Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26048 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen (voorheen wettelijk stelsel) - schrapping beperkte gemeenschap van aanwinsten - toevoeging optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 26048 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen (voorheen wettelijk stelsel) - schrapping beperkte gemeenschap van aanwinsten - toevoeging optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

26048

Datum beslissing

29 juni 2026

Publicatiedatum

6 augustus 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting
  • Verdeelrecht
  • Verkooprecht

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.1. VCF
  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 2.9.1.0.1. VCF
  • art. 2.10.1.0.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvragers zijn gehuwd te […] op xx.xx.1989, onder het wettelijk stelsel blijkens het gebrek aan een huwelijksovereenkomst voorafgaand aan het huwelijk, nadien gewijzigd naar het stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een beperkte gemeenschap van aanwinsten, met vereffening van het bestaande stelstel tot gevolg, ingevolge akten verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1993. Sindsdien hebben de aanvragers hun huwelijksvermogensstelsel niet meer gewijzigd.[1]

Sindsdien is het huwelijksvermogensstelsel van de aanvragers niet gewijzigd.

2. De aanvragers wensen op heden hun stelsel aan te passen.[2] Ze wensen hun huidige beperkte gemeenschap af te schaffen, elkaar bij overlijden maximaal te bevoordelen en een specifieke regeling in te voeren met betrekking tot de goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn en met betrekking tot de eigen goederen (die niet tussen hen in onverdeeldheid zijn), en dit door de toevoeging van een toebedelingsbeding [3] voor onverdeelde goederen en van een toekenningsbeding [4] voor eigen (niet-onverdeelde) goederen.

3. Deze aanvraag heeft betrekking op de fiscale behandeling van het optioneel toebedelingsbeding voor onverdeelde goederen en van het optioneel toekenningsbeding voor niet-onverdeelde goederen [5] (artikelen 21 en 22 van de voorgenomen wijzigende huwelijksovereenkomst).

De aanvragers wensen, met betrekking tot deze verrichting, zekerheid over de fiscale behandeling ervan bij leven en bij overlijden alvorens ze deze wijzigingen doorvoeren.

De aanvragers wensen bevestiging te krijgen dat de verrichting niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 eerste lid VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF, en dat ze ook geen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

4. De aanvraag wordt ingediend door Notaris […], te […], namens:

De heer X, geboren te […] op xx.xx.1964, rijksregisternummer […], en zijn echtgenote mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1965, rijksregisternummer […], wonende te […].

De aanvragers wonen sinds meer dan 5 jaar in het Vlaams Gewest.

De aanvragers hebben samen twee meerderjarige gemeenschappelijke kinderen. Er zijn geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

5. De echtgenoten bezitten verschillende goederen in onverdeeldheid. Ieder van hen bezit ook goederen die niet in onverdeeldheid zijn met zijn/haar echtgeno(o)t(e). De heer X is eigenaar van 53.078 aandelen in de vennootschap Z, naar Luxemburgs recht, welke een aanzienlijke waarde (van zijn vermogen) vertegenwoordigen, en waarvan hij verwacht deze te zullen verkopen in de komende tien jaar.

Deze aandelen zijn gekoppeld aan substantiële professionele risico’s en verplichtingen ten aanzien van mede-aandeelhouders en andere stakeholders van de onderneming.

6. Beide echtgenoten zijn professioneel actief en zullen dat, gelet op hun leeftijd, waarschijnlijk nog minstens tien jaar zijn.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

Schrapping bestaande beperkte gemeenschap, toevoeging toebedelingsbeding en toekenningsbeding (optionele bedingen)

7. De echtgenoten willen de beperkte gemeenschap die tussen hen bestaat, blijkens de huwelijksovereenkomst van xx.xx.1989 [6] verleden voor notaris […], te […], integraal afschaffen, bij gebrek aan enig nut.

