Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26012 - Inbreng onroerend goed gevolgd door familiale schenking aandelen Vlaamse Belastingdienst

VB 26012 - Inbreng onroerend goed gevolgd door familiale schenking aandelen

Voorafgaande beslissing
Nummer

26012

Datum beslissing

4 mei 2026

Publicatiedatum

17 juni 2026

Heffing

  • Schenkbelasting
  • Verkooprecht

Wettelijke basis

  • art. 2.8.6.0.3. VCF
  • art. 2.9.1.0.3. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat de inbreng van een onroerend goed voor zakelijk gebruik (in casu ateliers, een opbergplaats en een magazijn) in een vennootschap, gevolgd door een schenking van de volle eigendom van de aandelen van voormelde vennootschap, ingegeven is door andere dan fiscale motieven en dus geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF uitmaakt.

2. In dat verband worden de volgende deelvragen gesteld:

a) Kan bevestigd worden dat de inbreng van het vermeld onroerend goed in de vennootschap zal worden gekwalificeerd als een inbreng in een vennootschap waarop het verkooprecht overeenkomstig artikel 2.9.1.0.3 VCF niet van toepassing is?

b) Kan de schenking van de aandelen van de vennootschap aan de kinderen van de inbrengers onmiddellijk na de inbrengakte genieten van de vrijstelling van de schenkbelasting vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF wanneer de vennootschap waarin het onroerend goed werd ingebracht kwalificeert als een familiale vennootschap?

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. De aanvraag wordt ingediend door de heer […], advocaat, in naam van zijn cliënten, namelijk:

3.1. De heer X, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1963, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], gehuwd met mevrouw Y, hierna genoemd;

3.2. Mevrouw Y, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1964, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], gehuwd met de heer X, hiervoor genoemd;

Hierna samen de “Aanvragers” genoemd.

4. De Aanvragers hebben sedert meer dan vijf (5) jaar hun woonplaats in het Vlaamse gewest, meer bepaald te […].

5. De Aanvragers hebben samen twee (2) gemeenschappelijke zonen, met name:

  • De heer A, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1997, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], wonende te […], geregistreerd als wettelijk samenwonende partner van mevrouw […];

Hierna aangeduid bij naam of als “Zoon 1”;

  • De heer B, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.2005, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], wonende te […], ongehuwd en niet geregistreerd als wettelijk samenwonende partner;

Hierna aangeduid bij naam of als “Zoon 2”;

6. De volgende vennootschappen zijn betrokken bij de voorgenomen verrichting:

  • De besloten vennootschap “Z” met ondernemingsnummer […] en met zetel te […] (hierna aangeduid als de “Vennootschap”)

De Vennootschap is een familiale vennootschap waarvan het voorwerp bestaat uit:

[…]

De aandeelhouders van de Vennootschap zijn:

  • De heer X (93 aandelen van de A-soort), hiervoor genoemd;
  • Mevrouw Y (93 aandelen van de A-soort), hiervoor genoemd;
  • De maatschap “C” (186 aandelen van de B-soort), hierna genoemd.

De Vennootschap wordt bestuurd door de Aanvragers.

  • De maatschap “C”, ondernemingsnummer: in aanvraag en met zetel te […] (hierna aangeduid als de “Maatschap”).

De Maatschap heeft tot doel het ingebracht familiaal vermogen op een duurzame en georganiseerde manier in stand te houden en te vergroten.

De vennoten zijn Zoon 1 (186 aandelen in onverdeeldheid) en Zoon 2 (186 aandelen in onverdeeldheid), beiden hiervoor genoemd.

De Aanvragers zijn samen zaakvoerder van de Maatschap. Wanneer de Aanvragers de leeftijd van tachtig (80) jaar hebben bereikt, worden Zoon 1 en Zoon 2 eveneens als zaakvoerder aangesteld.

7. het in te brengen onroerend goed betreft:

  • Een garage, bergplaats, (voormalig schoolgebouw), magazijn en tuin op en met grond aldaar, thans dienst doende en volledig aangewend als ateliers en magazijn, gelegen te […], op het kadaster gekend sectie A volgens titels nummers […] (voor een gezamenlijk groter geheel) en […], en thans nummers […], met een respectievelijke oppervlakte volgens huidig kadaster van één are drieënveertig centiare (1 a 43 ca), vijftien are éénenzeventig centiare (15 a 71 ca), van vier are éénentachtig centiare (4 a 81 ca) en van vijf are drieënzestig centiare (5 a 63 ca);

Hierna genoemd het “Onroerend goed”.

