VB 26016 - Beding van aanwas - kanscontract
- Nummer
26016
- Datum beslissing
21 april 2026
- Publicatiedatum
28 mei 2026
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvragers wensen de bevestiging dat er voldaan is aan de voorwaarde van een gelijkwaardige inleg, indien alle hierna gemelde goederen integraal als voorwerp van de overeenkomst worden genomen, zodat er na registratie van de overeenkomst:
1.1. bij hierna gemelde registratie van de overeenkomst geen toepassing dient te worden gemaakt van artikel 2.8.1.0.1 VCF of artikel 2.8.4.1.1 VCF, waardoor er geen schenkbelasting verschuldigd zal zijn;
1.2. bij overlijden van een van de aanvragers geen toepassing dient te worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF, waardoor er geen erfbelasting verschuldigd zal zijn.
2. De aanvragers wensen de bevestiging, abstractie makend van de voorwaarde vermeld in randnummer 1, dat er is voldaan alle andere voorwaarden voor een kanscontract met de voormelde fiscaal neutrale gevolgen, zodat er na registratie van de overeenkomst:
2.1. bij hierna gemelde registratie van de overeenkomst geen toepassing dient te worden gemaakt van artikel 2.8.1.0.1 VCF of artikel 2.8.4.1.1 VCF, waardoor er geen schenkbelasting verschuldigd zal zijn;
2.2. bij overlijden van een van de aanvragers geen toepassing dient te worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF, waardoor er geen erfbelasting verschuldigd zal zijn.
3. de aanvragers wensen de bevestiging dat de voorgestelde clausule van zaakvervanging geen afbreuk doet aan het voorgaande, zodat er na registratie van de overeenkomst:
3.1. bij hierna gemelde registratie van de overeenkomst geen toepassing dient te worden gemaakt van artikel 2.8.1.0.1 VCF of artikel 2.8.4.1.1 VCF, waardoor er geen schenkbelasting verschuldigd zal zijn
3.2. Bij overlijden van een van de aanvragers geen toepassing dient te worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF, waardoor er geen erfbelasting verschuldigd zal zijn
4. De aanvragers wensen de bevestiging dat het voorgestelde vervreemdingsverbod geen afbreuk doet aan het voorgaande, zodat er na registratie van de overeenkomst:
4.1. bij hierna gemelde registratie van de overeenkomst geen toepassing dient te worden gemaakt van artikel 2.8.1.0.1 VCF of artikel 2.8.4.1.1 VCF, waardoor er geen schenkbelasting verschuldigd zal zijn.
4.2 bij overlijden van een van de aanvragers geen toepassing dient te worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF, waardoor er geen erfbelasting verschuldigd zal zijn.
5. De aanvragers wensen de bevestiging dat de voorgestelde overeenkomst geen fiscaal misbruik in de zin van enige anti-misbruikbepaling van de Vlaamse Codex Fiscaliteit uitmaakt, in het bijzonder artikel 3.17.0.0.2 VCF, al dan niet in combinatie met een van de andere voormelde bepalingen, aangezien er duidelijk sprake is van zwaarwichtige niet-fiscale motieven.
6. Voormelde vragen worden gesteld met het oog op de volgende wettelijke en/of reglementaire bepalingen:
Artikel 2.7.1.0.2 VCF;
Artikel 2.7.1.0.3 VCF;
Artikel 2.7.1.0.5 VCF;
Artikel 2.8.1.0.1 VCF;
Artikel 2.8.4.1.1 VCF;
Artikel 3.17.0.0.2 VCF.
7. De Aanvragers verzoeken uitdrukkelijk, overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1, VCF, dat, gelet op het voorwerp van de aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen, langer zal zijn dan vijf jaar. Meer bepaald verzoeken zij om een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het overlijden van één van hen beiden.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
8. De aanvraag wordt ingediend door notaris […] namens het echtpaar de heer en mevrouw Y-X, met name:
8.1. Mevrouw X, geboren te […] op xx.xx.1955, ingeschreven in het nationaal register onder nummer […], en:
8.2. de heer Y, geboren te […] op xx.xx.1953, ingeschreven in het nationaal register onder nummer […],
samenwonend te […].
