Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26014 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - vervanging finaal verrekenbeding door optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 26014 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - vervanging finaal verrekenbeding door optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

26014

Datum beslissing

20 mei 2026

Publicatiedatum

13 juli 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3, 3° VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.7.3.4.1, 1e lid VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De echtgenoten zijn gehuwd voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te […] op xx.xx.1976.

2. De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen blijkens huwelijkscontract verleden voor notaris […] op xx.xx.1976, gewijzigd telkens met behoud van het stelsel blijkens huwelijkscontract verleden voor […] op xx.xx.1990 en blijkens huwelijkscontract verleden voor notaris […] op xx.xx.2007. [1]

3. In het huwelijkscontract d.d. xx.xx.2007 werd een optioneel finaal verrekenbeding in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden opgenomen.

4. Zij wensen aan hun stelsel van scheiding van goederen een optioneel verblijvingsbeding en een optioneel toekenningsbeding toe te voegen om hun wens te waarborgen voor een eerlijke, billijke, solidaire en evenwichtige regeling in geval van ontbinding van hun huwelijk door overlijden.[2]

5. De regeling ten voordele van de langstlevende is vervat in een optioneel verblijvingsbeding m.b.t. hun onverdeelde goederen en in een optioneel toekenningsbeding m.b.t. de exclusief eigen goederen, waarvan de modaliteiten en de keuzemogelijkheden in het bijgevoegde ontwerp van huwelijksovereenkomst nader zijn uitgewerkt.

6. Vooraleer de echtgenoten deze huwelijksovereenkomst laten verlijden, wensen zij bevestiging over de fiscale behandeling ervan voor het geval van overlijden van één van hen. Daarom vragen de echtgenoten om bevestiging te krijgen dat:

  • de opname en de uitwerking van het optioneel verblijvingsbeding, zoals vervat in het ontwerp van huwelijksovereenkomst in bijlage 1, niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de opname en de uitwerking van het optioneel verblijvingsbeding evenmin fiscaal misbruik vormt, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de opname en de uitwerking van het optioneel toekenningsbeding, zoals vervat in het ontwerp van huwelijksovereenkomst in bijlage 1, niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de opname en de uitwerking van het optioneel toekenningsbeding evenmin fiscaal misbruik vormt, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

de vervanging van het optioneel finaal verrekenbeding door een optioneel toekenningsbeding en de uitwerking ervan evenmin fiscaal misbruik vormt, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

7. De aanvraag wordt ingediend door mevrouw […], namens:

de heer X, geboren te […] op xx.xx.1951 en met rijksregisternummer […] (hierna genoemd ‘de heer X’) en mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1952 en met rijksregisternummer […] (hierna genoemd ‘mevrouw Y’) (beiden hierna samen ook genoemd ‘de echtgenoten’).

De echtgenoten wonen samen te […].

8. De echtgenoten hebben geen gemeenschappelijke en geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

9. De echtgenoten hebben beiden de Belgische nationaliteit en hebben hun (fiscale) woonplaats sedert meer dan 5 jaar in het Vlaams Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

10. De echtgenoten kozen initieel voor een huwelijksstelsel van zuivere scheiding van goederen, dat zij vervolgens op xx.xx.2007 hebben aangevuld met een optioneel finaal verrekenbeding in geval van ontbinding van het huwelijk ingevolge overlijden.

11. De wens om hun basisstelsel van scheiding van goederen te behouden is niet gewijzigd, gelet op de voor hen specifiek relevante voordelen die dat stelsel hen biedt, met name behoud van de autonomie van de echtgenoten. Zij wensen dit evenwel op een andere manier in te vullen door een huwelijksvermogensrechtelijke regeling ten voordele van de langstlevende van hen toe te voegen via (i) een optioneel verblijvingsbeding en (ii) een optioneel toekenningsbeding en het oude optioneel finaal verrekenbeding te schrappen.

De bedingen zijn optioneel in die zin dat de langstlevende kan kiezen voor de integrale toepassing ervan, of voor een beperkte toepassing ervan, volgens de keuzemogelijkheden nader in het ontwerp van huwelijksovereenkomst uitgewerkt.

12. De aanvraag van de echtgenoten betreft de regeling die ze voor het geval van overlijden wensen, dus zowel het verblijvingsbeding als het toekenningsbeding, telkens met de daaraan gekoppelde keuzemogelijkheden. Deze bedingen worden hierna verkort aangeduid als enerzijds het ‘optioneel verblijvingsbeding’ en anderzijds het ‘optioneel toekenningbeding’, of samen ‘de optionele bedingen’. Onder deze verkorte aanduiding moeten telkens, zoals hierna toegelicht, worden begrepen, enerzijds, zowel het beding dat in een integrale verblijving van elk van de onverdeelde goederen voorziet, als de alternatieve keuzemogelijkheden voor een beperkte of alternatieve toewijzing en anderzijds, zowel het beding dat in een integrale toekenning van elk van de nader bepaalde toe te kennen goederen voorziet, als de alternatieve keuzemogelijkheden voor een beperkte toekenning voor elk van deze goederen.

