Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26028 - Nederlandse restschenking – zaakvervanging Vlaamse Belastingdienst

VB 26028 - Nederlandse restschenking – zaakvervanging

Voorafgaande beslissing
Nummer

26028

Datum beslissing

1 juni 2026

Publicatiedatum

5 augustus 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvragers wensen de bevestiging te verkrijgen dat de Geschonken goederen (respectievelijk de goederen die daar sinds xx.xx.2009 voor in de plaats zijn gekomen via zaakvervanging) bij het overlijden van mevrouw Y niet onderworpen zullen zijn aan schenkbelasting op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF noch aan erfbelasting op grond van 2.7.1.0.2 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend namens:

  • De heer X, geboren te […] (Nederland) op xx.xx.1951, van Nederlandse nationaliteit, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […];

hiervoor en hierna genoemd "de heer X”; en

  • Zijn echtgenote, mevrouw Y, geboren te […] (Nederland) op xx.xx.1954, van Nederlandse nationaliteit, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […];

hiervoor en hierna genoemd “mevrouw Y”;

De heer X en mevrouw Y worden hierna gezamenlijk ook de “Aanvragers” genoemd.[1]

3. De Aanvragers wonen samen te […] en hebben hun fiscale woonplaats aldus in het Vlaamse Gewest.

De Aanvragers zijn gehuwd te […] (Nederland) op xx.xx.1981, dit aanvankelijk onder het Nederlandse stelsel van uitsluiting van elke gemeenschap van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] (Nederland) op xx.xx.1981. Op xx.xx.2009 hebben zij er evenwel voor gekozen om, via akte wijziging huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […], het Belgische stelsel van scheiding van goederen aan te nemen. In diezelfde akte werd door de Aanvragers ook een verrekenbeding toegevoegd aan hun huwelijksstelsel.

4. Uit het huwelijk van de Aanvragers zijn vier (thans meerderjarige) gemeenschappelijke kinderen geboren, met name:

  • De heer A, geboren te […] op xx.xx.1983, van Nederlandse nationaliteit, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […], wonende te […] (“A”);
  • De heer B, geboren te […] (Duitsland) op xx.xx.1985, van Nederlandse nationaliteit, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […], wonende te […] (“B”);
  • De heer C, geboren te […] op xx.xx.1987, van Nederlandse nationaliteit, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […], wonende te […] (“C”);
  • Mevrouw D, geboren te […] op xx.xx.1989, van Nederlandse nationaliteit, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […], wonende te […] (“D”).

A, B, C en D worden hierna gezamenlijk genoemd "de Kinderen".

De Aanvragers hebben geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

5. De heer X heeft op xx.xx.2009, bij notariële akte verleden voor notaris […], met standplaats te […] (Nederland), de blote eigendom van de volgende goederen geschonken aan zijn echtgenote, mevrouw Y, met voorbehoud van levenslang vruchtgebruik voor zichzelf (Bijlage 1):

  • De blote eigendom van een geldsom van 5.000.000,00 EUR, op dat moment aangehouden op de rekening met nummer […] op naam van de heer X bij […] (de “Geldsom 5.000.000 EUR”);
  • De blote eigendom van een geldsom van 1.900.000,00 EUR, op dat moment aangehouden op de rekening met nummer […] op naam van de heer X bij […] (de “Geldsom 1.900.000 EUR”);
  • De blote eigendom van een geldsom van 1.800.000,00 EUR, op dat moment aangehouden op de rekening met nummer […] op naam van de heer X bij […] (de “Geldsom 1.800.000 EUR”); en
  • De blote eigendom van 87.600 aandelen van […], op dat moment aangehouden op de rekening met nummer […] op naam van de heer X bij […] (de “Aandelen E”).

De Geldsom 5.000.000 EUR, de Geldsom 1.900.000 EUR, de Geldsom 1.800.000 EUR en de Aandelen E worden hierna samen ook de “Geschonken Goederen” genoemd.

Aan deze schenking werd door de heer X een beding van fideïcommis de residuo gekoppeld ten voordele van de kinderen van het echtpaar X-Y. Hierbij werd voorzien dat de goederen die door zaakvervanging, belegging of wederbelegging in de plaats komen van de Geschonken Goederen, eveneens aan het beding van fideïcommis de residuo zijn onderworpen.

Aangezien de schenking destijds voor een Nederlandse notaris werd verleden, wensen de heer X en mevrouw Y via deze aanvraag de bevestiging te verkrijgen dat de Geschonken Goederen (respectievelijk de goederen die daar sinds xx.xx.2009 voor in de plaats zijn gekomen via zaakvervanging) bij het overlijden van mevrouw Y niet onderworpen zullen zijn aan schenkbelasting op grond van artikel 2.8.1.0.1. VCF noch aan erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.2. VCF of artikel 2.7.1.0.5. VCF. Gelet op het feit dat het beding van fideïcommis de residuo op heden fiscaal nog geen uitwerking heeft gehad, valt dit overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1., §1 VCF binnen de bevoegdheid van uw Dienst om hierover een voorafgaande beslissing af te leveren.

6. Zoals hierboven uiteengezet, heeft de heer X op xx.xx.2009 een schenking gedaan aan zijn echtgenote, mevrouw Y (de “Schenking”). Aan de Schenking werd een beding van fideïcommis de residuo gekoppeld ten voordele van de Kinderen.

7. Het beding van fideïcommis de residuo bij een schenking is een gift waarbij de schenker goederen schenkt aan een eerste begiftigde (hierna ook een "bezwaarde" genoemd) en waarbij wordt bepaald dat hetgeen van deze goederen overblijft bij het overlijden van deze bezwaarde van rechtswege zal toekomen aan een tweede begiftigde (hierna ook een "verwachter" genoemd), eveneens aangewezen door de schenker en dit alsof hij/zij de betrokken goederen rechtstreeks van de schenker geschonken heeft gekregen (zie in dit verband ook HvB Antwerpen 8 april 2015, 2013/AR/211, T.Not. 2015/6, 436; VANDEBEEK N., 'Fiscale aspecten betreffende schenkingen', OGP 2021/349, (XIV.O-237) XIV.O-296).

