Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26040 - Wijziging huwelijksovereenkomst - toevoeging verblijvings- en toekenningsbedingen aan wettelijk stelsel. Vlaamse Belastingdienst

VB 26040 - Wijziging huwelijksovereenkomst - toevoeging verblijvings- en toekenningsbedingen aan wettelijk stelsel.

Voorafgaande beslissing
Nummer

26040

Datum beslissing

29 juni 2026

Publicatiedatum

4 september 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Verdeelrecht
  • Verkooprecht

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.9.1.0.1. VCF
  • art. 2.10.1.0.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De heer X en mevrouw Y wensen elkaar bijkomend te beschermen met betrekking tot de goederen die behoren tot hun eigen vermogen. Hiertoe overwegen zij hun huwelijkscontract te wijzigen en een verblijvingsbeding voor onverdeelde goederen en een toekenningsbeding voor eigen goederen toe te voegen specifiek voor de goederen die in onverdeeldheid dan wel exclusief tot hun respectievelijke eigen vermogens behoren.

Het huidige artikel 7 van de overeenkomst betreft immers enkel de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen indien hun huwelijk zou ontbonden worden door overlijden en omvat dus geen regeling met betrekking tot het eigen vermogen van elk van beide partners.

Teneinde de langstlevende van hen beiden, afdoende te beschermen en ervoor te zorgen dat hij of zij zijn of haar huidige levensstandaard kan behouden wensen zij elkaar dan ook bijkomend te beschermen.

De aanvragers wensen, met betrekking tot de voorgenomen verrichtingen, zekerheid te verkrijgen over de fiscale behandeling van voormelde verrichtingen - bij overlijden - vooraleer over te gaan tot uitvoering van voormelde verrichting.

De aanvragers wensen meer concreet te vernemen hoe de toevoeging van een optioneel verblijvingsbeding in hun huwelijkscontract betreffende hun eigen onverdeelde goederen, belast zal worden bij het overlijden van één van beide echtgenoten. Meer bepaald wensen zij bevestiging te krijgen over de vraag of:

  • Op de uitwerking van het verblijvingsbeding betreffende hun eigen onverdeelde roerende en onroerende goederen al dan niet registratierecht of erfbelasting zal worden geheven onder de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4. VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1, 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF.
  • Op de uitwerking van het toekenningsbeding betreffende hun eigen roerende of onroerende goederen al dan niet registratierecht of erfbelasting zal worden geheven onder de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4. VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1, 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF.
  • De toevoeging van een optioneel verblijvingsbeding betreffende hun eigen onverdeelde roerende en onroerende goederen geen fiscaal misbruik uitmaakt betreffende de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4. VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1, 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF al dan niet in eventuele samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling uit art. 3.17.0.0.2. VCF.
  • De toevoeging van een toekenningsbeding betreffende hun eigen roerende en onroerende goederen aan stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten fiscaal misbruik uitmaakt betreffende de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4. VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1, 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF al dan niet in eventuele samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling uit art. 3.17.0.0.2. VCF.

Bevestiging geldigheidsduur voorafgaande beslissing overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1, VCF

2. Aangezien het voorwerp van de aanvraag een aantal fictiebepalingen betreffen die pas bij overlijden van de aanvrager (al dan niet) uitwerking kunnen krijgen verzoekt de aanvrager uitdrukkelijk dat, overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1, VCF, de termijn waarvoor de beslissing wordt genomen langer zal zijn dan vijf jaar. Meer bepaald verzoekt hij om, gelet op het voorwerp van de aanvraag, de geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing te verlengen tot en met het overlijden van de eerste van hen beiden.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. De aanvraag wordt ingediend door de heer […], handelend in naam van […], te […], namens:

De heer X, geboren te […] op xx.xx.1969, met rijksregisternummer […] (hierna ook “de heer X”) en zijn echtgenote mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1968, met als rijksregisternummer […], (hierna ook ‘mevrouw Y’ genoemd). De heer X en mevrouw Y worden hierna ook gezamenlijk de ‘aanvragers’ of ‘gehuwden’ genoemd.

De heer X is gehuwd met mevrouw Y op xx.xx.2004, onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract. Dit werd gewijzigd met behoud van het stelsel bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2020.

Alle betrokkenen hebben sedert meer dan 5 jaar hun woonplaats in het Vlaamse Gewest.

De heer X en mevrouw Y hebben één dochter. Er zijn geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

4. De heer X en mevrouw Y zijn gehuwd op xx.xx.2004 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […] onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract. Zij hebben hun huwelijkscontract gewijzigd bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2020.[1]

Bij deze wijziging werd in artikel 2 vooreerst verduidelijkt dat de vruchten, inkomsten en interesten van hun eigen goederen niet gemeenschappelijk zijn maar tot het respectievelijk van elk van beide partners zullen blijven behoren.

Daarnaast werd bij deze wijziging huwelijkscontract een regeling toegevoegd betreffende de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen in geval van echtscheiding en in geval van overlijden. Zo wordt in artikel 6 van de huwelijksovereenkomst bepaald dat het gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding voor 75% zal worden toegekend aan mevrouw Y en voor 25% aan de heer X.

In geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden zal de langstlevende van de echtgenoten overeenkomstig artikel 7 van hun huidig huwelijkscontract het recht hebben maar niet de plicht om, ten titel van huwelijksvoordeel, bepaalde roerende of onroerende goederen die afhangen van het gemeenschappelijk vermogen of een percentage daarvan naar zijn of haar keuze vooraf te nemen. Daarnaast zal de langstlevende tevens het recht hebben maar niet de plicht om bij de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen de roerende of onroerende goederen aan te wijzen die hij of zij in zijn kavel wenst op te nemen. De langstlevende kan hierbij bepalen of dit in blote eigendom, vruchtgebruik of volle eigendom zal gebeuren.

Met voormelde wijziging van het huwelijkscontract wensten de echtgenoten elkaar in het kader van de verzorgingsgedachte bijkomend te beschermen voor wat betreft de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen bij overlijden.

5. Thans wensen de echtgenoten hun huwelijksstelsel verder aan te passen in het kader van de evoluerende verzorgingsgedachte tussen echtgenoten voor het geval van overlijden van één van hen. Meer bepaald wensen de echtgenoten aan hun huwelijksovereenkomst een verblijvingsbeding toe te voegen met betrekking tot de goederen die in onverdeeldheid toebehoren aan de echtgenoten en toekenningsbeding voor de goederen die exclusief tot het eigen vermogen van één van beide partners behoort.

6. De heer X en mevrouw Y hebben een aanzienlijk vermogen opgebouwd. Naast hun gemeenschappelijk vermogen hebben zij elk ook een aanzienlijk eigen vermogen opgebouwd.[2]

In het kader van de verkoop van hun onderneming NV Z (met zetel te […], ingeschreven in het rechtspersonenregister van […], afdeling […] onder het nummer […]) hebben de heer X en mevrouw Y een bedrag van € 9.450.000,00 ontvangen.

Zoals verduidelijkt in de overeenkomst tot verkoop van de aandelen was mevrouw Y eigenaar van 1.288 van de in totaal 1.726 aandelen van de vennootschap. De heer X was eigenaar van 438 van de in totaal 1.726 aandelen. Deze aandelen behoorden tot hun respectievelijke eigen vermogens.

NV Z werd opgericht bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2006 onder de benaming ‘[…], gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad op xx.xx.2006 onder het nummer […].

De vennootschap werd opgericht door de heer X, mevrouw Y en de naamloze vennootschap A. Bij de oprichting werd door de heer X ingetekend op 40 aandelen, mevrouw Y tekende in op 59 aandelen en de naamloze vennootschap A op 1 aandeel.

De heer X stortte het oprichtingskapitaal van vierentwintigduizend zeshonderd euro (€ 24.600,00) van op zijn persoonlijke rekening met het nummer […] geopend op zijn naam bij […].[3] Mevrouw Y stortte het oprichtingskapitaal van zesendertigduizend tweehonderdvijfentachtig euro (€ 36.285,00) van op haar persoonlijke rekening met nummer […] geopend op haar naam bij […]. NV A stortte het oprichtingskapitaal van zeshonderdvijftien euro (€ 615) van op een rekening geopend op naam van NV A.

Voormelde gelden zijn gelden die behoren tot het eigen vermogen van respectievelijk dhr. X en mevr. Y aangezien dit vermogen betreft dat opgebouwd was voor het huwelijk. Door een materiële vergissing werd in de oprichtingsakte evenwel niet vermeld dat dit een wederbelegging van eigen vermogen betrof.

De naamloze vennootschap A, met zetel te […], ingeschreven in het rechtspersonenregister te […], afdeling […] onder het nummer […] werd opgericht op datum van xx.xx.1989 onder de benaming BVBA B. De akte tot oprichtingen werd gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van xx.xx. onder het nummer […]. De statuten werden meermaals gewijzigd waarbij de benaming werd gewijzigd van BVBA B in NV A bij akte gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad op datum van xx.xx.1996 onder het nummer […].

Mevrouw Y heeft op datum van xx.xx.2001 alle 2.500 aandelen van voormelde vennootschap verworven van dhr. […], eigenaar van 2.449 van de in totaal 2.500 aandelen en mevrouw […], eigenaar van 51 van de in totaal 2.500 aandelen. Gezien de overdracht dateert van het voor het huwelijk, behoren de aandelen van voormelde vennootschap A huwelijksvermogensrechtelijk tot het eigen vermogen van mevrouw Y. Één van de in totaal 2.500 aandelen van voormelde vennootschap werd door mevrouw Y aan dhr. X.[4]

Op xx.xx.2007 werd voor de vennootschap NV Z overgegaan tot een kapitaalverhoging van één miljoen éénenzestigduizend vierhonderdnegentig euro (€ 1.061.490,00). De heer X tekende hierop in voor een bedrag van tweehonderdvierenveertigduizend zevenhonderdzeventig euro (€ 244.770,00), mevrouw Y tekende op deze kapitaalverhoging in voor een bedrag van vijfhonderdvijftienduizend achthonderdzeventig euro (€ 515.870,00) en NV A tekende tot slot in op deze kapitaalverhoging voor een bedrag van tweehonderdnegenendertigduizend tweehonderd negenendertigduizend achthonderdvijftig euro (€ 239.850,00).

