Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26034 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - schrapping finaal verrekenbeding en toevoeging optioneel toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 26034 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - schrapping finaal verrekenbeding en toevoeging optioneel toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

26034

Datum beslissing

1 juni 2026

Publicatiedatum

30 juni 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag vanwege de aanvragers (echtgenoten) strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat:

1.1. De schrapping uit hun huwelijksvermogensstelsel – een stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een beperkte gemeenschap – van een facultatief finaal verrekenbeding, de toevoeging aan dit huwelijksvermogensstelsel van een optioneel wederkerig toekenningsbeding en de uitwerking hiervan niet zullen onderworpen worden aan de heffing van de erfbelasting op grond van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en/of 2.7.1.0.5 VCF;

1.2. De schrapping uit hun huwelijksvermogensstelsel van een facultatief finaal verrekenbeding, de toevoeging aan dit huwelijksvermogensstelsel van een optioneel wederkerig toekenningsbeding en de uitwerking hiervan niet zullen onderworpen worden aan de heffing van de schenkbelasting op grond van de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en/of 2.8.4.1.1 VCF;

1.3. De schrapping uit hun huwelijksvermogensstelsel van een facultatief finaal verrekenbeding, de toevoeging aan dit huwelijksvermogensstelsel van een optioneel wederkerig toekenningsbeding en de uitwerking hiervan geen fiscaal misbruik uitmaken, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daar niet op van toepassing zal zijn.

2. Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF stelt dat een voorafgaande beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt. Heeft de aanvraag betrekking op de registratiebelasting, dan is deze termijn van vijf jaar in principe ruim voldoende. In zaken omtrent erfbelasting is dit echter anders. De vraag naar de al dan niet heffing ervan zal immers pas vele jaren later aan de orde zijn, bij overlijden van één van de aanvragers (echtgenoten), mogelijkerwijze binnen maar – gelet op hun beider leeftijd – waarschijnlijk buiten de termijn van vijf jaar.

De aanvragers verzoeken uitdrukkelijk, overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF, dat, gelet op het voorwerp van de aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer kan en desgevallend zal zijn dan vijf jaar. Meer bepaald verzoeken zij om een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het overlijden van één van hen beiden. En dit om reden dat de uitwerking van het beoogde optioneel wederkerig toekenningsbeding slechts uitwerking zal kunnen krijgen op het moment waarop hun huwelijksvermogensstelsel zal ophouden te bestaan door het overlijden van één van hen.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. De aanvraag wordt ingediend door […], namens:

De heer X, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1962, nationaal nummer: […], en zijn echtgenote, mevrouw Y, van Belgische nationaliteit, geboren te Hasselt op xx.xx.1964, nationaal nummer: […] (hierna samen de “Aanvragers” genoemd), samen wonende te […].

4. De Aanvragers zijn met elkaar gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […], op xx.xx.1987, destijds onder het wettelijk huwelijksvermogensstelsel bij gebreke van een huwelijkscontract.

In de tweede helft van de jaren negentig is de heer X een zelfstandige activiteit opgestart ([…]). Samen met het succes van deze activiteit kwam in de loop der jaren ook het inzicht dat deze activiteit aanzienlijke professionele risico’s met zich meebracht, wat de Aanvragers aan het denken zette omtrent de vraag of hun (toenmalige) huwelijkse voorwaarden nog wel aangepast waren aan de gewijzigde situatie. Dat heeft er finaal toe geleid dat ze hun huwelijksvermogensstelsel gewijzigd hebben, inzonderheid door het huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen aan te nemen (akte verleden voor […], notaris te […], op xx.xx.2012, ongewijzigd tot op heden).[1]

De beslissing om over te stappen van het stelsel der wettelijke gemeenschap naar een stelsel van scheiding van goederen was inderdaad (grotendeels) ingegeven vanuit de inschatting en de poging tot beperking van de risico’s verbonden aan de zelfstandige beroepsactiviteit van de heer X. Door gehuwd te zijn onder een stelsel van scheiding van goederen kon vermeden worden dat mevrouw Y aansprakelijkheid droeg voor schulden van haar echtgenoot: professionele schuldeisers van de heer X konden dan geen aanspraak maken op het vermogen van zijn echtgenote.

Niettegenstaande dit, speelde op dat ogenblik toch ook reeds de wens om de langstlevende van hen verzorgd achter te laten voor het geval het huwelijk naderhand door overlijden zou ontbonden worden. Vanuit die verzorgingsgedachte werden in 2012 de hierna volgende bepalingen in het huwelijkscontract opgenomen:

  • aan het stelsel van scheiding van goederen werd een beperkte gemeenschap toegevoegd; daarin werd als actief (enkel) de toenmalige gezinswoning te […] ingebracht, met dien verstande dat ieder goed dat ter vervanging ervan zou worden verworven, evenzeer tot de beperkte gemeenschap zou behoren (artikel 8 van het huwelijkscontract); momenteel maakt de huidige gezinswoning te […], verworven ter vervanging van de vorige gezinswoning te […], het (enig) actiefbestanddeel van de beperkte gemeenschap uit;
  • op de beperkte gemeenschap werd een ‘keuzebeding’ geënt, in artikel 10 van het huwelijkscontract ten dele geformuleerd als volgt:

“In geval van ontbinding van het stelsel door overlijden van één van de echtgenoten, bekomt de langstlevende van de echtgenoten, ten titel van huwelijksovereenkomst, het recht naar eigen keuze gemelde gemeenschap, geheel of ten dele, in volle eigendom en/of in vruchtgebruik te verwerven.