8. De schenker beschikt in feite tweemaal over de goederen: de eerste maal zuiver en eenvoudig in het voordeel van de bezwaarde, de tweede maal in het voordeel van de verwachter, voor zover de geschonken goederen bij het overlijden van de bezwaarde nog aanwezig zouden zijn in diens vermogen. De geschonken goederen worden dus door de schenker opeenvolgend aan verschillende personen toebedeeld (HvB Antwerpen 8 april 2015, 2013/AR/211, T.Not. 2015/6, 436).

9. De exacte bewoordingen van het beding van fideïcommis de residuo zoals opgenomen onder Artikel 3.7, A van de schenkingsakte die aan de basis ligt van de Schenking (de “Schenkingsakte”) worden hieronder weergegeven. Mevrouw Y wordt in de Schenkingsakte de “(Eerste) Begiftigde” genoemd. De Kinderen worden de “Tweede Begiftigden” genoemd.

“A.1. Aan de voormelde schenking aan de Begiftigde (hierna genoemd “Eerste Begiftigde”) wordt een beding van fideïcommis de residuo gekoppeld. Derhalve worden alle goederen, die de Eerste Begiftigde bij deze akte verkrijgt (alsmede de goederen die door zaaksvervanging, belegging en wederbelegging in de plaats van de geschonken goederen zouden komen), en die bij het overlijden van deze Eerste Begiftigde niet verteerd zouden zijn, thans reeds geschonken aan de sub II.B.a), b), c) en d) voornoemde vier kinderen van de Schenker (hierna genoemd de “Tweede Begiftigden”), aan ieder van hen voor een gelijk deel, of - bij vóóroverlijden - aan hun afstammelingen zoals hierna uiteengezet. De schenking aan de Tweede Begiftigden wordt echter ontbonden indien de schenking aan de Eerste Begiftigde ontbonden werd ingevolge de werking van het beding van bedongen terugkeer.

A.2. Indien een Tweede Begiftigde overlijdt vóór de Eerste Begiftigde, geldt de volgende regeling:

a) indien de vooroverleden Tweede Begiftigde één of meer afstammelingen nalaat die allen de schenking de residuo rechtsgeldig hebben aanvaard, zullen deze afstammelingen in de plaats van de vooroverleden Tweede Begiftigde als Tweede Begiftigden worden aangesteld, samen voor het aandeel van de vooroverleden Tweede Begiftigde in de geschonken goederen en overeenkomstig de wettelijke regels van de erfrechtelijke plaatsvervulling; in dat geval zal de aanstelling van de vooroverleden Tweede Begiftigde retroactief ontbonden zijn;

b) indien de vooroverleden Tweede Begiftigde één of meer afstammelingen nalaat én geen enkele van deze afstammelingen de schenking de residuo rechtsgeldig heeft aanvaard, blijft de schenking de residuo ten voordele van de vooroverleden Tweede Begiftigde bestaan en dan zullen deze afstammelingen in principe in hun hoedanigheid van erfgenaam van de vooroverleden Tweede Begiftigde (mede) erven;

c) indien de vooroverleden Tweede Begiftigde meerdere afstammelingen nalaat en één of meer afstammelingen de schenking de residuo rechtsgeldig hebben aanvaard en één of meer andere afstammelingen de schenking de residuo niet rechtsgeldig hebben aanvaard, zullen de afstammelingen die de schenking de residuo rechtsgeldig hebben aanvaard als Tweede Begiftigde worden aangesteld (zoals sub a) is vermeld), doch onder last een zodanig deel van het door hen verkregen residu over te dragen aan de afstammelingen die de schenking de residuo niet rechtsgeldig hebben aanvaard, als nodig om hetzelfde resultaat te bereiken als wanneer al deze afstammelingen de schenking de residuo rechtsgeldig zouden hebben aanvaard (zowel op civielrechtelijk als op fiscaal vlak). De aanstelling van thans nog niet geboren en/of verwekte kinderen van de vooroverleden Tweede Begiftigde als Tweede Begiftigde in de plaats van de vooroverleden Tweede Begiftigde, dient desgevallend geïnterpreteerd te worden als een residuaire schenking aan de reeds geboren en/of verwekte kinderen in deze staak onder de ontbindende voorwaarde van het geboren worden van een nieuw kind in deze staak en van zijn aanvaarding, althans ten belope van een onverdeeld aandeel dat gelijk is aan het aantal reeds bestaande kinderen in deze staak vermeerderd met één, en als een residuaire schenking aan het nieuwe kind van de som van deze onverdeelde aandelen onder de opschortende voorwaarde van zijn geboorte en zijn aanvaarding. Voor afstammelingen van de vooroverleden Tweede Begiftigde andere dan kinderen geldt hetzelfde mutatis mutandis.

d) indien de vooroverleden Tweede Begiftigde geen enkele afstammeling nalaat, dan wordt de schenking de residuo van de vooroverleden Tweede Begiftigde retroactief ontbonden; in dat geval zullen enkel de andere Tweede Begiftigden als tweede begunstigde worden aangemerkt, ieder voor een gelijk deel.

Ingeval van overlijden van een of meer andere Tweede Begiftigden zal met betrekking tot hun afstammelingen het hierboven sub a) tot en met c) bepaalde van toepassing zijn.”

10. Er werd in de Schenkingsakte onder artikel 3, paragraaf 7, B.5 opgenomen dat het beginsel van zaakvervanging van toepassing is op de Geschonken Goederen die werden geschonken onder de last van het beding van fideïcommis de residuo:

"Indien de Eerste Begiftigde het geheel of een deel van het fideïcommissair vermogen te bezwarende titel zou vervreemden, zullen de goederen die daarvoor in de plaats komen ingevolge zaakvervanging, belegging of wederbelegging eveneens aan de toepassing van het beding van fideïcommis de residuo worden onderworpen en derhalve tot het fideïcommissair vermogen behoren.