Na het verlijden van de kapitaalverhoging was de aandelenverhouding als volgt:

  • De heer X 438 Aandelen
  • Mevrouw Y 897 Aandelen
  • NV A 391 Aandelen

Het bedrag van deze kapitaalverhoging werd door de heer X op xx.xx.2007 voor éénenzestigduizend honderdtweeënnegentig euro en vijftig cent (€ 61.192,50) of voor 1/4 volstort van op zijn persoonlijke rekening met nummer […] geopend bij […]. Mevrouw Y volstortte op xx.xx.2007 haar bijdrage eveneens voor honderd achtentwintigduizend achthonderdtweeënveertig euro en vijftig cent (€ 128.842,50) of 1/4 van op haar persoonlijke rekening met nummer […] geopend bij […]. Op xx.xx.2007 deed de heer X van op voormelde persoonlijke rekening met nummer […] een bijkomende storting van honderdvijfenzeventigduizend euro (€ 175.000,00) waardoor hij in totaal reeds tweehonderdzesendertigduizend honderdtweeënnegentig euro en vijftig cent (€ 236.192,50) heeft volstort. Mevrouw Y deed op 16 oktober 2007 een bijkomende storting van honderdzestigduizend euro (€ 160.000,00) waardoor zij in totaal reeds tweehonderd achtentachtigduizend achthonderdtweeënveertig euro en vijftig (€ 288.842,50) had volstort.

De tegoeden waarmee de heer X en mevrouw Y hebben ingeschreven op deze kapitaalverhoging werden door beide verkregen naar aanleiding van de verkoop van de aandelen van BVBA C (met ondernemingsnummer […]) en de blote eigendom van het onroerend goed gelegen te […].

BVBA C werd op datum van xx.xx.2002 opgericht door de heer X bij akte verleden voor notaris […] te […], waarvan een uittreksel werd gepubliceerd in de bijlage van het Belgisch Staatsblad van xx.xx.2002 onder het nummer […]. Op xx.xx.2002 gebeurde een kapitaalverhoging waarop hoofdzakelijk door mevrouw Y werd ingeschreven waardoor zij beiden titularis waren van 134 aandelen. Gezien zowel de oprichting als de kapitaalverhoging dateren van voor het huwelijk, behoren de aandelen die de heer X en mevrouw Y in ruil daarvoor ontvangen hebben huwelijksvermogensrechtelijk tot hun respectievelijk eigen vermogens.

De blote eigendom van het onroerend goed gelegen te […] (toenmalig gekadastreerd volgens titel en de huidige kadastrale legger sectie D, nummer […]) werd door de heer X en mevrouw Y in onverdeeldheid aangekocht op datum van xx.xx.2002. Gezien de aankoop voor het huwelijk gebeurde, behoort ook dit onroerend goed tot het respectievelijk eigen vermogen van elk van hen beide.

De verkoopprijs die voor de aandelen BVBA C en de blote eigendom van voormeld onroerend goed werd ontvangen, werd voor een bedrag van twintigduizend euro (€ 20.000,00) betaald op datum van xx.xx.2007 op de rekening met nummer […]. Het saldo van driehonderddertigduizend driehonderdvijfentwintig werd betaald op xx.xx.2007 via een bankcheque die geïncasseerd werd op voormelde rekening met nummer […] geopend op naam van de heer X. Na ontvangst van het saldo werd door de heer X een bedrag van honderd achtenvijftigduizend vierhonderddrieëntwintig euro (€ 158.423,00) getransfereerd naar mevrouw Y.

De aandelen van NV A werden door dhr. X en mevr. Y op xx.xx.2010 overgedragen aan mevr. […]. Alvorens tot verkoop van de aandelen over te gaan, heeft mevrouw Y de aandelen van NV Z, voormeld, die door NV A werden aangehouden overgenomen. Na deze overdracht ziet de aandelenverhouding er als volgt uit:

  • De heer X 438 aandelen
  • Mevrouw Y 1.288 aandelen

Met de opbrengst van de verkoopprijs van de aandelen van NV A, die zoals hierboven toegelicht exclusief tot het eigen vermogen van mevrouw Y behoor, ging mevrouw Y op datum van over tot volstorting van de aandelen.[5] Aangezien de aandelen zoals hierboven aangetoond huwelijksvermogensrechtelijk tot het eigen vermogen van mevrouw Y behoorden, gebeurde de volstorting dus met middelen die behoorden tot het eigen vermogen van mevr. Y.

Niettegenstaande bij de kapitaalverhoging in 2007 door een materiële vergissing niet werd vermeld dat de middelen die door de heer X en mevrouw Y zouden aangewend worden voor de kapitaalverhoging eigen middelen zouden betroffen, is dit wel degelijk het geval en kan dit door zowel dhr. X als mevr. Y ook voldoende aangetoond worden. Bovendien is dit bij een roerende wederbelegging geen formele voorwaarde. In artikel 2.3.21, derde paragraaf van het Burgerlijk Wetboek wordt daaromtrent immers volgende bepaald:

“Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een echtgenoot wanneer komt vast te staan dat de verkrijging van roerende goederen voor meer dan de helft betaald is uit gelden of uit de opbrengst van de vervreemding van andere goederen waarvan het karakter van eigen goed is aangetoond overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2.3.17 tot 2.3.20.”

Aangezien zowel de heer X als mevrouw Y dit voor de verschillende transacties op de historiek en de rekeninguittreksels steeds kunnen aantonen en de tegoeden ook niet vermengd werden met het gemeenschappelijk vermogen, kan ons inziens besloten worden dat de aandelen van NV Z waarvan elk van hen beiden eigenaar was tot hun respectievelijk eigen vermogen behoorden en de verkoopprijs bijgevolg tevens tot het respectievelijk eigen vermogen van elk van hen beiden behoorde.

7. Aangezien in hun huidig huwelijkscontract enkel een bescherming is opgenomen voor wat betreft het gemeenschappelijk vermogen wensen de echtgenoten hun huwelijksstelsel thans verder aan te passen in het kader van de evoluerende verzorgingsgedachte tussen echtgenoten voor het geval van het overlijden van één van hen. Meer bepaald wensen de echtgenoten aan hun huwelijksovereenkomst enerzijds een optioneel verblijvingsbeding toe te voegen met betrekking tot de goederen die in onverdeeldheid aan de echtgenoten toebehoren en anderzijds een optioneel toekenningsbeding toe te voegen voor de goederen die exclusief aan één van beide echtgenoten toebehoren.

8. De aanvraag van de echtgenoten betreft zowel het verblijvingsbeding met de daaraan gekoppelde keuzemogelijkheden als het toekenningsbeding met de daaraan gekoppelde keuzemogelijkheden. Deze bedingen worden hierna verkort als enerzijds, het optioneel verblijvingsbeding, en als, anderzijds, het optioneel toekenningsbeding aangeduid. Onder deze verkorte aanduiding moeten telkens worden begrepen, enerzijds, zowel het beding dat in een integrale verblijving van onverdeelde goederen voorziet, als de alternatieve keuzemogelijkheden voor een beperkte of afwijkende toewijzing (met inbegrip van de keuze bij de kavelvorming) en, anderzijds, zowel het beding dat in een integrale toekenning van de nader bepaalde toe te kennen goederen voorziet, als de alternatieve keuzemogelijkheden voor een beperkte toekenning van deze goederen.

Optioneel verblijvingsbeding

9. Met het verblijvingsbeding verlenen de echtgenoten de langstlevende van hen, de volle en exclusieve eigendom, van alle goederen die, op het ogenblik van het overlijden van een van hen, tussen hen in onverdeeldheid zullen zijn. Het is daarbij irrelevant of het om een onverdeeldheid van roerende dan wel van onroerende goederen gaat. Evenmin is het relevant wat de oorsprong van de onverdeeldheid is, of wat de verhouding is waarin de echtgenoten in die onverdeeldheid gerechtigd zijn. De regeling geldt echter niet voor de goederen waarvoor een van de echtgenoten, of beide echtgenoten, in onverdeeldheid met derden zou zijn.

10. Het verblijvingsbeding is evenwel optioneel. Het heeft bij overlijden van een van de echtgenoten integrale uitwerking, op alle onverdeelde goederen van de echtgenoten, tenzij de langstlevende opteert voor een beperkte verblijving. De langstlevende kan inderdaad de uitwerking van het verblijvingsbeding naar keuze beperken, door slechts voor een verblijving in vruchtgebruik te kiezen, ofwel voor alle onverdeelde goederen, ofwel voor die onverdeelde goederen die de langstlevende kan aanwijzen. De langstlevende kan ook de uitwerking van het verblijvingsbeding naar keuze beperken, door slechts voor een toewijzing van alle onverdeelde goederen, of van die onverdeelde goederen die de langstlevende kan aanwijzen, voor een groter breukdeel dan het breukdeel waarin hij of zij reeds gerechtigd was.

11. Voor de onverdeelde goederen waarvan de langstlevende niet gekozen heeft om ze, voor het geheel of voor een breukdeel, dan wel slechts voor het vruchtgebruik, aan haar of hem te laten toewijzen, heeft hij of zij ook nog een keuze bij de kavelvorming.