[…]

Dit beding heeft geen uitwerking indien:

de echtgenoten bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden sedert meer dan drie maanden feitelijk gescheiden leven (anders dan ingevolge overmacht, opname in een ziekenhuis of in een rust- en verzorgingstehuis), of een vordering tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingesteld;

de langstlevende echtgenoot zich niet op de hoedanigheid van erfgenaam van de eerststervende kan beroepen;

de echtgenoten binnen de dertig dagen na elkaar komen te overlijden.

[…]”;

  • in het huwelijkscontract dd. xx.xx.2012 werd voorts ook een facultatief finaal verrekenbeding met betrekking tot de huwelijkse aanwinsten opgenomen, in artikel 9 ten dele geformuleerd als volgt:

“Indien het huidig stelsel eindigt door het overlijden van één der echtgenoten, en op voorwaarde dat op dat ogenblik geen feitelijke scheiding tussen de echtgenoten bestaat tengevolge van duurzame ontwrichting van het huwelijk, of geen procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed werd ingeleid, zal de langstlevende echtgeno(o)t(e) […] ten titel van huwelijksvoordeel […] het recht hebben bij wijze van schuldvordering te participeren in de tegenwaarde van de aanwinsten welke ten tijde van het overlijden in het vermogen van de overleden echtgeno(o)t(e) bestaan.

De mogelijkheid om te verrekenen wat de aanwinsten betreft verleent de […] echtgeno(o)t(e) geen enkele zakenrechtelijke aanspraak op de goederen van de vooroverleden echtgeno(o)te), maar verstrekt slechts een facultatief vorderingsrecht […].

[…]

De langstlevende zal het recht hebben, doch niet de verplichting bij de ontbinding van het stelsel door overlijden zoals vermeld, een vordering uit te oefenen ten belope van de helft van de aanwinsten, welke ten tijde van het overlijden in het vermogen van de overleden echtgeno(o)t(e) bestaan.

[…]”.

5. In 2019 heeft de heer X zijn zelfstandige activiteit stopgezet; sindsdien werkt hij (opnieuw) onder een bediendenstatuut.

6. De Aanvragers hebben één gemeenschappelijk kind: hun zoon, de heer A, geboren te […] op xx.xx.1991, nationaal nummer […]. Er zijn geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

7. De Aanvragers wonen sinds meer dan 5 (vijf) jaar ononderbroken in het Vlaamse Gewest. Er wordt van uitgegaan dat zij ook in de toekomst hun woonplaats onafgebroken in het Vlaamse Gewest zullen behouden.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichtingen

1) Bezorgdheden en wensen van de Aanvragers

8. Voornamelijk na 2010 is het vermogen van de heer X aanzienlijk aangegroeid, in die mate dat hij middels zijn zelfstandige beroepsactiviteit een vermogen heeft opgebouwd heeft dat in waarde een veelvoud bedraagt van het vermogen van zijn echtgenote, mevrouw Y.

Behoudens zijn aandeel in de gezinswoning, die deel uitmaakt van de beperkte gemeenschap, bestaat het (eigen) vermogen van de heer X momenteel in hoofdzaak uit gelden en beleggingen aangehouden bij diverse financiële instellingen, met een actuele waarde (ruim) onder 1.000.000 euro. Deze tegoeden – uitsluitend huwelijkse aanwinsten – worden exclusief op zijn naam aangehouden, dus niet in onverdeeldheid met zijn echtgenote mevrouw Y (of met derden), en maken voor alle duidelijkheid geen deel uit van de beperkte gemeenschap.

Het (eigen) vermogen van mevrouw Y is zeer beperkt: behoudens haar aandeel in de gezinswoning bezit zij nog enige gelden en beleggingen, uitsluitend huwelijkse aanwinsten, exclusief op haar naam aangehouden, dus niet in onverdeeldheid met haar echtgenoot de heer X (of met derden), en voor alle duidelijkheid geen deel uitmakend uit van de beperkte gemeenschap.

De Aanvragers bezitten in beperkte mate roerend vermogen in onverdeeldheid (dat weliswaar evenmin deel uitmaakt van de beperkte gemeenschap).

9. De Aanvragers wensen het stelsel van scheiding van goederen (waaraan weliswaar een beperkte gemeenschap werd toegevoegd, met een ‘keuzebeding’ erop geënt) als dusdanig te behouden, gelet op de voordelen die zij nog steeds in dit stelsel zien, inzonderheid het behoud van de financiële autonomie over de respectieve eigen vermogens.

De Aanvragers wensen, voor het geval hun huwelijk door het overlijden van één van hen zou ontbonden worden, te voorzien in de verzorging van de langstlevende, zodat die in dat geval verder een comfortabel leven kan leiden en zijn/haar bestaande levensstandaard kan verderzetten, en dit op de meest rechtszekere wijze.