De Aanvragers zijn thans eigenaar van het Onroerend goed, elk voor de onverdeelde helft.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

8. De Vennootschap werd opgericht op xx.xx.2001 bij akte verleden voor notaris […], met standplaats te […]. In ruil voor hun inbreng verkregen de heer X en mevrouw Y elk drieënnegentig (93) aandelen van de Vennootschap.

9. De Aanvragers zijn beiden […] en behoren inmiddels tot de vaste waarde binnen het hedendaagse […] in België. In de Vennootschap oefenen zij allerhande activiteiten als […]

10. Bij akte van xx.xx.2025, verleden voor notaris […] met standplaats te […], hebben Aanvragers in toepassing van de artikelen 5:102, lid 2 en 5:121, §1 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (hierna het “WVV” genoemd) een soortvorming doorgevoerd waarbij de bestaande aandelen werden gesplitst en de vermogens- en lidmaatschapsrechten als volgt aan de twee (2) soorten aandelen toekomen:

  • Aan de soort A-aandelen: vijftig procent (50%) van de stemrechten, alsook het recht op vijf procent (5%) van de jaarlijkse nettowinst en vijf procent (5%) van de andere winsten van de Vennootschap, alsook het recht op honderd procent (100%) van de liquidatiereserves die tot en met de jaarrekening over boekjaar 2024 door de Vennootschap werden opgebouwd;
  • Aan de soort B-aandelen: vijftig procent (50%) van de stemrechten, alsook het recht op vijfennegentig procent (95%) van de jaarlijkse nettowinst en vijfennegentig procent (95%) van de andere winsten van de Vennootschap en honderd procent (100%) van het vereffeningssaldo, uitgezonderd het recht op de liquidatiereserves die tot en met de jaarrekening over boekjaar 2024 door de Vennootschap werden opgebouwd.

11. Vervolgens hebben de Aanvragers de B-aandelen ingebracht in de Maatschap waarvoor zij in ruil honderdzesentachtig (186) aandelen van de Maatschap ontvingen.

12. Bij schenkingsakte d.d. xx.xx.2025, verleden voor notaris […] met standplaats te […], hebben de Aanvragers hun aandelen van de Maatschap geschonken aan hun zonen, de heer A en de heer B, waardoor zij thans elk honderdzesentachtig (186) aandelen van de Maatschap in onverdeeldheid aanhouden.

13. De Aanvragers wensen het vermogen van de Vennootschap te verhogen door een inbreng van de onder punt 7 vermelde onroerende goederen. De nieuwe aandelen die zij hiervoor in ruil ontvangen wensen zij voor de Belgische notaris te schenken aan hun zonen.

14. Het Onroerend goed, met een geschatte waarde van 1.330.000,00 EUR, overeenkomstig het schattingsverslag opgesteld door de heer […] d.d. xx.xx.2024, zou in volle eigendom worden ingebracht in de Vennootschap.

In ruil voor deze inbreng zullen uitsluitend B-aandelen worden uitgegeven die de Aanvragers voor de Belgische notaris wensen te schenken aan hun zonen. Vervolgens zullen zij deze aandelen inbrengen in de Maatschap.

15. Het is niet de bedoeling om het Onroerend goed, noch op korte, noch op middellange termijn uit de Vennootschap te halen in het voordeel van de aandeelhouder(s) (middels kapitaalvermindering, dividenduitkering of anderszins).

Het is niet de bedoeling om het Onroerend goed, noch op korte, noch op middellange termijn te verkopen aan de aandeelhouder(s).

Het is niet de bedoeling om de aandelen van de Vennootschap op korte, noch op middellange termijn te vervreemden aan derden.

16. Alle transacties zouden gebeuren voor een Belgische notaris.

III. Motivering van de aanvraag

17. De Vennootschap is een familiale vennootschap waarvan de kernactiviteit bestaat uit […]. De Aanvragers, beiden […], zijn de bezielers van de Vennootschap.

