geregistreerde schenkingen definitief onbelast bleven, terwijl gelijkaardige verkrijgingen om niet via geregistreerde schenking en testament wel belast werden:
"Disposez de vos biens par donation entre vifs: mais j'exige, pour lors que la donation soit constatée par acte et que cet acte soit soumis à la formalité de l'enregistrement, sinon les valeurs données seront censées exister dans votre patrimoine pour la perception des droits de succession."[26]
De wetgever milderde dit principe enigszins door enkel de schenkingen van de afgelopen drie (thans vijf) jaar in aanmerking te nemen:
"La disposition proposée se justifie donc à tous les -points de vue; par modération, l'application en est limitée aux Iiberalités faites dans les trois années précédant le décès, à l'exemple de la loi anglaise du 29 avril 1910."[27]
Het door de aanvragers beoogde toekenningsbeding kan deze doelstelling niet frustreren, aangezien het geen kosteloze beschikking vormt en dus nooit aan de schenkbelasting kan worden onderworpen. De bedoeling van de wetgever om niet-geregistreerde en bijgevolg onbelaste schenkingen aan erfbelasting te onderwerpen, wordt hierdoor niet gefrustreerd. Bovendien heeft de wetgever specifieke fictiebepalingen uitgewerkt voor huwelijksvoordelen (artikelen 2.7.1.0.4 en 2.7.3.4.1, lid 1, 1° VCF), die in casu niet van toepassing zijn.
71.5. Artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF- Het voorgenomen toekenningsbeding frustreert de doelstelling van deze bepaling niet, omdat het geen schuld doet ontstaan die verband houdt met de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel.
71.6. Artikel 2.8.1.0.1 VCF – Niet van toepassing, omdat er geen akte is die een schenking onder levenden bewijst (zie hiervoor).
72. Meer algemeen heeft de decreetgever geen uniforme fiscale behandeling voorzien voor huwelijksvoordelen zodat het onduidelijk is wat diens doelstelling is.
Huwelijksvoordelen die voortvloeien uit een gemeenschapsstelsel worden slechts belast voor zover zij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen betreffen, terwijl een finaal verrekenbeding volledig wordt belast, zelfs wanneer beide voordelen economisch dezelfde aanwinsten betreffen.
Duurtijd van de beslissing
73. Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF bepaalt dat behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt, de beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar.
74. De aanvraag heeft betrekking op de uitwerking van het optioneel toekenningsbeding bij ontbinding van het stelsel door overlijden of echtscheiding, zodat gerechtvaardigd is de geldigheidsduur van de voorafgaande beslissing te laten samenvallen met de duurtijd van het huwelijk.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
75. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.
76. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.
77. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.2, lid 1 VCF, dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, dat luidt als volgt:
Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard:
1° de schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan. Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;
2° de begrafeniskosten.
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De te beoordelen verrichting
78. Volgende verrichtingen worden voorgelegd, die verwezenlijkt worden via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:
De echtgenoten X–Y zijn gehuwd op xx.xx.2021 bij gebrek aan huwelijksovereenkomst onder het wettelijk stelsel.
De aanvragers wensen hun huwelijksstelsel te wijzigen naar een stelsel van scheiding van goederen. Gelijktijdig willen de aanvragers een wederzijds optioneel toekenningsbeding opnemen met betrekking tot bepaalde eigen goederen. Het toekenningsbeding strekt in hoofdzaak tot een regeling bij de ontbinding van het huwelijk door overlijden maar kent ook een beperkte uitwerking in geval van ontbinding door echtscheiding. In het ontwerp van de clausule is voorzien in zaakvervanging en in een passiefregeling.
Het eigen vermogen van de heer X bestaat op heden hoofdzakelijk uit […] aandelen ([…]) van de BV B en […] aandelen ([…]) van de NV C. Via B houdt de heer X bijkomend […] van de aandelen van C aan.
Het eigen vermogen van mevrouw Y bestaat op heden hoofdzakelijk uit […] aandelen ([…]) van D.
Het gemeenschappelijk vermogen van de aanvragers bestaat op heden hoofdzakelijk uit 2% van de gezinswoning te […], de inboedel van de gezinswoning en een spaarrekening bij […].
De aandelen C vormen het belangrijkste vermogensbestanddeel met een geschatte totale waarde van ongeveer […] euro (directe en indirecte participaties via B).