Partijen verklaren te weten welke de fiscale gevolgen zijn van de toepassing van zaaksvervanging, belegging en wederbelegging dat niet aan het

fideïcommis is onderworpen (eigen vermogen). De omvang van de vergoeding zal het nominaal bedrag zijn waarmee het eigen vermogen zich zal hebben verarmd.

Het recht van de Eerste Begiftigde op het fideïcommissair vermogen dooft uit bij haar overlijden, alsmede in geval van faillissement, gerechtelijk akkoord en collectieve schuldenregeling of daarmee gelijkstaande maatregelen in hoofde van de Eerste Begiftigde. Bij het einde van het recht van de Eerste Begiftigde rust op de Eerste Begiftigde of op haar erfgenamen de verplichting om jegens de Tweede Begiftigden aan te tonen welke vermogensbestanddelen tot het fideïcommissair vermogen behoren."

11. Hieruit volgt dat het gedeelte van de Geschonken Goederen dat bij het overlijden van mevrouw Y niet verteerd is, dan wel de goederen die daar via zaakvervanging of (weder)belegging voor in de plaats zijn gekomen (hierna ook het “Restvermogen”), via het beding van fideïcommis de residuo (hierna ook de “Restschenking” genoemd) toekomt aan de Kinderen, elk voor een gelijk deel.

12. De Geschonken Goederen zijn inmiddels, via zaakvervanging, verworden tot andere roerende goederen in het vermogen van de heer X als schenker(-vruchtgebruiker) en mevrouw Y als bezwaarde (-blote eigenaar).

13. Hierna geven de Aanvragers weer wat de zaakvervangingsketen is die de Geschonken Goederen hebben ondergaan. De Aanvragers houden de zaakvervangingsketen ook nauwgezet bij in een vaststellingsovereenkomst (die van tijd tot tijd van een update wordt voorzien) waaraan alle ondersteunende bewijsstukken zijn gehecht (zoals bancaire overschrijvingen, inschrijvingsovereenkomsten voor PE-investeringen…) (Bijlage 2). De stukken waarnaar hierna wordt verwezen zijn deze die als bijlagen aan de meest recente versie van de vaststellingsovereenkomst zijn gehecht.[2]

13.1. Wat de Geldsom 1.800.000 EUR en de Aandelen E betreft

13.1.1. De Geldsom 1.800.000 EUR

  • Mevrouw Y verkreeg op xx.xx.2009 de blote eigendom van de Geldsom 1.800.000,00 EUR, dewelke de heer X op dat moment in volle eigendom aanhield op de rekening met nummer 960-5405333-24 bij […] (stuk 1).
  • De Geldsom 1.800.000,00 EUR werd in uitvoering van de Schenking overgeschreven op en belegd in een beleggingsportefeuille bij […], met nummer […], aangehouden in vruchtgebruik door de heer X en in blote eigendom door mevrouw Y (hierna de “Beleggingsportefeuille F”) (stuk 2). De Beleggingsportefeuille F bestaat op heden uit volgende rekeningen (stuk 3):

[…]

in onroerende goederen.

Indien bij de verwerving of verkrijging (in de meest ruime zin van het woord) van nieuwe goederen, op welke wijze ook, de geschonken goederen of goederen die volgens deze regels van zaakvervanging, belegging en wederbelegging daarvoor in de plaats zijn gekomen, zijn aangewend, op welke wijze ook, voor ten minste de helft van de verwervings- of verkrijgingswaarde, dan treedt er zaakvervanging, belegging of wederbelegging op, onder last van vergoeding aan het vermogen

  • de heer X behield de rekening met nummer […] als vruchtenrekening ([…]).

13.1.2. De Aandelen E

  • Mevrouw Y verkreeg op xx.xx.2009 de blote eigendom van 87.600 Aandelen E, dewelke de heer X op dat moment in volle eigendom aanhield op een beleggingsportefeuille bij […] met nummer […] (stuk 1).
  • In uitvoering van de Schenking werden de Aandelen E op xx.xx.2010 overgebracht naar een beleggingsportefeuille bij […], met nummer […], uitgedrukt in USD (hierna “Beleggingsportefeuille G”). Op xx.xx.2010 hadden de Aandelen E een waarde van 5.508.288 USD (4.032.419,35 EUR) (stuk 4).
  • De Aandelen E werden tussen xx.xx.2010 en xx.xx.2014 stelselmatig verkocht. De verkoopprijzen zijn steeds onderdeel gebleven van de Beleggingsportefeuille G.
  • Uit een overzicht van xx.xx.2014 van de Beleggingsportefeuille G blijkt dat alle Aandelen E waren verkocht (stuk 5).
  • Op xx.xx.2014 werd de Beleggingsportefeuille G afgesloten en werden de effecten en de liquiditeiten overgebracht naar de Beleggingsportefeuille F (stuk 6).

13.1.3. De Beleggingsportefeuille F

  • De Aanvragers houden de Beleggingsportefeuille F nog steeds aan. Zij hebben met gelden van de Beleggingsportefeuille F (en de daaraan gekoppelde zichtrekening met nummer […]) een aantal private equity-investeringen gedaan (infra artikel 13.3.).
  • De Aanvragers houden daarnaast een zichtrekening met nummer […] aan bij […], uitgedrukt in USD. Deze rekening wordt gebruikt om investeringen in USD te volstorten. Deze rekening behoort de heer X toe voor het vruchtgebruik en mevrouw Y voor de blote eigendom (infra artikel 13.3.2. […]).
  • Het saldo van de Beleggingsportefeuille F bedroeg de laatste jaren (stuk 3):
    • […]

