VB 26008 - Wijziging huwelijksovereenkomst - Stelsel scheiding van goederen - schrapping contractuele erfstelling en toevoeging optionele verblijvings- en toekenningsbedingen
- Nummer
26008
- Datum beslissing
4 mei 2026
- Publicatiedatum
11 juni 2026
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3, 3° VCF
- art. 2.7.1.0.4. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat in de wijzigende huwelijksovereenkomst houdende scheiding van goederen die de Aanvragers (zoals hierna gedefinieerd) onder elkaar wensen af te sluiten:
- Het toe te voegen artikel zeven A “verblijvingsbeding van onverdeelde goederen in geval van overlijden”- geen aanleiding zal geven tot:
- Het heffen van erfbelasting in geval van overlijden van de eerstervende van de Aanvragers, op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.0.4 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF; en
- Het heffen van schenkbelasting in geval van registratie van voornoemde wijzigende huwelijksovereenkomst, op grond van de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF; en
- Fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
- Het toe te voegen artikel zeven B “Toekenningsbeding van eigen goederen in geval van overlijden”- geen aanleiding zal geven tot:
- Het heffen van erfbelasting in geval van overlijden van de eerstervende van de Aanvragers, op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.0.4 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF; en
- Het heffen van schenkbelasting in geval van registratie van voornoemde wijzigende huwelijksovereenkomst, op grond van de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF; en
- Fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
De Aanvragers verzoeken uitdrukkelijk dat de voorafgaande beslissing die ter zake zal worden genomen een geldigheidsduur zal hebben tot het overlijden van de eerststervende van hen.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
2. De aanvraag wordt ingediend door Meester […], advocaat te […], namens:
1) De heer X, geboren te […] op xx.xx.1959, met rijksregisternummer […] en zijn echtgenote:
2) Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1957, met rijksregisternummer […]
Samenwonende te […];
Hierna samen genoemd de “Aanvragers”.
De echtgenoten X-Y zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […] op xx.xx.1982 onder het stelsel van scheiding van goederen bij huwelijksovereenkomst verleden op xx.xx.1982 voor meester […], notaris met standplaats te […], sedertdien niet gewijzigd.
De echtgenoten X-Y hebben geen kinderen.
De Aanvragers zijn sinds meer dan vijf jaar voor heden inwoners van het Vlaams Gewest.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
3. De vermogensrechtelijke situatie van de Aanvragers ziet er als volgt uit:
De goederen die de Aanvragers op heden in onverdeeldheid bezitten, zijn:
- De gezinswoning gelegen te […];
- Een bouwgrond
- Een appartement aan zee
Mogelijks zullen de Aanvragers ook in de toekomst andere onroerende of roerende goederen in onverdeeldheid verwerven.
Daarnaast heeft elke echtgenoot ook goederen die niet in onverdeeldheid zijn met de andere echtgenoot.
De heer X houdt volgende eigen goederen in volle eigendom aan:
- Roerende goederen met een totale geraamde waarde van achthonderdtwintigduizend euro (€ 820.000,00), waarvan ongeveer vierhonderdvijfenzestigduizend euro (€ 465.000,00) op spaar- en termijnrekeningen en ongeveer driehonderdvijfenvijftigduizend euro (€ 355.000,00) aan beleggingen alsook verzekeringsproducten van het type tak21 en tak 23
Mevrouw Y houdt volgende eigen goederen in volle eigendom aan:
- Roerende goederen met een geraamde waarde van vijfhonderdtachtigduizend euro (€ 580.000,00), waarvan ongeveer vierhonderdentienduizend euro (€ 410.000,00) op spaar- en termijnrekeningen en ongeveer honderdzeventigduizend euro (€ 170.000,00) aan beleggingen en verzekeringsproducten van het type tak 21 en tak 23.
Wellicht zal elke echtgenoot ook in de toekomst nog andere roerende of onroerende verwerven die zullen behoren tot hun respectieve eigen vermogen en aldus niet in onverdeeldheid zijn met de andere echtgenoot.
Sluiten van een wijzigende huwelijksovereenkomst met verblijvingsbeding en toekenningsbeding (niet optioneel)
4. De Aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden voor meester […], notaris met standplaats te […] op xx.xx.1982. In dit huwelijkscontract werd destijds een gifte tussen echtgenoten opgenomen.[1] Deze gifte slaat evenwel niet op het gehele vermogen in volle eigendom, maar is beperkt tot een gift in vruchtgebruik aan de langstlevende voor alle onroerende goederen die door de eerststervende zijn verkregen ingevolge een gifte, erfenis of testamentaire beschikking, met uitzondering van de gezinswoning.[2]
Langs de zijde van mevrouw Y is actueel de moeder van mevrouw Y nog in leven en zal zij nog onroerend goed geschonken krijgen, dan wel vererven. De voormelde beperking zal hier dan ook in elk geval op van toepassing zijn, hetgeen niet langer overeenstemt met de wens van de Aanvragers.