De aanvragers huwden destijds onder het wettelijk stelsel, omdat er volgens de aanvraag weinig verschil was met een scheiding van goederen. De vennootschappen werden opgericht voor het huwelijk zodat de meerwaarden op de aandelen eigen blijven. Bovendien werden inkomsten op het niveau van de vennootschappen bedrijfsmatig geïnvesteerd zodat er nauwelijks gemeenschappelijke inkomsten zijn. Recente ontwikkelingen brengen de aanvragers ertoe alsnog te opteren voor een stelsel van scheiding van goederen.
De huidige regeling van de aanvragers voorziet niet in een begunstiging van de langstlevende echtgenoot bij overlijden. De aanvragers wensen in de nieuwe regeling dat bij overlijden van één van hen, de aandelen die thans eigen zijn van elk van de echtgenoten, aan de langstlevende van hen toekomen. Dit onder meer om te vermijden dat hun minderjarige zoon reeds een aanzienlijk vermogen erft. Zij wensen daarom een wederzijds optioneel toekenningsbeding op te nemen waardoor, bij overlijden, de aandelen in B en C respectievelijk de aandelen in D aan de langstlevende worden toebedeeld op grond van het huwelijksvermogensstelsel. In het geval van echtscheiding krijgt het toekenningsbeding slechts beperkt uitwerking.
Beoordeling
1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF en 2.8.1.0.1 VCF
79. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.
80. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.
Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldig huwelijksvoordeel dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben.
In de mate bijgevolg dat het voorgenomen toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.
81. In de mate dat het toekenningsbeding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichtingen.
1.1 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2. VCF?
82. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.
83. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?
84. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
85. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
1.3 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?
86. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen, onder erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
Het optioneel toekenningsbeding heeft volgens de aanvragers geen betrekking op enige gemeenschap.
87. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
1.4 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?
88. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
89. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
1.5 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF?
90. Artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, VCF bepaalt welke schulden aanvaardbaar zijn als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner. Ingevolge de tweede volzin van dit artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, VCF zijn schulden die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel niet aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap.
De aanvragers geven aan dat het voorgenomen toekenningsbeding geen schuld doet ontstaan, maar aan de langstlevende echtgenoot een rechtstreekse en zakenrechtelijke aanspraak verleent op de eigen goederen van de eerststervende die het voorwerp van het toekenningsbeding uitmaken, ongeacht of dit afhankelijk is van het lichten van de optie.
91. Zoals hiervoor reeds gemeld wordt, merkt het besluitvormingsorgaan op dat er in de rechtsleer verschillende stromingen bestaan voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen. Het besluitvormingsorgaan spreekt zich evenwel niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding.
Uit de motivering van de aanvraag blijkt dat aanvrager de analyse in de rechtsleer volgt, die het (optioneel) toekenningsbeding kwalificeert als een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking in een stelsel van scheiding van goederen.
In de mate dat deze burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking correct is, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Dit heeft als gevolg dat door het optioneel toekenningsbeding geen schuld gecreëerd wordt, zodat bij de toekenning ten gevolge van het nieuw toe te voegen beding geen toepassing zal worden gemaakt van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF.
1.6. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF?
92. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
93. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 VCF.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
a) Algemeen
94. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.
95. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.
96. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.
Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).
97. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.
b) In casu
98. Uit de gegevens in de aanvraag blijkt dat de aanvragers gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijksovereenkomst, en dit sinds […].
De aanvragers hebben één minderjarig kind.
Het eigen vermogen van de heer X bestaat hoofdzakelijk uit vennootschapsaandelen in de BV B en in de NV C. Via B houdt de heer X ook bijkomende aandelen in C aan.
Het eigen vermogen van mevrouw Y bestaat hoofdzakelijk eveneens uit vennootschapsaandelen.
Het gemeenschappelijk vermogen van de aanvragers bestaat hoofdzakelijk uit 2% van de gezinswoning te […], de inboedel van de gezinswoning en een spaarrekening bij […].
Volgens de aanvragers vormen de aandelen C het belangrijkste vermogensbestanddeel van het echtpaar X-Y, met een geschatte totale waarde van ongeveer […] euro (directe en indirecte participaties via B).
Zij wensen hun huwelijksstelsel te wijzigingen naar een scheiding van goederen.