De werking van deze bedingen wordt hierna toegelicht.

13. Met het verblijvingsbeding beogen de echtgenoten ten voordele van de langstlevende, ongeacht wie van de echtgenoten als eerste overlijdt, de integrale toewijzing in volle en exclusieve eigendom van alle goederen die op het tijdstip van overlijden van één van de echtgenoten tussen hen in onverdeeldheid zijn. Het is daarbij irrelevant of het om een onverdeeldheid van roerende dan wel onroerende goederen gaat. Evenmin is het relevant wat de oorsprong van de onverdeeldheid is, of wat de verhouding is waarin de echtgenoten in die onverdeeldheid gerechtigd zijn.

14. Het verblijvingsbeding is evenwel optioneel. Als de langstlevende zich niet integraal op dit verblijvingsbeding wenst te beroepen, kan hij of zij dus nog kiezen, voor de door hem of haar aan te wijzen onverdeelde goederen, voor een beperkte toewijzing (bijvoorbeeld beperkt tot vruchtgebruik van alle of van sommige onverdeelde goederen), of voor een afwijkende toewijzingssleutel (voor een groter of kleiner breukdeel van dit onverdeeld goed). Indien de langstlevende echtgenoot geen (tijdige) keuze maakt, wordt het verblijvingsbeding niet toegepast.

15. Met het toekenningsbeding verleent elke echtgenoot de andere, voor zover hij of zij langer leeft, de volle en exclusieve eigendom van in de huwelijksovereenkomst vermelde goederen of categorieën van goederen, waarvan de ene dan wel de andere echtgenoot exclusief eigenaar is op het moment van zijn of haar overlijden en die niet in onverdeeldheid met de andere echtgenoot zijn. De regeling geldt louter voor de goederen of categorieën van goederen die in de huwelijksovereenkomst worden gespecifieerd voor zover deze goederen op het ogenblik van overlijden van de eigenaar ervan in zijn of haar vermogen aanwezig zijn. Deze goederen worden in het ontwerp van huwelijksovereenkomst en hierna aangeduid als de ‘toe te kennen goederen’.

16. Het toekenningsbeding is evenwel optioneel. Als de langstlevende zich niet integraal op dit toekenningsbeding wenst te beroepen, kan hij of zij dus nog kiezen, voor de door hem of haar toe te kennen goederen, voor een beperkte toekenning (bijvoorbeeld beperkt tot vruchtgebruik van alle of van sommige toe te kennen goederen), of voor een afwijkende toekenningssleutel beperkt tot een breukdeel, voor zover de goederen waarvoor die afwijking toepasselijk zou zijn, gevoeglijk deelbaar zijn, zodat geen onverdeeldheid ontstaat tussen het vermogen van de langstlevende en de nalatenschap van de overleden echtgenoot. Indien de langstlevende echtgenoot geen (tijdige) keuze maakt, wordt het toekenningsbeding niet toegepast. Alle toe te kennen goederen behoren dan tot de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot.

III. Motivering van de aanvraag

17. De echtgenoten hebben destijds gekozen voor een stelsel van scheiding van goederen. De wens tot behoud van het stelsel is op heden niet veranderd. Zij willen immers tijdens het huwelijk in het beheer van hun inkomsten en vermogens de ruimste autonomie genieten en behouden. Ook willen ze dat ieder van hen maximaal beschermd is tegen het risico van schulden door de ander aangegaan.

18. Onontbeerlijk voor de echtgenoten is dat zij voorzien in een eerlijke, billijke, solidaire en evenwichtige regeling voor de langstlevende voor het geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden van één van hen. Dit willen de echtgenoten zoals vermeld bereiken via een optioneel verblijvingsbeding en een optioneel toekenningsbeding, hetgeen hierna verder wordt toegelicht.

19. Die regeling willen ze uitwerken als essentieel onderdeel van hun huwelijksstelsel door de opname ervan in hun huwelijksovereenkomst. Dit doen zij dus niet om elkaar te begiftigen, maar om een billijke en eerlijke huwelijksvermogensrechtelijke regeling die kwalificeert als een niet-schenking, tot stand te brengen. De belangrijkste beweegreden die de echtgenoten ertoe brengt deze regeling in hun huwelijksovereenkomst op te nemen, ligt in de kwalificatie ervan als huwelijksvoordelen.

20. Deze regeling beoogt immers de hardheid van de scheiding van goederen te verzachten en te corrigeren op een wijze die volkomen aansluit bij de wensen van de echtgenoten.

21. De voorgenomen regeling die de echtgenoten wensen in hun huwelijksstelsel wordt ingegeven door verschillende noden en beweegredenen in hoofde van de echtgenoten.

Uiteenzetting van de motivering

22. In afwezigheid van afstammelingen zijn de wettelijke erfgenamen, naast de langstlevende, de familieleden in tweede en derde orde. Zij verkrijgen als wettelijke erfgenamen (uit de tweede en derde orde) in principe de blote eigendom op de nalatenschap. Indien er geen passende regeling wordt getroffen, kan de langstlevende echtgenoot verplicht worden om het vermogen te delen met schoonfamilie, wat tot conflicten kan leiden. Door het gebruik van het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding kunnen zij voorkomen dat bepaalde goederen in onverdeeldheid terechtkomen en vervolgens verdeeld moeten worden met andere erfgenamen. Dit voorkomt complexe vereffenings- en verdelingsprocedures, die vaak tot onzekerheid en kosten voor de langstlevende leiden.