Net zoals vele andere […] wensen zij dat hun […] worden verdergezet na hun overlijden. Nu hun jongste zoon meerderjarig is geworden, groeit bij de Aanvragers de behoefte om de continuïteit van de Vennootschap naar de volgende generatie te verzekeren. Zij wensen immers dat hun […] wanneer zij zelf niet meer in staat zijn om de Vennootschap te besturen of na hun overlijden.

Daarnaast wensen de Aanvrager de historische gebouwen, waaronder het in te brengen onroerend goed, te behouden. Het Onroerend goed, dat overigens geklasseerd werd als cultureel erfgoed, bestaat uit […] die integraal worden aangewend in kader van de activiteiten van de Vennootschap.

18. Om voormelde doelstellingen te realiseren, hebben de Aanvragers reeds stappen ondernomen om zowel de Vennootschap als hun […] nalatenschap op een efficiënte en gestructureerde manier over te dragen aan hun kinderen (zie supra, randnr. 10 e.v.). Hoewel zij zelf nog steeds actief bij de Vennootschap betrokken zijn, wensen zij hun kinderen geleidelijk aan te betrekken bij de bedrijfsvoering. Ze hopen dat deze vroege (financiële) betrokkenheid de kinderen zal motiveren om de Vennootschap verder te zetten […].

19. Gelet op het feit dat het Onroerend goed enerzijds wordt gebruikt voor […], is het niet meer dan logisch om het Onroerend goed in te brengen in de Vennootschap. Door de inbreng zal de Vennootschap het Onroerend goed ook niet meer moeten huren van de Aanvragers en wordt het eveneens behoed voor een latere eventuele gedwongen uitonverdeeldheidtreding.

20. De Aanvragers wensen bevestiging dat de voorgenomen rechtshandelingen geen fiscaal misbruik uitmaken rekening houdend met:

  • De bedoeling van partijen, in het bijzonder het feit dat het Onroerend goed integraal dienstig is voor de bedrijfsactiviteit en door de inbreng wordt onderworpen aan het ondernemingsrisico;
  • De latere verkrijging van het Onroerend goed door een aandeelhouder van de Vennootschap zal onderworpen worden aan artikel 2.9.1.0.5 VCF (heffing verkooprecht);
  • Het feit dat er geen registratiebelasting wordt ontweken:
    • Op de inbreng van het Onroerend goed in de Vennootschap;
    • Op de schenking van de aandelen van de Vennootschap.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

21. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

22. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van de verrichting.

23. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt

berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”

  • artikel 2.9.1.0.3 VCF dat luidt als volgt:

Met behoud van de toepassing van artikel 2.9.1.0.1, wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstuk 10 en 11, het verkooprecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten.

Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en de waarde die aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.

Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak, vermeld in artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

  • artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF dat luidt als volgt:

§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld :

2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen. De vrijstelling is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.

  • artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

24. De aanvragers voornoemd in randnummer 3. zijn elk voor de helft onverdeelde eigenaars van de onroerende goederen voornoemd in randnummer 7. Ze wensen deze onroerende goederen in te brengen in de BV Z en vervolgens de hierdoor verkregen B-aandelen te schenken aan hun kinderen die ze in de maatschap C zullen inbrengen.

25. De inbreng door een natuurlijke persoon van een onroerend goed andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning aangewend worden of bestemd zijn zal niet krachtens artikel 2.9.1.0.3 VCF belast worden met het verkooprecht indien de voorgenomen inbreng niet anders wordt vergoed dan bij toekenning van maatschappelijke rechten.

Overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §3, tweede lid VCF kan het besluitvormingsorgaan geen beslissing nemen met betrekking tot het onderzoek, de controle en het gebruik van bewijsmiddelen. Het besluitvormingsorgaan kan aldus niet beslissen of de betrokken onroerende goederen voldoen aan de kwalificatie dat ze niet gedeeltelijk, of geheel tot bewoning aangewend worden of bestemd zijn. Noch kan het besluitvormingsorgaan beslissen of de voorgenomen schenking van aandelen zal voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF.