Deze verzorgingsgedachte, wederzijds, was reeds aanwezig in 2012, en werd toen veruitwendigd middels het in het huwelijkscontract opgenomen facultatief finaal verrekenbeding met betrekking tot de huwelijkse aanwinsten. Evenwel roept een dergelijk verrekenbeding bij uitwerking slechts verbintenisrechtelijke aanspraken (een vorderingsrecht) in het leven. Zij wensen nu de verzorgingsgedachte op een meer solide basis uit te werken, door het bestaande verrekenbeding te vervangen door een regeling in het huwelijkscontract die rechtstreekse zakenrechtelijke aanspraken in hoofde van de langstlevende doet ontstaan.

Ook al is de (vermogens)situatie van de Aanvragers nu fundamenteel anders dan destijds – het roerend vermogen van de heer X is inmiddels in waarde vele malen groter dan dat van mevrouw Y –, toch wensen zij, in de geest van het verrekenbeding uit 2012, de huwelijksvermogensrechtelijke regeling ter vervanging van dit verrekenbeding ook nu wederkerig te bedingen (ook al zou een eenzijdig beding eventueel de facto kunnen volstaan).

2) Voorgenomen verrichtingen

10. Als gevolg van de hervorming van het huwelijksvermogensrecht door de wet van 22 juli 2018, kunnen echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen huwelijksvoordelen aan elkaar toekennen, in het bijzonder voor het geval van overlijden, zoals een verblijvingsbeding met betrekking tot onverdeeldheden en/of een toekenningsbeding met betrekking tot goederen die niet in onverdeeldheid tussen de echtgenoten worden aangehouden.

Om tegemoet te komen aan hun bezorgdheden en om hun wensen te realiseren, willen de Aanvragers dan ook:

  • het in artikel 9 van het huwelijkscontract opgenomen facultatief finaal verrekenbeding met betrekking tot de huwelijkse aanwinsten integraal schrappen, en
  • dit verrekenbeding vervangen door een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot hun respectieve eigen (dus niet tussen hen in onverdeeldheid zijnde) goederen, voor zover het gaat om huwelijkse aanwinsten, zodat de eigen goederen van de overleden echtgenoot, voor zover deze huwelijkse aanwinsten betreffen, onmiddellijk in volle eigendom en/of in vruchtgebruik, in natura, exclusief aan de langstlevende kunnen en, bij uitoefening van de optie, zullen toegekend worden.

Voor de goede orde wordt benadrukt dat het toekenningsbeding geen betrekking zou hebben op de goederen die tussen de echtgenoten in onverdeeldheid zijn, maar ook niet op de goederen die deel uitmaken van de tussen de echtgenoten bestaande beperkte gemeenschap. Voorts zou het toekenningsbeding ook geen betrekking hebben op goederen die geen huwelijkse aanwinsten zijn, zelfs indien die goederen eigen goederen zijn van een echtgenoot.

Ingevolge deze aanpassing van het huwelijkscontract zullen de eigen (dus niet met de andere echtgenoot in onverdeeldheid zijnde noch tot de beperkte gemeenschap behorende) goederen van de overleden echtgenoot, voor zover het althans gaat om huwelijkse aanwinsten, bij zijn/haar overlijden ten titel van huwelijksvoordeel onmiddellijk, in volle eigendom en/of in vruchtgebruik, desgevallend ten belope van een breukdeel, aan de langstlevende toebehoren, indien en desgevallend in de mate waarin deze langstlevende ervoor zou kiezen om zich op dit toekenningsbeding te beroepen, overeenkomstig de in het huwelijkscontract te specifiëren modaliteiten.

Dit toekenningsbeding zou voor het overige onderworpen worden aan de hierna volgende bedingen en modaliteiten, in het huwelijkscontract op te nemen:

  • de toekenning is een rechtstreekse zakenrechtelijke regeling zodat er, bij uitoefening van de optie, sprake is van onmiddellijke zakenrechtelijke aanspraken, in volle eigendom en/of in vruchtgebruik, op de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot.
  • zij geschiedt bij wijze van huwelijksvoordeel, onder bezwarende titel, niet onderworpen aan de regels van schenkingen, met aanrekening op het beschikbaar deel en eventuele inkorting enkel bij overschrijding van de grenzen bepaald in de huidige artikelen 2.3.57 en 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek (hierna het “BW” genoemd);
  • de toekenning zal uitsluitend uitwerking hebben in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van een echtgenoot;
  • in afwijking hiervan, zal het toekenningsbeding geen uitwerking hebben:
    • indien op het ogenblik van overlijden van één der echtgenoten tussen hen een vordering of verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingesteld; of
    • indien op het ogenblik van overlijden van één der echtgenoten tussen hen een feitelijke scheiding bestaat die wijst op en een gevolg is van de ontwrichting van de relatie;
    • indien op het ogenblik van overlijden van één der echtgenoten de langstlevende op juridische gronden onwaardig is om van de eerstoverledene te erven, of zich om een andere reden niet op de hoedanigheid van erfgenaam van de eerststervende kan beroepen;
  • de uitwerking van het toekenningsbeding zal een keuze vergen vanwege de langstlevende echtgenoot; deze keuze kan betrekking hebben op de totaliteit van de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot of op bepaalde goederen door de langstlevende aan te wijzen, in volle eigendom en/of in vruchtgebruik, desgevallend ten belope van een breukdeel, waarbij een gecombineerde keuze tot de mogelijkheden behoort;
  • de langstlevende echtgenoot zal zijn/haar keuze, en de omvang ervan, dienen kenbaar te maken door middel van een schriftelijke verklaring op te maken in notariële of in onderhandse vorm binnen een termijn van 4 (vier) maanden, te rekenen dag aan dag vanaf het overlijden van de eerststervende echtgenoot; bij gebreke van keuze gemaakt op passende wijze binnen de gestelde termijn, zal de langstlevende geacht worden niet te hebben geopteerd voor toepassing van het toekenningsbeding, in welk geval de goederen waarop het toekenningsbeding betrekking heeft tot de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot zullen behoren; wordt de keuze wel gemaakt op passende wijze binnen de gestelde termijn, dan zal zij terugwerkende kracht hebben tot het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot;
  • de uitoefening van de keuze zal enkel kunnen gemaakt worden door de langstlevende zelf dan wel, desgevallend, door de lasthebber in het kader van een zorgvolmacht of de bewindvoerder, bij uitsluiting van enige andere derde;
  • het voordeel dat, desgevallend, voor de langstlevende echtgenoot ontstaat uit de toepassing van het toekenningsbeding leidt tot de verplichting, voor hem/haar, om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de eerststervende echtgenoot te dragen, doch enkel voor wat de schulden betreft die verband houden met de eigen goederen van de eerststervende waarvan de toekenning gevraagd wordt, desgevallend pro rata;

III. Motivering van de aanvraag

11. De Aanvragers verzoeken bevestiging te krijgen dat de schrapping uit hun huwelijksvermogensstelsel van een facultatief finaal verrekenbeding, de toevoeging aan dit huwelijksvermogensstelsel van een optioneel wederkerig toekenningsbeding en de uitwerking hiervan niet zal onderworpen worden aan de hierna vermelde wetsartikelen:

1) Artikel 2.7.1.0.2 VCF

12. Artikel 2.7.1.0.2 VCF luidt als volgt:

“De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.”

13. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting de overgang van goederen verkregen uit de nalatenschap hetzij via wettelijke devolutie hetzij via uiterste wilsbeschikking hetzij via contractuele erfstelling.

In casu zou de toebedeling van de eigen goederen aan de langstlevende echtgenoot plaatsvinden op grond van een toekenningsbeding opgenomen in het huwelijkscontract. Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge het in het huwelijkscontract opgenomen toekenningsbeding zou verkrijgen, wordt bijgevolg niet verkregen uit de nalatenschap (via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling). Het wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel, als een ‘niet-schenking’.

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk omschreven als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. Dergelijk voordeel, erkend in het Belgisch huwelijksvermogensrecht (cf. de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW), wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel, waarvan de vereffening-verdeling voorafgaat aan de vaststelling van de omvang van de nalatenschap. Het kan om die reden nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.

Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is. Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk dus nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling. Een huwelijksvoordeel wordt gekwalificeerd als een ‘niet-schenking’. Dit is een objectieve kwalificatie, die bestaat ongeacht de intentie die de echtgenoten hebben.

Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door – wat door het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931 bevestigd werd. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel, en dus als ‘niet-schenking’, aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken, wat in casu niet het geval is.

Aldus dient geconcludeerd te worden dat de toebedeling van de goederen op grond van het overwogen toekenningsbeding, dat kwalificeert als een huwelijksvoordeel, niet kan worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

2) Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

14. Artikel 2.7.1.0.3 VCF luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

[…]

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”

15. Op grond van dit artikel 2.7.1.0.3 VCF worden belast met erfbelasting: alle schenkingen van roerende goederen die de erflater zou hebben gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Hoewel het overwogen optioneel toekenningsbeding pas uitwerking zou hebben bij het overlijden van de eerststervende echtgenoot is er hier geen sprake van een schenking. Een toekenningsbeding kwalificeert namelijk als huwelijksvoordeel en niet als schenking.

Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zou verkrijgen uit hoofde van het voorgenomen toekenningsbeding kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

3) Artikel 2.7.1.0.4 VCF

16. Artikel 2.7.1.0.4 VCF luidt als volgt:

“De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.”

17. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot krachtens een beding van de huwelijksovereenkomst meer verkrijgt dan de helft van de gemeenschap.

De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is dus beperkt tot situaties waarin er sprake is van een stelsel met een gemeenschap. Dat is in casu weliswaar het geval. In 2012 werd aan het toen aangenomen stelsel van scheiding van goederen inderdaad een beperkte gemeenschap toegevoegd. Evenwel is deze beperkte gemeenschap strikt beperkt tot die goederen die er via een uitdrukkelijk beding in werden ingebracht, en tot wat er bij wijze van vervanging voor in de plaats zou komen (en reeds is gekomen).