Daarnaast zorgt de onmiddellijke eigendomsoverdracht via deze bedingen ervoor dat de langstlevende echtgenoot geen onderhandelingen hoeft te voeren met de familie van de overledene, wat emotionele en financiële spanningen minimaliseert.

De echtgenoten hebben sinds 2007 voorzien in een correctie op de strikte scheiding van goederen, destijds door toevoeging van een optioneel finaal verrekenbeding met betrekking tot de huwelijkse aanwinsten. De wens tot verzachting van de koude uitsluiting is op heden niet veranderd, maar de echtgenoten wensen ervoor te opteren om hieraan een andere invulling te geven. Op basis van het finaal verrekenbeding zou de langstlevende immers louter een verbintenisrechtelijk vorderingsrecht verkrijgen, wat zich beperkt tot een geldelijke verrekening, bovendien in samenspraak met de erfgenamen. Dergelijke regeling biedt niet het niveau van comfort dat de echtgenoten aan de langstlevende onder hen willen toekennen en willen daarom een bijkomend comfort bieden aan de langstlevende.

23. Nu het sedert 1 september 2018, als gevolg van de hervorming van het huwelijksvermogensrecht, mogelijk is om zakenrechtelijke huwelijksvoordelen toe te kennen aan de langstlevende echtgenoot wensen de echtgenoten hiervan gebruik te maken in de huwelijksovereenkomst. Het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding zorgen voor een comfortabele situatie in hoofde van de langstlevende echtgenoot.

Het stelt namelijk de langstlevende in staat om, bij overlijden van de eerste echtgenoot, van rechtswege, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom eigenaar te worden van de onverdeelde/eigen goederen.

Dit is voor de langstlevende echtgenoot een veel comfortabelere positie dan deze die door een finaal en facultatief verrekenbeding wordt gecreëerd.

Het nadeel van een verrekenbeding is immers dat het zich beperkt tot een geldelijke verrekening. Concreet betekent dit dat de langstlevende op basis van het verrekenbeding een louter verbintenisrechtelijk vorderingsrecht verkrijgt én geen enkele zakenrechtelijke claim op de persoonlijke goederen van de eerstoverledene. Dit betekent aldus dat het vermogen van de eerstoverledene, in eerste instantie geërfd wordt door de erfgenamen (ouder(s), broer(s)/zus(sen)) van de eerstoverledene aangezien de echtgenoten geen kinderen hebben. De langstlevende kan aldus louter een vordering uitoefenen en vervolgens het bedrag opeisen. De omvang, samenstelling en nettowaarde van de verrekenbare goederen zal bovendien door de echtgenoten c.q. erfgenamen samen en in onderling overleg worden vastgesteld. De langstlevende is m.a.w. afhankelijk van de overige erfgenamen van de eerstoverledene/derden. Deze afhankelijkheid wordt volledig uitgesloten door de optionele bedingen, waardoor de langstlevende niet afhankelijk is van betalingscapaciteit, onderhandelingen of mogelijke betwistingen met derden. Dit waarborgt onmiddellijke en volledige controle over de goederen die zij als essentieel beschouwen voor hun levensstandaard en comfort.

24. Bovendien kunnen de echtgenoten dit opzet niet op een andere manier en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken.

25. Het optioneel verblijvingsbeding slaat op alle goederen die op het tijdstip van overlijden van één van de echtgenoten tussen hen in onverdeeldheid zijn. Deze goederen zijn per definitie goederen waaraan zij een gezamenlijke (meestal gezinsgebonden) bestemming toekennen, en waarvan beide echtgenoten willen dat ze bij overlijden van één van hen onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom, aan de langstlevende toebehoren, voor zover de langstlevende hiervoor kiest, eveneens los van iedere roeping tot de nalatenschap van de overleden echtgenoot.

26. Het optioneel toekenningsbeding slaat op in de huwelijksovereenkomst vermelde goederen of categorieën van goederen van de ene dan wel van de andere echtgenoot, waarvan beide echtgenoten willen dat ze evenzeer bij overlijden van één van de echtgenoten onbeperkt, onmiddellijk en louter op basis van de wilsuiting van de langstlevende, ter zijne of hare beschikking worden gesteld, eveneens los van iedere roeping tot de nalatenschap van de overleden echtgenoot.

Het vermogen van de echtgenoten is namelijk minstens gedeeltelijk een “familievermogen”, zijnde vermogen geschonken door de respectievelijke ouders van de echtgenoten. Dit vermogen dient dus te worden beschouwd als eigen vermogen. Het finaal verrekenbeding, zoals opgenomen in de huwelijksovereenkomst d.d. 2007 biedt geen verrekening van het eigen vermogen van de echtgenoten. Het is echter wel de intentie van de echtgenoten om, zeker gelet op het feit dat zij geen afstammelingen hebben, om dit familievermogen te laten toekomen aan de langstlevende echtgenoot.