De Aanvragers wensen in het licht van bovenstaande dit artikel zeven in hun oorspronkelijke huwelijksovereenkomst te schrappen en te vervangen door een verblijvingsbeding met betrekking tot de goederen die in onverdeeldheid aan de Aanvragers toebehoren en anderzijds een toekenningsbeding voor de eigen goederen van de Aanvragers.
De Aanvragers willen met het verblijvingsbeding de onverdeelde onroerende goederen aan de langstlevende toebedelen. Hierdoor zullen al deze onverdeelde goederen bij overlijden van één van hen – in volle en exclusieve eigendom aan de langstlevende echtgenoot toebehoren, overeenkomstig de bepalingen opgenomen in artikel zeven A van het ontwerp van de wijzigingsakte huwelijksovereenkomst.
Op dezelfde manier willen de Aanvragers daarnaast de voornoemde niet onverdeelde roerende goederen en onroerende goederen, die exclusief eigendom zijn van de respectieve Aanvragers, onderwerpen aan een toekenningsbeding in het voordeel van de langstlevende echtgenoot, zoals opgenomen in artikel zeven B van het ontwerp van de wijzigingsakte huwelijksovereenkomst.
Doel van de verrichting
5. De Aanvragers zijn destijds gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen.
Deze keuze weerspiegelt de wens van de Aanvragers en het belang dat ze hechten aan financiële autonomie, hetgeen van meet af aan hun wens was en hetgeen ze zeker alzo willen behouden.
Elk van de echtgenoten wenst de volledige controle te behouden over zijn eigen inkomsten, eigendommen en investeringen. Dit blijft het kernmotief voor het behoud van een stelsel van scheiding van goederen.
Ook in het onverhoopte geval van een echtscheiding willen de Aanvragers, zonder (al te veel) ruimte voor discussie hun respectieve vermogens kunnen behouden.
De Aanvragers hebben evenwel elk nog wettelijke erfgenamen. De heer X heeft nog een broer en een zoon, met deze zoon is er geen contact.[3] Mevrouw Y’s moeder is, zoals aangegeven, nog in leven, alsook heeft zij nog een broer die ook nog een zoon heeft.
In afwezigheid van afstammelingen zijn de wettelijke erfgenamen in de eerste plaats de ouders, broers en zussen van de overledene. Indien er geen passende regeling wordt getroffen, kan de langstlevende verplicht worden om het vermogen te delen met schoonfamilie, wat tot conflicten kan leiden of minstens kan de langstlevende met schoonfamilie, blote eigenaars, geconfronteerd worden.
Door de werking van het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding wordt de langstlevende integraal en maximaal beschermd. De onmiddellijke eigendomsoverdracht via deze bedingen zorgt ervoor dat de langstlevende echtgenoot op geen enkele wijze enige onderhandelingen zou moeten voeren met de familie van de overledene, wat emotionele en financiële spanningen minimaliseert.
Aanvragers hebben geen kinderen en wensen door de toevoeging van deze bedingen elkaar dan ook maximaal te bevoordelen ingeval één van beiden zou komen te overlijden en dit met de bedoeling te garanderen dat de levensstandaard van de langstlevende kan aangehouden worden. Deze maximale bevoordeling blijkt ook uit het feit dat de voorgestelde bedingen ook niet optioneel worden opgenomen.
Middels de opname van het verblijvingsbeding en toekenningsbeding in de wijzigende huwelijksovereenkomst van Aanvragers, wensen de Aanvragers de langstlevende van hen verzorgd achter te laten. Door voornoemde bedingen in hun wijzigende huwelijksovereenkomst op te nemen, voorzien Aanvragers een niet-eenzijdig herroepbare regeling indien hun huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van één van de Aanvragers. Deze regeling is volgens Aanvragers noodzakelijk teneinde invulling te geven aan hun verzorging- en beschermingswensen jegens elkaar.
De verzorgingsgedachte jegens elkaar kan evenwel op diverse burgerrechtelijke manieren worden geboden, maar er is geen enkele andere burgerrechtelijke regeling of beding gepast om de intenties en de bedoelingen van de Aanvragers integraal te bewerkstelligen.
Noch door contractuele erfstelling, noch door wettelijke devolutie, noch door een testament en evenmin door een schenking. Gelet op het gegeven dat het eigen vermogen van de Aanvrager, de heer X, op heden, aanzienlijk groter is dan dat van mevrouw Y kunnen de gewenste doelstellingen evenmin via een beding van aanwas worden bewerkstelligd, aangezien er geen gelijkwaardige inleg mogelijk is van beide partijen.
Een testament of een contractuele erfstelling (buiten huwelijksovereenkomst) biedt minder waarborgen, gezien deze eenzijdig herroepen kunnen worden. Hetzelfde geldt voor schenkingen tussen echtgenoten gedaan buiten huwelijksovereenkomsten om, dewelke ten alle tijde herroepbaar zijn door de schenker. De Aanvragers kiezen bewust voor een wederzijds contact dat hen in principe beiden bindt. Dit zorgt voor een rustgevend vooruitzicht, de Aanvragers wensen elkaar de nodige zekerheid en gemoedsrust te geven over de onherroepelijkheid.
