VB 26019 - Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen met verblijvingsbeding
- Nummer
26019
- Datum beslissing
20 mei 2026
- Publicatiedatum
12 juni 2026
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.4. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De Heer X en Mevrouw Y, aanvragers, wonen reeds lang samen. Zij hebben geen gemeenschappelijke kinderen. Evenmin heeft één van hen kinderen uit een andere relatie.
Zij willen in het huwelijk treden.
Zij willen opteren voor het basisstelsel van scheiding van goederen, aangevuld met een (optioneel) verblijvingsbeding met betrekking tot hun onverdeelde goederen.
2. Deze aanvraag heeft betrekking op de fiscale behandeling van de hierna beschreven verrichting. Daarom wordt verzocht om bevestiging te krijgen dat:
- het (optioneel) verblijvingsbedingbeding in de huwelijksovereenkomst (en de uitwerking daarvan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2. VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4. VCF, 2.7.1.0.5. VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF en geen van deze bepalingen frustreert zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2. VCF daarop niet toepasselijk is.
- de schrapping van de bedingen van aanwas zoals in randnummer 9 beschreven en het verblijvingsbeding in de huwelijksovereenkomst (en de uitwerking daarvan) geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.
- dat het besluit van de bevoegde entiteit geldig blijft tot en met het eerste overlijden van de echtgenoten overeenkomstig artikelen 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF en gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag.
De aanvragers verzoeken aldus uitdrukkelijk overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF dat gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer zal zijn dan vijf (5) jaar. Meer bepaald een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het eerste overlijden van de toekomstige echtgenoten.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
3. De aanvraag wordt ingediend door […], namens:
De heer X, geboren te […] op xx.xx.1966, rijksregisternummer […],
En
Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1966, rijksregisternummer […], samenwonende te […].[1]
4. X en Y zijn sinds xx.xx.1994 samenwonend.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting
5. X en Y willen in het huwelijk te treden. Met ouder te worden voelen zij de nood om te voorzien in een duidelijk, eenvoudig juridisch kader dat regels biedt die nauw aansluiten bij hun huidige samenlevingsvorm met een rechtszekere bescherming voor de langstlevende ingeval één van hen overlijdt.
6. Zij willen vóór het huwelijk een huwelijkscontract opstellen met keuze voor het stelsel van scheiding van goederen omdat dit het dichtst aansluit bij de principes die zij kennen: elkeen beheert zijn inkomsten en elke partner behoudt tijdens zijn leven zijn vermogen en de gewenste autonomie.
7. In dit huwelijkscontract willen ze een (optioneel) verblijvingsbeding met betrekking tot hun onverdeelde goederen, ongeacht roerend of onroerend, opdat deze in volle eigendom zouden toekomen aan de langstlevende van hen onder de voorwaarden van het beding.[2]
8. Voorafgaandelijk aan het sluiten van dit huwelijkscontract zullen zij bij notariële akte - met betrekking tot de onverdeelde goederen die in de bijlage 1 zijn vermeld onder de rubriek ‘onverdeelde goederen’ en genummerd in bijlage sub 7,8 en 9 - het beding van aanwas uitdrukkelijk laten eindigen bij het aangaan van hun gepland huwelijk.[3]
Voorwerp van de verrichting: de onverdeelde goederen.
9. De onroerende goederen vermeld in bijlage 1 behoren X en Y toe elk voor de onverdeelde helft in volle eigendom.
De aankopen zijn gebeurd in een periode die loopt van 2010 tot 2024.
In de aankooptitels hebben zij telkens een aanwasbeding opgenomen maar gezien deze akten zijn opgesteld doorheen de tijd zijn de modaliteiten in de diverse akten niet op zelfde wijze geformuleerd.[4]
Zoals weergegeven in de bijlage 1:
- de akten vermeld sub 1, 2, 3, 4, 5, 6, voorzien
a. in een beëindiging van de aanwas van rechtswege bij huwelijk tenzij uitdrukkelijke bevestiging vóór afsluiting van het huwelijk;
b. bij overlijden is er een optionele keuze waarbij bij gebrek aan keuze er geacht wordt onherroepelijk verzaakt te hebben.
c. De aanwasovereenkomst is telkens voor 2 jaar aangegaan met een automatische verlenging tenzij 1 partij na beëindiging van de samenwoning de overeenkomst eenzijdig opzegt.
