VB 26018 - Verdeling gevolgd door schenking
- Nummer
26018
- Datum beslissing
21 april 2026
- Publicatiedatum
28 mei 2026
Heffing
- Schenkbelasting
- Verdeelrecht
- Verkooprecht
Wettelijke basis
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.3.0.1. VCF
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 2.10.1.0.1. VCF
- art. 2.10.3.0.1. VCF
- art. 2.10.4.0.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. Deze aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen:
1.1. Dat de overdracht tussen enerzijds de heer Z (overdrager) aan de echtgenoten X - Y (overnemers) kwalificeert als een rechtshandeling ten bezwarende titel, nl. een afstand-deling;
1.2. Dat de afstand-deling niet onderworpen zal worden aan schenkbelasting maar aan het verdeelrecht;
1.3. Dat het verdeelrecht geheven zal worden over de waarde van de afgestane delen, aangezien de onverdeeldheid niet ophoudt;
1.4. Dat bij de schenking door de ouders, m.n. de echtgenoten X – Y aan de dochter, m.n. mevrouw A schenkbelasting zal geheven worden over de volledige venale waarde van het onroerend goed en dit in het tarief in rechte lijn;
1.5. Dat de overdracht door de zoon, m.n. Z aan de ouders, m.n. de echtgenoten X - Y, gevolgd door de schenking door de ouders, m.n. de echtgenoten X - Y aan de dochter, m.n. A geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, nu er niet-fiscale motieven aan de grondslag liggen van de vooropgestelde verrichting(en).
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
2. De aanvraag wordt ingediend door notaris […], namens:
2.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1957, rijksregisternummer […], en zijn echtgenote,
2.2. mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1957, rijksregisternummer […],
samen wonende te […].
De echtgenoten X - Y zijn gehuwd te […] op xx.xx.1980 onder het stelsel van de algehele gemeenschap ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […], destijds te […] op xx.xx.1980, gewijzigd met behoud van het stelsel ingevolge akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2014, gewijzigd met behoud van het stelsel ingevolge akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2021, en nadien niet meer gewijzigd.
3. Uit het huwelijk van de heer X en mevrouw Y zijn volgende kinderen geboren:
3.1. De heer Z, geboren te […] op xx.xx.1984, rijksregisternummer […], ongehuwd en geen verklaring van wettelijke samenwoning, wonende te […], zoon van voormelde echtgenoten X - Y.
3.2. Mevrouw A, geboren te […] op xx.xx.1983, rijksregisternummer […], wettelijk samenwonende partner van de heer […], wonende te […], die een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd te […] op xx.xx.2017, dochter van de echtgenoten X – Y. Deze kinderen hebben allemaal de Belgische nationaliteit.
4. Het betrokken onroerend goed betreft:
Het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de voorgenomen rechtshandelingen, wordt kadastraal omschreven als volgt:
STAD […], eerste afdeling
Een perceel bouwgrond (lot 2) met alle verdere aanhorigheden, gelegen langs […]. De grond is volgens titel en recent kadastraal uittreksel bekend als sectie C, nummer […], telkens groot vijf are drieënnegentig centiare (5a 93ca).
Het goed behoort ingevolge aankoop bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2021 toe als volgt:
- Voor de onverdeelde helft aan de huwgemeenschap X - Y;
- De andere onverdeelde helft aan de heer Z.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
5. Stap 1:
De heer Z – de zoon van echtgenoten X - Y – is ongehuwd, kinderloos en zonder relatie. Zoals velen in zijn situatie, heeft de heer Z een “vrijgezellentestament” opgemaakt, waarin hij zijn volledige vermogen legateert aan zijn twee ouders.
De heer Z wenst zijn vermogen niet langer te beleggen in een (onverdeeld) onroerend goed. De bouwgrond genereert geen huurinkomsten en zijn investering kan niet zonder meer liquide worden gemaakt. Dit kan enkel indien de andere mede-eigenaars instemmen met een verkoop. Hij bezit aldus een potentieel onvervreemdbare onverdeelde helft in een perceel bouwgrond, dat bij zijn overlijden zal toekomen aan zijn legatarissen, zonder dat hij tijdens zijn leven enig genot van deze investering zal hebben gehad. Hij geeft vandaag de voorkeur aan liquide middelen waarover hij vrij kan beschikken en die hij naar eigen inzicht kan herinvesteren.