27. Het is daarbij essentieel dat deze regeling in de huwelijksovereenkomst wordt opgenomen en met het huwelijksstelsel wordt verweven, omdat deze regeling gestoeld is op huwelijksvermogensrechtelijke afspraken tussen de echtgenoten. Ze gaat helemaal niet uit van enige intentie van de echtgenoten om de andere, voor het geval hij/zij langer zou leven, onder kosteloze titel te begiftigen, met andere woorden om hem/haar kosteloos te verrijken of te begiftigen. De intentie is enkel om de langstlevende toe te kennen waar deze, naar het oordeel van beide echtgenoten, op gerechtigd hoort te zijn. Het is dus essentieel dat de uitgewerkte regeling niet als schenking, en enkel als huwelijksvoordeel kan worden gekwalificeerd.

28. Als bijkomende motieven voor de gekozen regeling geven de echtgenoten ook nog aan dat zowel het optioneel verblijvingsbeding als het optioneel toekenningsbeding, zoals hierna toegelicht, volkomen verenigbaar is met de autonomie die ze voor zichzelf voorbehouden door de initiële keuze voor een stelsel van scheiding van goederen.

Bij een stelsel van scheiding van goederen blijven de vermogens van beide echtgenoten strikt gescheiden. Dit betekent dat elk van de echtgenoten volledige controle behoudt over zijn of haar eigen inkomsten, eigendommen en investeringen. De inbreng van het eigen vermogen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen is niet wenselijk. De bestuursregeling en de regeling inzake de verhaalbaarheid van schulden die op een TIGV toepasselijk zijn, stroken niet met de bekommernissen van de echtgenoten. Zij willen immers tijdens het huwelijk op de meest volstrekte wijze hun eigen goederen, ook de voorhuwelijkse goederen integraal in hun eigen vermogen behouden. Door een inbreng in het TIGV zal bij een eventuele verkoop zaakvervanging optreden waardoor de echtgenoten de mogelijkheid verliezen om alleen over de verkoopprijs te kunnen beschikken, hetgeen voor de echtgenoten van cruciaal belang is.

Met name voor de goederen die hen exclusief toebehoren en voorwerp kunnen zijn van een toekenning aan de langstlevende, vermelden ze in hun ontwerp van huwelijksovereenkomst expliciet (zie artikel 44 van het ontwerp van huwelijksovereenkomst):

“De echtgenoten kunnen over de goederen die het voorwerp zijn van het toekenningsbeding tijdens het huwelijk vrij beschikken, onder voorbehoud van volgende beperkingen.

Voor beschikkingen ten bezwarende titel:

  • De echtgenoten kunnen deze goederen vrij besteden en vervreemden zolang hiervoor goederen worden verkregen waarop zaakvervanging zal gelden, zoals uitvoerig in Artikel 9 omschreven;
  • Indien de goederen niet door andere goederen worden vervangen in de zin van Artikel 9, kunnen de echtgenoten deze goederen enkel aanwenden voor gezinsgerelateerde bestedingen en uitgaven. Gezinsgerelateerde uitgaven zoals hier bedoeld zijn alle uitgaven met deze goederen die niet plaatsvinden met het oogmerk om de andere echtgenoot te benadelen. Deze uitgaven zijn dus veel ruimer dan hetgeen is bedoeld met gezinslasten zoals wettelijk in artikel 217 oud BW omschreven.

Voor beschikkingen ten kosteloze titel:

  • De echtgenoten kunnen de goederen die het voorwerp zijn van het toekenningsbeding niet schenken zonder instemming van de andere echtgenoot, tenzij het om een gebruikelijke schenking zou gaan (zoals in artikel 4.87, §2, eerste lid BW omschreven).”

De autonomie van de echtgenoten in het beheer van hun goederen blijft dus groot, zoals door de echtgenoten gewenst. De echtgenoten wensen enerzijds autonomie, in de mate als aangegeven, maar anderzijds is het voor hen ondenkbaar om het stelsel van scheiding van goederen, niet aan te vullen met een onopzegbare en flexibele regeling die de langstlevende datgene toekent wat beide echtgenoten hem of haar wensen toe te kennen.

29. De regeling die de echtgenoten uitwerken moet inderdaad ook onopzegbaar zijn, zodat geen van hen deze regeling eenzijdig kan wijzigen of intrekken. Daarom wordt deze regeling in hun huwelijksovereenkomst opgenomen én in het gekozen huwelijksstelsel geïntegreerd. Hierbij hebben de echtgenoten aan de langstlevende, op hun onverdeelde goederen die op het einde van hun huwelijk in het vermogen van de eerst overledene aanwezig zullen zijn, en op bepaalde goederen die hun op dat ogenblik exclusief zullen toebehoren, rechten toegekend die op dat ogenblik onbetwistbaar kunnen worden uitgeoefend, louter krachtens die huwelijksovereenkomst.