- de akte sub 8 voorziet
a. niet in een einde bij huwelijk,
b. bij overlijden is er een optionele keuze waarbij bij gebrek aan keuze wel de aanwas zijn uitwerking krijgt.
c. de aanwasovereenkomst is telkens voor 1 jaar aangegaan met een automatische verlenging, tenzij 1 partij bij aangetekend schrijven opzegt.
- de akten vermeld sub 7 en 9 voorzien
a. in een van rechtswege einde als de partijen huwen maar aan deze clausule is toegevoegd dat het einde gebracht wordt naar de dag van het in kracht van gewijsde treden van het echtscheidingsvonnis of -arrest dan wel ingeval van anticipatieve inbreng in de huwgemeenschap – vanaf de dag van het huwelijk, behoudens andersluidend beding in de huwovereenkomst.
b. bij overlijden is er een optionele keuze waarbij bij gebrek aan keuze er geacht wordt onherroepelijk verzaakt te hebben.
c. De aanwasovereenkomst is telkens voor 2 jaar aangegaan met een automatische verlenging tenzij 1 partij na beëindiging van de samenwoning de overeenkomst eenzijdig opzegt.
10. Daarnaast hebben X en Y een kleine beleggersrekening op beider naam bij […].
11. Om een goed overzicht te geven over het vermogen van de aanvragers wordt volledigheidshalve een opsomming gegeven van de goederen die niet in onverdeeldheid zijn maar aan 1 van hen beide toebehoort of dus eigen zijn.
11.1 - aan X: 100% Volle eigenaar van de gezinswoning te […] en de aanpalende grond, […].
X heeft deze eigendom verkregen via schenking van zijn ouders (akte de dato […]), aanvankelijk in blote eigendom; het vruchtgebruik heeft hij verkregen bij het overlijden van zijn beide ouders op […] respectievelijk op […].
11.2 - Op naam van X exclusief respectievelijk op naam van Y exclusief: elke partner heeft een zichtrekening op zijn/haar naam waarop zijn inkomsten worden gegenereerd respectievelijk een spaarrekening.
Waarom willen de toekomstige echtgenoten de hierboven beschreven verrichtingen?
12. X was zelfstandig uitbater van […]. Aan deze professionele activiteiten van X waren investeringsverbintenissen en - verplichtingen opgelegd door […]; tevens was hij aansprakelijk voor de door hem gevoerde activiteiten. Om die reden verklaren X en Y in het verleden dat zij niet wilden huwen maar enkel opteerden voor een duidelijk en afgelijnd weliswaar onverdeeld vermogen, waarbij in geval van aansprakelijkheden enkel het deel van X zonder verdere discussie kon worden aangesproken. Door de stopzetting van voormelde activiteiten is deze reden weggevallen.
13. Zoals gezegd zijn X en Y reeds lang samenwonend en hebben gedurende al die tijd door besparing op hun inkomsten een vermogen opgebouwd; hierbij hebben zij heel bewust aan financiële planning gedaan door onroerende goederen (in onverdeeldheid) aan te kopen met als doel bij pensionering hun pensioeninkomsten te kunnen aanvullen zodat zij – ook na hun pensioen – beschikken over de nodige middelen om hun gebruikelijke levensstandaard aan te houden en te voorzien in alle gewenste medische bijstand en verzorging.
14. Zij hebben voorzien dat het patrimonium voldoende in omvang moet zijn om het in goede staat te houden: desgevallend kan één pand verkocht worden voor de bekostiging van de renovatie van andere panden en behouden zij op die wijze nog voldoende om hun pensioeninkomsten aan te vullen.
15. Met ouder worden stellen ze echter vast dat hun absolute voorkeur voor belegging in onroerend goed met bijhorende verhuur op een bepaald moment waarschijnlijk te zwaar zal worden en ze desgevallend bepaalde goederen in onverdeeldheid waarvan zij thans beiden eigenaar zullen verkopen om te herbeleggen in roerende tegoeden.
16. Zij willen dat deze bewuste financiële planning zich kan doorzetten voor de langstlevende onder hen.
17. In plaats van de actuele regeling van aanwas dat per onroerend goed is geregeld, willen zij een eenvoudige, gelijkvormige, transparante en niet-eenzijdig herroepbare regeling over de onroerende en roerende goederen die tussen hen op dag van overlijden in onverdeeldheid zijn.