Ook de inbreng van het eigen vermogen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen is niet wenselijk. In hoofdzaak de bestuursregeling strookt niet met de bekommernissen van de echtgenoten. Zij willen zoals aangegeven, tijdens het huwelijk op de meest volstrekte wijze hun eigen goederen, alsook ook de voorhuwelijkse goederen integraal in hun eigen vermogen behouden en hier maximale autonomie over bewaren.
Het toekenningsbeding vervat in artikel zeven B van het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst laat de Aanvragers toe de goederen, die er het voorwerp van uitmaken, tijdens het huwelijk zelfstandig kunnen blijven besturen. De echtgenoten blijven met andere woorden ten aanzien van deze goederen volledige beschikkingsbevoegd behouden en ook schuldeisers kunnen hen op die goederen slechts aanspreken ter betaling van de schulden waartoe elk van hen gehouden is.
Voormelde voorafgaandelijke civielrechtelijke motieven zijn dan ook voor de echtgenoten doorslaggevend. Het is voor de Aanvragers belangrijk dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding niet eenzijdig door één van hen kan worden herroepen en zakelijke werking heeft.
Het verblijvings- en toekenningsbeding biedt dan ook een solide bescherming voor de langstlevende echtgenoot. Het stelt de langstlevende in staat om bij het overlijden van de eerste echtgenoot van rechtswege en onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom, eigenaar te worden van de onverdeelde/eigen goederen.
Aanvragers wensen een uniforme regeling voor al hun goederen en de huidige formulering van hun huwelijkscontract zal, rekening houdende met de wensen van partijen en hetgeen hier bovenstaand is toegelicht, hiertoe niet volstaan.
Nu het sedert 1 september 2018 mogelijk is om binnen het stelsel van scheiding van goederen zakenrechtelijke huwelijksvoordelen aan de langstlevende van hen toe te kennen, wensen ze daar ook gebruik van te maken ter vervanging van de geschrapte actuele beperktere regeling bij overlijden, zijnde de contractuele erfstelling.
De ontwerptekst van de wijzigende huwelijksovereenkomst met de artikelen zeven A en B wordt als bijlage bij deze aanvraag gevoegd.[4]
III. Motivering van de aanvraag
6. Aanvragers verzoeken met betrekking tot de artikelen zeven A en B van de wijzigende huwelijksovereenkomst bevestiging te krijgen dat het voordeel dat de langstlevende van de Aanvragers zal verkrijgen door de toepassing van het verblijvingsbeding, respectievelijk toekenningsbeding, niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen.
I.A. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 2.7.1.0.2. VCF
“De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.”
Toepassing in concreto
7. Het voordeel dat de langstlevende van de Aanvragers ingevolge voormelde artikelen zeven A en B van de wijzigende huwelijksovereenkomst zal verkrijgen, wordt niet uit de nalatenschap van de eerststervende van de Aanvragers verkregen, maar louter huwelijksvermogensrechtelijk als een huwelijksvoordeel in toepassing van het huwelijksvermogensrecht.
Een huwelijksvoordeel wordt burgerrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. Dergelijk voordeel wordt erkend in het Belgisch huwelijksvermogensrecht. De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen, onder meer in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW en heeft ook hun toepassing naar analogie in het stelsel van scheiding van goederen expliciet bevestigd, overeenkomstig artikel. 2.3.64 § 1, vierde lid BW.
De vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds de vereffening en verdeling van de nalatenschap vooraf. Derhalve kan een verkrijging op basis van het huwelijksvermogensrecht nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn [5].
Er is in casu geenszins sprake van een schenking. Een huwelijksvoordeel is overigens civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling, ongeacht de concrete beweegreden om een huwelijksvoordeel in de huwelijksovereenkomst op te nemen [6]. Een huwelijksvoordeel wordt gekwalificeerd als een niet-schenking. Deze kwalificatie is objectief en derhalve ongeacht de intenties en bedoelingen van de Aanvragers. Een intentie om te begiftigen (zgn. ‘animus donandi’) kan dergelijke kwalificatie als niet-schenking niet wijzigen. Het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen mag zelfs niet geleverd worden [7].
De kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking is absoluut; ze kent geen uitzonderingen. Hoogstens kan een huwelijksvoordeel inkortbaar zijn, indien het de maxima of plafonds overschrijdt zoals in artikel 2.3.57 BW wordt vermeld (hetgeen in casu in afwezigheid van kinderen niet het geval zal zijn). Evenwel blijft zelfs in dat geval een inkortbaar huwelijksvoordeel nog steeds een niet-schenking [8].