13.2. Wat de Geldsom 5.000.000,00 EUR en de Geldsom 1.900.000,00 EUR betreft

13.2.1. De uitvoering van de Schenking

  • Mevrouw Y verkreeg op xx.xx.2009 de blote eigendom van de Geldsom 5.000.000 EUR, dewelke X op dat moment in volle eigendom aanhield op de rekening met nummer […] bij […] (stuk 1).
  • De Geldsom 5.000.000 EUR werd in uitvoering van de Schenking op 31 december 2009 overgeboekt van de rekening […] naar de rekening met nummer […], een […] spaarrekening bij […] (stuk 7).
  • Mevrouw Y verkreeg op xx.xx.2009 de blote eigendom van de Geldsom 1.900.000 EUR, dewelke de heer X op dat moment in volle eigendom aanhield op de rekening met nummer […] bij […] (stuk 1).
  • De Geldsom 1.900.000 EUR werd in uitvoering van de Schenking overgeboekt van de rekening […] naar twee verschillende rekeningen bij […], zijnde:
    • Op xx.xx.2009, 500.000 EUR naar de rekening met nummer […]) (stuk 8);
    • Op xx.xx.2010, 1.400.000 EUR naar de rekening met nummer […], waarna deze som werd overgeboekt naar de rekening met nummer […] (stuk 9).
  • De heer X behield de rekening met nummer […] als vruchtenrekening.
  • De rekening met nummer […] was reeds voor de Schenking een rekening die in volle eigendom aan de heer X toebehoorde. Vanuit deze rekening zijn de Geldsom 1.900.000 EUR en een gedeelte van de Geldsom 5.000.000 EUR afkomstig (stuk 10).

13.2.2. De zaakvervanging binnen […]

  • In uitvoering van de Schenking werden de Geldsom 5.000.000 EUR en de Geldsom 1.900.000 EUR via de voormelde rekeningen bij […] aangehouden.
  • In de periode vanaf xx.xx.2009 tot en met xx.xx.2013 werden de tegoeden meermaals overgeboekt over de diverse en nieuwe rekeningen, te weten (stuk 11):
    • De rekening met nummer […] ;
    • De rekening met nummer […] ;
    • De rekening met nummer […] ;
    • De rekening met nummer […] ;
    • De rekening met nummer […] ;
    • De rekening met nummer […] .
  • Op xx.xx.2013 brengen de Aanvragers hun tegoeden bij […] over naar […] voor een bedrag van 6.776.949,44 EUR (stuk 12).
  • Enkel een deel van de tegoeden op de rekening met nummer […] werd niet volledig overgeboekt naar […]. Deze tegoeden werden overgeschreven naar rekening […]. De Aanvragers hebben deze tegoeden vervolgens belegd via een portefeuille met nummer […], met rekeningnummers […] (stuk 13).
  • Uiteindelijk hebben de Aanvragers de portefeuille met nummer […] op xx.xx.2016 afgesloten en werd het saldo van 351.909,46 EUR van de rekening met nummer […], samen met een som van 2.528,41 EUR van de rekening met nummer […] overgeboekt naar de rekening met nummer […], de zichtrekening gekoppeld aan de Beleggingsportefeuille F (stuk 14).
  • Op xx.xx.2016 hebben de Aanvragers de rekening met nummer […] afgesloten en een beperkte geldsom van 164,28 EUR aan vruchten naar aanleiding van de afsluiting overgeschreven naar de rekening met nummer […], in volle eigendom van de heer X (stuk 15).
  • De rekening met nummer […] was de laatste rekening die de Aanvragers aanhielden bij […].

13.2.3. Van […] naar […]

  • Op xx.xx.2013 hebben de Aanvragers de tegoeden vanuit de verschillende rekeningen bij […] gecentraliseerd op hun rekening met nummer […], met het oog op een vertrek bij […].
  • Op dezelfde datum werd een som van 6.776.949,44 EUR overgeboekt vanuit de rekening met nummer […], naar de rekening met nummer […], aangehouden bij […] (stuk 12).
  • Rond dezelfde periode openden de Aanvragers een beleggingsportefeuille bij […] met nummer […] (hierna “Beleggingsportefeuille H”). De Beleggingsportefeuille H werd gebruikt om de gelden afkomstig van […] verder te beleggen. De Beleggingsportefeuille H bestond uit volgende rekeningen (stuk 16):
    • De rekening met nummer […];
    • De rekening met nummer […];
    • De rekening met nummer […].
  • Op xx.xx.2017 heeft de Beleggingsportefeuille H een totale waarde van 7.797.595,42 EUR (stuk 17). Kort nadien hebben de Aanvragers de meeste van hun tegoeden/beleggingen overgeboekt naar […] voor een bedrag van 5.248.582,47 EUR (xx.xx.2017), 184.264,70 EUR (xx.xx.2017) en 1.942.762,12 EUR (xx.xx.2018) (stukken 18, 19 en 20).
  • Op xx.xx.2018 hebben de Aanvragers het saldo van hun tegoeden bij […] voor een bedrag van 450.000 EUR geboekt op een spaarrekening met nummer […] bij […] (stuk 21).
  • Op xx.xx.2019 kwamen deze gelden vrij met rente. Op xx.xx.2019 werd een bedrag van 450.212,32 EUR overgeboekt naar […], en werd de laatste rekening van de Aanvragers bij […] met nummer […] afgesloten (stukken 19 en 22).

13.2.4. Van […] naar […]

  • Op xx.xx.2017 openden de Aanvragers een beleggingsportefeuille bij de bank […] (rekeningnummers: […] (hierna “Beleggingsportefeuille I”) (stuk 23). De Beleggingsportefeuille H zou geleidelijk aan worden overgebracht naar de Beleggingsportefeuille I, als volgt (stukken 18,19, 20 en 22):
    • Op xx.xx.2017 werd een geldsom van 5.248.582,47 EUR overgeboekt naar de Beleggingsportefeuille I;
    • Op xx.xx.2017 werd een bijkomende geldsom van 184.264,70 EUR overgeboekt naar de Beleggingsportefeuille I;
    • Op xx.xx.2018 werd een bijkomende geldsom van 1.942.762,12 EUR overgeboekt naar de Beleggingsportefeuille I;
    • Op xx.xx.2019 werd een bedrag van 450.212,32 EUR overgeboekt naar de Beleggingsportefeuille I.
  • De Aanvragers houden de Beleggingsportefeuille I nog steeds aan. Zij hebben met gelden van de Beleggingsportefeuille I (en de daaraan gekoppelde zichtrekening met nummer […]) een aantal private equity-investeringen gedaan (infra artikel 13.3.).
  • Het saldo van de Beleggingsportefeuille I bedroeg (stuk 24):
    • Op xx.xx.2018: 6.725.453,80 EUR;
    • Op xx.xx.2019: 7.992.032,45 EUR;
    • Op xx.xx.2020: 8.301.141,38 EUR;
    • Op xx.xx.2021: 9.274.437,14 EUR;
    • Op xx.xx.2022: 7.797.057,21 EUR;
    • Op xx.xx.2023: 8.630.509,85 EUR;
    • Op xx.xx.2024: 9.975.340,38 EUR;
    • Op xx.xx.2025: 10.715.063,54 EUR.