Voorafgaand aan de authentieke akte van schenking kan de belanghebbende overeenkomstig artikel 3.21.0.0.1 VCF een verzoek richten tot de Vlaamse Belastingdienst om een attest te bekomen waaruit blijkt dat op het moment van het verzoek en op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, al dan niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3 VCF is voldaan.

26. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen.

Er moet worden onderzocht of het daadwerkelijk de bedoeling is van de inbrenger/schenker om het in te brengen onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het niet de bedoeling is het onroerend goed te schenken aan de begunstigden van de aandelen.

De inbreng, gepaard met de schenking van de aandelen van de vennootschap verschaft onmiskenbaar een fiscaal voordeel voor de partijen aangezien de aandelen kunnen geschonken worden aan het gunstige vlak tarief van 3% voor schenkingen van roerende goederen in rechte lijn. Dit in tegenstelling tot een schenking van de onroerende goederen zelf die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF. Indien de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF voldaan zijn kan de schenking zelfs worden verwezenlijkt met vrijstelling van de schenkbelasting. Dit in tegenstelling tot een schenking van het onroerend goed zelf - in de veronderstelling dat deze schenking niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van een schenking van een familiale onderneming – die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF.

Door de betrokken onroerende goederen in te brengen in de BV Z en vervolgens de hierdoor verkregen aandelen te schenken wordt ingegaan tegen artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF, m.n. de progressiviteit in de schenkbelasting.

Met deze progressiviteit in de schenkbelasting wordt bedoeld dat het tarief van de schenkbelasting voor onroerende goederen wordt bepaald door een dubbel progressievoorbehoud: zowel de band die de schenker heeft met de begiftigde, als de grootte van de schenking bepalen het tarief.

Om deze progressiviteit in de schenkbelasting te kunnen kaderen moeten we teruggrijpen naar het verleden:

Vóór de Wet van 30 augustus 1913 werd het schenkingsrecht berekend volgens een gewoon evenredig tarief met een verschillend percentage naargelang de schenking roerende of onroerende goederen tot voorwerp had, naargelang het ging om schenkingen aan verwanten in de rechte lijn of aan andere personen.

Door de Wet van 30 augustus 1913 werden voor het schenkingsrecht en het successierecht dezelfde tarieven ingevoerd. Hierbij werd de verschillende tarifering van de schenkingen van roerende en van onroerende goederen opgeheven doch werden voor de schenkingen aan andere dan verwanten in rechte lijn verschillende tariefklassen ingevoerd.

Door artikel 19 van de Wet van 11 oktober 1919 (B.S. 13 november 1919, 6025) brengende wijzigingen in de wetten op de successie-, registratie- en overschrijvingsrechten werd de parallelle tarifering van de schenkingsrechten en de successierechten verbroken door de invoering van een progressief successierecht per schijf. Het schenkingsrecht bleef gewoon evenredig.

In de memorie van toelichting (Kamer, 1918/19 , 109) is het volgende te lezen:

Bij art. 19 wordt de nieuwe bepaling der tarieven vastgesteld. Hierin het voorbeeld van het merendeel der Europeesche landen en, inzonderheid, dat onzer Noorder- en Zuiderburen volgende, wordt door het ontwerp eene belasting gevestigd, die bij schijven klimt te gelijkertijd als de hoegrootheid van het aan elken erfgenaam of legataris opgekomen aandeel. Indiener eene belasting is, die zich leent aan trapsgewijze verhooging volgens het vermogen van den belastingplichtige, zoo is dat onmiskenbaar wel het successierecht, omdat deze belasting volgens de bewoordingen van de Heer Raymond Poincaré “atteint le redevable au moment où il s’enrichit, sans effort, sans travail, souvent d’une manière inesperée”.… ”.

Deze maatregel gaf geen bevrediging.

Voor belangrijke schenkingen lieten de percentages nog in belangrijke mate de ontwijking toe van de successierechten. Bovendien werden schenkingen voor een klein of middelmatig bedrag door de toepasselijke percentages gehinderd.

Met het K.B. nr. 9 van 3 juli 1939 (BS 5 juni 1939, 4544) werd zowel voor de successierechten als voor de schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd.

In het verslag aan de koning valt te lezen:

Twee verwijten werd in den laatsten tijd gericht tot het huidig heffingsstelsel der evenredige registratierechten op de schenkingsakten.