Optioneel toekenningsbeding

12. Met het toekenningsbeding verleent elke echtgenoot de andere, voor zover hij of zij langer leeft, de volle en exclusieve eigendom van bepaalde eigen goederen, die elke echtgenoot daarvoor in de huwelijksovereenkomst aanwijst.[6] De regeling geldt louter voor de roerende en onroerende goederen die in de huwelijksovereenkomst hiervoor worden gespecifieerd (en voor de goederen die daarvoor ingevolge zaakvervanging in de plaats zouden komen), voor zover deze goederen op het ogenblik van overlijden van de eigenaar ervan nog in zijn of haar vermogen aanwezig zijn.

13. Het toekenningsbeding is evenwel optioneel. Als de langstlevende zich niet integraal op het toekenningsbeding wenst te beroepen, kan hij of zij zich ook beroepen op een beperkte toekenning. De toekenning kan beperkt zijn omdat de langstlevende kiest, voor alle toe te kennen goederen, of voor bepaalde toe te kennen goederen, die hij of zij kan aanwijzen, voor een toekenning in vruchtgebruik. De toekenning kan ook beperkt zijn omdat de langstlevende kiest, voor alle toe te kennen goederen, of voor bepaalde goederen die hij of zij hiervoor kan aanwijzen, voor een toekenning beperkt tot een door de langstlevende aan te wijzen breukdeel. Anders dan voor het verblijvingsbeding is overeengekomen, zal het toekenningsbeding geen uitwerking hebben indien de langstlevende geen tijdige keuze voor de integrale dan wel voor een beperkte toekenning maakt.

14. Een ontwerp van de clausules die dhr. X en mevr. Y aan hun contract wensen toe te voegen:

Artikel … OPTIONEEL VERBLIJVINGSBEDING VOOR ONVERDEELDE GOEDEREN

Welke goederen zijn voorwerp van dit verblijvingsbeding?

De onverdeelde roerende en onroerende goederen die aan beide echtgenoten toebehoren op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk door overlijden, zullen onder de hierna vermelde modaliteiten aan de langstlevende verblijven. Dit verblijvingsbeding is toepasselijk ongeacht de verhouding waarin de goederen in onverdeeldheid tussen de echtgenoten zijn.

Welke verrekening voor kosten in verband met deze onverdeelde goederen

Indien met betrekking tot onverdeelde goederen kosten zijn gemaakt voor het behoud, de verbetering of de instandhouding ervan, geven deze kosten geen aanleiding tot enige verrekening, afrekening of vergoeding tussen de echtgenoten. De echtgenoot die voor deze kosten zou hebben ingestaan met gelden die hem [of haar] exclusief toebehoren ziet af van enige vordering die hij hiervoor tegen de andere zou kunnen hebben. De kosten die een echtgenoot ten laste zou hebben genomen, blijven ten laste of strekken tot voordeel van de langstlevende, en kunnen niet verhaald worden op de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot, noch door de nalatenschap worden teruggevorderd.

Gevolgen voor de schulden

Dit verblijvingsbeding leidt voor de langstlevende tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de overleden echtgenoot ten laste te nemen, voor zover die schulden betrekking hebben op deze onverdeelde goederen. Deze clausule doet geen afbreuk aan de verhaalsrechten van schuldeisers.

Optioneel verblijvingsbeding

Dit verblijvingsbeding is optioneel. De langstlevende kan opteren voor de integrale toepassing ervan, dan wel voor een beperkte of gedeeltelijke toepassing ervan.

Hij of zij kan met name ervoor kiezen dat slechts bepaalde onverdeelde goederen, of een bepaalde categorie van onverdeelde goederen die hij of zij zal aanwijzen aan hem of haar worden toegewezen. Hij of zij kan ook volledig van het voordeel van het verblijvingsbeding afzien.

Hij of zij kan er ook voor kiezen voor elk onverdeeld goed waarvan hij of zij de toewijzing wenst, de toewijzing te beperken tot een door hem of haar te bepalen breukdeel van het aandeel van de overleden echtgenoot in elk door hem of haar aan te wijzen onverdeeld goed. Hij of zij kan er ook voor kiezen dat aandeel slechts in blote eigendom, dan wel slechts in vruchtgebruik aan hem of haar te laten toewijzen.

In geval van beperkte of gedeeltelijke toepassing van het verblijvingsbeding wordt de verplichting van de langstlevende om de nog openstaande schulden die betrekking hebben op de toe te wijzen onverdeelde goederen te dragen, proportioneel herleid. Deze clausule doet geen afbreuk aan de verhaalrechten van schuldeisers.

Waardering van de goederen

De waarde van de onverdeelde goederen waarop het verblijvingsbeding betrekking heeft stellen de langstlevende echtgenoot en de erfopvolgers van de overleden echtgenoot, in onderling overleg vast. Indien gewenst wordt hiervoor een boedelbeschrijving opgemaakt.

Bij gebrek aan overeenstemming omtrent de waarde van deze goederen, stellen deskundigen deze waarde vast. De langstlevende echtgenoot enerzijds, en de overige erfopvolgers van de overleden echtgenoot anderzijds, stellen ieder één deskundige aan. Beide deskundigen duiden samen een derde deskundige aan. Het deskundigencollege stelt de samenstelling en nettowaarde van de goederen schriftelijk vast, en geeft daarvan kennis aan alle partijen, uiterlijk binnen een termijn van 120 kalenderdagen te rekenen vanaf zijn aanstelling, op de wijze zoals bepaald in artikel 1.5 BW.

De beslissing van het deskundigencollege is een voor alle partijen bindende derdenbeslissing, voor zover de partijen hun opmerkingen als bijlage bij het ontwerp van verslag hebben kunnen aanbrengen en het deskundigencollege op een gemotiveerde wijze met deze opmerkingen rekening heeft gehouden.

Het deskundigencollege wordt voor het overige vrijgesteld van alle formaliteiten.

De onkostenstaat van het deskundigencollege wordt door de langstlevende echtgenoot enerzijds, en de overige erfopvolgers van de overleden echtgenoot anderzijds gedragen, in verhouding tot de waarde van de goederen die aan de langstlevende worden toegewezen, hetzij door het verblijvingsbeding, hetzij door het toekenningsbeding.

Uitoefening van het keuzerecht en kennisgeving van de keuze van de langstlevende

De langstlevende echtgenoot maakt zijn of haar keuze kenbaar in een schriftelijke verklaring, te verlijden voor, respectievelijk in bewaring af te geven bij een notaris. Hij of zij vermeldt hierbij:

  • of hij of zij opteert voor het verblijvingsbeding dan wel voor het toekenningsbeding zoals in deze huwelijksovereenkomst opgenomen;
  • welke keuze hij of zij gemaakt heeft voor de omvang van de verblijving dan wel de toekenning. De langstlevende echtgenoot brengt de gemaakte keuze ter kennis van de overige erfopvolgers van de overleden echtgenoot, op eigen initiatief, en uiterlijk binnen een termijn van 120 kalenderdagen te rekenen vanaf de dag waarop de waarde van de goederen is vastgesteld. De kennisgeving gebeurt zoals bepaald in artikel 1.5 BW.

Indien de langstlevende echtgenoot zijn of haar keuze niet tijdig kenbaar maakt, wordt hij of zij geacht gekozen te hebben voor het verblijvingsbeding voor alle goederen, dan wel voor het toekenningsbeding van alle in deze huwelijksovereenkomst vermelde goederen.

Het keuzerecht is een strikt persoonlijk recht dat uitsluitend de langstlevende echtgenoot uitoefent, niet zijn of haar overige erfopvolgers of schuldeisers. Indien de langstlevende echtgenoot om gezondheidsredenen zoals bepaald in artikel 488/1 oud BW aan een conventionele of rechterlijke beschermingsmaatregel onderworpen is, kan de keuze evenwel uitgeoefend worden door de aangestelde lasthebber respectievelijk met bijstand of vertegenwoordiging van de bewindvoerder, zoals door de vrederechter bepaald.

Kwalificatie van het voordeel dat uit dit verblijvingsbeding voor de langstlevende ontstaat

Op dit verblijvingsbeding is, conform artikel 2.3.64 § 1, vierde lid BW, het bepaalde in artikel 2.3.57 BW toepasselijk.

In de mate waarin de onverdeelde goederen tijdens het huwelijk als 'aanwinsten' van de echtgenoten verkregen zijn, d.w.z. uit hetgeen is overgespaard van hun wederzijdse inkomsten, kunnen de gemeenschappelijke kinderen het voordeel dat de langstlevende uit het verblijvingsbeding verkrijgt, niet laten inkorten. Niet-gemeenschappelijke kinderen kunnen deze inkorting wel vorderen voor hetgeen de langstlevende boven de helft van die aanwinsten verkrijgt. De langstlevende kan de inkorting verhinderen door de niet-gemeenschappelijke kinderen een bedrag in geld uit te betalen, gelijk aan hetgeen ze door de inkortingsvordering zouden kunnen opeisen.

Artikel ….. bis. Toekenningsbeding

Dhr. X en mevrouw Y kennen elkaar hierbij huwelijksvermogensrechtelijk, optioneel, de volle eigendom toe van volgende goederen die hen beide exclusief toebehoren en dit enkel in geval van ontbinding van het huwelijk ingevolge overlijden:[7]

  • Mevrouw Y
  • De heer X

Dit toekenningsbeding bevat een regeling ten voordele van de langstlevende die de echtgenoten integreren in hun huwelijksstelsel, als een essentiële bepaling die uitwerking moet krijgen bij ontbinding van hun huwelijksstelsel door overlijden. Het beding maakt deel uit van de conventionele regels met betrekking tot de wijze waarop hun huwelijksstelsel van scheiding van goederen in dat geval moet worden vereffend. Het verleent, volledig conform de wensen van de echtgenoten, een huwelijksvoordeel dat geen schenking is, en slechts aan de regels van de inkorting kan worden onderworpen in de mate als bepaald in artikel 2.3.57 van het Burgerlijk Wetboek.