Het verblijvingsbeding beantwoordt hieraan.
a. Het beoogt in casu, ten voordele van de langstlevende, de integrale toewijzing, in volle en exclusieve eigendom, van alle goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn op datum van overlijden, ongeacht of dit roerend of onroerend is.
b. De regeling biedt het voordeel dat het een eenvoudige stevige vermogensrechtelijke bescherming is van elke partner, ongeacht de verdere evolutie van de bestaande onverdeelde goederen.
Voorbeeld: zoals gezegd kan het zijn dat met ouder worden de echtgenoten bepaalde onroerende goederen willen verkopen en niet meer willen herinvesteren in onroerend goed maar investeren in roerende beleggingen.
Zo zij de bedingen van aanwas in de onderscheiden aankoopakten zouden behouden, moeten ze dan de bewijzen van wederbelegging goed bijhouden om te kunnen aantonen dat de desbetreffende roerende middelen op naam van hen beiden de zaakvervanging zijn van het één of het ander onroerend goed, opdat de aanwas op die concrete roerende middelen zou slaan. Om al deze last te vermijden willen ze een (optioneel) verblijvingsbeding dat zal slaan op alle onverdeelde goederen tussen hen op dag van overlijden, ongeacht of het roerend of onroerend is.
c. Zij vinden de verschillen die thans bestaan tussen de bedingen van aanwas in de verschillende akten (zie randnr. 9 en de bijlage 1) verwarrend; zij vinden daarenboven de mogelijkheden van eenzijdige opzegging niet goed geformuleerd. In de akte vermeld sub 9 is zelfs de opzegmogelijkheid zonder enige reden mogelijk. In de akten sub 1 tot en met 6 en in de akten 7 en 9 is er de tweejaarlijkse opzegmogelijkheid tenzij 1 partij na beëindiging van de samenwoning de overeenkomst eenzijdig opzegt. De akte formuleert niet wat onder ‘beëindiging van samenwoning’ moet begrepen worden. Stel dat één van de partners langdurig ziek wordt en niet thuis kan verblijven, valt dit dan ook onder ‘beëindiging van de samenwoning’?...
In de akte sub 10 is de instrumenterende notaris vergeten de clausule van aanwas in te voegen, vermoedelijk te wijten aan de omvangrijke en complexe akte het reeds was.
d. Gezien zij geen kinderen hebben en een mooi vermogen hebben opgebouwd, vrezen zij dat met ouder worden en zij hulp van derden nodig zullen hebben, dat “naasten” een “meer dan gezonde interesse” zouden krijgen en zo één van hen zouden proberen te bewegen tot testamentaire of andere schikkingen in hun voordeel (zoals hierboven een opzegging van het aanwasbeding).
e. Het verblijvingsbeding met betrekking tot de onverdeelde onroerende en roerende goederen siert in zijn eenvoud en biedt de gemoedsrust en de zekerheid aan elke partner dat ongeacht eventuele testamentaire beschikkingen die de één of de andere treft, het onverdeeld vermogen zal toekomen aan de langstlevende van hen.
f. Dit beding heeft een onmiddellijke zakenrechtelijke werking bij het overlijden van de eerste partner, zonder dat er bewijzen moeten aangevoerd worden.
g. Zij willen het beding optioneel verwoorden: men weet niet wanneer men overlijdt; als de eerste partner overlijdt binnen 20 à 30 jaar, zijn niet al de onverdeelde middelen nodig en is het beter dat het aandeel van de overledene – na hetgeen de langstlevende zich heeft voorbehouden - dan vererfd volgens de testamentaire schikkingen van de eerstoverledene.
Wat de eigen goederen van elk der partners betreft, willen zij geen bijzondere regeling treffen, niettegenstaande X 100% eigenaar is van de gezinswoning. De aanvragers zijn hierop gewezen.
Y stelt dat X deze gezinswoning van zijn ouders heeft gekregen via schenking. Zij wenst daarover geen onherroepelijke regeling in een huwovereenkomst. Daarenboven stelt Y dat zij zeker niet in de gezinswoning wil blijven indien zij de langstlevende zou zijn en voegt daaraan toe dat indien zij het alleen voor het zeggen had, zij nu reeds zou verhuizen naar een “kleinere” woning.
Over de financiële eigen tegoeden op hun individuele naam willen zij dat elkeen autonoom en vrij kan beschikken.