Het eerste is dat, om reden van hun hoog bedrag … deze rechten doorgaans van aard zijn de giften onder levenden tusschen personen van lage of middelbaren stand te verhinderen, hetgeen bijzonder betreurenswaardig is wanneer het gaat om verdeelingen gedaan door bloedverwanten in de opgaande lijn.

Het tweede is dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigt dat er voor rijke personen in bestaat, aan den vooravond van hun dood, door geregistreerde akte, de geheelheid of een deel van hun goederen aan hun vermoedelijke erfgenamen of legatarissen te schenken, en zulks derwijzen dat deze het hoog bedrag niet hoeven te betalen van de progressieve successierechten, die berekend worden op alles wat zij in de nalatenschap van den schenking mochten verkrijgen. Ten einde aan die nadeelen te verhelpen, belast artikel 8 de schenkingen onder levenden met dezelfde progressieve rechten als de nalatenschappen …”.

Deze aangenomen progressieve tarieven werden overgenomen in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en griffierechten.

Na de regionalisering van de successie- en het schenkingsrecht is er in de meeste gewesten opnieuw een verschil tussen beiden tarieven.

In het licht van de vroegere activering van vermogen en het zichtbaar maken van overdrachten van vermogen werd het progressief tarief voor de schenking van roerende goederen afgeschaft en vervangen door een vast tarief. Voor onroerende goederen bleef dit evenwel bestaan met dezelfde ratio legis, nl. de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.

27. Door de inbreng van de betrokken onroerende goederen in de BV Z binnen korte termijn gevolgd door een schenking van de aandelen kunnen de begiftigden genieten van het schenktarief voor roerende goederen i.p.v. het schenktarief voor onroerende goederen. Dit zorgt voor een aanzienlijke besparing des te meer als de vrijstelling van artikel 2.8.6.0.3 VCF kan worden genoten.

Gelet op de eenheid van opzet bestaande uit een inbreng gevolgd door de schenking van de verkregen aandelen oordeelt het besluitvormingsorgaan dat sprake is van fiscaal misbruik.

28. Overeenkomstig artikel 3.17.0.0.2, derde lid VCF komt het aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting.

29. De in de randnummers 17, 18, en 19 aangebrachte niet-fiscale motieven volstaan in dit geval niet om het misbruik te weerleggen.

De aanvragers geven als motief om de inbreng nu te laten plaatsvinden aan dat het hun wens is om de continuïteit van de vennootschap naar de volgende generatie te verzekeren, opdat hun werken adequaat beheerd, tentoongesteld en geëerd zullen worden wanneer ze zelf de vennootschap niet meer kunnen besturen. Ze willen daartoe hun kinderen geleidelijk aan betrekken bij de bedrijfsvoering en de onroerende goederen die integraal worden aangewend in kader van de activiteiten van de vennootschap behouden.

Aangezien de inbrenggenietende vennootschap reeds in 2001 werd opgericht, had de inbreng van de betrokken onroerende goederen reeds veel eerder kunnen plaatsvinden. Een concrete reden voor de inbreng van de onroerende goederen, op dit tijdstip, in de vennootschap, ontbreekt.

Gezien de kinderen enkel aandelen bekomen die ze zullen inbrengen in de maatschap “C” waarvan de aanvragers zelf, tot ze de leeftijd van 80 jaar (de aanvragers zijn momenteel respectievelijk 62 en 61 jaar) hebben bereikt, de enige zaakvoerders zullen zijn, kan moeilijk worden geargumenteerd dat de schenking van de aandelen op zich bijdraagt tot een sterkere betrekking van de kinderen bij de bedrijfsvoering.

Hieruit volgt dat de schenking van de aandelen vooral een vermogensoverdracht naar de volgende generatie wil bereiken. De aanvragers stellen verder dat ze de betrokken onroerende goederen willen behouden. Deze doelstelling kan ook bereikt worden door de betrokken onroerende goederen te schenken met voorbehoud van vruchtgebruik. Op deze manier behouden de aanvragers de gewenste controle en heeft de voorgenomen vermogensoverdracht plaats.

De schenking van de aandelen verkregen door de inbreng van de onroerende goederen in BV Z zal getaxeerd worden als een schenking van onroerende goederen.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.