Bovendien willen de Aanvragers benadrukken dat zij een niet-eenzijdige herroepbare regeling wensen te voorzien ten voordele van de langstlevende echtgenoot die moet toelaten de langstlevende echtgenoot verzorgd achter te laten en mogelijke geschillen met enige andere erfgenamen uit te sluiten. De Aanvragers achten dergelijke regeling noodzakelijk teneinde invulling te geven aan hun verzorgings- en beschermingswensen jegens elkaar. Deze regeling is derhalve ten bezwarende titel.
Aanvragers zijn in casu getrouwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Bovenvermelde kwalificatie werkt ook in een stelsel van scheiding van goederen. De wettelijke grondslag daartoe is artikel 2.3.64 § 1, in fine BW. Dit betekent dat indien uit de samenstelling, werking, vereffening, verdeling of verrekening van het stelsel van scheiding van goederen zoals in een huwelijksovereenkomst is uitgewerkt, voor één van de echtgenoten een voordeel kan ontstaan, dat dit voordeel een huwelijksvoordeel zal zijn.
De civielrechtelijke kwalificatie werkt ook door in het fiscaal recht. Dit is vaststaande rechtsleer en rechtspraak. Het fiscaal recht moet derhalve de kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus niet-schenking aanvaarden, tenzij een specifieke en uitdrukkelijke bepaling van fiscaal recht daar zou van afwijken.
De overgang en toebedeling op grond van het vooropgestelde verblijvingsbeding, respectievelijk toekenningsbeding zoals voorzien in de artikelen zeven A en B van de wijzigende huwelijksovereenkomst kunnen dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
I.B. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”;
Toepassing in concreto
8. Zoals hierboven reeds werd toegelicht, kwalificeren artikelen zeven A en B als een huwelijksvoordeel, waarop artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet kan worden toegepast.
Hoewel het beding pas uitwerking zal hebben bij het overlijden van de eerststervende van de Aanvragers, is er in casu geen sprake van een schenking, gezien het om een huwelijksvoordeel gaat. De burgerrechtelijke kwalificatie dient kortom te worden doorgetrokken op fiscaal vlak.
De overgang en toebedeling op grond van het in de artikelen zeven A en B van de wijzigende huwelijksovereenkomst voorziene verblijvingsbeding, respectievelijk toekenningsbeding kan dan ook niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
I.C. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 2.7.1.0.4 VCF
“De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.”
Toepassing in concreto
9. De Aanvragers zijn gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen, zonder toegevoegde of beperkte gemeenschap en wensen, zoals omstandig toegelicht, dit stelsel te behouden. Artikel 2.7.1.0.4 VCF daarentegen beperkt zich tot situaties waarin er sprake is van een stelsel met een gemeenschap. Zowel het verblijvingsbeding als het toekenningsbeding hebben geen betrekking op gemeenschapsgoederen.
Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de toebedeling, overgang of toekenning op grond van de artikelen zeven A en B van de wijzigende huwelijksovereenkomst.
I.D. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 2.7.1.0.5. VCF
“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”
Toepassing in concreto
10. In het kader van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie (3) cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:
(1) Een kosteloze beschikking
Zoals hierboven reeds wordt toegelicht onder III.A.2, verstrekt een verblijvingsbeding en toekenningsbeding geen kosteloze beschikking.
(2) Gedurende vijf (5) jaar voorafgaand aan het overlijden
Pas bij ontbinding van het huwelijksstelsel kan worden beoordeeld of deze verblijving/toebedeling een huwelijksvoordeel oplevert of niet.
Mocht het huwelijksvoordeel dan als een kosteloze beschikking worden beschouwd, quod non, kan er hoe dan ook geen sprake zijn van een beschikking die tot stand is gekomen in enige periode vóór het overlijden, gezien het eventuele voordeel slechts ontstaat bij zijn/haar overlijden.
Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een schenking in een periode van vijf (5) jaar voorafgaand aan het overlijden.
(3) Waardoor een bevoordeling is ontstaan die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen
Aangezien er geen sprake is van een kosteloze beschikking en er bijgevolg geen sprake is van een bevoordeling in de zin zoals bedoeld in artikel 2.7.1.0.5 VCF, kan er geen aanleiding zijn tot de heffing van schenkbelasting of enig registratierecht.
Gelet op al het voorgaande, is artikel 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing op de overgang, toebedeling of toekenning op grond van het verblijvings- en toekenningsbeding in de artikelen zeven A en B van de wijzigende huwelijksovereenkomst.
I.E. Geen beding van aanwas in de zin van het SP 17044
11. De uitwerking van het verblijvingsbeding en toekenningsbeding verleent een huwelijksvoordeel, dat beheerst wordt door de specifieke regels van het huwelijksvermogensrecht. Huwelijksvoordelen zijn met het huwelijksstelsel verweven en maken daar integraal deel van uit.
Een beding van aanwas is een kanscontract dat ook tussen niet-gehuwden kan worden gesloten. Wordt het door gehuwden gesloten, dan staat het los van hun huwelijksstelsel en wordt het niet in een huwelijksovereenkomst opgenomen.