III. Motivering van de aanvraag
18. Onderhavige aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat:
- het verblijvingsbeding (en de uitwerking daarvan) zoals opgenomen in het ontwerp van de huwelijksovereenkomst niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2. VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4. VCF, 2.7.1.0.5. VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF en geen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
- het verblijvingsbeding (en de uitwerking daarvan) zoals opgenomen in het ontwerp van de huwelijksovereenkomst geen fiscaal misbruik vormt, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.
1/ Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF
19. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, hetzij via wettelijke devolutie, hetzij via uiterste wilsbeschikking of hetzij via contractuele erfstelling.
20. Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge de toevoeging van het verblijvingsbeding in de huwelijksovereenkomst zou verkrijgen wordt niet uit de nalatenschap verkregen. Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen als een huwelijksvoordeel en ten bezwarende titel en kan dus niet als schenking beschouwd worden.
21. De kwalificatie als huwelijksvoordeel werkt ook in een stelsel van scheiding van goederen zoals dit voor de aanvragers het geval is en dit overeenkomstig artikel 2.3.64, §1 vierde lid van het Burgerlijk Wetboek.
22. Een dergelijk huwelijksvoordeel wordt burgerrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel, zoals o.m. bepaald in de artikelen 2.3.57 tot 2.6.60 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit impliceert dat het huwelijksvoordeel huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen uit hoofde van de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel. Deze vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds vooraf aan de vereffening-verdeling van de nalatenschap. Aldus kan deze verkrijging niet worden beschouwd als een erfrechtelijke verkrijging.
23. Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding ook geen contractuele erfstelling. Een huwelijksvoordeel wordt objectief gekwalificeerd als een “niet-schenking”, dit houdt in dat het irrelevant is wat de subjectieve beweegredenen van de echtgenoten zijn geweest om het voordeel-genererend beding in hun huwelijksovereenkomst op te nemen. Dit beding blijft gelden ook al zou er een intentie om te begiftigen voorafgaan. Als een dergelijk intentie om te begiftigen al zou bestaan, dan kan ze zelfs niet worden ingeroepen en zou het bewijs ervan zelfs niet mogen worden geleverd. Een huwelijksvoordeel kan bijgevolg nooit geherkwalificeerd worden als een schenking onder voorwendsel dat het door een intentie om te begiftigen zou zijn voorafgegaan. Een huwelijksvoordeel is hooguit inkortbaar indien de maxima of plafonds, zoals vermeld in artikel 2.3.57 en artikel 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek. Ook een inkortbaar huwelijksvoordeel blijft evenwel een “niet-schenking”.
24. Deze burgerrechtelijke kwalificatie werkt in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als “niet-schenking” voor zowel volkomen als onvolkomen huwelijksvoordelen aanvaarden, tenzij een specifieke of expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.
De overgang/toebedeling/toekenning van de onverdeelde goederen op grond van het overwogen verblijvingsbeding dat in de huwelijksovereenkomst werd opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2. VCF.
2/ Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
25. Artikel 2.7.1.0.3,3° VCF belast met erfbelasting de roerende goederen die de erflater heeft geschonken onder de opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het verlijden van de schenker.
26. Aangezien de verrichting, zoals voormeld, wordt gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel en dus als een “niet-schenking”, kan ook artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet toegepast worden op het voordeel dat de langstlevende zou toekomen.
Hoewel het verblijvingsbeding pas uitwerking zal hebben bij het overlijden van één van de toekomstige echtgenoten, kan er van een schenking geen sprake zijn vermits de burgerrechtelijke kwalificatie als “niet-schenking” (zie hoger) moet worden doorgetrokken op fiscaal vlak. De overgang/toebedeling/toekenning van de onverdeelde goederen op grond van het verblijvingsbeding in de huwelijksovereenkomst, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
3/ Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF
27. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast met erfbelasting de goederen die de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel, waardoor hij/zij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt.
28. De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin sprake is van huwelijksvoordelen die binnen een gemeenschapsstelsel en met betrekking tot gemeenschapsgoederen worden bedongen. Huwelijksvoordelen die betrekking hebben op goederen die tot het eigen vermogen van de echtgenoten behoren binnen een stelsel van scheiding van goederen, blijven vervolgens buiten het toepassingsgebied van deze fictiebepaling.
29. X en Y zijn voornemens te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen. Daaraan willen zij een verblijvingsbeding toevoegen voor het geval van overlijden, dat louter betrekking heeft op onverdeelde goederen.
30. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4. VCF zijn derhalve niet vervuld voor het verblijvingsbeding. De toebedeling/overgang op grond van het verblijvingsbeding in de huwelijksovereenkomst van de aanvragers kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
4/ Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF
31. Artikel 2.7.1.0.5 VCF belast met erfbelasting de goederen waarvan de Vlaamse Belastingdienst bewijst dat de erflater er kosteloos heeft over beschikt gedurende vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden, tenzij de bevoordeling onderworpen is geweest aan schenkbelasting of registratierechten op schenkingen onder levenden.
32. Voor de heffing van erfbelasting op grond van dit artikel moeten derhalve drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:
(1) Een kosteloze beschikking:
Het verblijvingsbeding verstrekt geen kosteloze beschikking zoals reeds hierboven werd aangehaald. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking (schenking). Zo oordeelde ook het Hof van Cassatie (Cass. 10 december 2010, Cass. 5 januari 2017).
(2) Gedurende vijf jaar voorafgaand aan het overlijden:
Het verblijvingsbeding zal worden opgenomen in een huwelijksovereenkomst. Daar het huwelijksvoordeel in het voordeel van de langstlevende echtgenoot pas tot stand komt bij het overlijden kan er geen sprake zijn van een beschikking die tot stand komt in enige periode voor het overlijden. Er kan derhalve geen sprake zijn van een schenking in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden.
(3) Waardoor een bevoordeling is ontstaan die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of registratierechten op schenkingen onder levenden:
Aangezien er geen sprake is van een kosteloze beschikking en er derhalve geen sprake is van een bevoordeling in de zin van artikel 2.7.1.0.5 VCF kan er geen aanleiding zijn geweest tot de heffing van schenkbelasting of enig registratierecht.
33. De overgang/toebedeling op grond van het verblijvingsbeding in de huwelijksovereenkomst van de echtgenoten kan niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
5/ Geen toepassing van artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF
34. Artikel 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1. belasten naar aanleiding van een registratie of een verplichting tot registratie van akten en geschriften, die tot bewijs strekken van een schenking onder levenden, in de registratiebelasting.
Omwille van de voormelde kwalificatie van een verblijvingsbeding als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zou verkrijgen op basis van dit beding artikel 2.8.1.0.1 VCF niet worden toegepast. Van een schenking is in casu geen sprake. Er is louter sprake van een huwelijksvoordeel. Bijgevolg is evenmin artikel 2.8.4.1.1 VCF van toepassing.
6/ Eventuele toepassing van artikel 2.10.1.0.1 VCF
35. De aanvragers bevestigen te weten dat als bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door het overlijden van een echtgenoot, er een onroerend goed in België gelegen en in onverdeeldheid tussen hen is, het verblijvingsbeding leidt tot de heffing van het verdeelrecht indien de verkrijger door de werking van dat beding een groter aandeel in een onroerend goed krijgt (art. 2.10.1.0.1 VCF).
36. X en Y zijn op heden (nog) niet gehuwd, het gaat in casu niet om een wijziging van een reeds bestaande huwelijksovereenkomst. Zij wensen met elkaar in het huwelijk te treden en willen hun wederzijdse engagementen regelen in één en dezelfde huwelijksovereenkomst.
7/ De verrichting maakt geen fiscaal misbruik uit;
37. De aanvragers plaatsen zich op geen enkele manier in een toestand die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving door implementatie van de verrichting (objectief element).
Daarnaast verantwoorden zij waarom zij de aanwasbedingen in bepaalde aankooptitels willen schrappen voorafgaand aan het sluiten van de huwelijksovereenkomst. Het verblijvingsbeding dat zal slaan op alle onverdeelde goederen op het moment van overlijden ongeacht de herkomst van de onverdeeldheid beantwoordt volledig aan hun burgerrechtelijke en vermogensrechtelijke wensen van een eenvoudige, rechtszekere en transparante bescherming van de levensstandaard van de langstlevende wie van hen dat dit ook mag zijn, die door het overlijden onmiddellijke zakenrechtelijke werking zal hebben. De ganse verrichting is volledig geïnspireerd door de niet-fiscale motieven die hierboven omstandig zijn omschreven onder randnummers 12-17.
7.1. Objectief element: geen frustratie van de doelstellingen van de fiscale wetgeving
38. De aanvragers verzoeken de bevoegde entiteit te bevestigen dat het voordeel dat de langstlevende zal verkrijgen door de toepassing van het optioneel verblijvingsbeding niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen.