De echtgenoten willen de onverdeelde goederen onderwerpen aan een toebedelingsbeding, zoals opgenomen in artikel 21 van het ontwerp van de voorgenomen huwelijksovereenkomst.

Zij willen daarnaast de goederen die exclusief eigendom zijn van één van hen (niet-onverdeelde goederen) onderwerpen aan een toekenningsbeding, zoals opgenomen in artikel 22 van het ontwerp van de voorgenomen huwelijksovereenkomst.

8. Ingevolge de voorgenomen bedingen zullen de goederen in onverdeeldheid tussen de echtgenoten en de niet-onverdeelde goederen bij overlijden van één van hen (en in de mate waarin de langstlevende echtgenoot zich op de voorgenomen bedingen beroept) toebehoren aan de langstlevende echtgenoot, indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot er voor kiest, de hiervoor vermelde bedingen zijn immers optioneel.

Wensen en bezorgdheden van de echtgenoten

9. De echtgenoten wensen de langstlevende van hen verzorgd achter te laten en daarvoor een niet-eenzijdig herroepbare solidaire regeling te voorzien voor het geval hun huwelijk wordt ontbonden door overlijden. Dit past in de solidariteitsgedachte die de echtgenoten voor ogen hadden bij hun overstap naar een scheidingsstelsel met een beperkte gemeenschap en op heden nog steeds nastreven, hetzij op een manier waarbij de vermogensrechtelijke autonomie en bescherming ten aanzien van professionele schuldeisers van iedere echtgenoot behouden blijft en er bij leven van beide echtgenoten geen onmiddellijke zakenrechtelijke aanspraken worden gecreëerd.

Zij wensen dat de langstlevende echtgenoot zichzelf maximaal comfort kan verschaffen, rekening houdend met hun huidige levensstandaard en de familiale en/of financiële situatie van de langstlevende echtgenoot op het moment van overlijden van de eerst stervende echtgenoot, zonder daartoe de verplichting te hebben.

Zij wensen ten aanzien van hun kinderen een sluitende reservebestendige regeling te voorzien, vooral voor (maar niet beperkt tot) de aandelen van de heer X en al wat daarvoor in de plaats komt. Zij wensen te kunnen voorkomen dat hun kinderen op relatief jonge leeftijd een groot roerend vermogen ter beschikking zouden krijgen of een gemakkelijk liquideerbaar roerend vermogen zouden verkrijgen (door navolgende verkoop van de aandelen) en dit op onverantwoorde wijze zouden vervreemden of uitgeven. De aanvragers wensen -specifiek wat de genoemde aandelen betreft- een vangnet in te bouwen dat enerzijds de nodige bescherming biedt voor het geval heer X als eerste echtgenoot zou komen te overlijden op een ogenblik waarop de kinderen nog niet matuur genoeg zijn om een dergelijk vermogen te verwerven en te beheren, maar dat hem anderzijds toelaat om zijn eigen vermogen volledig autonoom te besturen tot aan zijn overlijden.

Zij wensen verder niet af te wijken van de vermogensrechtelijke autonomie en bescherming die voortvloeit uit hun basisstelsel, aangezien heer X in de toekomst in het kader van zijn professionele activiteit wellicht nog bijkomend eigen goederen zal verwerven en zware investeringen met groot risico zal doen.

III. Motivering van de aanvraag

10. De aanvragers verzoeken met betrekking tot de voorgenomen huwelijksovereenkomst de bevestiging te krijgen dat:

  • bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden, de toebedeling van een onverdeeld onroerend goed tot de heffing van verdeelrecht leidt indien de verkrijger door de werking van het toebedelingsbeding een groter aandeel in het onroerend goed krijgt (art. 2.10.1.0.1 VCF);
  • bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden, de toekenning van een eigen onroerend goed tot de heffing van verkooprecht leidt indien de verkrijger door de werking van het toekenningsbeding een aandeel in het onroerend goed verkrijgt (en hij eerder geen aandeel in dat onroerend goed had) (art. 2.9.1.0.1 VCF);
  • bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden, de toebedeling of toekenning van roerende goederen niet leidt tot de heffing van registratiebelasting;
  • bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden, de toebedeling van onverdeelde goederen en de toekenning van eigen goederen niet leidt tot de heffing van erfbelasting en dit om de hierna vermelde redenen.