Hierna genoemd: “het echtpaar”, “de echtgenoten” of “de partijen”.
9. De heer en mevrouw Y-X zijn gehuwd te […] op xx.xx.1976 onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […], destijds te […], op xx.xx.1976, herbevestigd ingevolge akte verleden voor notaris […], voornoemd, op xx.xx.1977.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
10. De echtgenoten Y-X wensen een beding van aanwas te sluiten met betrekking tot de volgende financiële producten:
- De […]-effectenportefeuille […] met een waarde op 18 mei 2025 van € 351.488,80;
- De […]-effectenportefeuille […], met bijhorende portefeuillerekening […] en spaarrekening […], met een gezamenlijke waarde op 13 mei 2025 van € 491.649,63;
- De […]-pensioenspaarrekening […], de spaarrekening […], de spaarrekening […] en de beleggingsverzekering met fondsen […] op naam van mevrouw X, met een gezamenlijke waarde op 13 mei 2025 van € 88.546,10;
- De […]-pensioenspaarrekening […] op naam van de heer Y met een waarde op 13 mei 2025 van € 25.286,15;
11. De echtgenoten Y-X hebben verklaard dat voormelde specifieke goederen tussen hen in onverdeeldheid zijn, waarbij zij elk gerechtigd zijn op de helft van deze goederen, gelet op de kwalificatie van deze goederen als “aanwinst” in de zin van hun voormelde huwelijkscontract, ook al worden deze niet alle aangehouden op naam van beide echtgenoten samen.
III. Motivering van de aanvraag
12. Partijen wensen deze overeenkomst te sluiten met de volgende niet-fiscale motieven:
- De zorg voor en verzekering van de huidige levenskwaliteit en levensstandaard die de echtgenoten op heden samen genieten, waarbij zij uiteraard één huishouding voeren en elkaars levensstandaard op het door hen gewenste niveau houden. Zij wensen dat zij deze levensstandaard en levenskwaliteit ook na overlijden van een van hen kunnen behouden.
- Het goede en centrale beheer van het samen opgebouwde vermogen, zoals zij dit tot op heden steeds hebben gedaan.
- De verzekering van de goede banden onderling én ten aanzien van hun ruimere familie.
- De onherroepelijke aard van de overeenkomst, zodat een van hen niet onder invloed van derden de gecreëerde bescherming ongedaan kan maken. Dit zou wel kunnen bij een testament en beide echtgenoten wensen dit te allen tijde te voorkomen.
- Het waarborgen van de onafhankelijkheid die beide echtgenoten, die beroepsmatig zelfstandig waren, hun hele leven hebben genoten, wat tevens de reden is dat zij destijds de keuze maakten voor een stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten. Om die reden wensen de echtgenoten ook geen wijzigingen aan te brengen aan hun huwelijksvermogensrechtelijke stelsel.
- De flexibiliteit van de voorgestelde overeenkomst, die immers steeds in onderlinge overeenstemming tussen beide echtgenoten kan worden gewijzigd. De echtgenoten zijn er zich namelijk van bewust dat er zich in de toekomst gebeurtenissen kunnen voordoen die een wijziging aan de voorgestelde overeenkomst noodzaken, bijvoorbeeld indien een van hen zorgbehoevend zou worden en daartoe de nodige financiële middelen zou nodig hebben. In voorkomend geval kunnen de echtgenoten de op dat moment noodzakelijke regeling treffen, zonder dat daar iets aan in de weg staat en zonder dat er een wijzigend huwelijkscontract vereist is.
13. Juridische analyse
M.i. voldoet de voorgestelde overeenkomst aan de voorwaarden die worden gesteld in Uw standpunt 17044 dd. 11 oktober 2021, waarbij u deze voorwaarden op gelijke wijze stelt voor bedingen van aanwas als voor de ruimere categorie van de kanscontracten in het algemeen.