Aard en gevolgen van het toekenningsbeding

Het voordeel dat uit de toepassing van dit toekenningsbeding voor de langstlevende ontstaat, leidt voor de langstlevende tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden van de echtgenoot-eigenaar, nog openstaande schulden van de eerst overleden echtgenoot-eigenaar proportioneel te dragen. De verhouding zal worden bepaald naar de waarde van de toegekende goederen, vergeleken met de waarde van de door de overleden echtgenoot-eigenaar nagelaten goederen. De schulden met betrekking tot de toegekende goederen zijn ten laste van de langstlevende. Het toekenningsbeding leidt er niet toe dat de echtgenoot-eigenaar in zijn beschikkingsbevoegdheden met betrekking tot de goederen, voorwerp van dit toekenningsbeding, beperkingen ondergaat. Indien de echtgenoot-eigenaar één of meer van de goederen, voorwerp van dit toekenningsbeding, zou vervreemden, vervalt hierdoor het toekenningsbeding voor dat goed, maar krijgt het vervolgens uitwerking op het goed dat daarvoor in de plaats getreden bij toepassing van het principe van de zaakvervanging.

Evenwel verbindt de echtgenoot-eigenaar zich ertoe over de goederen, voorwerp van het toekenningsbeding,

  • niet onder bezwarende titel te beschikken, indien dit zou gebeuren met het oogmerk om de andere echtgenoot te benadelen;
  • niet onder kosteloze titel te beschikken, tenzij dit zou gebeuren met toestemming van de andere echtgenoot, of om een gebruikelijke schenking te doen (zoals in artikel 4.87, § 2 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek omschreven).

Optierecht
Dit toekenningsbeding is optioneel. De langstlevende kan opteren voor de integrale toepassing ervan, dan wel voor een beperkte of gedeeltelijke toepassing ervan. Zij kan met name kiezen dat slechts één of enkele van de goederen, voorwerp van het toekenningsbeding, aan haar worden toegekend.

Zij kan ook kiezen, voor elk goed waarvan ze de toekenning wenst, de toewijzing te beperken tot een door haar te bepalen breukdeel van dat goed. Zij kan er ook voor kiezen een of enkele of alle goederen slechts in blote eigendom, dan wel slechts in vruchtgebruik aan haar te laten toekennen. Zij kan ook volledig van het voordeel van het toekenningsbeding afzien. In geval van beperkte of gedeeltelijke toepassing van het toekenningsbeding wordt de verplichting van de langstlevende om in nog openstaande schulden van de overleden echtgenoot bij te dragen, proportioneel herleid. Deze regel doet geen afbreuk aan de verhaalrechten van schuldeisers. Deze keuze moet de langstlevende kenbaar maken zoals hierna bepaald.

Uitoefening van keuzerecht

Waardering van de goederen

De waarde van de goederen waarop het toekenningsbeding betrekking heeft, stellen de langstlevende echtgenoot en de erfopvolgers van de overleden echtgenoot-eigenaar, in onderling overleg vast. Indien gewenst wordt hiervoor een boedelbeschrijving opgemaakt. Bij gebrek aan overeenstemming omtrent de waarde van deze goederen, stellen deskundigen deze waarde vast. De langstlevende echtgenoot enerzijds, en de overige erfopvolgers van de overleden echtgenoot-eigenaar anderzijds, stellen ieder één deskundige aan. Beide deskundigen duiden samen een derde deskundige aan. Het deskundigencollege stelt de samenstelling en nettowaarde van de goederen schriftelijk vast, en geeft daarvan kennis aan alle partijen, uiterlijk binnen een termijn van 120 kalenderdagen te rekenen vanaf zijn aanstelling, op de wijze zoals bepaald in artikel 1.5 BW. De beslissing van het deskundigencollege is een voor alle partijen bindende derdenbeslissing, voor zover de partijen hun opmerkingen als bijlage bij het ontwerp van verslag hebben kunnen aanbrengen en het deskundigencollege op een gemotiveerde wijze met deze opmerkingen rekening heeft gehouden. Het deskundigencollege wordt voor het overige vrijgesteld van alle formaliteiten. De onkostenstaat van het deskundigencollege wordt door de langstlevende echtgenoot enerzijds, en de overige erfopvolgers van de overleden echtgenoot-eigenaar anderzijds gedragen, in verhouding tot de waarde van de goederen die aan de langstlevende worden toegewezen door het toekenningsbeding.

Uitoefening van het keuzerecht en kennisgeving van de keuze van de langstlevende

De langstlevende echtgenoot maakt haar keuze kenbaar in een schriftelijke verklaring, te verlijden voor, respectievelijk in bewaring af te geven bij een notaris. Zij vermeldt hierbij:

- of zij opteert voor het toekenningsbeding zoals in deze huwelijksovereenkomst opgenomen; - welke keuze zij gemaakt heeft voor de omvang van de toekenning.

De langstlevende informeert rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot over deze keuze, dit binnen de vier maanden, te rekenen vanaf de eerste dag na het overlijden van de echtgenoot-eigenaar. De kennisgeving gebeurt zoals bepaald in artike11.5 van het Burgerlijk Wetboek.

Indien de langstlevende echtgenote haar keuze niet tijdig kenbaar maakt, wordt zij geacht gekozen te hebben geopteerd voor het toekenningsbeding van alle in deze huwelijksovereenkomst vermelde goederen.

De langstlevende zal haar keuze inzake de goederen en/of de rechten die zij zichzelf toebedeelt eigenhandig uitoefenen zonder inmenging hieromtrent vanwege de andere rechthebbenden van de eerstoverleden echtgenoot-eigenaar.

Het keuzerecht is een strikt persoonlijk recht dat uitsluitend door de langstlevende echtgenote uitgeoefend kan worden, niet door haar overige erfopvolgers of schuldeisers. Indien de langstlevende echtgenoot om gezondheidsredenen zoals bepaald in artikel 488/1 oud Burgerlijk Wetboek aan een conventionele of rechterlijke beschermingsmaatregel onderworpen is, kan de keuze evenwel uitgeoefend worden door de aangestelde lasthebber respectievelijk met bijstand of vertegenwoordiging van de bewindvoerder, zoals door de vrederechter bepaald."

III. Motivering van de aanvraag

De aanvragers verzoeken met betrekking tot artikel 8 en 9 van de wijzigende huwelijksovereenkomst bevestiging te krijgen dat het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zal verkrijgen door de toepassing van het verblijvingsbeding, respectievelijk het toekenningsbeding, niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen, om de redenen die de aanvragers zullen vermelden, dan wel om de redenen die de Vlaamse belastingdienst hieromtrent zal uiteenzetten.

1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

15. Artikel 2.7.1.0.2 VCF luidt als volgt:

“De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.”

16. De Aanvragers zijn van mening dat artikel 2.7.1.0.2 VCF niet van toepassing is. Artikel 2.7.1.0.2 VCF bepaalt immers dat enkel goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling, belast worden met erfbelasting.

17. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het voormelde artikel 8 en 9 van de wijzigende huwelijksovereenkomst zal verkrijgen, wordt niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch via uiterste wilsbeschikking, noch via contractuele erfstelling), maar louter huwelijksvermogensrechtelijk als een huwelijksvoordeel in toepassing van het huwelijksvermogensrecht.

Een huwelijksvoordeel wordt huwelijksvermogensrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. Dergelijk voordeel wordt erkend in het Belgisch huwelijksvermogensrecht. De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen, onder meer in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 Burgerlijk Wetboek. Hij heeft ook hun toepassing naar analogie in het stelsel van scheiding van goederen bevestigd in artikel 2.3.64, § 1, vierde lid Burgerlijk Wetboek.

18. De vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds de vereffening en verdeling van de nalatenschap vooraf. Derhalve kan een verkrijging op basis van het huwelijksvermogensrecht nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn [8].

19. Er is in casu geenszins sprake van een schenking. Een huwelijksvoordeel is overigens civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling, ongeacht de concrete beweegreden om een huwelijksvoordeel in de huwelijksovereenkomst op te nemen [9]. Een huwelijksvoordeel wordt steeds gekwalificeerd als een niet-schenking. Deze kwalificatie is objectief en derhalve ongeacht de intenties en bedoelingen van de partijen. Een intentie om te begiftigen (zgn. ‘animus donandi’) kan dergelijke kwalificatie als niet-schenking niet wijzigen. Het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen mag zelfs niet geleverd worden [10].

De kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking is absoluut; ze kent geen uitzonderingen. Hoogstens kan een huwelijksvoordeel inkortbaar zijn, indien het de maxima of plafonds overschrijdt zoals in artikel 2.3.57 BW wordt vermeld (bij samenloop van de langstlevende echtgenoot met gemeenschappelijke kinderen) dan wel in artikel 2.3.58 BW (bij samenloop van de langstlevende echtgenoot bij niet-gemeenschappelijke kinderen). Een inkortbaar huwelijksvoordeel blijft tevens een niet-schenking [11].

Bovendien wensen aanvragers te benadrukken dat zij wensen een niet-eenzijdige herroepbare regeling te voorzien ten voordele van de langstlevende echtgenoot die moet toelaten de langstlevende echtgenoot verzorgd achter te laten. De echtgenoten achten dergelijke regeling noodzakelijk teneinde invulling te geven aan hun verzorgings- en beschermingswensen jegens elkaar. Deze regeling is derhalve ten bezwarende titel.