30. Om de langstlevende de billijke en evenwichtige regeling toe te kennen die ze voor ogen hebben, is een testamentaire beschikking dus niet geschikt, want die biedt de langstlevende het comfort niet van een bindende conventionele afspraak, zonder enig risico van willekeurige eenzijdige herroeping ervan. De echtgenoten wensen elkaar de nodige zekerheid en gemoedsrust te geven over de onherroepelijkheid ervan.

Een schenking van toekomstige goederen of contractuele erfstelling kan wel onherroepelijk worden bedongen indien deze in de huwelijksovereenkomst wordt opgenomen (art. 4.240 BW), maar is evenmin een door de echtgenoten gewenst alternatief voor het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding dat zij voor ogen hebben.

Vooreerst vereist een onherroepelijke contractuele erfstelling een intentie om te begiftigen (animus donandi), die allerminst aanwezig is in hoofde van de echtgenoten. Daarnaast wensen de echtgenoten door middel van het optioneel toekenningsbeding te voorzien in een regeling die beperkt blijft tot bepaalde eigen goederen van ieder van hen, en geen betrekking heeft op alle goederen van een echtgenoot of een gedeelte hiervan. Het Burgerlijk Wetboek biedt echter geen wettelijke basis voor een contractuele erfstelling ten bijzondere titel, dus enkel met betrekking tot in de huwelijksovereenkomst vermelde goederen of categorieën van goederen, waardoor het onzeker is of dergelijke contractuele erfstelling juridisch mogelijk is, zeker indien de echtgenoot-bedinger beschikkingsbevoegdheden op die goederen wenst te behouden, ook al zijn deze bevoegdheden niet onbeperkt.

De echtgenoten wensen inderdaad een regeling die met deze beschikkingsbevoegdheden verenigbaar is, binnen de grenzen die ze daar zelf voor bepalen. Een contractuele erfstelling is niet geschikt om deze doelstelling te bereiken, aangezien het onzeker is of de echtgenoten tijdens hun leven nog onder kosteloze titel (art. 4.233, § 2 BW) dan wel onder bezwarende titel (art. 4.235, derde lid jo. 4.237, § 3 BW) kunnen beschikken over de goederen die het voorwerp uitmaken van een contractuele erfstelling.

Evenmin is voor de echtgenoten de mogelijkheid van een schenking van tegenwoordige goederen geschikt om hun doelstellingen te bereiken. Een dergelijke schenking is ook onherroepelijk indien ze in de huwelijksovereenkomst wordt bedongen (art. 4.240 BW). Ze is echter totaal onverenigbaar met de ruimte die de echtgenoten mekaar willen laten om tijdens het huwelijk verder autonome beschikkingsbevoegdheden op het eigen vermogen uit te oefenen. Een dergelijke schenking zou immers onmiddellijk en actueel tot eigendomsoverdracht ten voordele van de andere echtgenoot leiden. Dat is niet wat de echtgenoten beogen. Ze willen een regeling ten voordele van de langstlevende, die enkel uitwerking heeft op het ogenblik van het overlijden van een van hen, en dus enkel overlevingsrechten toekent, geen actuele eigendomsrechten.

Bovendien is elke beschikking onder kosteloze titel ook onverenigbaar met de meest essentiële bekommernis van de echtgenoten, die mekaar voor de goederen in het beding omschreven, een niet-schenking willen toekennen, met andere woorden een huwelijksvoordeel, zoals reeds toegelicht.

31. Verder streven de echtgenoten ook naar flexibiliteit die ze voor de langstlevende wensen zodat hij of zij op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk door overlijden zelf mag bepalen of en in welke mate hij of zij zich op het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding wil beroepen. Deze flexibiliteit kan met een contractuele erfstelling niet worden bereikt, en dus ook aan deze wens van de echtgenoten beantwoordt een contractuele erfstelling niet. Een contractuele erfstelling kan na het overlijden van de beschikker wel door de begiftigde worden aanvaard (ook onder voorrecht van boedelbeschrijving) of verworpen, maar de begiftigde kan niet de optie worden verleend voor een gedeeltelijke aanvaarding, noch voor een aanvaarding beperkt tot bepaalde goederen.

Met het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding behoudt de langstlevende de keuze om, na het overlijden van de andere, genoegen te nemen met een kleiner voordeel. De niet gekozen goederen vallen desgevallend in de nalatenschap van de overleden echtgenoot en zullen worden vererfd, ofwel krachtens de regels van de wettelijke devolutie, ofwel krachtens de testamentaire beschikking die de overleden echtgenoot hierover zou hebben getroffen. De langstlevende kan dus na overlijden zelf afwegen waar zijn of haar belangen best mee gediend zijn. Hij of zij mag daarbij zelfstandig oordelen of en hoe hij of zij op dat ogenblik deze eigen belangen afweegt met deze van de erfgenamen van de overleden echtgenoot.

32. Tot slot voorzien het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding dat de schulden die op het betrokken goed, voorwerp van een optioneel beding, betrekking hebben, hetzij exclusief ten laste vallen van de langstlevende, in geval van verblijving in exclusieve eigendom en ingeval van integrale toekenning; hetzij te zijnen of haren laste vallen in verhouding tot de waarde van het breukdeel dat hij of zij zich in dat goed laat toewijzen of toekennen, in geval van alternatieve toewijzing of toekenning.