Het door de Aanvragers opgenomen verblijvingsbeding en toekenningsbeding kwalificeert niet als een aanwascontract en is bijgevolg niet onderworpen aan de voorwaarden van het Standpunt 17044.
I.F. Geen toepassing van artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 2.8.1.0.1. VCF
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”
Artikel 2.8.4.1.1 VCF
“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.
In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het eerste lid, 10°, of het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.”
Toepassing in concreto
12. Gezien er in casu louter sprake is van huwelijksvoordelen, is er dus in casu geen sprake van een schenking, zoals eerder gesteld in punt III.A.2, en zijn evenmin de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF van toepassing.
I.G. Geen fiscaal misbruik
Toepasselijke wetsbepaling
Artikel 3.17.0.0.2 VCF
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
Toepassing in concreto
13. De algemene antimisbruikbepaling kan slechts worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het wetboek, de simulatieleer en de specifieke fiscale misbruikbepalingen (de zgn. fictiebepalingen) geen toepassing vinden. Ook het Grondwettelijk Hof heeft reeds gesteld dat de algemene antimisbruikbepaling niet kan worden ingeroepen indien bepaalde verrichtingen al vallen onder een specifieke antimisbruikbepaling.
De door de Aanvragers voorgenomen verrichting, zoals uiteengezet in huidige aanvraag, frustreert echter geen enkele mogelijke toepasselijke specifieke antimisbruikbepaling.
Evenmin kan in casu de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend. Om de algemene antimisbruikbepaling zoals vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF te kunnen toepassen, moet de Vlaamse Belastingdienst enerzijds aantonen dat de belastingplichtige een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen stelt die eenzelfde verrichting tot stand brengt (objectief element) en anderzijds dat het doorslaggevende, zo niet exclusieve, motief erin bestaat belasting te ontwijken (subjectief element).
De Aanvragers verzoeken om te bevestigen dat er geen antimisbruikbepaling van toepassing is, op grond van de hierna uiteengezette motieven.
Geen frustratie van de in de VCF opgenomen specifieke antimisbruikbepalingen
14. De voorgenomen verrichting verleent huwelijksvoordelen die huwelijksvermogensrechtelijk worden verkregen. De voordelen zijn dus niet onderworpen aan artikel 2.7.1.0.2 VCF.
De Aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.2 VCF niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen teneinde de langstlevende echtgenoot op een niet-eenzijdig herroepbare manier te beschermen. De Aanvragers kunnen dezelfde doelstelling niet integraal met dezelfde burgerrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, aangezien dit eenzijdig herroepbaar is. Binnen het opzet van de Aanvragers is dit niet de bedoeling.
De voorgenomen verrichting frustreert evenmin de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, omdat de Aanvragers niet overgaan tot enige schenking of kosteloze beschikking waarvan de uitwerking artificieel tot aan het overlijden wordt uitgesteld. Ze passen hun huwelijksovereenkomst aan om tot een regeling te komen, die tot een billijke regeling moet leiden voor goederen waarin ze beiden (verblijvingsbeding) of elk afzonderlijk (toekenningsbeding) gerechtigd zijn.
In de memorie van toelichting bij het Vlaams Decreet van 24 december 2004 leest men het volgende over de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (het toenmalige artikel 4, 3° W.Succ.):
“Het verschil met de tarieven van de successierechten voor verervingen tussen dezelfde personen is enorm. Dit kan betrokkenen ertoe aanzetten om nog tijdens het leven, op een fiscaal voordelige manier, de roerende goederen aan de toekomstige erfgenamen of legatarissen over te dragen. Er blijkt echter een gemakkelijke manier te bestaan om enerzijds het voordeel van het verlaagde Vlaamse tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van het overlijden. Een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden, geeft immers bij registratie van de akte slechts aanleiding tot de heffing van het algemeen vast recht van 25 euro, overeenkomstig de principes van artikel 16 van het wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten. Slechts op het ogenblik van het overlijden zal het evenredige recht, met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht, opeisbaar worden. En dat was eigenlijk niet de bedoeling die de decreetgever zich met de invoering van de bijzonder verlaagde tarieven had vooropgesteld. Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.”
Uit deze overwegingen blijkt dat het de bedoeling was van de decreetgever om schenkingen die burgerrechtelijk (quasi) dezelfde gevolgen hebben als een legaat ook op fiscaal vlak als een legaat te behandelen, om een ongelijke behandeling ten opzichte van de erflater van een legaat te voorkomen. De decreetgever wilde met andere woorden verhinderen dat de bij het Vlaams Decreet van 19 december 2003 ingevoerde verlaagde en vlakke tarieven in de schenkbelasting (i.e. 3% of 7%) gecombineerd worden met het uitstel van overdracht van het geschonken goed tot het overlijden van de schenker. Men mag niet fiscaal voordelig schenken en tegelijk eigenaar blijven van het geschonken vermogen.