13.3. Wat de private equity-investeringen betreft

  • De Aanvragers houden de Beleggingsportefeuille I en de Beleggingsportefeuille F nog steeds aan. Zij hebben met gelden van de Beleggingsportefeuille I (en de daaraan gekoppelde zichtrekening met nummer […]) en de Beleggingsportefeuille F (en de daaraan gekoppelde zichtrekening met nummer […]) een aantal private equity-investeringen gedaan op naam van mevrouw Y als volle eigenaar, aangezien de wetgeving omtrent investeringen in privak-structuren niet toelaat dat een aandeel gesplitst wordt aangehouden in vruchtgebruik-blote eigendom. Het vruchtgebruikrecht van de heer X wordt hiermee niet miskend, aangezien privak-aandelen geen inkomsten maar opbrengsten opleveren.
  • De Aanvragers hebben geïnvesteerd in volgende private equity-fondsen vanuit de Beleggingsportefeuille F en de Beleggingsportefeuille I:
    • […]

13.3.1. […]

  • […]:
    • Een totale inschrijving van 2.000.000 EUR (stuk 25);
    • Waarvan reeds 1.210.000 EUR werd opgevraagd, als volgt (stuk 26):
      • Op xx.xx.2019: een bedrag van 200.000 EUR;
      • Op xx.xx.2020: een bedrag van 50.000 EUR;
      • Op xx.xx.2021: een bedrag van 100.000 EUR;
      • Op xx.xx.2021: een bedrag van 120.000 EUR;
      • Op xx.xx.2021: een bedrag van 200.000 EUR;
      • Op xx.xx.2022: een bedrag van 40.000 EUR;
      • Op xx.xx.2022: een bedrag van 90.000 EUR;
      • Op xx.xx.2022: een bedrag van 230.000 EUR;
      • Op xx.xx.2022: een bedrag van 30.000 EUR;
      • Op xx.xx.2023: een bedrag van 20.000 EUR;
      • Op xx.xx.2023: een bedrag van 80.000 EUR;
      • Op xx.xx.2024: een bedrag van 20.000 EUR;
      • Op xx.xx.2025: een bedrag van 30.000 EUR;
    • De Aanvragers hebben deze bedragen volstort vanuit de Beleggingsportefeuille F en de Beleggingsportefeuille I, als volgt (stuk 27):
      • Een bedrag van 200.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2019;
      • Een bedrag van 50.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2020;
      • Een bedrag van 100.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
      • Een bedrag van 120.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
      • Een bedrag van 200.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
      • Een bedrag van 40.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
      • Een bedrag van 90.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
      • Een bedrag van 230.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
      • Een bedrag van 30.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
      • Een bedrag van 20.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
      • Een bedrag van 80.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
      • Een bedrag van 20.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;
      • Een bedrag van 30.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2025.
    • Er hebben reeds drie uitkeringen plaatsgevonden (stuk 28):
      • Op xx.xx.2024 werd een uitkering ten belope van 71.009,53 EUR bevestigd, die zou toekomen aan de Beleggingsportefeuille F;
      • Op xx.xx.2025 werd een uitkering ten belope van 97.935,14 EUR bevestigd, die zou toekomen aan de Beleggingsportefeuille I;
      • Op xx.xx.2025 werd een uitkering ten belope van 321.416,97 EUR bevestigd, die zou toekomen aan de Beleggingsportefeuille I.

  • […]:
    • Een totale inschrijving van 250.000 EUR (stuk 29);
    • Waarvan reeds 100.000 EUR werd opgevraagd, als volgt (stuk 30):
      • Op xx.xx.2020: een bedrag van 25.000 EUR;
      • Op xx.xx.2021: een bedrag van 6.250 EUR;
      • Op xx.xx.2021: een bedrag van 7.500 EUR;
      • Op xx.xx.2022: een bedrag van 6.250 EUR;
      • Op xx.xx.2023: een bedrag van 8.750 EUR;
      • Op xx.xx.2023: een bedrag van 2.500 EUR;
      • Op xx.xx.2023: een bedrag van 13.750 EUR;
      • Op xx.xx.2024: een bedrag van 7.500 EUR;
      • Op xx.xx.2024: een bedrag van 12.500 EUR;
      • Op xx.xx.2025: een bedrag van 3.750 EUR;
      • Op xx.xx.2025: een bedrag van 6.250 EUR;
    • De Aanvragers hebben deze bedragen volstort vanuit de Beleggingsportefeuille F, de Beleggingsportefeuille I, als volgt (stuk 31):
      • Een bedrag van 25.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2020;
      • Een bedrag van 6.250 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
      • Een bedrag van 7.500 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
      • Een bedrag van 6.250 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022. Bij deze overschrijving werd verkeerdelijk aangegeven dat de begunstigde […] zou zijn. Het rekeningnummer van de begunstigde wijst er immers op dat de begunstigde […] is;
      • Een bedrag van 8.750 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
      • Een bedrag van 2.500 EUR op xx.xx.2023 vanuit de zichtrekening met nummer […], aangehouden als gemeenschappelijke rekening van de Aanvragers bij […]. Deze gelden behoorden niet tot het Restvermogen. De Aanvragers hebben dit op xx.xx.2026 rechtgezet door middel van een overschrijving vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] naar de zichtrekening bij […] met nummer […] onder de vermelding […];
      • Een bedrag van 13.750 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
      • Een bedrag van 7.500 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;
      • Een bedrag van 12.500 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;
      • Een bedrag van 3.750 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2025;
      • Een bedrag van 6.250 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2025;
    • Er heeft reeds één uitkering plaatsgevonden (stuk 32):
      • Op xx.xx.2024 werd een uitkering van 17.100,81 EUR bevestigd, die zou toekomen aan de Beleggingsportefeuille F.
  • […]:
    • Een totale inschrijving van 300.000 EUR (stuk 33);
    • Waarvan reeds 135.000 EUR werd opgevraagd, als volgt (stuk 33):
      • Op xx.xx.2021: een bedrag van 45.000 EUR;
      • Op xx.xx.2023: een bedrag van 60.000 EUR;
      • Op xx.xx.2025: een bedrag van 30.000 EUR;
    • De Aanvragers hebben deze bedragen volstort vanuit de Beleggingsportefeuille F en de Beleggingsportefeuille I, als volgt (stuk 34):
      • Een bedrag van 45.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
      • Een bedrag van 60.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
      • Een bedrag van 30.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2025.
    • Er hebben reeds drie uitkeringen plaatsgevonden (stuk 33):
      • Op xx.xx.2024 werd een uitkering van 86.911,09 EUR bevestigd, die zou toekomen aan de Beleggingsportefeuille F;
      • Op xx.xx.2024 werd een uitkering van 42.828,93 EUR bevestigd, die zou toekomen aan de Beleggingsportefeuille F;
      • Op xx.xx.2025 werd een uitkering van 15.301,61 EUR bevestigd, die zou toekomen aan de Beleggingsportefeuille I.