De wijziging van het huwelijkscontract frustreert geenszins de fictiebepalingen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.4, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF.
7.1.1. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2. VCF
39. In casu is er, zoals hoger uiteengezet, sprake van een voordeel dat louter huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking. Het huwelijksvoordeel is dus niet onderworpen aan artikel 2.7.1.0.2 VCF.
40. De toekomstige echtgenoten frustreren deze bepaling niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling bij de aanvang van hun huwelijk beogen.
De toekomstige echtgenoten wensen te herhalen dat het in casu niet gaat over een wijziging aan een huwelijksstelsel gaat. Partijen zijn op heden feitelijk samenwonend en wensen met elkaar in het huwelijk te treden. Zij zijn nog niet gehuwd.
Voor daden van beschikking m.b.t. onverdeelde goederen is de medewerking van beide toekomstige echtgenoten vereist; het betreft dié goederen die zij noodzakelijk achten binnen hun pensioenplanning als de toekomstige aanvulling op hun pensioeninkomen die hen de garantie biedt op het behoud van hun gebruikelijke levensstandaard. Het is dan ook logisch dat m.b.t. deze goederen de beschikkingsbevoegdheid samen dient te worden genomen.
7.1.2. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
41. De verrichtingen frustreren de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de echtgenoten niet overgaan tot een schenking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld door het overlijden van de eerste echtgenoot. Een verblijvingsbeding is zoals vermeld een huwelijksvoordeel en geen schenking.
7.1.3. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.4 VCF
42. De aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.4 VCF niet omdat de goederen waaraan het verblijvingsbeding wordt gekoppeld niet tot een huwgemeenschap behoren, maar wel tot de eigen vermogens van de echtgenoten.
7.1.4. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.5 VCF
43. De verrichting frustreert verder noch artikel 2.7.1.0.5 VCF omdat het verblijvingsbeding zoals hoger uiteengezet, als huwelijksvoordeel niet kan worden gelijkgesteld met een schenking.
7.1.5. Geen frustratie van artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF
44. Het verblijvingsbeding betreft huwelijksvoordelen en geen schenkingen, waardoor artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF evenmin worden gefrustreerd door de verrichtingen.
7.2. Subjectief element: de verrichtingen zijn ingegeven door niet-fiscale motieven
45. Uit wat voorafgaat blijkt reeds dat de aanvragers willen huwen en de voorbeschreven verrichtingen doen omwille van niet-fiscale motieven.
Hiervoor wordt verwezen naar randnummers 12-17 (“waarom willen de toekomstige echtgenoten de verrichting”).
46. Kort nog even samengevat:
X en Y zijn al lange tijd een koppel en hebben samen een onverdeeld vermogen – thans in hoofdzaak onroerend - opgebouwd, ondanks dat ze hun financiën gescheiden hielden omwille van autonomie die ze elk wel belangrijk vinden en omwille van X’ professionele investeringsverplichtingen en -aansprakelijkheden.
Hun gezamenlijke doel is om bij pensionering hun gebruikelijke levensstandaard goed te kunnen verderzetten en te kunnen voorzien in alle gewenste zorgbehoeften. Ze hebben rekening gehouden met het onderhoud van hun patrimonium, waarbij verkoop van een pand de renovatie van andere kan bekostigen maar voorzien tevens dat met ouder worden het verhuren e.d. meer energie zal vergen dan vroeger en ze desgevallend een deel van hun onroerend patrimonium willen vervangen door een roerend patrimonium in onverdeeldheid.
Ze willen hun huidige onderscheiden regelingen van aanwas per onroerend goed vervangen door een (optioneel) verblijvingsbeding dat eenvoudiger, gelijk voor alle onverdeelde goederen, transparanter en nooit eenzijdig herroepbaar is.
Dit beding moet ervoor zorgen dat bij overlijden van één partner, de langstlevende automatisch en volledig eigenaar wordt van alle onverdeelde roerende en onroerende goederen, zonder bijkomende bewijzen of keuzes.
Wat betreft individuele goederen: omtrent de goederen die niet in onverdeeldheid zijn en dus eigen zijn, willen zij geen onherroepelijke regeling; elke partner doet daarmee wat hij wil en behoudt daarin zijn autonomie. X is volle en voor 100% eigenaar van de gezinswoning dat hij via schenking verkregen heeft van zijn ouders. Y heeft geen interesse om hierover een regeling treffen. Zij wil niet in de gezinswoning blijven als zij de langstlevende is en voegt daar eerlijkheidshalve aan toe liever nu al te willen verhuizen mocht het van haar alleen afhangen.