Het overwogen toekenningsbeding zou evenwel uitdrukkelijk enkel betrekking hebben op eigen goederen die exclusief aan elk van de echtgenoten toebehoren, voor zover het bovendien gaat om huwelijkse aanwinsten. Dit leidt ertoe dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.7.1.0.4 VCF niet vervuld zijn, althans niet voor wat betreft de goederen die op grond van het overwogen optioneel toekenningsbeding aan de langstlevende echtgenoot zouden toekomen. Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan er dan ook niet op worden toegepast.

4) Artikel 2.7.1.0.5 VCF

18. Artikel 2.7.1.0.5 VCF luidt als volgt:

“§1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

[…]”

19. Een toekenningsbeding is, zoals hiervóór uiteengezet, geen schenking maar een huwelijksvoordeel, zijnde een overeenkomst onder bezwarende titel. Een toekenningsbeding kan bijgevolg niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking.

Bovendien zou het voorgenomen toekenningsbeding pas uitwerking hebben bij het overlijden van de eerststervende echtgenoot, en niet in enige periode voorafgaand aan het overlijden. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een verrichting die gesteld wordt in de periode van vijf jaar die het overlijden voorafgaat.

Aangezien er aldus geen sprake kan zijn van een kosteloze beschikking (en a fortiori niet van een kosteloze beschikking die tot stand komt in de periode van vijf jaar vóór het overlijden), en er derhalve ook geen sprake kan zijn van een bevoordeling in de zin van artikel 2.7.1.0.5 VCF, kan er ook geen aanleiding geweest zijn tot de heffing van schenkbelasting of enig registratierecht.

Gelet op één en ander kan van artikel 2.7.1.0.5 VCF niet worden toegepast op de toebedeling van goederen uit hoofde van het overwogen optioneel toekenningsbeding.

5) Artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF

20. Artikel 2.8.1.0.1 VCF luidt als volgt:

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”

Artikel 2.8.4.1.1 VCF bevat de tarieven voor schenkingen van roerende goederen, en de tarieven en tariefschijven voor schenkingen van onroerende goederen.

21. De artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF onderwerpen de registratie of de verplichting tot registratie van akten en geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder levenden aan de heffing van de schenkbelasting.

Omwille van de voormelde kwalificatie van een (optioneel) toekenningsbeding als een huwelijksvoordeel kan artikel 2.8.1.0.1 VCF niet worden toegepast op het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zou verkrijgen op basis van dit toekenningsbeding. Van een schenking is immers geen sprake, wel van een huwelijksvoordeel.

Als gevolg hiervan is artikel 2.8.4.1.1 VCF evenmin van toepassing.

6) Artikel 3.17.0.0.2 VCF

22. Artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

23. Artikel 3.17.0.0.2 VCF verwoordt de algemene antimisbruikbepaling inzake onder andere schenk- en erfbelasting.

Er is (slechts) sprake van fiscaal misbruik indien de belastingplichtige door het stellen van een rechtshandeling (of een geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt) in strijd met de doelstellingen van een fiscale bepaling zich ofwel buiten het toepassingsgebied, ofwel binnen het toepassingsgebied van die fiscale bepaling plaatst, en zodoende aanspraak maakt op een belastingvoordeel.

Daarbij komt het in eerste instantie aan de Vlaamse Belastingdienst toe om het bewijs van fiscaal misbruik aan te tonen, met name dat de voorgenomen verrichting (of geheel van verrichtingen) een miskenning uitmaakt van het doel en/of de strekking van een specifieke bepaling uit de VCF.

Wordt dit bewijs bijgebracht, dan komt het in tweede instantie toe aan de belastingplichtige om aan te tonen dat er andere (voldoende zwaarwegende) motieven dan louter fiscale motieven ten grondslag liggen aan de betreffende verrichting (of geheel van verrichtingen).

De Aanvragers verzoeken bevestigd te zien, mede op grond van de hierna uiteengezette motieven, dat in casu van fiscaal misbruik geen sprake is.

24. Om te kunnen besluiten tot fiscaal misbruik is vereist dat de voorgenomen verrichting de doelstellingen van een bepaling van de VCF frustreert. Dit is in casu niet het geval.

25. De voorgenomen verrichting verleent een huwelijksvoordeel dat huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen. Het huwelijksvoordeel is dus niet onderworpen aan artikel 2.7.1.0.2 VCF. De daarin vervatte bepaling wordt niet gefrustreerd, vermits de Aanvragers-echtgenoten enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen teneinde de langstlevende echtgenoot op een niet-eenzijdig herroepbare manier te beschermen, niet alleen op het vlak van welzijn en comfort (de verzorgingsgedachte), maar ook tegen de mogelijk erfrechtelijke inmenging vanwege hun zoon – en dit terwijl artikel 2.7.1.0.2 VCF erop gericht is om goederen die verkregen worden uit nalatenschap (via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling) te belasten.

Gelet op het feit dat de Aanvragers hun huidig basisstelsel van scheiding van goederen als dusdanig wensen te behouden omwille van de voordelen die zij er nog steeds in zien (inzonderheid inzake behoud van de financiële autonomie over de respectieve eigen vermogens), kunnen zij kunnen de aldus beoogde doelstelling niet op een andere wijze met eenzelfde civielrechtelijke zekerheid en dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken.