13.3.2. […]:

  • Een totale inschrijving van 500.000 USD (stuk 35);
  • Volledig opgevraagd, als volgt (stuk 35):
    • Op xx.xx.2021: een bedrag van 250.000 USD;
    • Op xx.xx.2022: een bedrag van 75.000 USD;
    • Op xx.xx.2023: een bedrag van 50.000 USD;
    • Op xx.xx.2023: een bedrag van 75.000 USD;
    • Op xx.xx.2024: een bedrag van 50.000 USD;
  • De Aanvragers hebben deze bedragen volstort vanuit de Beleggingsportefeuille F en de Beleggingsportefeuille I, als volgt (stuk 36):
    • Een bedrag van 250.000 USD vanuit de KIR-rekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
    • Een bedrag van 75.000 USD vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
    • Een bedrag van 50.000 USD vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
    • Een bedrag van 75.000 USD vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
    • Een bedrag van 50.000 USD (46.238,71 EUR) vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;
  • Er heeft reeds één uitkering plaatsgevonden (stuk 37):
    • Op xx.xx.2025 werd een uitkering van 25.000 USD bevestigd, die zou toekomen aan de vruchtenrekening van de heer X bij […], met nummer […].

13.3.3. […] (fonds […]):

  • Een totale inschrijving van 1.000.000 EUR (stuk 38);
  • Waarvan reeds 750.000 EUR werd opgevraagd, als volgt (stuk 38):
    • Op xx.xx.2022: een bedrag van 250.000 EUR;
    • Op xx.xx.2023: een bedrag van 250.000 EUR;
    • Op xx.xx.2024: een bedrag van 250.000 EUR;

  • De Aanvragers hebben deze bedragen volstort als volgt (stuk 39):
    • ​​​​​​​Een bedrag van 250.000 EUR vanuit de KIR-rekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 250.000 EUR vanuit de KIR-rekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 250.000 EUR vanuit de KIR-rekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;

  • Er hebben nog geen uitkeringen plaatsgevonden (stuk 38).

13.3.4. […]:

  • Oorspronkelijke inschrijving van 995.111 EUR, waarna naar aanleiding van de kapitaalverhoging van xx.xx.2020 werd ingeschreven op een extra 995.111 EUR, voor een totale inschrijving van 1.990.222 EUR (stuk 40);
  • Waarvan reeds 1.753.413 EUR werd opgevraagd, als volgt (stuk 41):
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2019 (bij oprichting): een bedrag van 234.846 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2019: een bedrag van 58.712 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2020 (bij kapitaalverhoging): een bedrag van 293.558 EUR;
    • Op xx.xx.2020: een bedrag van 91.550 EUR;
    • Op xx.xx.2021: een bedrag van 99.511 EUR;
    • Op xx.xx.2021: een bedrag van 218.924 EUR;
    • Op xx.xx.2021: een bedrag van 105.483 EUR;
    • Op xx.xx.2022: een bedrag van 105.482 EUR;
    • Op xx.xx.2022: een bedrag van 31.845 EUR;
    • Op xx.xx.2023: een bedrag van 53.736 EUR;
    • Op xx.xx.2023: een bedrag van 73.637 EUR;
    • Op xx.xx.2023: een bedrag van 61.697 EUR;
    • Op xx.xx.2024: een bedrag van 61.697 EUR;
    • Op xx.xx.2024: een bedrag van 65.676 EUR;
    • Op xx.xx.2025: een bedrag van 111.452 EUR;
    • Op xx.xx.2025: een bedrag van 85.607 EUR;

  • De Aanvragers hebben deze bedragen volstort vanuit de Beleggingsportefeuille F en de Beleggingsportefeuille I, als volgt (stuk 42):
    • ​​​​​​​Een bedrag van 239.735 EUR, zijnde 234.846 EUR kapitaalopvraging en 4.889 EUR uitgiftepremie, vanuit de rekening bij […] met nummer […];
    • ​​​​​​​Een bedrag van 58.712 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2019;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 306.105 EUR, zijnde 293.558 EUR kapitaalopvraging en 12.547 EUR uitgiftepremie, vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2020;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 91.550 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2020;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 97.874 EUR, zijnde de kapitaalopvraging van 99.511 EUR gecompenseerd met een ontvangen uitgiftepremie van 1.637 EUR, vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 182.286 EUR, zijnde de kapitaalopvraging van 218.924 EUR gecompenseerd met de uitkering van 36.638 EUR van xx.xx.2021, vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 105.483 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 105.482 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 31.845 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 53.736 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 73.637 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 61.697 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 61.697 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 61.697 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […], voor een bedrag van 65,68 EUR op xx.xx.2024 en voor een bedrag van 65.610,32 EUR op xx.xx.2024;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 111.452 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2025;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 56.443 EUR, zijnde de kapitaalopvraging van 85.607 EUR gecompenseerd met een uitkering van 29.164 EUR, vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2025.