De echtgenoten willen immers een consequente regeling uitwerken die volkomen met hun huwelijksstelsel is verweven, en daarom ook aan het principe onderworpen blijft dat de toekenning van een huwelijksvoordeel wel degelijk gepaard moet gaan met een parallelle regeling voor de schulden die aan het voorwerp van het huwelijksvoordeel verbonden zijn (ubi emolumentum, ibi onus). De echtgenoten verkiezen om in de logica van de kwalificatie als huwelijksvoordelen te blijven, ook al gaat dit gepaard met een risico verbonden aan een bijdrage in de eventuele schulden van de overleden echtgenoot.

Ze weten uiteraard dat een beschikking onder kosteloze titel die ook ten bijzondere titel zou worden toegekend geen verplichting tot bijdrage in de schulden van de schenker of beschikker met zich zou meebrengen, maar een dergelijke beschikking zou ook geen voorrang hebben op de aanspraken van schuldeisers en kan de langstlevende dus op grond van de regel nemo liberalis nisi liberatus (niemand kan vrijgevig zijn zolang zijn schulden niet voldaan zijn), ook niet volkomen tegen dit schuldeisersrisico beschermen.

Conclusie

33. De toevoeging van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding laat de echtgenoten toe, binnen het stelsel van scheiding van goederen en ten titel van huwelijksvoordeel, zonder de intentie om te begiftigen, op een wijze die verenigbaar is met de autonomie die ze met dit stelsel onderling willen vastleggen, hun beider wensen voor de billijke en evenwichtige regeling van de langstlevende zeer ruim en tegelijk zeer flexibel te bereiken, binnen de krijtlijnen die de civiele wet aangeeft.

Deze civielrechtelijke motieven zijn voor de echtgenoten doorslaggevend bij hun voornemen om het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding, die in deze aanvraag worden vermeld, met verzoek tot bevestiging van hun fiscale consequentie als uiteengezet, in hun huwelijksovereenkomst op te nemen.

De door de echtgenoten beoogde doelstellingen kunnen zij niet op een andere manier en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling en evenmin door een schenking.

Fiscale kwalificatie van de optionele bedingen

1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

34. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge de voorgenomen verrichting zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling). Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking.

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen, onder meer in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW. Hij heeft ook hun toepassing naar analogie in het stelsel van scheiding van goederen expliciet bevestigd (art. 2.3.64 § 1, vierde lid BW).

Beide optionele bedingen zijn huwelijksvermogensrechtelijke bedingen die de wijze van werking en vereffening van het huwelijksvermogensstelsel nader regelen en waaruit voor de langstlevende een huwelijksvoordeel kan ontstaan.

35. Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel, waarvan de vereffening voorgaat op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap (Cass. 24 maart 2017). Het kan om die reden nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding ook geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking (Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017). Deze kwalificatie is objectief, d.w.z. dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen (animus donandi) kan die kwalificatie niet wijzigen, sterker nog, het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen is onontvankelijk en mag dus zelfs niet geleverd worden (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).

De kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking is absoluut; ze kent geen uitzonderingen. Hooguit kan een huwelijksvoordeel inkortbaar zijn, indien het de maxima of plafonds overschrijdt zoals in artikel 2.3.57 BW vermeld (bij samenloop van de langstlevende echtgenoot met gemeenschappelijke kinderen) dan wel in artikel 2.3.58 BW (bij samenloop van de langstlevende echtgenoot met niet- gemeenschappelijke kinderen). Ook een inkortbaar huwelijksvoordeel, ook onvolkomen huwelijksvoordeel genoemd, blijft evenwel een niet-schenking (Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017).

36. Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel, en dus niet-schenking, zowel voor volkomen als voor onvolkomen huwelijksvoordelen aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het overwogen optioneel toekenningsbeding, die beide in de huwelijksovereenkomst worden opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

37. Omwille van de kwalificatie als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende van de echtgenoten zou verkrijgen hetzij krachtens het optioneel verblijvingsbeding, hetzij krachtens het optioneel toekenningsbeding, evenmin artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden toegepast. Dat artikel belast met erfbelasting schenkingen van roerende goederen die de erflater zou hebben gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

38. De optionele bedingen zullen weliswaar enkel uitwerking hebben bij overlijden van een van de echtgenoten, maar van een schenking kan hoe dan ook geen sprake zijn, vermits het om een huwelijksvoordeel gaat, dus om een niet-schenking.

De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het optioneel toekenningsbeding, die beide in de huwelijksovereenkomst worden opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

39. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot krachtens een beding van de huwelijksovereenkomst meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt. De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin sprake is van een stelsel met een gemeenschap.

40. De echtgenoten zijn getrouwd onder een stelsel van scheiding van goederen. Wel wensen de echtgenoten aan het stelsel van scheiding van goederen zowel een optioneel verblijvingsbeding als een optioneel toekenningsbeding toe te voegen. Deze bedingen hebben geen betrekking op gemeenschapsgoederen, vermits tussen de echtgenoten geen gemeenschap bestaat.