A. Voorgenomen verrichting wordt niet belast onder de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2, eerste lid VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, art. 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF, desgevallend wel onder de artikelen 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF

1. Geen toepassing van artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2, eerste lid VCF

11. De artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 eerste lid VCF vormen de algemene regel inzake de erfbelasting, nl. erfbelasting wordt geheven op goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, ongeacht de aard van de devolutie.

12. Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge artikelen 21 en 22 van de huwelijksovereenkomst zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap van de overleden echtgenoot verkregen, doch louter huwelijksvermogensrechtelijk ten titel van huwelijksvoordeel.

13. Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. Dit huwelijksvoordeel wordt huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, op basis van het huwelijksvermogensstelsel.

14. Gelet op het feit dat de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel steeds de vereffening-verdeling van de nalatenschap voorafgaat, kan het geen erfrechtelijke verkrijging zijn.

15. Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking. Deze kwalificatie is objectief, dit wil zeggen dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen, animus donandi, kan die kwalificatie niet wijzigen. Het bewijs dat er sprake zou zijn van een animus donandi mag zelfs niet geleverd worden.

16. Deze kwalificatie werkt ook in een stelsel van scheiding van goederen, zoals dit voor de aanvragers het geval is, en dit overeenkomstig artikel 2.3.64, §1 in fine Burgerlijk Wetboek.

17. Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Het fiscaal recht moet dus uitgaan van de kwalificatie als niet-schenking, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zouden afwijken, wat in casu niet het geval is.

18. De toebedeling van bepaalde onverdeelde goederen noch de toekenning van bepaalde eigen (niet-onverdeelde) goederen op grond van op grond van de artikelen 21 en 22 zoals voorzien in de voorgenomen huwelijksovereenkomst kan bijgevolg worden belast op grond van de artikelen 2.7.1.0.1 en/of 2.7.1.0.2, eerste lid VCF.

2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid 3° VCF

19. Gezien een verkrijging op grond van de voorgenomen bedingen uit het huwelijkscontract gekwalificeerd wordt als een volkomen huwelijksvoordeel, kan artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF niet toegepast worden op de goederen die de langstlevende echtgenoot zou verkrijgen.

20. Ook al heeft het beding pas uitwerking bij het overlijden van de echtgenoten, van een schenking kan geen sprake zijn, gelet op de kwalificatie als huwelijksvoordeel.

21. Ook hier dient de burgerrechtelijke kwalificatie te worden doorgetrokken op fiscaal vlak.

22. De toebedeling van onverdeelde goederen noch de toekenning van eigen (niet-onverdeelde) goederen op grond van op grond van de artikelen voorzien in de voorgenomen huwelijksovereenkomst kan worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

23. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt. De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin sprake is van een stelsel met een gemeenschap en dient restrictief te worden gelezen.

24. Tussen de aanvragers zal na de wijziging van hun bestaande stelsel geen gemeenschap meer bestaan. De reeds bestaande gemeenschap heeft sinds haar ontstaan geen enkel roerend of onroerend goed bevat en zal daarom integraal afgeschaft worden. De aanvragers zullen gehuwd zijn onder het basisstelsel van scheiding van goederen. Daaraan wordt middels de wijzigende huwelijksovereenkomst een beding van toebedeling van bepaalde onverdeelde goederen en een beding van toekenning van bepaalde niet-onverdeelde goederen toegevoegd voor het geval van overlijden. Deze bedingen hebben geen betrekking op gemeenschapsgoederen.

25. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn dus niet vervuld. Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de overgang op grond van de artikelen 21 en 22 van de voorgenomen huwelijksovereenkomst.