20. De civielrechtelijke kwalificatie werkt ook door in het fiscaal recht. Dit is vaststaande rechtsleer en rechtspraak. Het fiscaal recht moet derhalve de kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus niet-schenking aanvaarden, tenzij een specifieke en uitdrukkelijke bepaling van fiscaal recht daar zou van afwijken.

21. Artikel 2.7.1.0.2 VCF kan bijgevolg niet toegepast worden op de voorgenomen verrichting.

De aanvrager verzoekt de dienst dit te willen bevestigen.

2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

22. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.

23. Omwille van de kwalificatie als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende van de echtgenoten zou verkrijgen, hetzij krachtens het optioneel verblijvingsbeding, hetzij krachtens het optioneel toekenningsbeding, evenmin artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden toegepast. Dat artikel belast met erfbelasting schenkingen van roerende goederen die de erflater zou hebben gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

24. De optionele bedingen zullen weliswaar enkel uitwerking hebben bij overlijden van een van de echtgenoten, maar van een schenking kan hoe dan ook geen sprake zijn, vermits het om een huwelijksvoordeel gaat, dus om een niet-schenking. De aanvragers passen enkel hun huwelijksovereenkomst aan om tot een regeling te komen die tot een billijke regeling moet leiden voor de goederen waarin ze beiden onverdeeld (optioneel verblijvingsbeding) gerechtigd zijn en elk afzonderlijk (optioneel toekenningsbeding) gerechtigd zijn.

25. In de memorie van toelichting bij het Vlaams Decreet van 24 december 2004 leest men het volgende over de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (het toenmalige artikel 4, 3° W.Succ.): “Het verschil met de tarieven van de successierechten voor verervingen tussen dezelfde personen is enorm. Dit kan betrokkenen ertoe aanzetten om nog tijdens het leven, op een fiscaal voordelige manier, de roerende goederen aan de toekomstige erfgenamen of legatarissen over te dragen. Er blijkt echter een gemakkelijke manier te bestaan om enerzijds het voordeel van het verlaagde Vlaamse tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van het overlijden. Een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden, geeft immers bij registratie van de akte slechts aanleiding tot de heffing van het algemeen vast recht van 25 euro, overeenkomstig de principes van artikel 16 van het wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten. Slechts op het ogenblik van het overlijden zal het evenredige recht, met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht, opeisbaar worden. En dat was eigenlijk niet de bedoeling die de decreetgever zich met de invoering van de bijzonder verlaagde tarieven had vooropgesteld. Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.”

Uit deze overwegingen blijkt dat het de bedoeling was van de decreetgever om schenkingen die burgerrechtelijk (quasi) dezelfde gevolgen hebben als een legaat ook op fiscaal vlak als een legaat te behandelen, om een ongelijke behandeling ten opzichte van de erflater van een legaat te voorkomen. De decreetgever wilde met andere woorden verhinderen dat de bij het Vlaams Decreet van 19 december 2003 ingevoerde verlaagde en vlakke tarieven in de schenkbelasting (i.e. 3% of 7%) gecombineerd worden met het uitstel van overdracht van het geschonken goed tot het overlijden van de schenker. Men mag niet fiscaal voordelig schenken en tegelijk eigenaar blijven van het geschonken vermogen.

26. In casu is op geen enkele manier sprake van een schenking. De overgang/verblijving/toewijziging/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het overwogen optioneel toekenningsbeding kunnen dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

De aanvrager verzoekt de dienst dit te willen bevestigen.

3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

Artikel 2.7.1.04 VCF luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

27. Op basis van artikel 2.7.1.0.4 VCF worden de goederen die de langstlevende verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel waardoor hij of zij meer verkrijgt dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen, belast met erfbelasting.

28. De toepassing dient evenwel restrictief te worden geïnterpreteerd in dit zin dat het beperkt is tot situaties waarin er sprake is van een stelsel met een gemeenschap. In casu zijn de echtgenoten onder het stelsel van scheiding van goederen met een gemeenschap van aanwinsten. Voor zover het verblijvingsbeding betrekking heeft op het gemeenschappelijk vermogen dat beiden hebben opgebouwd zal hetgeen de langstlevende van hen verkrijgt en dat meer bedraagt dan de helft van dit gemeenschappelijk vermogen dan ook onderworpen zijn aan erfbelasting.

29. Het optioneel verblijvingsbeding voor onverdeelde roerende goederen en het toekenningsbeding voor roerende goederen die exclusief aan één van beide partners toebehoren, heeft evenwel geen betrekking op gemeenschapsgoederen of op goederen die ooit tot die gemeenschap behoord hebben.

30. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF dienen dan ook beperkt te worden tot de goederen die tot het gemeenschappelijk vermogen behoren dat tussen partners bestaat maar zijn niet vervuld voor de goederen waarvoor het optioneel verblijvingsbeding voor onverdeelde goederen en toekenningsbeding voor goederen die exclusief aan één van beiden toebehoren.

31. Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan dan ook niet toegepast worden op de overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het overwogen optioneel toekenningsbeding.

De aanvrager verzoekt de dienst dit te willen bevestigen.

4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

Artikel 2.7.1.0.5 VCF luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

32. Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

  1. een kosteloze beschikking;
  2. gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden;
  3. waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.

33. De voorgenomen optionele bedingen die de partijen bijkomend wensen toe te voegen aan hun huwelijkscontract verstrekken geen kosteloze beschikking. Een huwelijksvoordeel kan immers niet worden gelijkgesteld met een kosteloze beschikking. Dat bevestigde ook het Hof van Cassatie [12].

34. De optionele bedingen worden nu toegevoegd aan het huwelijkscontract. Of het al dan niet en huwelijksvoordeel oplevert ten voordele van de langstlevende kan slechts beoordeeld worden bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ingevolge het overlijden van één van beide echtgenoten. Aangezien een huwelijksvoordeel zoals hierboven aangehaald evenwel geen beschikking ten kosteloze titel betreft, kan er geen sprake zijn van beschikking die tot stand komt in enige periode voor het overlijden en kan er derhalve ook geen sprake zijn van een schenking in een periode van vijf (5) jaar voorafgaand aan het overlijden.

35. Aangezien in het kader van de toepassing van de optionele bedingen die partijen overwegen toe te voegen geen sprake kan zijn van een kosteloze beschikking en er derhalve ook geen sprake kan zijn van de bevoordeling als bedoeld in voormeld artikel, kan er ook geen aanleiding zijn tot heffing van schenkbelasting of enige registratiebelasting.

36. Artikel 2.7.1.0.5 VCF is derhalve niet van toepassing op de overgang, toebedeling of toekenning op grond van de optionele bedingen die de partijen overwegen toe te voegen aan hun huwelijkscontract.

De aanvrager verzoekt de dienst dit te willen bevestigen.

5. Geen toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF

Artikel 2.8.1.0.1 VCF luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

37. De Aanvragers zijn van mening dat artikel 2.8.1.0.1 VCF niet van toepassing is. Dit artikel bepaalt immers dat schenkbelasting wordt geheven naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

38. Zoals eerder gesteld is hier van een schenking geen sprake. Het gaat immers om een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging (huwelijksvoordeel), die civielrechtelijk gelijkgesteld wordt met een verkrijging onder bezwarende titel. Een huwelijksvoordeel is nooit een schenking, ongeacht de concrete beweegredenen om een dergelijk huwelijksvoordeel in de huwelijksovereenkomst te bedingen [13]. Zelfs als de wet bepaalt dat voor sommige huwelijksvoordelen de regels van de schenkingen gelden, dan nog zijn dat enkel de regels inzake inkorting van toepassing. Een huwelijksvoordeel is dus niet met een schenking gelijkgesteld: het blijft een huwelijksvoordeel, hoewel het inkortbaar wordt als het kwalificeert als een onvolkomen huwelijksvoordeel.[14] Deze civielrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel werkt ook in het fiscaal recht door. Het voordeel dat ontstaat voor de langstlevende echtgenoot op basis van het huwelijkscontract, kan dus fiscaal niet worden beschouwd als een schenking

39. Artikel 2.8.1.0.1 VCF kan bijgevolg niet toegepast worden op de overgang, toebedeling of toekenning op grond van de optionele bedingen die de partijen overwegen toe te voegen aan hun huwelijkscontract.

De aanvrager verzoekt de dienst dit te willen bevestigen.

6. Toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF

Artikel 2.9.1.0.1 VCF luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

40. De aanvragers zijn van mening dat artikel 2.9.1.0.1 VCF enkel kan toegepast worden op het toebedelingsbeding betreffende onroerende goederen. Dit artikel bepaalt immers dat het verkooprecht wordt gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen.

41. Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ingevolge overlijden van één van de echtgenoten, een echtgenoot exclusief eigenaar is van een onroerend goed, zal de uitwerking van het toekenningsbeding dat de echtgenoten wensen toe te voegen aan hun huwelijksvermogensstelsel op grond waarvan dit onroerend kan toekomen aan de langstlevende die nog een eigendomsrecht had in dit onroerend goed, aanleiding geven tot de heffing van het verkooprecht vermits deze laatste een onroerend goed verwerft waar hij voorheen nog geen aandeel in bezat.

42. De goederen waarop het toekenningsbeding kan toegepast worden, betreffen zowel roerende als onroerende goederen. Overeenkomstig artikel 2.9.1.0.1 VCF zal evenwel enkel verkooprecht kunnen geheven worden op de overdracht van onroerende goederen en niet op de overdracht van roerende goederen waarop het toekenningsbeding van toepassing is.

De aanvrager verzoekt de dienst dit te willen bevestigen.

