Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26055 - Beding van aanwas - onroerende goederen Vlaamse Belastingdienst

VB 26055 - Beding van aanwas - onroerende goederen

Voorafgaande beslissing
Nummer

26055

Datum beslissing

27 juli 2026

Publicatiedatum

17 september 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting
  • Verdeelrecht
  • Verkooprecht

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.1. VCF
  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.3.1.1. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 2.9.1.0.1. VCF
  • art. 2.9.7.0.3. VCF
  • art. 2.10.1.0.1. VCF
  • art. 2.10.3.0.1. VCF
  • art. 2.10.4.0.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Deze aanvraag tot een voorafgaande beslissing strekt ertoe bevestiging te krijgen dat:

1.1. het voorgelegd optioneel contract van aanwas m.b.t. het in deze aanvraag beschreven onroerend goed tussen de heer X en mevrouw Y rechtsgeldig is en kwalificeert als een contract onder bezwarende titel (kanscontract);

1.2. indien dit contract in België zou worden geregistreerd de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1, §1 VCF niet van toepassing zullen zijn (op zich en in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF) en er derhalve geen schenkbelasting zal verschuldigd zijn, zodat alleen het federaal vast recht verschuldigd zal zijn;

1.3. de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF en 2.7.3.1.1 VCF (op zich en in combinatie met art. 3.17.0.0.2. VCF) niet van toepassing zullen zijn op het in het contract vermeld onroerend goed, evenals zijn eventuele meerwaarde en alle zaken (roerend of onroerend) die worden verkregen via de rechtsfiguur van de zaakvervanging bij het overlijden van een partij zodat er geen erfbelasting verschuldigd zal zijn;

1.4. er bij het overlijden van een partij, geen toepassing zal zijn van de artikelen 2.10.1.0.1 VCF, 2.10.3.0.1 VCF en 2.10.4.0.1 VCF en er derhalve op het ogenblik dat de aanwas uitwerking verkrijgt geen verdeelrecht zal worden geheven;

1.5. er bij het overlijden van een partij, wel verkooprecht zal worden geheven in toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF en daarbij een verkooptarief van 10% zal worden geheven, gelet op het feit dat de aankoop van het onroerend goed door de partijen teruggaat naar een akte van xx.xx.2019 (cfr. infra in deze aanvraag onder nrs. 7.1 en 7.2) en dit in toepassing van artikel 2.9.7.0.3,§2 VCF en dat dit verkooprecht zal geheven worden hetzij op de helft in waarde volle eigendom (venale waarde van het onroerend goed op datum van de sterfdag van één der partijen) in toepassing van artikel 2.9.3.0.1 VCF (als de langstlevende van de partijen zou opteren voor een aanwas in volle eigendom) hetzij op de helft in waarde vruchtgebruik berekend in toepassing van artikel 2.9.3.0.4,§1 VCF waarbij voor de berekening van het vruchtgebruik rekening zal gehouden worden met de leeftijd van de langstlevende van de partijen op het ogenblik dat de aanwas uitwerking krijgt (als de langstlevende van de partijen zou opteren voor een aanwas van het levenslangs vruchtgebruik).

2. De aanvragers verzoeken uitdrukkelijk, overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF, dat gelet op het voorwerp van de aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer zal zijn dan vijf jaar. Meer bepaald verzoeken zij om een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het overlijden van één van hen beiden.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. De aanvraag wordt ingediend door mevrouw […], notaris met standplaats te […], notaris-vennoot van de […], in naam van haar cliënten namelijk:

3.1. de heer X, geboren te […] op xx.xx.1959, rijksregisternummer […] wonende te […],

3.2. mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1972, rijksregisternummer […], wonende te […].

De heer X en mevrouw Y worden hierna afzonderlijk ook genoemd “partij” en samen de “partijen”.

4. De heer X en mevrouw Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen voor de ambtenaar van de Burgerlijke stand te […] op xx.xx.2008, onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2008, gewijzigd doch met behoud van het basisstelsel ingevolge akte verleden voor notaris […], te […], op xx.xx.2026.

5. Samen hebben de partijen geen gemeenschappelijke kinderen. Mevrouw Y heeft geen kinderen uit enige vorige relatie. De heer X heeft twee kinderen uit een vorige relatie, te weten, mevrouw […], geboren te […] op xx.xx.1990 en de heer […], geboren te […] op xx.xx.1992.

6. De heer X en mevrouw Y hebben hun fiscale woonplaats sinds meer dan vijf jaar in het Vlaamse Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

7. Feiten

7.1. Sinds xx.xx.2019 zijn de partijen ieder voor de onverdeelde helft in volle eigendom eigenaar van het volgend onroerend goed: […], Een building op en met grond gelegen aan de […], op een perceel grond, gekadastreerd volgens titel en volgens recent kadastraal uittreksel sectie E, nummer […], voor een oppervlakte van 1 a 64 ca, hierna genoemd “het onroerend goed” of “het goed”.