4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

26. Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

  1. een kosteloze beschikking;
  2. gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden;
  3. waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.

27. De toebedeling van onverdeelde goederen en de toekenning van niet-onverdeelde goederen op grond van de voorgenomen bedingen verstrekken evenwel geen kosteloze beschikkingen, zoals hierboven uitgebreid toegelicht. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking. Dit heeft het Hof van Cassatie reeds bevestigd (Cass. 5 januari 2017).

28. Artikel 2.7.1.0.5 VCF is dus niet van toepassing op de toebedeling van onverdeelde goederen, noch op de toekenning van niet-onverdeelde goederen op grond de artikelen 21 en 22 van de voorgenomen huwelijksovereenkomst.

5. Geen toepassing van artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF

29. Gelet op de kwalificatie als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende van de echtgenoten zou verkrijgen op basis van het voorgenomen toebedelingsbeding en het voorgenomen toekenningsbeding, artikel 2.8.1.0.1 VCF niet worden toegepast. Dat artikel belast met schenkbelasting een schenking onder de levenden.

Van een schenking is in casu echter geen sprake. Er is louter sprake van huwelijksvoordelen. Bijgevolg is evenmin artikel 2.8.4.1.1 VCF van toepassing.

6. (Desgevallend) toepassing van artikelen 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF

30. Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, er een onroerend goed in onverdeeldheid tussen de echtgenoten is, leidt het voorgenomen toebedelingsbeding tot de heffing van verdeelrecht indien de verkrijger door de werking van dat beding een groter aandeel in een onroerend goed krijgt (art. 2.10.1.0.1 VCF).

Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, een echtgenoot een niet-onverdeeld (eigen) onroerend goed heeft, leidt het voorgenomen toekenningsbeding tot de heffing van verkooprecht indien de verkrijger door de werking van dat beding een aandeel in het onroerend goed verkrijgt (en hij eerder geen aandeel in dat onroerend goed had) (art. 2.9.1.0.1 VCF).

B. Geen fiscaal misbruik

31. De algemene antimisbruikbepaling kan slechts worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het wetboek, de simulatieleer en de specifieke fiscale misbruikbepalingen (de zogenaamde fictiebepalingen) geen toepassing vinden.

Ook het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 141/2013, 30 oktober 2013) stelt dat de algemene antimisbruikbepaling niet kan worden ingeroepen indien bepaalde verrichtingen al vallen onder een specifieke antimisbruikbepaling. Enkel wanneer bepaalde verrichtingen as such niet onder het toepassingsgebied van een specifieke fiscale misbruikbepaling vallen, maar wel de doelstellingen van een specifieke antimisbruikmaatregel frustreren, kan de algemene antimisbruikbepaling wel worden aangewend.

32. Deze aanvraag frustreert echter geen enkele toepasselijke specifieke antimisbruikbepaling. Evenmin kan daartegen de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend. De aanvragers verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de hierna uiteengezette motieven.

1. Geen frustratie van fictiebepalingen

33. De voorgenomen verrichting frustreert de doelstellingen van art. 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF niet, omdat de aanvragers niet overgaan tot enige schenking of kosteloze beschikking waarvan de uitwerking artificieel tot aan het overlijden wordt uitgesteld.

In casu is op geen enkele manier sprake van een kosteloze beschikking. De aanvragers hebben reeds uitvoerig aangetoond en beargumenteerd dat overgangen op grond van de artikelen 18 en 19 van de voorgenomen huwelijksovereenkomst huwelijksvoordelen zijn. Het betreffen geen schenkingen. Daarom frustreren de voorgenomen bedingen evenmin art. 2.7.1.0.5 VCF.

34. Aangezien de toebedelings- en toekenningsbedingen geen betrekking hebben op gemeenschappelijke goederen, kan er evenmin geen sprake zijn van het ontwijken van erfbelasting o.g.v. art. 2.7.1.0.4 VCF. De voorgenomen bedingen frustreren artikel 2.7.1.0.4 VCF dus niet.