De heer en mevrouw X – Y (ouders) zien het niet zitten om de bouwgrond te verkopen teneinde het aandeel van de heer Z liquide te maken. Daarom zijn de heer en mevrouw X – Y, met de heer Z overeengekomen dat de heer en mevrouw X – Y het onverdeeld eigendomsaandeel van de heer Z tegen een oplegsom zullen overnemen.
Bij wijze van oplegsom zal door de heer en mevrouw X - Y de helft van de waarde van het onroerend goed aan de heer Z worden betaald bij het verlijden van de authentieke akte van afstand-deling. De heer en mevrouw X - Y hebben de liquide middelen om deze overdracht zonder bancair krediet te financieren.
6. Stap 2:
(Onmiddellijk) na de uitvoering van stap 1 zal het onroerend vermogen van de echtgenoten X – Y bestaan uit de volledige volle eigendom van twee verschillende onroerende goederen, namelijk:
- de bouwgrond gelegen te […], die het voorwerp uitmaakt van onderhavige aanvraag;
- de gezinswoning gelegen te […].
De heer Z woont tot op vandaag bij zijn ouders. Gelet op zijn specifieke zorgbehoeften (autismespectrumstoornis) en de daarmee gepaard gaande nood aan begeleiding en stabiliteit, is het niet aangewezen noch waarschijnlijk dat hij op korte of middellange termijn de ouderlijke woning zal verlaten. De heer en mevrouw X - Y willen de gezinswoning daarom op termijn (via legaat) doen toekomen aan de heer Z. Vanuit familiaal en praktisch oogpunt sluit de toebedeling van de gezinswoning aan hem derhalve aan bij de feitelijke situatie en bij zijn woon- en zorgbehoeften.
De echtgenoten X -Y hebben nog een ander kind, namelijk dochter A. Zij vormt reeds geruime tijd een gezin met haar echtgenoot in […]. Samen hebben zij een minderjarig kind.
Omdat de dochter in dezelfde gemeente woont als waar de bouwgrond gelegen is, is het de uitdrukkelijke intentie van de ouders dat de bouwgrond aan hun dochter toekomt. Hierdoor kan het onroerend goed potentieel bijdragen tot de toekomstige woon- of vermogensplanning van het gezin van dochter A.
Deze vermogensplanning beoogt een evenwichtige en logische toebedeling van de onroerende goederen binnen het gezin, rekening houdend met de concrete familiale situatie, de woonomstandigheden van beide kinderen en de functionele aanwending van de betrokken goederen.
De overdracht van de bouwgrond aan mevrouw A zal bij voorkeur worden gerealiseerd middels een schenking onder levenden.
Wat betreft de gezinswoning, waarin de echtgenoten X - Y thans zelf verblijven samen met hun zoon, de heer Z, is een overdracht op heden (nog) niet aan de orde. Een onmiddellijke schenking van de gezinswoning zou immers een aanzienlijk grotere familiale en emotionele weerslag hebben dan de overdracht van een onroerend goed dat geen deel uitmaakt van de actuele woon- en leefsituatie van de ouders.
De ouders wensen dan ook vooralsnog de volle beschikkingsbevoegdheid over de gezinswoning te behouden, gelet op hun eigen woonbehoeften en de huidige samenwoning met hun zoon. Thans zal gewerkt worden met een bijzonder legaat van de gezinswoning door de ouders, m.n. de echtgenoten X - Y aan de zoon, m.n. de heer Z. De eventuele latere overdracht van de gezinswoning zal worden overwogen in functie van de concrete omstandigheden op dat ogenblik en kadert binnen een gefaseerde en doordachte familiale vermogensplanning.