26. De fictiebepalingen vervat in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF bevatten regelingen op grond waarvan bepaalde verkrijgingen die als dusdanig geen verkrijging uit nalatenschap zijn, daarmee fictief gelijk te stellen, als een verkrijging via legaat, zodat zij alsnog kunnen onderworpen worden aan de erfbelasting. De doelstellingen van de fictiebepalingen moeten worden afgeleid uit de toepassingsvoorwaarden ervan.

27. De door de Aanvragers voorgenomen verrichting frustreert de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de echtgenoten niet overgaan tot enige schenking of kosteloze beschikking waarvan de uitwerking fictief tot aan het overlijden wordt uitgesteld. Een toekenningsbeding is immers een beding onder bezwarende titel, een huwelijksvoordeel, dat wordt gekwalificeerd als een ‘niet-schenking’, en is dus geen schenking of kosteloze beschikking.

28. De voorgenomen verrichting frustreert verder artikel 2.7.1.0.4 VCF niet omdat het voorgenomen (optioneel) toekenningsbeding betrekking zal hebben op goederen die exclusief eigendom zijn van de echtgenoten. Artikel 2.7.1.0.4 VCF viseert enkel de toebedeling van gemeenschappelijke goederen. De toebedeling van niet-onverdeelde eigen goederen, als huwelijksvoordeel, is strijdig, noch met de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.2 VCF (want de verdeling van het huwelijksvermogen gaat de vereffening en verdeling vooraf), noch met de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.4 VCF (want het toekenningsbeding betreft geen gemeenschapsgoederen).

29. De voorgenomen verrichting frustreert verder artikel 2.7.1.0.5 VCF niet omdat het optioneel wederkerig toekenningsbeding, als huwelijksvoordeel, onder bezwarende titel, niet kan worden gelijkgesteld met een kosteloze beschikking.

30. Het optioneel toekenningsbeding betreft een huwelijksvoordeel en geen schenking, waardoor de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF evenmin worden gefrustreerd door de voorgenomen verrichting.

31. De toevoeging door de Aanvragers aan hun huwelijksvermogensstelsel van een optioneel toekenningsbeding houdt dan ook geen frustratie in van de doelstellingen van de relevante fiscale wetgeving. Bijgevolg ligt geen fiscaal misbruik voor.

Dat de toevoeging door de Aanvragers aan hun huwelijksvermogensstelsel van een optioneel toekenningsbeding zou gepaard gaan met de schrapping van het finaal facultatief verrekenbeding dat zij in 2012 in hun huwelijksvermogensstelsel integreerden, doet daaraan geen afbreuk.

Vermits naar de mening van de Aanvragers geen fiscaal misbruik voorligt, dienen zij strikt genomen geen (voldoende zwaarwegende) niet-fiscale motieven aan te tonen. Niettemin volgt hieronder een uiteenzetting van de voornaamste niet-fiscale motieven van de Aanvragers.

32. De Aanvragers wensen middels het voorgenomen toekenningsbeding, na overlijden van één echtgenoot, de langstlevende verzorgd achter te laten, zodat hij dezelfde levensstandaard en hetzelfde comfort als ten tijde van het huwelijk verder kan aanhouden. Door het beding optioneel te formuleren zou de langstlevende echtgenoot per slot van rekening zelf de afweging kunnen maken of en in welke mate hij zich op dit beding wenst te beroepen, nodig om levensstandaard en comfort op eenzelfde niveau te behouden.

Daarmee wensen zij op juridisch vlak vorm en invulling te geven aan de verzorgings- en beschermingsbehoeften die zij jegens elkaar hebben.

33. Voor de Aanvragers is het tevens van groot belang dat de regeling die zij vanuit de vermelde verzorgings- en beschermingsgedachte wensen uit te werken, binnen de grenzen van de wet zoveel als mogelijk ‘reservebestendig’ is.

De echtgenoten wensen daarom te opteren voor een regeling geïntegreerd in hun huwelijksovereenkomst, die plaatsvindt en uitwerking krijgt op het niveau van de afwikkeling van het huwelijksvermogensstelsel, voorafgaandelijk aan de afwikkeling van de nalatenschap. Dit is fundamenteel en conceptueel totaal anders dan een verkrijging door wettelijke of testamentaire devolutie of contractuele erfstelling.

De voordelen die de echtgenoten elkaar zouden toekennen via testamentaire beschikking of contractuele erfstelling (en bij uitbreiding via schenking) moeten steeds worden opgenomen in de rekenboedel en op het beschikbaar deel worden aangerekend. Dit is niet het geval met huwelijksvoordelen, vermits deze kwalificeren als een ‘niet-schenking’. Zolang en voor zover de voordelen die de echtgenoten elkaar toekennen als een ‘volkomen’ huwelijksvoordeel de wettelijke grenzen (cf. de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW) niet overschrijden, is er geen sprake van een opname van de huwelijksvoordelen in de rekenboedel noch van aanrekening op het beschikbaar deel, en is er dus ook geen risico op inkorting.

Deze ‘reservebestendige bescherming’ is voor de echtgenoten van doorslaggevend belang bij hun keuze tot opname in hun huwelijksovereenkomst, en bij uitbreiding in hun huwelijksstelsel, van een (optioneel en wederkerig) toekenningsbeding.