2. Geen frustratie van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF

35. Aangezien de voorgenomen verrichting geen schenking tot stand brengt, kan er geen sprake zijn van het ontwijken van schenkbelasting o.g.v. de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF.

De voorgenomen verrichting frustreert de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF dus niet.

3. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.1 VCF en artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF

36. De voorgenomen verrichting maakt geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF aangezien deze niet tot doel heeft zich buiten het toepassingsgebied van de artikelen 2.7.1.0.1- 2.7.1.0.2 eerste lid VCF te plaatsen. Het feit dat de verrichting tot enig doel zou hebben zich buiten het toepassingsgebied van deze artikelen te plaatsen, is overigens geen criterium voor het bestaan van fiscaal misbruik. Het enige echte criterium is dat de belastingplichtige een bepaling van de VCF moet ontweken hebben, in strijd met de doelstellingen van deze bepaling.

De doelstellingen van een bepaling moeten eerst en vooral afgeleid worden uit de tekst van de ontweken decretale bepaling “en, in voorkomend geval, uit de parlementaire voorbereiding van de van toepassing zijnde wetsbepaling” (Cass. 6 januari 2023, F.20.0128.N/1). De tekst van artikel 2.7.1.0.2 VCF is zeer duidelijk. De wetgever viseerde enkel de verkrijgingen uit de nalatenschap in de hoedanigheid van erfgenaam, legataris of contractueel erfgestelde, en niets anders.

De artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2, eerste lid VCF leiden tot de heffing van erfbelasting op goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het verblijvingsbeding en/of toekenningsbeding zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling). In casu is er, zoals hoger uiteengezet, sprake van een voordeel dat louter huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking. Het huwelijksvoordeel is dus niet onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2, eerste lid VCF.

De echtgenoten frustreren deze bepalingen niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen. Zij wensen een erfrechtelijke verrekening van de betrokken goederen zo veel mogelijk te vermijden in de verhouding tussen de langstlevende echtgenoot en andere reservataire erfgenamen van de overledene. Ze kunnen de gewenste doelstellingen niet met dezelfde civiele gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling. Iedere erfrechtelijke verkrijging wordt immers op de nalatenschap toegerekend, terwijl de echtgenoten net zo veel mogelijk willen vermijden dat er een erfrechtelijke verrekening aan de orde zou zijn.

De voordelen die ze mekaar via een testament of een contractuele erfstelling (al of niet binnen huwelijksovereenkomst) zouden willen toekennen, zouden volledig opgenomen worden in de rekenboedel om te bepalen in welke mate ze vatbaar zijn voor inkorting, terwijl de echtgenoten dat risico zo veel als mogelijk wensen uit te schakelen, zoals de civiele wet hun dat toelaat.

De voorgenomen verrichting maakt bijgevolg geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF j. artikel 2.7.1.0.1 VCF en evenmin in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF j. artikel 2.7.1.0.2 eerste lid VCF.

C. Niet-fiscale motieven van de aanstaande echtgenoten

37. De algemene antimisbruikbepaling schept een stelsel van bewijs en tegenbewijs (GW Hof 30 oktober 2013, nr. 141/2013). De bewijslast ligt in de eerste plaats bij de Vlaamse Belastingdienst. Slechts als de Vlaamse Belastingdienst aantoont dat de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling een verrichting tot stand brengt waarmee hij zich buiten het toepassingsgebied van een bepaling van de VCF plaatst en dit in strijd met de doelstellingen van die bepaling, zijn de niet-fiscale motieven van de belastingplichtige relevant.

Wat de civielrechtelijke motieven betreft, geldt verder het volgende. Omdat hierboven is aangetoond dat de kwalificatie “fiscaal misbruik” in casu niet aan de orde is, is het al dan niet aantonen van niet-fiscale motieven volledig overbodig. Dit bewijs moet immers pas geleverd worden nadat Vlabel bewezen heeft dat er sprake is van fiscaal misbruik, quod non in casu.