7. Stap 3:
In de schenkingsakte (stap 2) zal worden overgegaan tot stap 3, namelijk het sluiten van een punctuele erfovereenkomst. In het kader van deze punctuele erfovereenkomst zullen de echtgenoten X - Y en hun beide kinderen, de heer Z en mevrouw A, uitdrukkelijk overeenkomen dat de waarde van de geschonken onroerende goederen definitief wordt vastgeklikt op het ogenblik van de schenking.
Partijen beogen hiermee rechtszekerheid te creëren omtrent de latere verrekening in het kader van de nalatenschap, en vermijden dat toekomstige waarde-evoluties van de betrokken goederen aanleiding zouden geven tot discussies of desgevallend een gevoelsmatige verstoring van het door de ouders nagestreefde evenwicht tussen hun kinderen.
In dezelfde overeenkomst kunnen, in voorkomend geval, bijkomende modaliteiten worden opgenomen teneinde eventuele ongewenste civielrechtelijke effecten (zoals discussies inzake inbreng, inkorting of waarderingsmodaliteiten) op voorhand uit te sluiten of te regelen.
III. Motivering van de aanvraag
8. Relevante fiscale bepalingen:
- Art. 2.8.1.0.1. VCF (schenking algemeen);
- Art. 2.8.3.0.1. VCF (grondslag schenkbelasting);
- Art. 2.8.4.1.1. VCF (tarief schenkbelasting);
- Art. 2.9.4.1.1. VCF (tarief verkooprecht);
- Art. 2.10.1.0.1. VCF (verdeling algemeen);
- Art. 2.10.3.0.1. VCF (grondslag verdeelrecht);
- Art. 2.10.4.0.1. VCF (tarief verdeelrecht);
- Art. 3.17.0.0.2. VCF (algemene anti-rechtsmisbruikbepaling).
9. Afstand tussen deelgenoten
Het betrokken perceel bouwgrond behoort thans in onverdeeldheid toe aan enerzijds de echtgenoten X - Y (50%) en anderzijds aan de heer Z (50%). Er is derhalve sprake van een mede-eigendom tussen drie deelgenoten.
De voorgenomen verrichting strekt ertoe dat één van deze drie deelgenoten, met name de heer Z, zijn volledige onverdeelde rechten overdraagt aan de andere deelgenoten, zijnde de echtgenoten X - Y, tegen betaling van een oplegsom.
Deze verrichting kwalificeert naar haar rechtsaard als een afstand-deling, aangezien zij plaatsvindt tussen bestaande deelgenoten met betrekking tot een onverdeeld goed en ertoe strekt het aandeel van één deelgenoot toe te bedelen aan de andere (art. 2.10.1.0.1, 2° VCF). Het betreft geen overdracht aan een derde, maar een regeling binnen de bestaande onverdeeldheid.
De afstand geschiedt bovendien onder bezwarende titel. Er wordt immers verondersteld dat de overeengekomen oplegsom overeenstemt met de helft van de venale waarde van het onroerend goed op het ogenblik van de overdracht, zodat de overdragende partij een reële en marktconforme tegenprestatie ontvangt voor zijn onverdeelde aandeel. Van enige vrijgevigheid (animus donandi) of vermogensverschuiving zonder economisch gelijkwaardige tegenprestatie is derhalve geen sprake.
Gelet op deze kwalificatie is op de voorgenomen verrichting het verdeelrecht van 2,5% van toepassing (art. 2.10.4.0.1. VCF).
Voorts houdt de onverdeeldheid in fiscale zin niet op ingevolge de voorgenomen verrichting.
Hoewel het goed na de afstand-deling volledig zal toebehoren aan de echtgenoten X - Y, dient te worden benadrukt dat een huwgemeenschap fiscaal wordt gelijkgesteld met een onverdeeldheid tussen echtgenoten. Het onroerend goed blijft aldus toebehoren aan twee personen gezamenlijk, maar dan in het huwelijksvermogensrechtelijk kader van een (algehele) gemeenschap.
De verrichting leidt bijgevolg niet tot een einde van de onverdeeldheid. Aangezien de onverdeeldheid niet ophoudt te bestaan, dient het verdeelrecht te worden geheven over de waarde van de afgestane delen en niet op de volledige venale waarde van het onroerend goed (art. 2.10.3.0.1. VCF).