De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn dus niet vervuld. De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het optioneel toekenningsbeding, die beide in de huwelijksovereenkomst worden opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

41. Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

  1. een kosteloze beschikking;
  2. gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden;
  3. waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.

42. De optionele bedingen houden evenwel geen kosteloze beschikking in, zoals hierboven reeds uitgebreid toegelicht. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking. Dat bevestigde ook het Hof van Cassatie (Cass. 5 januari 2017), zoals eerder aangehaald.

De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF zijn niet vervuld. De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het optioneel toekenningsbeding, die beide in de huwelijksovereenkomst worden opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

5. Geen toepassing van artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF

43. Artikel 2.7.3.4.1.,1° VCF weert als passief van de nalatenschap de schulden die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel.

Het optioneel toekenningbeding heeft weliswaar betrekking op de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten, maar doet in hoofde van de overleden echtgenoot geen obligatoire schuld ontstaan. Het beding creëert inderdaad in hoofde van de erfgenamen van de overleden echtgenoot geen schuld die hij of zij tegenover de langstlevende zouden moeten voldoen. Het verleent integendeel aan de langstlevende een rechtstreekse en zakelijke/zakenrechtelijke aanspraak op de toe te kennen goederen. Hetzelfde kan worden gezegd over het optioneel verblijvingsbeding.

Bijgevolg is artikel 2.7.3.4.1, °1, tweede volzin VCF niet toepasselijk op de met het optioneel toekenningsbeding en verblijvingsbeding beoogde verrichting. Er is geen sprake van een passief dat al of niet in mindering zou komen van het belastbaar actief van de nalatenschap van de overleden echtgenoot. Er is enkel sprake van een actief dat door de werking van het huwelijksvermogensrechtelijk beding aan de langstlevende echtgenoot wordt overgedragen, en bij het vaststellen van de omvang van de nalatenschap van de overleden echtgenoot, niet meer tot zijn vermogen behoort.

6. Geen beding van aanwas noch kanscontract in de zin van het SP 17044

44. De optionele bedingen verlenen huwelijksvoordelen, die louter huwelijksvermogensrechtelijk worden verkregen. Beide optionele bedingen zijn inderdaad in de huwelijksovereenkomst opgenomen als bedingen met betrekking tot de werking en vereffening van de vermogens van de echtgenoten. Ze zijn met het huwelijksstelsel verweven en maken daar integraal deel van uit. Ze kunnen niet los van het huwelijksstelsel worden begrepen, toegepast noch gekwalificeerd.

45. Er is met betrekking tot deze optionele bedingen dus geen sprake van een beding van aanwas respectievelijk van een kanscontract.

Naar het oordeel van uw dienst is de uitwerking van een kanscontract niet onderworpen aan de heffing van schenk- en erfbelasting (maar wel aan de heffing van het verkooprecht als het op onroerende goederen betrekking heeft) onder de voorwaarden die in SP 17044 zijn vermeld.

Dit standpunt is in casu irrelevant. De optionele bedingen die de echtgenoten in hun huwelijksovereenkomst opnemen, moeten niet aan de voorwaarden voldoen die voor een beding van aanwas respectievelijk voor een kanscontract gelden, omdat ze niet als een beding van aanwas respectievelijk kanscontract kwalificeren, maar wel als een huwelijksvoordeel. Ze zijn dus onderworpen aan zelfstandige eisen om niet aan schenk- en erfbelasting onderworpen te zijn en vallen niet onder de vereisten van het SP 17044.

De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het optioneel toekenningsbeding is niet onderworpen aan schenk- en erfbelasting, ook zonder dat aan de vereisten van SP 17044 moet zijn voldaan, omdat ze beide als huwelijksvoordelen kwalificeren.

7. De keuze voor de optionele bedingen maakt geen fiscaal misbruik uit

46. De voorgenomen optionele bedingen frustreren de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de echtgenoten geen schenking noch kosteloze beschikking ten voordele van mekaar en met uitwerking bij overlijden van één van hen beogen. Ze beogen een huwelijksvoordeel met de daaraan verbonden specifieke toepassingsvoorwaarden en zijn eigen civiele kwalificatie, zoals in deze aanvraag uitvoerig toegelicht. Daarom frustreert deze verrichting ook art. 2.7.1.0.5 VCF, dat enkel kosteloze beschikkingen beoogt, niet.

47. De voorgenomen verrichting frustreert evenmin art. 2.7.1.0.4 VCF, omdat er tussen de echtgenoten geen gemeenschap heeft bestaan en ook niet zal bestaan.

48. De keuze voor het stelsel van scheiding van goederen en de optionele bedingen die de echtgenoten wensen, frustreert evenmin artikel 2.7.1.0.2 VCF. Er bestaan voor die keuze en de daaruit te verkrijgen huwelijksvoordelen immers sterke niet-fiscale motieven, die uitvoerig zijn toegelicht.