7. Toepassing van artikel 2.10.0.1 VCF

Artikel 2.10.0.1 VCF luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :
1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;
2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;
3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.

43. Overeenkomstig de verwoording van artikel 2.10.0.1 VCF zal dit artikel enkel van toepassing zijn bij uitwerking van het verblijvingsbeding voor onroerende goederen die in onverdeeldheid toebehoren aan de heer X en mevrouw Y waarbij door de langstlevende van hen beiden het verdeelrecht zal verschuldigd zijn vermits de onverdeeldheid tussen hen ophoudt te bestaan indien de langstlevende het aandeel van de eerststervende verkrijgt.

44. De goederen waarop het verblijvingsbeding kan toegepast worden, betreffen zowel roerende als onroerende goederen. Overeenkomstig artikel 2.10.1.0.1 VCF zal evenwel enkel verdeelrecht kunnen geheven worden op de uit onverdeeldheidtreding voor onroerende goederen en niet voor roerende goederen waarop dit verblijvingsbeding voor onverdeelde goederen zou worden toegepast.

De aanvrager verzoekt de dienst dit te willen bevestigen.

8. Anti-misbruikbepaling

Artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

45. Dit artikel voorziet in een algemene antimisbruikbepaling. Deze bepaling verschaft de fiscale administratie een (bijkomend) bewijsmiddel en voert een “systeem van bewijs en tegenbewijs” in.[15] Het Grondwettelijk Hof heeft de wijze waarop de algemene misbruikbepaling moet worden toegepast duidelijk uiteengezet in haar arrest van 30 oktober 2013, en heeft daarbij meermaals benadrukt dat dit systeem van bewijs en tegenbewijs in eerste instantie door de belastingadministratie zelf strikt toegepast dient te worden.[16] Rekening houdend het geldende bewijsrecht, de verdeling van de bewijslast, de algemene context en praktijken alsook het bestaan van eventuele specifieke antimisbruikbepalingen.[17]

46. In gevallen waarvoor de wet- of decreetgever specifieke antimisbruikbepalingen in het leven geroepen heeft – zoals de fictiebepalingen uit de artikelen die hier ter beoordeling worden voorgelegd, met name de artikelen 2.7.1.0.3,3°, 2.7.1.0.4., 2.7.1.0.5., 2.7.1.0.7. en 2.7.1.0.9 VCF – kan de algemene antimisbruikbepaling in principe enkel ingeroepen worden indien de belastingadministratie het bewijs levert van het feit dat een belastingplichtige met een (geheel van) rechtshandeling(en) de specifieke doelstellingen van (één van) deze specifieke antimisbruikbepaling(en) miskent.[18]

Indien mocht blijken dat de beoogde verrichtingen de doelstelling(en) van één van deze fictiebepaling zouden miskennen, quod non, dan kan de belastingplichtige alsnog het vermoeden van fiscaal misbruik weerleggen door zelf te bewijzen dat zijn keuze voor het geheel van rechtshandelingen verantwoord is door andere dan louter fiscale motieven.

47. Dit betekent samengevat dat er, in situaties geviseerd door specifieke misbruikbepalingen zoals in casu, slechts sprake kan zijn van fiscaal misbruik indien:

  1. Aangetoond wordt (door de administratie) dat de specifieke doelstelling van een specifieke antimisbruikbepaling gefrustreerd wordt door een (reeks van) rechtshandeling(en) [BEWIJS]; en
  2. Dat de belastingplichtige vervolgens geen andere dan louter fiscale motieven kan aanhalen ter verantwoording voor de door hem gekozen (reeks van) rechtshandeling(en) [TEGENBEWIJS].

48. Aangezien de aanvraag van een voorafgaandelijke beslissing er niet noodzakelijk op gericht is een tegensprekelijk debat op gang te trekken, anticiperen de aanvragers in wat volgt zoveel als mogelijk op dit systeem van bewijs en tegenbewijs: zij motiveren zelf waarom volgens hen geen sprake is van een frustratie van de doelstellingen van de aangehaalde fictiebepalingen. Vervolgens leveren zij, voor het geval dit volgens de Dienst alsnog nodig of nuttig mocht zijn, het tegenbewijs van een eventueel voorgehouden fiscaal misbruik door aan te tonen dat de keuze voor de voorgenomen rechtshandeling(en) niet (louter) fiscaal geïnspireerd is. Waardoor van fiscaal misbruik geen sprake kan zijn.

49. De Aanvragers wensen ten eerste op te merken dat de optionele bedingen die zij overwegen toe te voegen geen betrekking op de gemeenschap die bestaat tussen hen beiden aangezien deze betrekking hebben op goederen die door wederbelegging van voorhuwelijkse goederen behoren tot hun respectievelijke eigen vermogen. Het is dus niet zo dat de Aanvragers, teneinde een belastingvrije verkrijging te bekomen, een uitbreng deden vanuit een gemeenschappelijk vermogen naar hun eigen vermogen. Zij wensen in de toekomst enkel een optioneel toekenningsbeding en een optioneel verblijvingsbeding toe te voegen aan hun huidige huwelijksstelsel. De Aanvragers wensen daarnaast ook tijdens hun leven de beschikkingsvrijheid en autonomie te behouden ten aanzien van de roerende en onroerende goederen waarop het toekenningsbeding en het verblijvingsbeding betrekking hebben. Het optioneel toekenningsbeding en het optioneel verblijvingsbeding zorgen er ten slotte voor dat de betreffende goederen tijdens het leven van de echtgenoten buiten het bereik blijven van de schuldeisers van de andere echtgenoot. Om deze redenen zou de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen en de toepassing van het bestaande verblijvingsbeding of keuzebeding geen adequate oplossing bieden om de doelstellingen van de Aanvragers te bereiken. Bijgevolg wordt artikel 2.7.1.0.4 VCF niet gefrustreerd.

50. De fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF werd destijds ingevoerd in 2005 kort na de introductie van de lage vlakke tarieven van 3% en 7% bij schenking van roerende goederen op 1 januari 2004. Deze verlaagde tarieven hadden als doelstelling roerende kapitalen sneller te laten doorvloeien naar de jongere generatie en (groot)ouders aan te zetten om hun roerend vermogen bij leven te schenken. Van de vlakke tarieven zou echter eenvoudig misbruik gemaakt kunnen worden door roerende goederen te schenken onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker. Zonder specifieke antimisbruikbepaling zou bij registratie van dergelijke schenkingsakte enkel het algemeen vast recht verschuldigd zijn. Bij overlijden van de schenker zou enkel de schenkbelasting à 3% of à 7% verschuldigd zijn. Waardoor men quasi dezelfde gevolgen realiseert als via een legaat maar dan zonder heffing van erfbelasting, hetgeen in de woorden van de wetgever “eigenlijk niet de bedoeling” was.[19]

Het is net om hieraan te remediëren dat de wetgever met ingang op 1 januari 2005 een 3° toevoegde aan het toenmalige artikel 4 W. Succ. – de voorganger van het huidige artikel 2.7.1.0.3 VCF. Later werd deze bepaling verder uitgebreid waardoor ook schenkingen onder opschortende termijn van overlijden geviseerd werden.

Hieruit volgt dat de (overduidelijke en enige) doelstelling van deze bepaling is om schenkingen onder opschortende voorwaarde, waarbij de daadwerkelijke eigendomsoverdracht wordt uitgesteld tot aan het overlijden van de schenker, te belasten in de erfbelasting.

Artikel 2.7.1.0.5 VCF werd destijds ingevoerd om te vermijden dat de heffing van erfbelasting zou ontweken worden doordat de erflater kosteloos beschikte over roerende goederen gedurende een periode van 3 jaar voor zijn overlijden zonder betaling van schenkbelasting. Bij wetswijziging werd deze periode verlengd tot 5 jaar met ingang vanaf 1 januari 2025.

De voorgenomen verrichtingen frustreren de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° en artikel 2.7.1.0.5 VCF niet, omdat de echtgenoten niet overgaan tot enige schenking, waarvan de uitwerking artificieel tot aan het overlijden wordt uitgesteld, of enige kosteloze beschikking.

51. Voor het geval de Dienst toch zou menen dat de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF alsnog miskend zouden worden, haalt de aanvrager in wat volgt verschillende elementen aan waaruit blijkt wat de niet-fiscale motieven van de aanvrager zijn. De Aanvragers hebben niet-fiscale motieven om te kiezen voor het optioneel toekenningsbeding en optioneel verblijvingsbeding. Zij wensen de nodige maatregelen te nemen om de levenskwaliteit en -standaard van langstlevende echtgenoot op de best mogelijk wijze te garanderen.

52. Ingevolge het gewijzigde huwelijksvermogensrecht (zie de wet van 22 juli 2018) is het mogelijk om huwelijksvoordelen aan elkaar toe te kennen die, in het bijzonder in geval van overlijden, burgerrechtelijke voordelen bieden die andere technieken en bedingen, zoals een legaat of een verrekenbeding, niet bieden.

53. De gecombineerde werking van het verblijvingsbeding en van het toekenningsbeding creëren voor de langstlevende echtgenoot immers een veel comfortabelere positie dan deze die hij/zij zou genieten bij een klassiek verrekenbeding. Dezelfde mate van bescherming voor de langstlevende echtgenoot, die het toekenningsbeding en het verblijvingsbeding garanderen, zouden zij niet kunnen bereiken via een verrekenbeding, legaat (geviseerd door artikel 2.7.1.0.2 VCF) of een schenking (geviseerd door de artikelen 2.7.1.0.3,3 °, 2.7.1.0.5 VCF en 2.8.1.0.1 VCF) omwille van onderstaande redenen.