10. Schenking van de volledige bouwgrond aan de dochter
Onmiddellijk na de afstand-deling wensen de echtgenoten X - Y – bij voorkeur in dezelfde authentieke akte – over te gaan tot de schenking onder levenden van het alsdan volledig tot hun gemeenschappelijk vermogen behorende perceel bouwgrond aan hun dochter, mevrouw A, inclusief punctuele erfovereenkomst tussen beide kinderen.
Deze schenking door de echtgenoten X - Y aan dochter A wordt belast over de volledige venale waarde van het onroerend goed (art. 2.8.1.0.1. VCF jo. art. 2.8.3.0.1. VCF). Zij wordt fiscaal geacht de helft te ontvangen van vader A en de helft van moeder B. Het tarief dat van toepassing is, is het tarief schenkingen onroerend goed in rechte lijn (art. 2.8.4.1.1. VCF).
11. Geen fiscaal misbruik
De opeenvolging van deze verrichtingen is juridisch toelaatbaar en kadert in een globale, coherente en doelbewuste familiale vermogensplanning. Het gaat niet om een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt waarbij er sprake is van fiscaal misbruik (art. 3.17.0.0.2. VCF).
Een aankoop door mevrouw A is uitdrukkelijk niet aan de orde. Zij wenst geen aankoop te financieren, noch met eigen middelen noch via externe bancaire kredietverlening. Dit sluit niet alleen aan bij haar financiële voorkeuren, maar ook bij de intenties van haar ouders. De echtgenoten X - Y wensen hun (oorspronkelijke) onverdeelde helft in het perceel niet te verkopen aan hun dochter, maar haar deze helft te schenken. Daarnaast wensen zij ook het aandeel dat zij van de heer Z overnemen, aan mevrouw A te schenken, aangezien het de bedoeling is dat mevrouw A de bouwgrond in […] krijgt en de heer Z de ouderlijke woning in […]. De overdracht van de bouwgrond aan de dochter is in hoofde van de heer en mevrouw X - Y uitdrukkelijk gedragen door vrijgevigheid (animus donandi). Een verkoop zou deze intentie miskennen en artificieel een louter bezwarend karakter toekennen aan wat in werkelijkheid een schenking is. Artikel 2.9.4.1.1. VCF wordt niet gefrustreerd.
Evenmin kan in de gegeven constellatie worden voorgehouden dat de heer Z zijn aandeel zou moeten schenken aan zijn zus op het ogenblik dat hun ouders, de heer en mevrouw X - Y, hun onverdeelde helft aan mevrouw A zouden schenken.
De heer Z wenst zijn onverdeeld aandeel uitdrukkelijk liquide te maken teneinde over beschikbare middelen te beschikken voor andere investeringen. In zijn hoofde ontbreekt elk begiftigingsoogmerk ten aanzien van zijn zus. De overdracht van zijn aandeel geschiedt uitsluitend ten bezwarende titel, tegen een marktconforme tegenprestatie.
Om die reden kan er geen sprake zijn van een schenking tussen broer en zus, noch van een constructie waarbij de progressieve tarieven in de schenkbelasting zouden worden omzeild door een schenking ouders-kind te substitueren voor een schenking tussen zijverwanten. Het artikel 2.8.4.1.1. VCF houdende de progressieve tarieven in de schenkbelasting kunnen dus niet worden gefrustreerd, omdat er geen schenking plaatsvindt en zelfs niet beoogd wordt tussen broer en zus.
De schenking die effectief wordt gerealiseerd, is een schenking van ouders aan hun kind, onderworpen aan progressief tarief in rechte lijn. De tariefstructuur wordt integraal gerespecteerd, zowel wat betreft de verwantschapsgraad als wat betreft de waarde van het geschonken goed.
De enige theoretische vraag die men zich kan stellen, is of mevrouw A niet de onverdeelde helft van haar broer had kunnen aankopen op het ogenblik dat zij de andere helft van haar ouders aankoopt. Op die vraag moet ontkennend worden geantwoord.