In casu is op geen enkele manier sprake van een schenking. De Aanvragers hebben reeds uitvoerig aangetoond en beargumenteerd dat in de artikelen zeven A en B van de gewijzigde huwelijksovereenkomst sprake is van een toebedeling van een onverdeeld goed, respectievelijk van een eigen goed dat dient te worden gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel. De Aanvragers nemen deze bedingen, die ten bezwarende titel zijn, op in hun gewijzigde huwelijksovereenkomst om tot een regeling te komen bij overlijden die tot een maximaal beschermende regeling moet leiden ten voordele van de langstlevende echtgenoot.
Verder wordt ook artikel 2.7.1.0.4 VCF niet gefrustreerd. De Aanvragers zijn destijds gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen omdat ze een groot belang hechten aan het behoud van financiële autonomie van elk van hen. De voorgenomen verrichting frustreert aldus artikel 2.7.1.0.4 VCF niet omdat er tussen de Aanvragers geen gemeenschap heeft bestaan en ook niet zal bestaan.
Ten slotte zijn de Aanvragers ook van oordeel dat ook artikel 2.7.1.0.5 VCF niet wordt gefrustreerd omdat het verblijvingsbeding respectievelijk het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel niet kan worden gelijkgesteld met een kosteloze beschikking.
Niet-fiscale motieven
15. Er liggen verscheidene niet-fiscale motieven aan het contract ten grondslag, zoals hierboven omstandig aangehaald.
IV. Beslissing
16. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing.
17. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.
18. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.
19. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
…
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.
- Artikel 2.8.4.1.1 VCF dat luidt als volgt:
§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;
7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.
In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF (antimisbruikbepaling), dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De te beoordelen verrichting
20. Aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst verleden voor notaris x te x op xx.xx.1982, niet gewijzigd tot op heden.
De echtgenoten X-Y hebben geen kinderen.
De huwelijksovereenkomst van xx.xx.1982 bevat in haar artikel zeven een wederzijdse en ‘onwederroepelijke’ contractuele erfstelling:
“a) indien er geen kinderen of afstammelingen uit hun huwelijk zouden bestaan, de geheelheid van alle roerende en onroerende goederen in volle eigendom van de eerststervende zullen uitmaken op de dag van zijn overlijden, doch wel met nagemelde uitzondering.
Hogergestelde gifte gedaan in volle eigendom bij niet-bestaan van kinderen of afstammelingen, zal echter slechts een gifte in vruchtgebruik zijn voor de onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk van de nalatenschap van de eerststervende afhangen en die door die laatste verkregen werden ingevolge een gifte, een erfenis of een testamentaire beschikking, met uitzondering van het geheel of gedeelte van het onroerend goed dat de gezinswoning uitmaakt ten tijde van het overlijden van de eerststervende (…)
b) indien er wel kinderen of afstammelingen uit hun huwelijk zouden bestaan (…)”
Zij wensen thans een wijziging door te voeren aan hun huwelijksovereenkomst met behoud van hun bestaand stelsel, door:
- Schrapping van de bestaande contractuele erfstelling;
- En vervanging van deze contractuele erfstelling door toevoeging van een niet-optioneel wederkerig verblijvingsbeding voor alle onverdeelde goederen op moment van overlijden en van een niet-optioneel wederkerig toekenningsbeding voor alle exclusief eigen goederen op moment van overlijden van beide echtgenoten, met inbegrip van de onroerende goederen en dus ook de onroerende goederen die elk van de echtgenoten door schenking of door erfenis verkreeg/zal verkregen hebben.
Beoordeling
1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF
21. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.
21. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.
Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.
In de mate bijgevolg dat het (niet-optioneel) verblijvingsbeding en het (niet-optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Fiscaal betekent dit dat de verblijving en de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.
22. In de mate dat het (niet-optioneel) verblijvingsbeding en het (niet-optioneel) toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.
1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?
23. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.
24. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?
25. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het (niet-optioneel) verblijvingsbeding en het (niet-optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
26. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?
27. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschappelijk vermogen bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
28. Voor zover dat het (niet-optioneel) verblijvingsbeding en het (niet-optioneel) toekenningsbeding geen betrekking hebben op gemeenschapsgoederen, zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?
29. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het (niet-optioneel) verblijvingsbeding en het (niet-optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
30. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?
31. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.
Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het (niet-optioneel) verblijvingsbeding en het (niet-optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
32. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 en artikel 2.8.4.1.1 VCF.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
a) Algemeen
33. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF.
34. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling, en dit doorslaggevend met fiscale motieven.
35. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.
Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).
36. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.
b) In casu
37. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de aanvragers thans gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge een huwelijksovereenkomst van xx.xx.1982. In deze huwelijksovereenkomst is tevens een wederzijdse contractuele erfstelling opgenomen in volle eigendom van alle goederen die de nalatenschap van de eerststervende zal bevatten, met uitzondering van de onroerende goederen buiten de gezinswoning, welke aan de eerststervende zouden toebehoren en welke door deze eerststervende zouden geërfd zijn of bij schenking verkregen. Voor deze laatste onroerende goederen geldt de contractuele erfstelling slechts voor het vruchtgebruik.