  • Er hebben vier uitkeringen plaatsgevonden, als volgt (stuk 43):
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2021 werd een uitkering van 137.337 EUR bevestigd, die zou toekomen aan de Beleggingsportefeuille I;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2021 werd een uitkering van 36.638 EUR bevestigd, die werd uitgekeerd in de vorm van een reductie op de kapitaalopvraging van xx.xx.2021. Op xx.xx.2021 werd de ingehouden roerende voorheffing ten belope van 10.639 EUR teruggestort aan de Beleggingsportefeuille I;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2024 werd een uitkering van 332.678 EUR bevestigd, die zou toekomen aan de Beleggingsportefeuille I;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2025 werd een uitkering van 29.164 EUR bevestigd, die werd uitgekeerd in de vorm van een reductie op de kapitaalverhoging van xx.xx.2025.

13.3.5. […]:

  • Een totale inschrijving van 1.000.000 EUR (stuk 44);
  • ​​​​​​​Waarvan reeds 416.000 EUR werd opgevraagd, als volgt (stuk 45):
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2021: een bedrag van 50.000 EUR
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2021: een bedrag van 40.000 EUR
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2022: een bedrag van 31.000 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2023: een bedrag van 35.000 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2023: een bedrag van 27.000 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2023: een bedrag van 69.000 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2024: een bedrag van 32.000 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2025: een bedrag van 60.000 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2025: een bedrag van 72.000 EUR;

  • De Aanvragers hebben deze bedragen volstort vanuit de Beleggingsportefeuille F en de Beleggingsportefeuille I, als volgt (stuk 46)
    • ​​​​​​​Een bedrag van 50.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 40.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2021;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 31.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2022;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 35.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 27.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 67.949 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2023
    • ​​​​​​​Een bedrag van 32.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 60.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2025;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 72.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2025;

13.3.6. […]:

  • Inschrijving van 400.000 EUR (stuk 47);
  • Waarvan reeds een 200.000 EUR werd opgevraagd, als volgt (stuk 48):
    • Op xx.xx.2024: een bedrag van 100.000 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2024: een bedrag van 20.000 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2024: een bedrag van 40.000 EUR;
    • ​​​​​​​Op xx.xx.2025: een bedrag van 40.000 EUR;
  • De Aanvragers hebben deze bedragen volstort als volgt (stuk 49):
    • Een bedrag van 104.000 EUR, zijnde de kapitaalopvraging ten belope van 100.000 EUR en opstartkosten ten belope van 4.000 EUR, vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 20.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 40.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2024;
    • ​​​​​​​Een bedrag van 40.000 EUR vanuit de zichtrekening bij […] met nummer […] op xx.xx.2025;

  • Er hebben nog geen uitkeringen plaatsgevonden (stuk 50).

14. De zaakvervangingsketen zoals uiteengezet onder randnummer 13 geeft vandaag aldus het Restvermogen weer dat overgaat op de Kinderen via de Restschenking mocht mevrouw Y overlijden.

15. Gelet op het feit dat de Schenkingsakte waarin de Schenking en de Restschenking zijn opgenomen, werd verleden voor een Nederlandse notaris en in België niet ter registratie werd aangeboden [3], is er bij de Aanvragers een bezorgdheid gerezen omtrent de uitwerking van de Restschenking op het moment dat mevrouw Y komt te overlijden. De Aanvragers willen immers niet dat hun Kinderen naar aanleiding van de verkrijging van het Restvermogen zouden worden geconfronteerd met een aanslag in de schenk- of erfbelasting.

16. De Aanvragers wensen daarom via deze aanvraag de formele bevestiging te krijgen van uw Dienst dat de verkrijging door de Kinderen van het Restvermogen (zoals het vandaag is samengesteld ingevolge de zaakvervanging zoals aangetoond in de vervangingsketen uiteengezet onder randnummer 13), als verwachters van de Restschenking, op het tijdstip van het overlijden van mevrouw Y geen aanleiding zal geven tot heffing van schenkbelasting op basis van artikel 2.8.1.0.1 VCF noch tot heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.2. VCF of artikel 2.7.1.0.5. VCF.

III. Motivering van de aanvraag

17. Hierna motiveren de Aanvragers waarom zij menen dat er met betrekking tot Restvermogen geen erf- of schenkbelasting verschuldigd kan zijn wanneer de Restschenking gekoppeld aan de Schenking uitwerking krijgt, zijnde op het moment dat mevrouw Y komt te overlijden.

Fiscale behandeling van de Restschenking ten aanzien van de Kinderen

18. Artikel 2.7.1.0.2. VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. De verkrijging van het Restvermogen door de Kinderen bij het overlijden van mevrouw Y vindt echter niet haar oorsprong in haar nalatenschap, maar vloeit voort uit de bepalingen van de Schenkingsakte, meer bepaald de daarin opgenomen Schenking en Restschenking.

De Restschenking die aan de Schenking is gekoppeld, heeft tot gevolg dat naast de hoofdschenking aan mevrouw Y een tweede schenking aan de Kinderen heeft plaatsgevonden. Deze tweede schenking krijgt pas uitwerking bij het overlijden van mevrouw Y als hoofdbegiftigde. De Restschenking vormt daarmee een rechtstreekse schenking van de heer X aan de Kinderen, onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van mevrouw Y.

Het Restvermogen behoort bijgevolg niet tot de (fiscale) nalatenschap van mevrouw Y, zodat de overdracht ervan aan de Kinderen niet aan erfbelasting kan worden onderworpen overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2. VCF. De overdracht aan de Kinderen vindt immers haar oorsprong in een schenking onder de levenden. In principe is daarop dan ook geen erfbelasting verschuldigd, maar wel schenkbelasting. Uw Dienst heeft dit standpunt reeds bevestigd in de voorafgaande beslissingen nrs. 15003 en 16007.