Vermits er geen fiscaal misbruik is, moeten er geen niet-fiscale motieven worden aangetoond.

38. Niettemin melden de aanvragers dat zij de voorgenomen verrichting overwegen omwille van niet-fiscale motieven:

  • De aanvragers zijn na hun huwelijk op xx.xx.1989, blijkens de akten verleden voor notaris […], te […] op xx.xx.1993 overgestapt naar een scheidingsstelsel omdat ze een groot belang hechtten aan hun professionele autonomie, aan de bescherming tegen schuldeisers en omdat ze niet wensen te voorzien in een vermogensdeling bij een relatiebreuk.
  • De aanvragers wensen de langstlevende echtgenote zoveel mogelijk te beschermen, zodat de langstlevende echtgenoot geheel zelfstandig kan kiezen welk comfort hij/zij zichzelf verschaft, rekening houdend met de huidige levensstandaard van de echtgenoten en de familiale en/of financiële situatie van de langstlevende echtgenoot bij overlijden van de eerst stervende echtgenoot, door zelf te kunnen bepalen welke onverdeelde en/of eigen goederen van de andere echtgenoot toekomen aan hem/haar. De voorziene regeling is bovendien niet eenzijdig herroepbaar, hetgeen de aanvragers cruciaal achten. Huwelijksvoordelen zijn immers niet eenzijdig herroepbaar (bv. in tegenstelling tot een testamentaire regeling).
  • Specifiek wat de aandelen van de heer X in de vennootschap Z betreft, zorgt de voorgenomen huwelijksovereenkomst er verder voor dat de langstlevende echtgenoot kan voorkomen dat bij het overlijden van de heer X de kinderen een dergelijk groot vermogen verwerven of kunnen vervreemden, wanneer zij daar nog niet matuur genoeg voor zijn. De voordelen die de langstlevende echtgenoot op basis van het voorgenomen toebedelings- en toekenningsbeding zal verkrijgen, moeten immers niet erfrechtelijk worden verrekend en zijn niet vatbaar voor inkorting, behoudens toepassing van artikel 2.3.57 en 2.3.58 BW.
  • Bovendien wordt er middels de voorgenomen huwelijksovereenkomst niet afgeweken van de vermogensrechtelijke autonomie van iedere echtgenoot om zijn/haar vermogen volledig autonoom te kunnen besturen en beheren tot aan het overlijden. De voorgenomen huwelijksovereenkomst zorgt ervoor dat de aanvragers tijdens het huwelijk geen zakenrechtelijke (of verbintenisrechtelijke) vermogensdeling creëren, reden te meer waarom de aanvragers expliciet de reeds bestaande – lege – beperkte gemeenschap die tussen hen geldt, volledig wensen te schrappen.
  • Verder blijft middels de voorgenomen huwelijksovereenkomst de vermogensrechtelijke bescherming tegen beroepsschuldeisers van de andere echtgenoot behouden, wat de aanvragers belangrijk vinden, bijvoorbeeld aangezien heer X in de toekomst in het kader van zijn professionele activiteit wellicht nog bijkomend eigen goederen zal verwerven en zware investeringen met groot risico zal doen.

39. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvragers artikelen 21 en 22 in de huwelijksovereenkomst niet wensen in te voegen op grond van fiscale motieven.

Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet fiscale motieven hoe dan ook geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot de aanvraag die ze u voorleggen, en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.

Conclusie en verzoek tot beslissing

40. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF verzoeken aanvragers het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing.

41. De wijziging van de huwelijksovereenkomst, waarbij het stelsel van scheiding van goederen behouden blijft en waarbij aan dit stelsel een optioneel toebedelingsbeding met betrekking tot bepaalde onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot bepaalde niet-onverdeelde goederen van de echtgenoten zal worden toegevoegd, leidt niet tot de toepassing van de artikelen 2.7.1.0.1, 2.7.1.0.2 eerste lid VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF en frustreert ook geen van deze bepalingen, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.