Vooreerst wenst mevrouw A, zoals uiteengezet, geen aankoop te financieren indien dit niet noodzakelijk is.
Daarnaast laat de gekozen structuur toe om het gewenste familiale evenwicht te realiseren met uitsluitende aanwending van de middelen van de heer en mevrouw X - Y en dus zonder dat de dochter zichzelf moet verarmen. Indien mevrouw A de helft van haar broer de heer Z zou aankopen en slechts de andere helft van de heer en mevrouw X - Y geschonken zou krijgen, zou dit er economisch toe leiden dat er in haar hoofde géén verrijking zal zijn, terwijl het wel de bedoeling is om de heer Z later wel de gezinswoning te doen toekomen.
Dit strookt niet met de bedoeling van de ouders.
Door het perceel volledig door de heer en mevrouw X - Y aan mevrouw A te schenken, en de gezinswoning op termijn aan de heer Z te laten toekomen, kunnen de ouders twee verschillende onroerende vermogensbestanddelen toebedelen op een wijze die het latere evenwicht tussen beide kinderen bevordert. Een gedeeltelijke schenking van een perceel bouwgrond aan de dochter zou, gecombineerd met de latere toebedeling van de volledige gezinswoning aan de zoon, aanleiding geven tot een disproportionele inbrengverplichting van de zoon in de nalatenschap van de heer en mevrouw X - Y; niet alleen omwille van het verschil in verkregen rechten (100% volle eigendom v. 50% volle eigendom), maar ook omwille van het waardeverschil van de geschonken goederen (gezinswoning v. bouwgrond). Dit zorgt ervoor dat er later een inbrengprobleem kan ontstaan indien er onvoldoende andere goederen in de nalatenschap zitten van de heer en mevrouw X - Y waarvan mevrouw A een voorafname kan doen.
In de voorgenomen structuur daarentegen wordt het gewenste resultaat zoveel als mogelijk bereikt met concentratie van de volledige vermogensverschuiving op het niveau van de ouders, die bewust en gewild een substantiële bevoordeling van hun dochter realiseren op korte termijn, en een toekomstige bevoordeling van de zoon op latere termijn.
Het feit dat de dochter reeds eerder over de voor haar “gereserveerde” erfgoederen kan beschikken, wordt gecompenseerd via de wettelijke indexering van de geschonken waarde.
Om die reden zal aansluitend bij de schenking een punctuele erfovereenkomst worden gesloten, waarbij de waarde van het geschonken perceel definitief wordt vastgeklikt op het ogenblik van de schenking en eventuele civielrechtelijke onzekerheden inzake inbreng, inkorting of waardering contractueel worden geregeld.
De civielrechtelijke verankering van deze afspraken bevestigt dat de verrichtingen in essentie familiaal en vermogensrechtelijk gemotiveerd zijn. Zij beogen rechtszekerheid, transparantie en een duurzaam evenwicht tussen beide kinderen, zonder enige aantasting of frustratie van de wettelijke tariefstructuur van de schenkbelasting en zonder miskenning van het fiscaal wettelijk kader.
Er is dus geen sprake van fiscaal misbruik ingevolge art. 3.17.0.0.2. VCF.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
12. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
13. De Vlaamse Belastingdienst doet geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.
14. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:
- Artikel 2.8.1.0.1. VCF dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”
- Artikel 2.8.3.0.1 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belastbare grondslag als volgt vastgesteld :
1° voor de schenking van financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet, volgens de beurswaarden ervan op datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt. Als er op die datum geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt voor bepaalde van de geschonken waarden wel en voor andere geen notering is, wordt de belastbare grondslag van die laatste waarden vastgesteld volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is;
2° voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed, zoals in artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7 is bepaald;
3° voor de schenking van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen, volgens de volgende formule :
belastbare grondslag = a x b, waarbij :
a) a = de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van de goederen;
b) b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de datum van de schenking;
4° voor de schenking van het voor een bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, door het bedrag van de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren over de duur van het vruchtgebruik, bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastbare grondslag mag evenwel niet meer bedragen dan hetzij de waarde, berekend volgens punt 3°, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een natuurlijke persoon, hetzij twintig keer de opbrengst, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een rechtspersoon;
5° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen;
6° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens punt 3° of punt 4° ;
7° voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen, op basis van het jaarlijkse bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, die op de begiftigde moet worden toegepast;
8° voor schenkingen van een altijddurende rente, op basis van het jaarlijkse bedrag van de rente, vermenigvuldigd met twintig.