De toevoeging aan het stelsel van scheiding van goederen van een verrekenbeding, heeft immers als nadeel dat het zich tot een geldelijke verrekening beperkt. Een optioneel toekenningsbeding en een optioneel verblijvingsbeding zorgen er daarentegen wel voor dat de langstlevende, vanaf de kennisgeving van zijn of haar keuze, maar met uitwerking vanaf het overlijden, in het bezit treedt van de goederen waarvan de echtgenoten willen dat de langstlevende er ruim en vrij over kan beschikken. Dit is niet het geval in de situatie van een verrekenbeding waar de langstlevende in conflict kan komen met de overige erfgenamen van de vooroverleden echtgenoot, de verrekenvordering moet laten vaststellen en bovendien ook nog betaald moet krijgen. Bij een klassiek verrekenbeding dient er immers een verrekenmassa te worden samengesteld die vervolgens tussen de echtgenoten wordt verdeeld volgens een bepaalde overeengekomen verdeelsleutel. Voor de werking van het verrekenbeding moet immers de samenstelling en de nettowaarde van de verrekenmassa worden vastgesteld in onderling overleg tussen de langstlevende echtgenoot en de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot, en bij ontstentenis van akkoord, door een deskundigencollege. Dat is evenwel niet de bedoeling van de aanvragers. Het is hun bedoeling om een regeling uit te werken die de langstlevende echtgenoot beschermt bij een overlijden van één van hen met onmiddellijke en zakelijke werking vanaf de kennisgeving maar met uitwerking vanaf het overlijden.

54. Een legaat is dan weer te allen tijde herroepbaar, wat de voornoemde doelstelling van de Aanvragers zou ondermijnen. De langstlevende echtgenoot wenst immers de zekerheid dat hij/zij zijn/haar levenskwaliteit en -standaard kan behouden bij het overlijden van de andere echtgenoot. Een legaat biedt allerminst deze zekerheid.

Iedere erfrechtelijke verkrijging wordt immers louter op de nalatenschap aangerekend, terwijl de echtgenoten net willen vermijden dat de onverdeelde goederen in de nalatenschap van de eerststervende terecht komen.

55. Ook een schenking vormt om deze reden geen adequate oplossing om de doelstellingen van de Aanvragers te bereiken. Schenkingen tussen echtgenoten zijn immers te allen tijde herroepbaar zonder motivering. Daarnaast verlaten de goederen bij een schenking onmiddellijk het vermogen van de echtgenoten, wat een beperking inhoudt van de beschikkingsvrijheid en autonomie die echtgenoten op heden hebben over de betreffende goederen. Zoals eerder aangehaald wensen de Aanvragers hun beschikkingsvrijheid en de bevoegdheden over hun eigen goederen maximaal te behouden gedurende hun leven. Het toekenningsbeding en het verblijvingsbeding zorgen er ten slotte voor dat de betreffende goederen tijdens het leven van de echtgenoten buiten het bereik blijven van de schuldeisers van de andere echtgenoot, wat niet zo is bij een schenking.

56. Bovendien zouden voordelen die in omvang gelijkaardig zouden kunnen zijn, maar die ze mekaar via een testament, een contractuele erfstelling of een schenking (al of niet binnen huwelijksovereenkomst) zouden toekennen, steeds moeten opgenomen worden in de rekenboedel (art. 4.153 BW) en op het beschikbaar deel moeten aangerekend worden. Dat is met huwelijksvoordelen niet het geval. De mate waarin ze als volkomen huwelijksvoordelen ontsnappen aan de toepassing van de regel van de inkortbaarheid en dus aan de verplichting tot aanrekening op het beschikbaar deel (met risico voor inkorting indien het beschikbaar deel zou overschreden worden) is veel ruimer. Zolang en voor zover de maxima of plafonds van art. 2.3.57 BW en 2.3.58 BW niet zijn bereikt, is er immers geen sprake van opname in de rekenboedel noch aanrekening op het beschikbaar deel.

De echtgenoten hebben één gemeenschappelijke dochter, die deze aanrekening op het beschikbaar deel niet zal kunnen vragen zolang en voor zover de huwelijksvoordelen die haar ouders elkaar toekennen, niet verder reiken dan, enerzijds, hun gezamenlijke aanwinsten, anderzijds, de helft van de niet-aanwinsten van de echtgenoot die als eerste zal overlijden.

57. Deze voorafgaandelijke civielrechtelijke motieven zijn dan ook voor de echtgenoten doorslaggevend bij hun voornemen om het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding, met verzoek tot bevestiging van hun fiscale consequentie als uiteengezet, in hun huwelijksovereenkomst op te nemen.

Zoals reeds hoger in deze aanvraag uiteengezet is het belangrijk dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding:

  • niet eenzijdig door de echtgenoten kan worden herroepen;
  • een forfaitaire regeling betreft zonder dat er rekening wordt gehouden met de besparingen en de aanwinsten die werden opgebouwd tijdens het huwelijk;
  • niet erfrechtelijk kan worden verrekend en derhalve vatbaar zou zijn voor inkorting;
  • zakelijke werking heeft.

58. Omwille van bovenstaande niet-fiscale motieven zal de toevoeging van het optioneel toekenningsbeding en het optioneel verblijvingsbeding de enige manier zijn om de doelstellingen van de Aanvragers te bereiken.

IV. Beslissing

59. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing.

60. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

61. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.9.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

  • Artikel 2.10.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :

1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;

2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;

3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF (antimisbruikbepaling), dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting(en)

62. Volgende verrichtingen worden voorgelegd, die verwezenlijkt worden via een wijziging van de huwelijksovereenkomst.

63. De echtgenoten X en Y huwden op xx.xx.2004 onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen bij gebrek aan huwelijksovereenkomst.

Bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2020, hebben de aanvragers een keuzebeding toegevoegd aan hun wettelijk stelsel voor het geval van ontbinding van dit stelsel door overlijden. Bovendien hebben aanvragers bij zelfde akte gestipuleerd dat vanaf deze aktedatum van xx.xx.2020, de verkregen vruchten, inkomsten en intresten van hun eigen goederen eigen zouden blijven.

De aanvragers hebben een gemeenschappelijk kind.

De aanvragers wensen elkaar maximaal te beschermen ingeval van ontbinding van het huwelijk door overlijden. Hiertoe nemen zij zich voor om naast het bestaande keuzebeding voor de goederen van het gemeenschappelijk vermogen, bij een wijzigende huwelijksovereenkomst wederzijdse optionele verblijvings- en toekenningsbedingen toe te voegen voor de onverdeelde en niet-onverdeelde eigen goederen die niet behoren tot dit gemeenschappelijk vermogen.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF

Voorafgaandelijke opmerkingen

a. Geen uitspraak over bewijskwesties

64. De aanvragers zijn sedert xx.xx.2004 gehuwd onder het wettelijk stelsel van gemeenschap, gewijzigd met behoud van stelsel, bij akte wijziging huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2020.

De voorgenomen optionele verblijvings- en toekenningsbedingen zullen betrekking hebben op goederen die niet behoren tot het gemeenschappelijk vermogen dat bestaat tussen echtgenoten X-Y, maar wel tot hun respectievelijke eigen vermogens.

Onder randnummer 6 van de aanvraag zetten de aanvragers uiteen welke goederen niet behoren tot het gemeenschappelijk vermogen, zodat deze volgens aanvragers het voorwerp zullen uitmaken van de nieuwe toe te voegen bedingen. Ten bewijze van het eigen karakter van deze goederen voegt aanvrager verschillende stukken toe, welke in extenso besproken worden onder zelfde randnummer 6 van de aanvraag hiervoor.

De derde paragraaf van artikel 3.22.0.0.1 VCF bepaalt dat bij wijze van voorafgaande beslissing geen uitspraak kan gedaan worden over de hierin opgesomde gevallen:

Deze derde paragraaf van artikel 3.22.0.0.1 VCF luidt als volgt:

“§ 3. Een voorafgaande beslissing kan niet worden genomen als :

1° de aanvraag betrekking heeft op situaties of verrichtingen die op fiscaal vlak al het voorwerp uitmaken van een administratieve bezwaarprocedure of van een gerechtelijke handeling tussen de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en de aanvrager;

2° het nemen van een voorafgaande beslissing niet aangewezen is of zonder uitwerking is op grond van de wettelijke of reglementaire bepalingen, die in de aanvraag aangevoerd zijn;

Meer bepaald kan er geen voorafgaande beslissing worden genomen over:

a) de belastingtarieven en de berekening van de belastingen;

b) de bedragen en de percentages;

c) de aangifte, het onderzoek en de controle, het gebruik van bewijsmiddelen, de aanslagprocedure, de rechtsmiddelen, de rechten en voorrechten van de Vlaamse schatkist, de termijnen, de verjaring, het beroepsgeheim, de inwerkingtreding, de aansprakelijkheid en de plichten van sommige openbare ambtenaren, andere personen of bepaalde instellingen;

d) de bepalingen waarvoor een specifieke procedure inzake erkenning of beslissing is ingesteld;

e) de bepalingen of gebruiken die overleg met of raadpleging van andere autoriteiten instellen en waarvoor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie niet bevoegd is om zelf of unilateraal een standpunt in te nemen;

f) de bepalingen die sancties, boetes, belastingverhogingen en -vermeerderingen instellen;

g) de forfaitaire grondslagen van aanslag;

3° de aanvraag betrekking heeft op de toepassing van de codex betreffende invordering en vervolgingen.” (eigen onderlijning)

Gezien over “het onderzoek, de controle en het gebruik van bewijsmiddelen” bij voorafgaande beslissing geen uitspraak kan worden gedaan, kan bij onderhavige beslissing niet geoordeeld worden over de uiteenzetting van aanvrager inzake de kwalificatie van het vermogen, eigen of gemeenschappelijk vermogen, waartoe de goederen die het voorwerp uitmaken van de toe te voegen bedingen, in feite behoren.