De aanvragers wensen in het algemeen bevestigd te zien dat de uitwerking van het toebedelingsbeding met betrekking tot onverdeelde goederen en het toekenningsbeding met betrekking tot niet-onverdeelde goederen bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden niet zal leiden tot de heffing van enige schenk- of erfbelasting.

De aanvragers bevestigen te weten dat er wel verdeelbelasting respectievelijk verkoopbelasting verschuldigd zal zijn op de toebedeling van onroerende goederen in onverdeeldheid tussen de echtgenoten respectievelijk de toekenning van onroerende goederen van de overledene (die niet in onverdeeldheid zijn met de langstlevende).

42. De aanvragers vragen dat de geldigheid van de voorafgaande beslissing zich in de tijd zou uitstrekken tot aan het overlijden van één van de echtgenoten.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

43. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

44. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

45. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.

  • Artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.8.4.1.1 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;

2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;

4° een staat van de Europese Economische Ruimte;

5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;

6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;

7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;

8° het Vlaams Woningfonds;

9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;

11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.

In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

  • Artikel 2.9.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

  • Artikel 2.10.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende:

1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;

2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;

3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

46. Volgende verrichtingen worden voorgelegd, die verwezenlijkt worden via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:

De echtgenoten X-Y zijn oorspronkelijk gehuwd op xx.xx.1989 onder het wettelijk stelsel, bij gebrek aan huwelijksovereenkomst.

Het echtpaar besloot om over te stappen van het wettelijk stelsel naar het stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een beperkte gemeenschap van aanwinsten, ingevolge akten verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1993. Sindsdien hebben de aanvragers hun huwelijksvermogensstelsel niet meer gewijzigd.

De heer X en mevrouw Y wensen thans hun beperkte gemeenschap van aanwinsten integraal af te schaffen.

De aanvragers verklaren dat de beperkte gemeenschap sinds haar ontstaan geen enkel roerend of onroerend goed heeft bevat.

Gelijktijdig willen de echtgenoten aan hun huwelijksovereenkomst enerzijds een (optioneel) verblijvingsbeding toevoegen met betrekking tot de goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn en anderzijds een (optioneel) toekenningsbeding toevoegen met betrekking tot de eigen (niet-onverdeelde) goederen van elk van de echtgenoten.

Hiertoe zullen de hierboven aangehaalde artikelen 21 en 22 worden toegevoegd aan de huwelijksovereenkomst.

Ingevolge het verblijvingsbeding zullen de goederen in onverdeeldheid tussen de echtgenoten bij overlijden van één van hen onmiddellijk toekomen aan de langstlevende echtgenoot. Ingevolge het voorgenomen toekenningsbeding zullen de eigen (niet-onverdeelde) goederen, die de eerstoverleden echtgenoot toebehoren, bij overlijden van één van hen onmiddellijk toekomen aan de langstlevende echtgenoot.

De bedingen zijn optioneel geformuleerd, waardoor deze bedingen slechts uitwerking krijgen indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot zich erop beroept.

In het ontwerp van akte houdende wijziging van huwelijksovereenkomst is voorzien in een passiefregeling en in zaakvervanging.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2, eerste lid VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF, 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF

47. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

48. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen, die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.

In de mate bijgevolg dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

49. In de mate dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichtingen.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.1 VCF en artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF?

50. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.1 VCF wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.

Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

51. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.1 VCF en artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

52. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

53. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

54. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Volgens de gegevens in de aanvraag zullen de aanvragers de beperkte gemeenschap die thans tussen hen bestaat integraal schrappen. De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de eigen goederen, hebben volgens de aanvrager geen betrekking op gemeenschapsgoederen.

55. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

56. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

57. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?

58. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.

Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

59. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 en artikel 2.8.4.1.1 VCF.