Het verblijvingsbeding over de onverdeelde goederen dat de toekomstige echtgenoten aan hun stelsel van scheiding van goederen willen toevoegen, komt volledig tegemoet aan alle wensen van de echtgenoten binnen de krijtlijnen die de civiele wet aangeeft, terwijl zij – door het beding te beperken tot de onverdeelde goederen - nog flexibiliteit behouden met betrekking tot hun exclusief eigen goederen.
47. Met hetgeen uiteengezet in randnummers 12-17 van deze aanvraag en met hetgeen hierboven nog eens samengevat wordt, tonen de aanvragers aan dat de hierboven beschreven verrichtingen niet fiscaal geïnspireerd zijn maar gedragen zijn door niet-fiscale motieven. Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet-fiscale motieven geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot deze aanvraag, die zij aan het besluitvormingsorgaan voorleggen en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.[5]
48. Gelet op het voorgaande verzoek ik het besluitvormingsorgaan onderhavig verzoek ontvankelijk te willen verklaren, en bij wijze van voorafgaande beslissing te willen bevestigen dat:
- het (optioneel) verblijvingsbedingbeding in de huwelijksovereenkomst (en de uitwerking daarvan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2. VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4. VCF, 2.7.1.0.5. VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF en geen van deze bepalingen frustreert zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2. VCF daarop niet toepasselijk is.
- de schrapping van de bedingen van aanwas zoals hierboven in randnummer 9 beschreven en het verblijvingsbeding in de huwelijksovereenkomst (en de uitwerking daarvan) geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.
- dat het besluit van de bevoegde entiteit geldig blijft tot en met het eerste overlijden van de echtgenoten overeenkomstig artikelen 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF en gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
49. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.
50. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.
51. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.
- Artikel 2.8.4.1.1 VCF dat luidt als volgt:
§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;
7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.
In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De te beoordelen verrichting
52. De heer X en mevrouw Y nemen zich voor om te huwen.
Zij wensen een huwelijksovereenkomst af te sluiten, waarbij zij het stelsel van scheiding van goederen aannemen met toevoeging van een optioneel verblijvingsbeding met betrekking tot de onverdeelde (roerende en onroerende) goederen. Hiertoe zal de hierboven aangehaalde clausule worden opgenomen in de huwelijksovereenkomst.
De aanvragers bezitten op vandaag 10 onroerende goederen in onverdeeldheid, zijnde elk voor de onverdeelde helft in volle eigendom. Daarnaast hebben de aanvragers ook een beleggersrekening in onverdeeldheid.
Wat de onroerende goederen betreft, werd in (9 van de 10 van) de aankooptitels een aanwasbeding opgenomen, maar de modaliteiten werden in de verschillende akten niet op dezelfde wijze geformuleerd:
- voor 6 onroerende goederen werd voorzien in een beëindiging van de aanwas van rechtswege bij huwelijk;
- voor 1 onroerend goed is niet voorzien in een einde bij huwelijk;
- voor 2 onroerende goederen werd voorzien in een beëindiging van de aanwas van rechtswege bij huwelijk, maar het einde wordt gebracht naar de dag van het in kracht van gewijsde treden van het echtscheidingsvonnis of – arrest, dan wel ingeval van anticipatieve inbreng in de huwgemeenschap, vanaf de dag van het huwelijk.
Voorafgaandelijk aan het sluiten van de huwelijksovereenkomst zullen de aanvragers bij notariële akte, met betrekking tot de 3 onverdeelde goederen waarvoor geen beëindiging van rechtswege van de aanwas werd voorzien bij huwelijk, het beding van aanwas uitdrukkelijk laten eindigen bij het aangaan van hun gepland huwelijk.
Het optioneel verblijvingsbeding dat zal worden opgenomen in de huwelijksovereenkomst beoogt, voor het geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van één van de echtgenoten, dat de goederen die de echtgenoten in onverdeeldheid toebehoren, onmiddellijk en in volle eigendom zullen toekomen aan de langstlevende echtgenoot, indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot daarvoor kiest.
Er wordt ook een passiefregeling voorzien.
Beoordeling
1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF
53. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.
54. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.
Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding als geldig huwelijksvoordeel, dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben.
In de mate bijgevolg dat het optioneel verblijvingsbeding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Fiscaal betekent dit dat de verblijving aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.