De Aanvragers-echtgenoten hebben één gemeenschappelijk kind (zoon), die de aanrekening op het beschikbaar deel en bijgevolg de inkorting niet zal kunnen vorderen zolang en voor zover de voordelen die de langstlevende echtgenoot uit het toekenningsbeding haalt, niet verder reiken dan, enerzijds, de gezamenlijke aanwinsten, en anderzijds, de helft van de niet-aanwinsten.

Vermits in casu het toekenningsbeding uitsluitend betrekking zou hebben op de huwelijkse aanwinsten, zal de regeling ‘reservebestendig’ zijn. Aan de (gemeenschappelijke) zoon wordt dus geen erfrecht ontnomen, zijn erfrecht wordt louter uitgesteld.

34. Een toekenningsbeding, als huwelijksvoordeel, biedt voorts ook de bijkomende zekerheid voor elk der Aanvragers-echtgenoten dat het niet eenzijdig door één van hen kan worden gewijzigd en/of herroepen, zoals bijvoorbeeld wel het geval is met een testamentaire beschikking.

35. Het toekenningsbeding biedt dus met zekerheid civielrechtelijke bescherming in hoofde van de langstlevende echtgenoot tegen de erfrechtelijke aanspraken van de zoon.

36. Weliswaar werd in 2012, toen de Aanvragers-echtgenoten hun huwelijksvermogensstelsel wijzigden in een stelsel van scheiding van goederen (met beperkte gemeenschap), in het huwelijkscontract een klassiek verrekenbeding opgenomen, inzonderheid een facultatief finaal verrekenbeding met betrekking tot de huwelijkse aanwinsten.

Hoewel het huidig huwelijkscontract terzake geen expliciete bepaling bevat, is voor de goede werking van het verrekenbeding de facto wel vereist dat de langstlevende echtgenoot en de rechtsopvolger(s) van de eerstoverleden echtgenoot onderling overeenstemming bereiken omtrent de samenstelling en de nettowaarde van de verrekenmassa, met als risico dat dergelijke onderlinge overeenstemming niet in der minne bereikt wordt. Deze problematiek stelt zich niet in het geval van een toekenningsbeding.

Inderdaad, een verrekenbeding plaatst de langstlevende echtgenoot niet in dezelfde comfortabele positie als een (in casu optioneel) toekenningsbeding. Immers, door de onmiddellijke en zakelijke werking van het toekenningsbeding zal de langstlevende echtgenoot vanaf de kennisgeving van zijn keuze (uitoefening van de optie), en met uitwerking vanaf het overlijden van de eerststervende, in het bezit worden gesteld van de eigen goederen van de eerststervende waaromtrent hij de keuze maakt om ze in volle en exclusieve eigendom te verwerven.

Dat is geheel anders in het geval van het huidig verrekenbeding, dat louter een verbintenisrechtelijke regeling behelst en geen zakenrechtelijke uitwerking heeft. Een verrekenbeding creëert een louter vorderingsrecht jegens de erfgenamen van de eerststervende echtgenoot (waaronder in elk geval de zoon van de Aanvragers), terwijl een toekenningsbeding onmiddellijke zakelijkrechtelijke werking heeft, en aldus de langstlevende in een veel meer rechtszekere en dus in een comfortabeler positie plaatst.

Dit minder rechtszeker karakter van een verrekenbeding werd trouwens in tempore non suspecto reeds impliciet maar onbetwistbaar erkend in het huidig huwelijkscontract zelf, waarin gesteld wordt dat “de mogelijkheid om te verrekenen […] de […] echtgeno(o)t(e) geen enkele zakenrechtelijke aanspraak op de goederen van de vooroverleden echtgeno(o)te) [verstrekt], maar […] slechts een facultatief vorderingsrecht […]” (eigen onderlijning; zie hiervóór, randnummer 4).

Met de vervanging van het facultatief finaal verrekenbeding (met betrekking tot de huwelijkse aanwinsten) door een toekenningsbeding (dat evenzeer betrekking heeft op de huwelijkse aanwinsten), beogen de Aanvragers met andere woorden de rechtspositie van de langstlevende te verstevigen.

37. Voor zover als nodig wensen de Aanvragers te benadrukken dat op geen enkele wijze eenheid van opzet voorligt tussen de nu beoogde verrichtingen, enerzijds, en eerder gestelde verrichtingen (inzonderheid de wijziging huwelijkscontract (huwelijksvermogensstelsel) dd. […] 2012), anderzijds. En dit niet alleen gelet op de zeer lange tijdspanne die inmiddels verstreken is (meer dan 14 jaar), maar ook omdat in 2012 van de wet van 22 juli 2018 vanzelfsprekend überhaupt nog geen sprake was.