In onderhavige beslissing wordt daarom uitgegaan van de kwalificatie van eigen vermogen die de aanvrager geeft aan de goederen die het voorwerp zijn van de toe te voegen bedingen, doch zonder uitspraak te doen over het bewijs van deze kwalificatie.

Indien bij overlijden zou blijken dat goederen die het voorwerp uitmaken van de toe te voegen bedingen, zich in het gemeenschappelijk vermogen bevinden, zullen hierop de heffingsregels uit het VCF toegepast worden, zoals hierna uiteengezet.

b. Burgerrechtelijk voorbehoud

65. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen.

In casu nemen de echtgenoten zich voor om:

  • een wederzijds optioneel verblijvingsbeding toe te voegen aan hun wettelijk stelsel voor alle goederen die in onverdeeldheid zullen zijn tussen hen op moment van ontbinding van het stelsel door overlijden;
  • een wederzijds optioneel toekenningsbeding toe te voegen aan hun stelsel voor welbepaalde exclusief eigen goederen, welke toe te kennen eigen goederen in de voorgenomen wijzigende huwelijksovereenkomst hiertoe door de echtgenoten aangeduid zullen worden.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben, van een (optionele) verblijvings- en toekenningsbedingen van eigen goederen in een gemeenschapsstelsel, zoals in casu voorligt.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich evenmin uit over de rechtsgeldigheid van de voorgenomen overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.

In de mate bijgevolg dat het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding in casu burgerrechtelijk kwalificeren als geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

66. In de mate dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

Artikelsgewijze bespreking

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

67. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

68. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

69. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

70. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

71. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschappelijk vermogen bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de exclusief eigen goederen heeft volgens de aanvrager geen betrekking op een wettelijke of conventionele gemeenschap.

72. Voor zover het voorwerp van de toe te voegen bedingen geen betrekking heeft op goederen van het gemeenschappelijk vermogen, zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

73. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

74. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF?

75. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

76. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 VCF.

1.6. Mogelijke toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF en artikel 2.10.1.0.1 VCF?

77. De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

Een conventionele overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen valt in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting. Er dient dus toepassing gemaakt te worden van de algemene regels inzake het verkoop- of het verdeelrecht.

78. Samengevat betekent dit concreet het volgende:

  • op de toebedeling/toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd;
  • op de toebedeling van onroerende goederen zal het verdeelrecht verschuldigd zijn indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid. Is de verkrijger echter een derde-verkrijger, dan zal op de toebedeling/toekenning aan deze verkrijger het verkooprecht van toepassing zijn op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

2.1. Algemeen

79. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting en de artikelen van hoofdstuk 8 (schenkbelasting) de rechtsgrond voor de heffing van de schenkbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling, en dit doorslaggevend met fiscale motieven.

De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

2.2. In casu

80. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat aanvragers gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijksovereenkomst, gewijzigd met behoud van stelsel, bij akte wijziging huwelijksovereenkomst verleden voor notaris x te x op xx.xx.2020.

Voormelde wijziging voegde enerzijds een keuzebeding toe voor het geval van ontbinding van het stelsel door overlijden. Anderzijds zijn aanvragers bij zelfde akte overeengekomen dat vanaf aktedatum, hetzij xx.xx.2020, de verkregen vruchten, inkomsten en intresten van hun eigen goederen eigen zouden blijven.

De echtgenoten hebben een gemeenschappelijk kind.

De echtgenoten X-Y wensen thans met behoud van het stelsel van gemeenschap van goederen, bij wijze van hetgeen zij als huwelijksvoordeel kwalificeren, wederzijdse optionele verblijvings- en toekenningsbedingen te koppelen aan hun wettelijk stelsel voor de respectievelijk onverdeelde en niet onverdeelde goederen behorende tot hun eigen vermogens.

Aangezien zij in hun huidige huwelijksovereenkomst van xx.xx.2020 enkel een bescherming opgenomen hebben voor de langstlevende van hen, voor wat betreft het gemeenschappelijk vermogen dat tussen hen bestaat (keuzebeding), wensen zij in het kader van de evoluerende verzorgingsgedachte tussen echtgenoten, ook een maximale bescherming te voorzien voor de langstlevende, voor wat betreft de goederen die niet behoren tot het gemeenschappelijk vermogen.

Zij wensen deze eigen goederen niet in te brengen in het gemeenschappelijk vermogen, gezien ze ook de beschikkingsvrijheid en autonomie over deze goederen wensen te behouden. Bovendien wensen zij deze goederen buiten het bereik te houden van de schuldeisers van de andere echtgenoot.

Door verblijvings- en toekenningsbedingen toe te voegen voor de goederen die zij als eigen goederen kwalificeren, gaat het volgens aanvragers burgerrechtelijk over huwelijksvoordelen. Voor huwelijksvoordelen is inderdaad de mogelijkheid tot inkorting door reservataire erfgenamen beperkter dan voor bijvoorbeeld een contractuele erfstelling. Meer bepaald zijn huwelijksvoordelen ten opzichte van deze reservataire erfgenamen slechts inkortbaar binnen de grenzen die voorzien zijn in de artikelen 2.3.57 BW en 2.3.58 BW.

81. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de in de aanvraag opgenomen motivering, is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt van voormelde artikelen, in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

82. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Een afschrift van de akte wijziging huwelijksovereenkomst, verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2020, werd door aanvragers gevoegd bij de aanvraag.

[2] Kopie van volgende stukken werd door aanvragers gevoegd bij de aanvraag:

  • Uittreksel uit de oprichtingsakte van de NV (akte van xx.xx.2005), gepubliceerd in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad
  • Kopie van rekeninguittreksels van de […] dd. xx.xx.2006, xx.xx.2006, xx.xx.2007, xx.xx.2007, xx.xx.2007
  • Onderhandse aankoopsovereenkomst van xx.xx.2001 door Y van aandelen van de NV A
  • Uittreksel uit de akte kapitaalverhoging van de NV Z (akte van xx.xx.2007) gepubliceerd in de bijlagen tot het Belgisch Staatblad
  • Uittreksel uit de oprichtingsakte en de akte kapitaalverhoging van de BV (akten van respectievelijk xx.xx.2002 en xx.xx.2002) gepubliceerd in de bijlagen tot het Belgisch Staatblad
  • Onderhandse verkoopsovereenkomst van xx.xx.2007 door de echtgenoten X-Y van de blote eigendom van een handelshuis te […]
  • Onderhandse verkoopsovereenkomst van xx.xx.2007 door de echtgenoten X-Y van 268 aandelen van de BV b.Consult.be
  • Onderhandse verkoopsovereenkomst van xx.xx.2010 door de echtgenoten X-Y van 2.500 (1 + 2.499) aandelen van de NV A

[4] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: in de aanvraag werd deze zin niet volledig weergegeven.

[5] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: de datum van deze volstorting werd niet aangeduid in de aanvraag.

[6] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: aanvragers geven noch in de aanvraag zelf noch in de bijgevoegde stukken aan welke goederen het voorwerp zullen uitmaken van het voorgenomen toe te voegen toekenningsbeding.

[7] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: aanvragers geven noch in de aanvraag zelf noch in de bijgevoegde stukken aan welke goederen het voorwerp zullen uitmaken van het voorgenomen toe te voegen toekenningsbeding.

[8] Cass. 24 maart 2017.

[9] H. CASMAN en A. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022, afl. 1, (3) 3.

[10] GwH 23 november 2005, nr. 170/2005.

[11] Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017.

[12] Cass. 5 januari 2017.

[13] H. CASMAN en A.L. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022, afl. 1, 3.

[14] H. CASMAN en A.L. VERBEKE, “Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen”, TEP 2020, afl. 1, 30.

[15] Gent, 1 december 2020, TFR 2021, nr. 598, 1 e.v.

[16] Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 141/2013 van 30 oktober 2013.

[17] Zie daaromtrent overweging B.21.2. van het aangehaalde arrest van het Grondwettelijk Hof: “Wanneer de belastingadministratie het bestaan aantoont van het objectieve element van fiscaal misbruik, in de zin van de artikelen 344, § 1, en 18, § 2, kan zij de strijdigheid van de verrichting met de doelstellingen van de betrokken fiscale bepaling echter enkel vaststellen wanneer die doelstellingen op voldoende duidelijke wijze blijken uit de tekst en, in voorkomend geval, uit de parlementaire voorbereiding van de van toepassing zijnde wetsbepaling. In dat opzicht zal de administratie rekening moeten houden met, onder meer, de algemene context van de relevante fiscale wetgeving, de praktijken die gewoonlijk gangbaar zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan zij het misbruik aanvoert alsook met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan” (eigen onderlijning).

[18] Gent, 1 december 2020, TFR 2021, nr. 598, 1 e.v. Zie ook H. DECOUTERE, De algemene antimisbruikbepaling en de successieplanning (tweede editie), Antwerpen, Intersentia 2020, p.85 met verwijzing naar: B. PEETERS, “De algemene fiscale antimisbruikbepaling. Een commentaar in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof”, AFT 2014, afl. 5., 26 nr. 67. Waarbij ook illustratief verwezen wordt naar de Voorafgaandelijke Beslissing nr. 16046 waarin de Vlaamse Rulingdienst deze visie toepaste (en die zoals hieronder aangehaald ondertussen vernietigd werd op grond van een gebrek aan bewijs en motivering).

[19] Memorie van Toelichting bij het Decreet van 22 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005, Parl.St. Vl.Parl. 2004-05, nr. 124/1, 11-12.