55. In de mate dat het optioneel verblijvingsbeding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.
1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?
56. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.
57. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?
58. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
59. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?
60. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen heeft volgens de aanvrager geen betrekking op een wettelijke of conventionele gemeenschap.
61. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?
62. Kosteloze beschikkingen, die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
63. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?
64. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden. Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
65. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 en artikel 2.8.4.1.1 VCF.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
a) Algemeen
66. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.
67. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.
68. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.
Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).
69. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.
b) In casu
70. Bij de aanvraag worden 2 voorgenomen verrichtingen voorgelegd:
- de aanstaande echtgenoten wensen een huwelijksovereenkomst af te sluiten onder het stelsel van scheiding van goederen aangevuld met een optioneel verblijvingsbeding met betrekking tot hun onverdeelde goederen (roerend en onroerend);
- voorafgaandelijk aan de huwelijksovereenkomst zullen de aanstaande echtgenoten bij notariële akte met betrekking tot 3 onroerende goederen de bestaande bedingen van aanwas uitdrukkelijk laten eindigen bij het aangaan van het huwelijk.
Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de heer X en mevrouw Y wensen te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen.
Zij vormen sinds 1994 een feitelijk samenwonend koppel.
De aanvragers geven aan dat zij een duidelijk, eenvoudig juridisch kader wensen dat nauw aansluit bij hun huidige samenlevingsvorm, met een rechtszekere bescherming voor de langstlevende van hen.
Zij hebben geen kinderen.
De heer X en mevrouw Y hebben samen een onverdeeld vermogen opgebouwd, in hoofdzaak onroerend.
Volgens verklaring van de aanvragers hebben zij thans 10 onroerende goederen in onverdeeldheid. Voor 9 van deze onroerende goederen werd een beding van aanwas afgesloten. De modaliteiten van deze bedingen van aanwas werden niet telkens op dezelfde manier geformuleerd in de verschillende aankoopakten.
Zij willen hun huidige diverse regelingen van aanwas per onroerend goed vervangen door een optioneel verblijvingsbeding dat eenvoudiger, niet eenzijdig herroepbaar en transparanter is, en op dezelfde manier van toepassing zal zijn voor alle onverdeelde goederen.
Aanvragers geven aan dat zij in de toekomst waarschijnlijk bepaalde onroerende goederen zullen verkopen om te herbeleggen in roerende goederen, gezien de belegging in onroerend goed met bijhorende verhuur op een bepaald moment mogelijk te zwaar zal worden. Met het optioneel verblijvingsbeding dat van toepassing zal zijn op alle onverdeelde goederen (roerend en onroerend), in plaats van de huidige regeling per onroerend goed via beding van aanwas, vermijden de aanvragers ook eventuele bewijsproblemen inzake zaakvervanging ingevolge de wederbelegging.
Het optioneel verblijvingsbeding beoogt, ten voordele van de langstlevende echtgenoot, de integrale toewijzing in volle en exclusieve eigendom, van alle goederen die tussen de echtgenoten in onverdeeldheid zijn op datum van overlijden, zowel roerend als onroerend. Met het verblijvingsbeding wensen de toekomstige echtgenoten elkaar gemoedsrust en zekerheid te geven dat het onverdeeld vermogen zal toekomen aan de langstlevende van hen.
71. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
72. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Een kopie van de identiteitskaarten van de heer X en mevrouw Y werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[2] Het verblijvingsbeding dat werd opgenomen in het ontwerp van de huwelijksovereenkomst, luidt als volgt: […]
[3] Bij emailbericht van 24 maart 2026 heeft aanvrager de bijlage 1, met het overzicht van de onverdeelde goederen waarnaar in de aanvraag verwezen wordt, bezorgd. Bij emailbericht van 18 april 2026 heeft aanvrager de ontwerpakte inzake de beëindiging van de overeenkomsten van aanwas bezorgd.
[4] Bij emailberichten van 18 april 2026 en 21 april 2026 heeft aanvrager een kopie van de aankooptitels bezorgd.
[5] Voetnoot van de aanvrager: Met dien verstande dat over de beëindiging van het beding van aanwas met betrekking tot het eigendom te […] de Vlaamse Belastingsadministratie geen uitspraak doet gezien dit goed in Wallonië is gelegen en (de gevolgen van) dit beding van aanwas onder de bevoegdheid van het Waals Gewest valt.