De echtgenoten wensen deze contractuele erfstelling in zijn geheel te herroepen en te vervangen door een niet-optioneel verblijvings- en toekenningsbeding betreffende de volle eigendom van alle goederen die deel uitmaken van de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot, ten voordele van de langstlevende echtgenoot.
38. Deze voorgenomen verrichting maakt fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
Artikel 2.7.1.0.2 VCF bepaalt dat erfbelasting verschuldigd is op de verkrijging ingevolge een contractuele erfstelling.
Door de wederzijdse contractuele erfstelling te herroepen en te vervangen door clausules die de aanvragers kwalificeren als huwelijksvoordelen, plaatsen aanvragers zich buiten het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.2 VCF en dit in strijd met de doelstelling van dit artikel zoals dit uitdrukkelijk blijkt uit dit artikel zelf, namelijk het belasten in de erfbelasting van hetgeen verkregen wordt ingevolge een contractuele erfstelling.
De aanvragers wensen met name doelbewust te vermijden dat goederen die na het overlijden aan de langstlevende zullen toekomen, voor zover deze nog aanwezig zullen zijn, aan erfbelasting onderworpen worden. Door de onverdeelde goederen en de niet onverdeelde goederen toe te bedelen aan de langstlevende door opname in een huwelijksovereenkomst onder de benaming van huwelijksvoordelen (‘verblijvingsbeding’ en ‘toekenningsbeding’), stellen de aanvragers zich doelbewust buiten de toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
39. De aanvragers geven aan dat er geen enkele andere burgerrechtelijke regeling zou bestaan die de verzorgingsgedachte ten behoeve van de langstlevende op dezelfde manier zou kunnen garanderen. In randnummer 14 van de aanvraag betogen aanvragers dat ze de langstlevende echtgenoot “op een niet-eenzijdig herroepbare manier (wensen) te beschermen. De Aanvragers kunnen dezelfde doelstelling niet integraal met dezelfde burgerrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, aangezien dit eenzijdig herroepbaar is. Binnen het opzet van de Aanvragers is dit niet de bedoeling.”
Deze bewering van aanvragers is onjuist, want gaat voorbij aan het gegeven dat de bestaande contractuele erfstelling eenzijdig onherroepelijk is gezien deze opgenomen is in een huwelijksovereenkomst tussen beide echtgenoten.
Deze contractuele erfstelling opgenomen in een huwelijksovereenkomst, welke op burgerrechtelijk vlak bovendien een wettelijk toegelaten uitzondering betreft op een in de regel verboden beding over een niet opengevallen nalatenschap, beschermt de langstlevende echtgenoot op onherroepelijke wijze.
40. De aanvragers geven als niet-fiscale drijfveer voor de vervanging van de bestaande contractuele erfstelling door de nieuwe bedingen aan dat de bestaande contractuele erfstelling “beperkt is tot een gift in vruchtgebruik aan de langstlevende voor alle onroerende goederen die door de eerststervende zijn verkregen ingevolge een gifte, erfenis of testamentaire beschikking met uitzondering van de gezinswoning.” (zie randnummer 4 van de aanvraag).
Deze beperking tot het vruchtgebruik voor de langstlevende in plaats van volle eigendom, zou volgens aanvragers slaan op onroerend goed dat voortkomt/nog moet voortkomen uit erfenis/schenking van de familie van mevrouw Y. Tijdens de voorafgaande hoorzitting, gehouden op 8 april 2026, hebben aanvragers bij monde van hun raadsman bevestigd dat de uitbreiding van het voorwerp van de bescherming van de langstlevende echtgenoot enkel slaat op de te verwachten vererving/schenking aan mevrouw Y.
Aanvragers geven hierbij aan dat het niet wenselijk is dat de heer X als langstlevende echtgenoot dit onroerend goed zou moeten delen met de familie van mevrouw Y, of minstens zou geconfronteerd worden met deze familie na het overlijden van mevrouw Y.
Deze argumentatie kan niet aanvaard worden als geloofwaardig of doorslaggevend niet-fiscaal motief voor de voorgenomen verrichting:
De echtgenoten X-Y geven een concrete opsomming van hun bestaand vermogen, zowel onroerende goederen als roerende goederen.
Uit deze opsomming volgt dat al deze goederen ingevolge de bestaande contractuele erfstelling in volle eigendom zullen toekomen aan de langstlevende echtgenoot.