De aanvragers huwden destijds onder het wettelijk stelsel, volgens de aanvraag omdat er in de praktijk weinig verschil was met een stelsel van scheiding van goederen. De vennootschappen werden immers reeds opgericht voor het huwelijk zodat de meerwaarden op aandelen eigen blijven. Bovendien werden inkomsten op het niveau van de vennootschappen bedrijfsmatig geïnvesteerd en niet uitgekeerd zodat er volgens de aanvragers nauwelijks gemeenschappelijke inkomsten zijn.
Recente ontwikkelingen brengen de aanvragers ertoe alsnog te opteren voor een stelsel van scheiding van goederen. De aanvragers halen verscheidene niet-fiscale motieven aan voor de wijziging van huwelijksstelsel.
C kende de voorbije jaren een sterke groei, waardoor het eigen vermogen van de heer X substantieel is toegenomen. Na afloop van de huidige lock-up periode is een gedeeltelijke realisatie van de aandelen van C waarschijnlijk. Door de huidige structuur zal een verkoop van C eerder op niveau van D gebeuren zodat de gerealiseerde meerwaarden finaal als dividend via B zullen worden uitgekeerd aan de heer X. In het huidige stelsel valt dit dividend in de gemeenschap, hetgeen niet overeenstemt met de bedoeling van het echtpaar om de heer X vrij te laten beschikken over de verkoopprijs van zijn onderneming. Een eventuele meerwaarde die mevrouw Y zou realiseren op aandelen D zou daarentegen wel eigen zijn.
Bovendien heeft volgens de aanvraag ook de bestuursregeling binnen het wettelijk stelsel ongewenste gevolgen.
Daarnaast achten de aanvragers het in de huidige situatie niet langer wenselijk dat schuldeisers in bepaalde gevallen verhaal kunnen halen op zowel het eigen als gemeenschappelijk vermogen.
Alternatieven binnen het wettelijk stelsel, zoals de toevoeging van een clausule waarbij inkomsten uit eigen goederen eigen blijven, zijn niet afdoende aldus de aanvragers.
De huidige regeling van de aanvragers voorziet niet in een begunstiging van de langstlevende echtgenoot bij overlijden. De aanvragers wensen dat bij overlijden van één van hen de aandelen aan de langstlevende toekomen. Zij wensen daarom een wederzijds optioneel toekenningsbeding op te nemen waardoor, bij overlijden, de aandelen in B en C respectievelijk de aandelen in D aan de langstlevende echtgenoot worden toebedeeld op grond van het huwelijksvermogensstelsel.
De aanvragers stellen dat de wijziging van het stelsel los staat van de keuze voor het toekenningsbeding. De opname van het toekenningsbeding past binnen de ruime autonomie die partijen tijdens het huwelijk nastreven, zonder dat dit enige vorm van solidariteit bij de beëindiging ervan uitsluit. Alternatieve planningsinstrumenten bieden volgens de aanvragers niet het gewenste resultaat.
99. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
100. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Het ontwerp van toekenningsbeding, zoals bezorgd als bijlage bij de aanvraag, luidt als volgt: […]
[2] Een kopie van de identiteitskaarten van de aanvragers werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[3] Een kopie van de identiteitskaart van de heer A werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[4] Voetnoot van de aanvragers: B zal eerstdaags haar zetel verplaatsen naar […].
[5] Voetnoot van de aanvragers: Deze woning wordt voor het overige aangehouden door B en zal op korte termijn verkocht worden. Het echtpaar ondertekende een wederzijdse aankoop-verkoopbelofte met het oog op de aankoop van een nieuwe woning.
[6] Voetnoot van de aanvragers: Op basis van de slotkoers per 21/11/2025.
[7] Voetnoot van de aanvragers: Voor de volledigheid merken de aanvragers op dat de heer X bij oprichting als niet-statutair bestuurder van D werd benoemd, aangezien mevrouw Y niet beschikte over het vereiste attest van basiskennis bedrijfsbeheer, dat in […] toen nog verplicht was. De heer X oefent in feite geen bestuursbevoegdheid uit. Mevrouw Y bezit alle aandelen en kan de heer X te allen tijde uit zijn functie ontheffen.
[8] Voetnoot van de aanvragers: R. BARBAIX, Handboek familiaal vermogensrecht, Intersentia, 2018, 2de ed., p. 282-283.