19. Het principe vermeld onder randnummer 18 lijdt evenwel uitzondering indien de schenker komt te overlijden binnen de vijf jaar na de schenking, in welk geval de fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.5., VCF toepassing vindt (GHYSENS A., 'Bijzondere toepassingsgevallen' in WERDEFROY F., Registratierechten, Wolters Kluwer, 2022, (877) 931). In casu werd de Schenkingsakte echter ruim zestien jaar geleden verleden, zodat artikel 2.7.1.0.5. VCF hoe dan ook niet van toepassing kan zijn op het moment waarop de Restschenking uitwerking krijgt.

20. Tot slot kan ook artikel 2.8.1.0.1. VCF geen toepassing vinden op de overdracht van het Restvermogen. Dit artikel bepaalt immers dat de schenkbelasting wordt gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden, overeenkomstig artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten. Op xx.xx.2009, de datum waarop de Schenkingsakte werd verleden, bestond er echter nog geen wettelijke grondslag op basis waarvan de Schenkingsakte in België ter registratie diende te worden aangeboden. Ook thans bestaat een dergelijke grondslag niet, nu de in 2020 ingevoerde registratieplicht voor buitenlandse schenkingen van roerende goederen uitsluitend geldt voor schenkingsakten verleden op of na 15 december 2020. De overdracht van het Restvermogen aan de Kinderen kan bijgevolg evenmin worden belast met schenkbelasting.

Conclusie

21. De Aanvragers verzoeken uw Dienst dan ook om bevestiging dat de uit de Restschenking voortvloeiende overdracht aan de Kinderen van het Restvermogen (zoals het vandaag is samengesteld ingevolge de zaakvervanging zoals aangetoond in de vervangingsketen uiteengezet onder randnummer 13) bij het overlijden van mevrouw Y geen aanleiding zal geven tot de heffing van schenkbelasting op grond van artikel 2.8.1.0.1. VCF of erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.2. of artikel 2.7.1.0.5 VCF.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

22. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

23. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van de verrichting.

24. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:

“De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 of artikel 4.23, §2, van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform artikel 4.18, derde lid, of artikel 4.23, §2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.”

  • artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”

  • artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”

25. De aanvragers stellen dat in 2009 de heer X bij een Nederlandse notariële akte de blote eigendom van de goederen voornoemd in randnummer 5. met voorbehoud van vruchtgebruik heeft geschonken aan zijn echtgenote mevrouw Y en dat hierbij een fideïcommis de residuo ten voordele van hun kinderen, voornoemd in randnummer 4. werd bedongen. In deze schenkingsakte werd opgenomen dat het beginsel van zaakvervanging van toepassing is op de geschonken goederen. Over het bewijs van de samenstelling van het fideïcommissair vermogen werd bedongen: “Bij het einde van het recht van de Eerste Begiftigde rust op de Eerste Begiftigde of op haar erfgenamen de verplichting om jegens de Tweede Begiftigden aan te tonen welke vermogensbestanddelen tot het fideïcommissair vermogen behoren."

De kinderen (tweede begiftigden) hebben de restschenkingen in dezelfde akte aanvaard.

Thans wensen aanvragers uitsluitsel te bekomen over de zaakvervanging binnen het fideïcommissair vermogen die volgens hun verklaringen zou plaatsgevonden hebben na voormelde schenking voor Nederlandse notaris.

26. De Vlaamse Belastingdienst aanvaardt dat de zakelijke subrogatie speelt als die conventioneel is voorzien of die plaatsheeft uit kracht van de wet, overeenkomstig artikel 3.10 BW.

Of er zaakvervanging heeft plaatsgevonden is echter een bewijskwestie waarover het besluitvormingsorgaan overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §2, tweede lid VCF geen voorafgaande beslissing kan nemen. De Vlaamse Belastingdienst is niet gebonden door de betiteling van de overeenkomst door de partijen zoals de aangehaalde “vaststellingsovereenkomst” maar zal deze overeenkomst behandelen volgens haar rechtsaard. De samenstelling van het fideïcommissair vermogen al dan niet volgend uit zaakvervanging zal bij het overlijden van mevrouw Y worden beoordeeld.

27. Indien de belastingplichtigen de samenstelling van het restvermogen en de zaakvervanging kunnen bewijzen, zal de verkrijging door de tweede begiftigden van het restvermogen niet met de schenkbelasting overeenkomstig artikel 2.8.1.0.1 VCF belast worden gezien de voormelde schenkingen niet ter registratie in België werden aangeboden, noch verplicht registreerbaar waren.

In voorkomend geval, zal deze verkrijging bij het overlijden van mevrouw Y – als vervulling van de opschortende voorwaarde gekoppeld aan de tweede schenking door de heer X aan zijn kinderen – evenmin onderworpen worden aan de erfbelasting overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF en artikel 2.7.1.0.5 VCF.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.

Voetnoten

[1] Zij dienen deze aanvraag in rekening houdend met het feit dat in de Schenking (met name in artikel 6 van de schenkingsakte) is voorzien dat alle kosten, belastingen, lasten en erelonen verschuldigd ingevolge de Schenking ten laste van de schenker zijn.

[2] Deze versie zal eerstdaags door de Aanvragers worden ondertekend.

[3] Dat de Schenking niet ter registratie werd aangeboden, is op zich logisch nu er voor buitenlandse authentieke schenkingen van roerende goederen verleden voor de sluiting van de ‘kaasroute’ op 15 december 2020 geen registratieplicht bestond. Het is pas voor buitenlandse schenkingsakten (van roerende goederen) verleden op of na die datum dat er via de gewone wet van 3 december 2020 en de bijzondere wet van 13 december 2020 inzake registratierechten een registratieplicht werd ingevoerd. In casu dateert de betrokken schenking van xx.xx.2009 wat meer dan 11 jaar is voor de invoering van de betreffende registratieplicht.