§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt de last die bestaat uit een som, een rente of een pensioen, onder kosteloze titel bedongen ten voordele van een derde die aanvaardt, in hoofde van die derde als schenking belast en wordt de last van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken. In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de tarieven, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1.”;
- Artikel 2.8.4.1.1 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”;
- Artikel 2.9.4.1.1. dat luidt als volgt:
“Het verkooprecht bedraagt 12 %.”;
- Artikel 2.10.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :
1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;
2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;
3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.”;
- Artikel 2.10.3.0.1 VCF dat luit als volgt:
“§1. Het verdeelrecht wordt vastgesteld op basis van de overeengekomen waarde van de goederen, zoals ze blijkt uit de bepalingen van de akte, zonder dat de belastbare grondslag lager dan de verkoopwaarde mag zijn.
In voorkomend geval wordt de verkoopwaarde van het vruchtgebruik of van de blote eigendom overeenkomstig artikel 2.9.3.0.1 tot en met artikel 2.9.3.0.7 vastgesteld.
§ 2. Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van die goederen.
Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid niet doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van de afgestane delen.”:
- Artikel 2.10.4.0.1 dat luidt als volgt:
“Het verdeelrecht bedraagt 2,5 %.
Het recht wordt op 1% gebracht als de verdeling of de afstand, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, 1° of 2° :
1° tussen ex-echtgenoten plaatsvindt na of uitwerking heeft door de echtscheiding;
2° tussen ex-wettelijke samenwonenden plaatsvindt binnen een termijn van drie jaar die volgt op de beëindiging van de wettelijke samenwoning conform artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek en op voorwaarde dat de personen op de dag van deze beëindiging ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.
Het verlaagde tarief, vermeld in het tweede lid, is ook van toepassing als de verdeling of de afstand wordt gedaan volgens de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte als de verdeling of de afstand plaatsvindt onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden en voorwaarden, vermeld in het tweede lid.”;
- Artikel 3.17.0.0.2. VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
15. De heer en mevrouw X – Y en de heer Z verkregen voormelde bouwgrond ieder voor de onverdeelde helft bij akte van aankoop verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2021.
De overnemers van de bouwgrond, de echtgenoten X – Y, zijn bijgevolg geen derde-verkrijgers bij overeenkomst (artikel 2.9.1.0.7 VCF). Het verkooprecht is bijgevolg niet van toepassing.
De echtgenoten X – Y zullen de overdracht van de onverdeelde helft van de voornoemde bouwgrond vergoeden door een oplegsom gelijk aan de helft van de waarde van de bouwgrond. De overdracht betreft aldus geen schenking.
Het gemeenschappelijk vermogen van echtgenoten wordt beschouwd als een onverdeeldheid voor de toepassing van artikel 2.10.3.0.1, §2 VCF.
Bijgevolg zal het verdeelrecht geheven worden op de waarde van het overgedragen deel.
16. De daaropvolgende schenking van voornoemde bouwgrond aan de dochter zal belast worden met het schenktarief voor onroerende goederen in rechte lijn overeenkomstig artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF.
17. De daaropvolgende erfovereenkomst waarborgt de familiale evenwichten.
18. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen.
De voorgenomen rechtshandelingen maken geen fiscaal misbruik uit, zelfs als ze op dezelfde dag plaatsvinden. Er wordt immers geen artikel van de VCF gefrustreerd. Elke rechtshandeling ondergaat zijn eigen taxering.
19. Deze beslissing heeft alleen betrekking op het verdeelrecht en de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.