[9] Voetnoot van de aanvragers: L. EVERAERT, “Toekenningsbeding: een nieuwe techniek voor successieplanning tussen echtgenoten”, https://www.mijntipsenadvies.be/2023-02/toekenningsbeding-een-nieuwe-techniek-voor-successieplanning-tussen-echtgenoten-VLPPBTAR_EU06060601 B. VERDICKT, “Publicaties Vlabel in de maand augustus 2024”, https://june.estate/publicaties-van-de-vlabel-in-de-maand-augustus-2024.
[10] Voetnoot van de aanvragers: GwH 23 november 2005, 170/2005, B.5.2; Antwerpen 3 januari 2017, 2015/AR/1060, www.monkey.be; Gent 4 februari 2014, 2013/AR/926, www.monkey.be
[11] Voetnoot van de aanvragers: H. CASMAN, Het begrip huwelijksvoordelen, Antwerpen, Kluwer, 1976, nr. 218, 264.
[12] Voetnoot van de aanvragers: GwH 23 november 2005, 170/2005, B.2.3; Antwerpen 16 juni 2015, 2014/AR/465, www.monkey.be.
[13] Voetnoot van de aanvragers: Cass. 24 maart 2017, F.15.0189.N.
[14] Voetnoot van de aanvragers: Cass. 10 december 2010, F.08.0102.N; Antwerpen 16 juni 2015, 2014/AR/243, www.monkey.be en Antwerpen 5 oktober 2004, 2003/AR/2454, www.monkey.be.
[15] Voetnoot van de aanvragers: F. BUYSSENS, “Scheiding van goederen: een middel tot fiscale onrechtvaardigheid?” in FEDNOT (ed.), Feestbundel naar aanleiding van de honderdste verjaardag van het Comité voor Studie en Wetgeving, die Keure, 2023, 129; H. CASMAN en A.-L. VERBEKE, “Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen”, TEP 2020, afl. 1, 14-78; H. CASMAN en A.-L. VERBEKE, “Bedingen met betrekking tot goederen in exclusieve eigendom in een stelsel van scheiding van goederen: ook een huwelijksvoordeel?”, TEP 2020, afl. 2, 230-241; M. DELBOO en R. DELARUE, “ De huwelijksovereenkomst als instrument van vermogensplanning en bescherming”, VIP 2022, alf. 4, 11; M. VAN MOLLE, “Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil”, in L. BARNICH en M. VAN MOLLE (eds.) LÉvolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023 ,327.
[16] Voetnoot van de aanvragers: H. CASMAN en A.-L. VERBEKE, “Séparation de biens -transfert d’un bien non-indivis au conjoint survivant à titre d’avantage matrimonial – formule mise à jour”, RNB 2024, 806.
[17] Voetnoot van de aanvragers: H. CASMAN en A.-L. VERBEKE, “Séparation de biens -transfert d’un bien non-indivis au conjoint survivant à titre d’avantage matrimonial – formule mise à jour”, RNB 2024, 807. Art. 4.235, lid 3 BW: de vrijheid om te beschikken over een goed of een bepaalde geldsom.
[18] Voetnoot van de aanvragers: Cass. 24 maart 2017, F.16.0067.N en Cass. 24 maart 2017, F.15.0189.N.
[19] Voetnoot van de aanvragers: Cass. 24 maart 2017, F.15.0189.N.
[20] Voetnoot van de aanvragers: Cass.10 december 2010, F.08.0102.N.
[20] Cass. 5 januari 2017, F.15.0164.F.
[21] Voetnoot van de aanvragers: R. DEBLAUWE, Inleiding tot de Successierechten, KnopsPublishing, 2013, p. 33.
[22] Voetnoot van de aanvragers: Ontwerp van decreet tot modernisering van de erf- en schenkbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht van 7 mei 2018, 1584 (2017-2018) – nr. 1, p. 9.
[23] Voetnoot van de aanvragers: Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 2005 van 16 november 2004, 124 (2004-2005) – nr. 1, p.11-12.
[24] Voetnoot van de aanvragers: Zie inzake de doelstelling van de wetgever ook: Voorafgaande beslissing van 8 september 2025, VB 25081, rn. 46.
[25] Voetnoot van de aanvragers: Pasinomie 1919, Tome X (2e volume), p. 55.
[26] Voetnoot van de aanvragers: Pasinomie 1919, Tome X (2e volume), p. 55.