BESLUIT

38. Bij wijze van besluit menen de Aanvragers te mogen stellen dat de schrapping uit hun huwelijksvermogensstelsel – een stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een beperkte gemeenschap – van een facultatief finaal verrekenbeding, de toevoeging aan dit huwelijksvermogensstelsel van een optioneel wederkerig toekenningsbeding en de uitwerking hiervan, naar hun mening:

  • niet zullen onderworpen worden aan de heffing van de erfbelasting op grond van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en/of 2.7.1.0.5 VCF;
  • niet zullen onderworpen worden aan de heffing van de schenkbelasting op grond van de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en/of 2.8.4.1.1 VCF;
  • en bovendien geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

Bovendien, en voor zover als nodig, menen zij dat de door hen beoogde verrichtingen geschraagd worden door voldoende zwaarwegende niet-fiscale motieven, hiervóór sub III uitgebreid uiteengezet. Middels onderhavige aanvraag tot voorafgaande beslissing verzoeken zij hiervan vanwege de Vlaamse Belastingdienst de bevestiging te ontvangen.

39. Gelet op het voorwerp van deze aanvraag verzoeken de Aanvragers om, in geval van een akkoord, de geldigheidsduur van de voorafgaande beslissing bepaald te zien tot en met het overlijden van de eerststervende van hen.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

40. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

41. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.8.4.1.1 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;

2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;

4° een staat van de Europese Economische Ruimte;

5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;

6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;

7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;

8° het Vlaams Woningfonds;

9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;

11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.

In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

42. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt wordt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:

De echtgenoten X-Y zijn gehuwd sinds 1987, aanvankelijk onder het wettelijk huwelijksvermogensstelsel bij gebrek aan een huwelijkscontract.

Bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2012 hebben de echtgenoten hun huwelijksstelsel gewijzigd naar een stelsel van scheiding van goederen, met toevoeging van een beperkte gemeenschap (met keuzebeding) en met een facultatief finaal verrekenbeding bij overlijden.

De echtgenoten wensen het stelsel van scheiding van goederen met een beperkte gemeenschap en keuzebeding te behouden.

Zij wensen evenwel het facultatief finaal verrekenbeding met betrekking tot de huwelijkse aanwinsten, dat in de huidige huwelijksovereenkomst is opgenomen, te schrappen en te vervangen door een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot hun respectieve eigen (niet onverdeelde) goederen, voor zover het om huwelijkse aanwinsten gaat.

Uit de aanvraag blijkt dat elk van de echtgenoten een aantal eigen, niet tussen hen onverdeelde, roerende goederen bezit, namelijk gelden en beleggingen. Daarnaast bezitten de echtgenoten ook in beperkte mate roerend vermogen in onverdeeldheid, en de gezinswoning, die deel uitmaakt van de beperkte gemeenschap.

Ingevolge het toekenningsbeding zullen de eigen (niet met de andere echtgenoot in onverdeeldheid zijnde noch tot de beperkte gemeenschap behorende) goederen van de overleden echtgenoot, voor zover het gaat om huwelijkse aanwinsten, bij zijn/haar overlijden onmiddellijk aan de langstlevende toebehoren, indien en in de mate waarin de langstlevende ervoor kiest om zich op dit toekenningsbeding te beroepen.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF

43. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

44. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding als geldig huwelijksvoordeel, dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben.

In de mate bijgevolg dat het voorgenomen (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

45. In de mate dat het (optioneel) toekenningsbeding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF?

46. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

47. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

48. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het (optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

49. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

50. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met een beperkte toegevoegde gemeenschap.

De optionele toekenning van de eigen (niet-onverdeelde) goederen heeft volgens de aanvrager geen betrekking op goederen die deel uitmaken van de tussen de echtgenoten bestaande beperkte gemeenschap (randnummer 10). Aanvrager verklaart in randnummer 17 dat het toekenningsbeding uitdrukkelijk enkel betrekking zou hebben op eigen goederen die exclusief aan elk van de echtgenoten toebehoren, voor zover het bovendien gaat om huwelijkse aanwinsten.

51. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Er kan wel toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF indien meer dan de helft van de toegevoegde beperkte gemeenschap aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

52. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het (optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

53. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?

54. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.

Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het (optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

55. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 en artikel 2.8.4.1.1 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

56. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

57. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

58. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).

59. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

60. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten in 1987 gehuwd zijn onder het wettelijk huwelijksvermogensstelsel, bij gebrek aan een huwelijkscontract.

Bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2012 werd dit huwelijksvermogensstelsel gewijzigd naar een stelsel van scheiding van goederen, met toevoeging van een beperkte gemeenschap (met keuzebeding) en met een facultatief finaal verrekenbeding bij overlijden.

De echtgenoten hebben één gemeenschappelijke meerderjarige zoon. Er zijn geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

Thans wensen de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst opnieuw aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen, met een beperkte gemeenschap en keuzebeding.

Zij wensen evenwel het facultatief finaal verrekenbeding met betrekking tot de huwelijkse aanwinsten te schrappen en te vervangen door een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot hun respectieve eigen (niet onverdeelde) goederen, voor zover het om huwelijkse aanwinsten gaat. Volgens de aanvrager willen de echtgenoten de rechtspositie van de langstlevende verstevigen door het verrekenbeding, dat slechts een vorderingsrecht in het leven roept, te vervangen door een regeling die rechtstreekse zakenrechtelijke aanspraken in hoofde van de langstlevende doet ontstaan.

61. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik van de voormelde artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

62. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Bij emailbericht van 12 maart 2026 werd een kopie bezorgd van de wijzigende huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2012.