1.6. Mogelijke toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF en artikel 2.10.1.0.1 VCF?

60. De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

Een conventionele overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen valt in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting. We vallen dus terug op de algemene regels inzake het verkoop- of het verdeelrecht.

61. Samengevat betekent dit concreet het volgende:

  • op de toebedeling/toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd;
  • op de toebedeling van onroerende goederen zal het verdeelrecht verschuldigd zijn indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid. Is de verkrijger echter een derde-verkrijger, dan zal op de toebedeling/toekenning aan deze verkrijger het verkooprecht van toepassing zijn op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

62. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

63. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

64. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).

65. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

66. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de aanvragers, de heer X en mevrouw Y, oorspronkelijk gehuwd zijn op xx.xx.1989 onder het wettelijk stelsel, bij gebrek aan huwelijksovereenkomst.

Het echtpaar besloot om over te stappen van het wettelijk stelsel naar het stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een beperkte gemeenschap van aanwinsten, ingevolge akten verleden voor notaris [...] te [...] op 26 mei 1993. De echtgenoten kozen destijds voor het stelsel van scheiding van goederen aangezien zij een groot belang hechten aan hun vermogensrechtelijke autonomie, aan de bescherming tegen schuldeisers en aangezien zij niet wensen te voorzien in een vermogensdeling bij een relatiebreuk.

De echtgenoten hebben twee gemeenschappelijke kinderen en er zijn geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

De heer X en mevrouw Y wensen thans hun beperkte gemeenschap van aanwinsten integraal af te schaffen bij gebrek aan enig nut.

De aanvragers verklaren dat de beperkte gemeenschap sinds haar ontstaan geen enkel roerend of onroerend goed heeft bevat.

Gelijktijdig wensen de echtgenoten, voor het geval één van hen overlijdt, een huwelijksvermogensrechtelijke regeling te voorzien ten voordele van de langstlevende, vervat in enerzijds een optioneel verblijvingsbeding en anderzijds een optioneel toekenningsbeding.

De echtgenoten wensen de langstlevende echtgenoot te beschermen en verzorgd achter te laten door te voorzien in een niet-eenzijdig herroepbare, solidaire regeling. Daarbij wenst het echtpaar niet af te wijken van de vermogensrechtelijke autonomie en bescherming die voortvloeit uit hun basisstelsel van scheiding van goederen.

Verder wensen de aanvragers voornamelijk de aandelen van de vennootschap Z, die in het bezit zijn van de heer X, af te schermen van de kinderen totdat zij voldoende matuur zijn om een dergelijk vermogen te beheren. Daarom is het voor de echtgenoten belangrijk in een sluitende en reservebestendige regeling te voorzien.

67. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

68. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Een kopie van de akten verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1993 werd bezorgd door de aanvragers per mail van 19 mei 2026.

[2] Het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[3] Het toebedelingsbeding voor de onverdeelde goederen, zoals opgenomen in artikel 21 van het ontwerp van de akte houdende wijziging van de huwelijksovereenkomst, luidt als volgt:

[…]

[4] Het toekenningsbeding voor de eigen (niet-onverdeelde) goederen, zoals opgenomen in artikel 22 van het ontwerp van de akte houdende wijziging van de huwelijksovereenkomst, luidt als volgt:

[…]

[5] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: in het optioneel toekenningsbeding opgenomen in artikel 22 van het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst worden de concreet toe te kennen eigen goederen niet opgesomd. Het voorwerp van het optioneel toekenningsbeding zijn “de eigen goederen die de eerst-overleden echtgenoot toebehoren.”

[6] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: het besluitvormingsorgaan gaat ervan uit, gelet op de gegevens opgenomen in de aanvraag, dat de aanvrager hier verwijst naar de beperkte gemeenschap van aanwinsten die werd toegevoegd aan het stelsel van scheiding van goederen blijkens de wijzigende huwelijksovereenkomst van xx.xx.1993.