Ten eerste is de voorgestelde overeenkomst onder bezwarende titel, aangezien er voldaan is aan de twee volgende vereisten die gelden bij ieder kanscontract (dat steeds onder bezwarende titel is): gelijkaardige levensverwachting en gelijkwaardige inleg.
Gelijkaardige levensverwachting: beide echtgenoten hebben slechts een verschil van twee jaar in leeftijd. Bijgevolg is hun levensverwachting op heden gelijkaardig.
Gelijkwaardige inleg: beide echtgenoten hebben verklaard dat voorbeschreven goederen hen elk voor de helft toebehoren.
Ten tweede is de voorgestelde overeenkomst onder bijzondere titel, aangezien de overeenkomst betrekking heeft op de voormelde, concreet opgesomde goederen en niet op alle goederen die een partij bij zijn overlijden zal nalaten, noch op al zijn onroerende goederen, noch op al zijn roerende goederen, noch op een evenredig deel daarvan bij zijn overlijden.
Gelet op de vervulling van twee voormelde voorwaarden is er geen sprake van een verboden erfovereenkomst in de zin van artikel 4.242 BW. Als er al sprake zou zij van een erfovereenkomst, dan is deze minstens toegelaten in de zin van artikel 4.243 BW.
Ten derde is er geen sprake van onroerende goederen, waardoor de overeenkomst niet in authentieke vorm dient te worden verleden.
Op deze manier is ook voldaan aan de door U gestelde voorwaarden, zoals beschreven in Uw standpunt 17044 dd. 11 oktober 2021.
In de overeenkomst zou ook worden voorzien in conventionele zaakvervanging, zodat alles wat er in de plaats komt van de oorspronkelijke goederen tevens deel uitmaakt van de overeenkomst. Het betreft een loutere toepassing van het algemeen principe van artikel 3.10 BW.
Om elkaar maximaal te beschermen wensen beide echtgenoten ten slotte te voorzien in een vervreemdingsverbod met betrekking tot de goederen voorwerp van de voorgestelde overeenkomst. Dergelijk vervreemdingsverbod is geoorloofd in de zin van artikel 3.53 BW, aangezien het in de tijd beperkt zou zijn en tevens een rechtmatig belang dient.
Ten slotte wensen partijen de overeenkomst te sluiten met de voormelde niet-fiscale motieven, waardoor er m.i. geen sprake is van enig fiscaal misbruik in de zin van de anti-misbruikbepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Er is weliswaar een fiscaal voordeel verbonden aan voormelde overeenkomst, doch de niet-fiscale motieven halen duidelijk de bovenhand.
Bijgevolg zal de overgang van de voormelde goederen m.i. niet onderworpen zijn aan schenkbelasting of aan erfbelasting. De overgang gebeurt met andere woorden op een fiscaal neutrale manier.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
14. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
15. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:
- Artikel 2.7.1.0.3. VCF dat luidt als volgt:
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :
1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”.
- Artikel 2.8.1.0.1. VCF dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”
- Artikel 2.8.4.1.1 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”;
- Artikel 3.17.0.0.2. VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
16. Het feit dat een beding van aanwas tussen echtgenoten wordt afgesloten maakt dit beding van aanwas op zich niet ongeldig. Wanneer een beding van aanwas wordt afgesloten tussen echtgenoten moet het slaan op de eigen goederen van de echtgenoten die ze in onverdeeldheid bezitten. Het kan geen betrekking hebben op goederen die tot de huwgemeenschap behoren.
In casu zijn de echtgenoten Y-X gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten.
Zij wensen een beding van aanwas te sluiten met betrekking tot bepaalde aanwinsten en bijgevolg met betrekking tot goederen van het gemeenschappelijk vermogen. Dit wordt niet beschouwd als een geldig beding van aanwas. Het besluitvormingsorgaan verwijst hiervoor naar het standpunt van Vlabel nr. 17044.
Bijgevolg kan niet geoordeeld worden over de gestelde vragen.
17. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. Aangezien in casu de voorgenomen overeenkomst geen geldig beding van aanwas/kanscontract ten bezwarende titel vormt is de vraag naar de toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF zonder voorwerp geworden.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenk – en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.