49. Het voorgenomen optioneel toekenningsbeding frustreert artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF niet, omdat het beding geen schuld doet ontstaan die betrekking zou hebben op de vereffening van het stelsel in de zin van dat artikel.

50. De voorgenomen verrichting frustreert noch een specifieke antimisbruikbepaling, noch de algemene antimisbruikbepaling. Artikel 3.17.0.0.2 VCF kan daarom niet op de voorgenomen verrichting toegepast worden. De echtgenoten verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de in deze aanvraag uiteengezette motieven.

IV. Beslissing

51. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing.

52. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

53. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

…

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, dat luidt als volgt:

Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard:

1° de schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan. Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;

2° de begrafeniskosten.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF (antimisbruikbepaling), dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting(en)

54. Volgende verrichtingen worden voorgelegd, die verwezenlijkt worden via een wijziging van de huwelijksovereenkomst.

De echtgenoten X en Y waren oorspronkelijk gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1976, gewijzigd telkens met behoud van het stelsel, ingevolge huwelijksovereenkomst bij akte verleden voor zelfde notaris […] op xx.xx.1990 en ingevolge huwelijksovereenkomst bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2007. Bij deze wijzigende huwelijksovereenkomst van xx.xx.2007 werd een optioneel finaal verrekenbeding van de aanwinsten, met uitsluiting van de tussen echtgenoten geschonken goederen en met uitsluiting van de gezinswoning, toegevoegd voor het geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden.

De aanvragers hebben geen kinderen.

De aanvragers wensen elkaar maximaal te beschermen ingeval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden. Hiertoe nemen zij zich voor het bestaande optioneel finaal verrekenbeding te schrappen en dit te vervangen door wederzijdse optionele verblijvings- en toekenningsbedingen van alle goederen, zowel aanwinsten als niet-aanwinsten.

Beoordeling

Optioneel verblijvingsbeding en optioneel eenzijdig toekenningsbeding

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF

55. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.

In de mate bijgevolg dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

56. In de mate dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

57. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

58. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

59. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

60. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

61. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschappelijk vermogen bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de exclusief eigen goederen heeft volgens de aanvrager geen betrekking op een wettelijke of conventionele gemeenschap.

62. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

63. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

64. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF?

65. Artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, VCF bepaalt welke schulden aanvaardbaar zijn als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner. Ingevolge de tweede volzin van dit artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, VCF zijn schulden die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel niet aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap.

Aanvrager geeft aan dat de optionele verblijvings- en toekenningsbedingen geen schuld creëren, maar aan de langstlevende een rechtstreekse en zakenrechtelijke aanspraak verlenen op de onverdeelde goederen en op welbepaalde eigen goederen.

66. Zoals hiervoor reeds gemeld wordt, merkt het besluitvormingsorgaan op dat er in de rechtsleer verschillende stromingen bestaan voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen. Het besluitvormingsorgaan spreekt zich evenwel niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen.

Uit de motivering van de aanvraag blijkt dat aanvrager de analyse in de rechtsleer volgt, die zowel de (optionele) verblijvingsbedingen als de (optionele) toekenningsbedingen kwalificeren als een geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking in een stelsel van scheiding van goederen.

In de mate dat deze burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking correct is, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Dit heeft als gevolg dat door de optionele verblijvings- en toekenningsbedingen geen schuld gecreëerd wordt, zodat bij de verblijving en de toekenning ten gevolge van de nieuwe bedingen geen toepassing zal worden gemaakt van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

2.1. Algemeen

67. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting en de artikelen van hoofdstuk 8 (schenkbelasting) de rechtsgrond voor de heffing van de schenkbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling, en dit doorslaggevend met fiscale motieven.

De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

2.2. In casu

68. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat aanvragers bij de voorgenomen wijzigende huwelijksovereenkomst het optioneel finaal verrekenbeding van de aanwinsten wensen te vervangen door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen, betrekking hebbend op zowel de aanwinsten als de niet-aanwinsten.

Hierbij geven aanvragers onder meer aan dat het te schrappen verrekenbeding zich beperkte tot de aanwinsten, terwijl het vermogen van de echtgenoten “minstens gedeeltelijk een ‘familievermogen’ (is), zijnde vermogen geschonken door de respectievelijke ouders van de echtgenoten. Dit vermogen dient dus te worden beschouwd als eigen vermogen. Het finaal verrekenbeding, zoals opgenomen in de huwelijksovereenkomst d.d. 2007 biedt geen verrekening van het eigen vermogen van de echtgenoten. Het is echter wel de intentie van de echtgenoten om, zeker gelet op het feit dat zij geen afstammelingen hebben, dit familievermogen te laten toekomen aan de langstlevende echtgenoot.” (tweede paragraaf van randnummer 26 van de aanvraag).

69. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de in de aanvraag opgenomen motivering, is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt van voormelde artikelen, in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

70. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Afschriften van de oorspronkelijke huwelijksovereenkomst van xx.xx.1976 en de wijzigende huwelijksovereenkomsten van xx.xx.1990 en xx.xx.2007 werden bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[2] Een ontwerp van de voorgenomen wijzigende huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.