De opgesomde onroerende goederen (gezinswoning te [...], bouwgrond, appartement aan zee), welke volgens verklaring van aanvragers alle in onverdeeldheid tussen de echtgenoten zijn, komen zowel uit hoofde van de bestaande contractuele erfstelling als uit hoofde van de wettelijke devolutie (art. 4.17, 1° BW) volledig en in volle eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot. De opgesomde roerende goederen (spaar- en termijnrekeningen, beleggingen en verzekeringsproducten) komen uit hoofde van de bestaande contractuele erfstelling volledig en in volle eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot.
Enkel onroerend goed dat mevrouw Y verkreeg of eventueel nog zal verkrijgen bij wijze van schenking of erfenis van haar familie, zal slechts in vruchtgebruik aan de heer X toekomen indien hij langst leeft. Dit zowel ingevolge de bestaande contractuele erfstelling als ingevolge de wettelijke devolutie (art 4.17, 2° BW).
Nog abstractie makend van het gegeven dat ook in geval van uitbreiding van dit vruchtgebruik naar volle eigendom, een ‘confrontatie’ van de heer X als langstlevende met de familie van Y zou plaatsvinden, stelt het besluitvormingsorgaan vast dat deze uitbreiding bij wijze van een vervanging van de volledige contractuele erfstelling door bedingen die wegens de kwalificatie als huwelijksvoordelen buiten het erfrecht vallen, enkel als excuus gebruikt wordt om de volledige contractuele erfstelling te herroepen.
De wens van aanvragers om ook dit onroerend familiegoed van mevrouw Y in volle eigendom te laten toekomen aan haar echtgenoot voor zover hij langst leeft is vanzelfsprekend het goed recht van de aanvragers en wordt niet beoordeeld door het besluitvormingsorgaan.
De mogelijkheden om aan deze wens tegemoet te komen zijn echter legio (uitbreiding contractuele erfstelling, toekenningsbeding voor dit goed, in onverdeeldheid brengen van dit goed etc.).
De volledige vervanging van de bestaande contractuele erfstelling die voor alle andere goederen burgerrechtelijk thans reeds volledig tegemoetkomt aan de wensen van aanvragers, heeft burgerrechtelijk enkel nut voor onroerend goed dat mevrouw verklaart nog te verwachten uit schenking/erfenis. Voor alle andere goederen, zoals opgesomd door aanvragers, hebben de nieuwe bedingen geen enkele toegevoegde waarde, waardoor deze verrichting bijgevolg als fiscaal misbruik aanzien dient te worden wegens ingaand tegen de doelstelling van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
41. Uit dit alles blijkt dat de voorgenomen verrichting doorslaggevend fiscaal geïnspireerd is, en dat het bewijs van andere motieven voor ontwijking van erfbelasting geenszins geleverd is.
Bijgevolg zal bij overlijden van een van de echtgenoten waarbij het verblijvings- en toekenningsbeding zal worden ingeroepen door de langstlevende echtgenoot, artikel 2.7.1.0.2 VCF worden toegepast op de toebedeling van het onverdeeld aandeel van de eigen goederen van overledene en op de toekenning van exclusief eigen goederen van overledene aan de langstlevende. Ingevolge het fiscaal misbruik, zal de volledige voorgenomen wijziging van het huwelijksstelsel immers niet tegenstelbaar zijn, in de mate dat deze wijziging het mogelijk maakt de toepassing van de erfbelasting te ontwijken.
42. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Een afschrift van de huwelijksovereenkomst van xx.xx.1982 werd gevoegd als bijlage bij de aanvraag.
[2] Opmerking van het Besluitvormingsorgaan: volgens artikel 7 van de huwelijksovereenkomst van xx.xx.1982 is het voorwerp van de wederzijdse contractuele erfstelling als volgt: “a) indien er geen kinderen of afstammelingen uit hun huwelijk zouden bestaan, de geheelheid van alle roerende en onroerende goederen in volle eigendom van de eerststervende zullen uitmaken op de dag van zijn overlijden, doch wel met nagemelde uitzondering.
Hogergestelde gifte gedaan in volle eigendom bij niet-bestaan van kinderen of afstammelingen, zal echter slechts een gifte in vruchtgebruik zijn voor de onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk van de nalatenschap van de eerststervende afhangen en die door die laatste verkregen werden ingevolge een gifte, een erfenis of een testamentaire beschikking, met uitzondering van het geheel of gedeelte van het onroerend goed dat de gezinswoning uitmaakt ten tijde van het overlijden van de eerststervende (…)
- indien er wel kinderen of afstammelingen uit hun huwelijk zouden bestaan (…)”
[3] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Uit de verklaringen van aanvrager, zowel in de aanvraag, alsook uit de verklaringen gedaan tijdens de hoorzitting van 31 maart 2026 blijkt dat hier bedoeld wordt: de zoon van de broer van de heer X, aanvrager, en dus niet een zoon van de heer X zelf.
[4] Een ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst werd gevoegd als bijlage bij de aanvraag.
[5] Cass. 24 maart 2017.
[6] H. Casman en A. Verbeke, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022, afl. 1, (3) 3.
[7] GwH 23 november 2005, nr. 170/2005.
[8] Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017.