7.2. Ze kochten het onroerend goed onder regime van het registratierecht, in de voormelde eigendomsverhouding (ieder voor de helft in onverdeeldheid in volle eigendom), bij akte verleden voor notaris […] te […] en notaris […] te […] verleden op xx.xx.2019, welke akte werd overgeschreven op het bevoegde Kantoor Rechtszekerheid.

7.3. In de voormelde aankoopakte van xx.xx.2019 werd door partijen geen beding van aanwas opgenomen.

7.4. Het hierboven beschreven onroerend goed bestaat uit drie appartementen die aan derden worden verhuurd. Het betreft niet het enige onroerend bezit van de partijen.

8. Voorgenomen verrichting: contract van aanwas

8.1. Thans wensen de partijen m.b.t. het onroerend goed beschreven onder 7.1. hierboven een contract van aanwas op te stellen, volgens het concept van notariële akte dat in bijlage bij deze aanvraag wordt toegevoegd.

8.2. Het contract van aanwas, dat ten overstaan van een Belgisch notaris zal worden verleden, zal optioneel zijn waardoor de langstlevende van de partijen bij het overlijden van de eerststervende kan kiezen om de aanwas al dan niet in te roepen. Bovendien zal het contract ook optioneel zijn wat het voorwerp van de aanwas betreft. De langstlevende van de partijen zal ofwel voor een aanwas in volle eigendom kunnen opteren ofwel voor een aanwas van het levenslang vruchtgebruik.

8.3. In het contract van aanwas zal voorzien worden dat de effectieve uitoefening van de optie (waardoor dus de aanwas zal plaatsvinden) door de langstlevende partij terugwerkende kracht zal hebben tot op het ogenblik van het overlijden van de eerststervende. De partijen zullen in het contract verklaren uitdrukkelijk te willen afwijken van artikel 5.147 Burgerlijk Wetboek dat aan de vervulling van een voorwaarde een toekomstige uitwerking geeft. Het contract van aanwas voorziet tevens in het principe van de zaakvervanging zodat de overeenkomst van aanwas verder zal blijven gelden voor eventueel later in de plaats gekomen roerende of onroerende “vervanggoederen”.

8.4. De partijen kiezen bewust voor dergelijke wederzijdse overeenkomst die hen beiden bindt en bijgevolg niet eenzijdig kan worden opgezegd, behoudens in het geval van duurzame relatiebreuk daar alsdan de juridische oorzaak die aan de grondslag ligt van het contract komt te vervallen. Het contract van aanwas bindt hen in principe dus voor onbepaalde duur en vervult zodoende de doelstelling van de bescherming van de langstlevende partij, als deze van een gezamenlijk handelen.

III. Motivering van de aanvraag

9. Elke echtgenoot wenst voor zichzelf de nodige maatregelen te nemen die hem/haar in staat stellen zijn/haar levenskwaliteit en levensstandaard als langstlevende echtgenoot te garanderen en hem/haar tegelijkertijd in staat stellen een maximale flexibiliteit te behouden.

10. Deze doelstelling kan niet bereikt worden met een schenking tussen echtgenoten of een testament aangezien dit eenzijdig herroepbare rechtshandelingen betreffen en bovendien niet beletten dat de twee voorhuwelijkse kinderen van de heer X hun reservatair erfdeel kunnen opeisen.

11. De echtgenoten zijn van mening dat zij via het voorgenomen notarieel optioneel contract van aanwas een overeenkomst ten bezwarende titel zullen ondertekenen.

12. Om die reden vragen zij te willen bevestigen dat het contract van aanwas geen aanleiding geeft tot de heffing van schenkbelasting, op het ogenblik dat het voorgenomen contract ter registratie zal worden aangeboden in toepassing van artikel 19, eerste lid, 1° Wetboek der Registratierechten.

13. Ze vragen bovendien te willen bevestigen dat er bij de uitwerking van het beding van aanwas, lees: op het ogenblik van het overlijden van de eerststervende van de partijen, geen erfbelasting verschuldigd zal zijn noch verdeelrecht, maar verkooprecht en dit aan het tarief van 10 % (gelet op de aankoop in onverdeeldheid van het onroerend goed die teruggaat naar een akte van xx.xx.2019, d.i. een tijdperk dat het Vlaams verkooptarief 10% bedroeg) en dit op de helft van de verkoopwaarde (te beoordelen op datum van het overlijden van de eerststervende) van het onroerend goed, hetzij in volle eigendom hetzij in vruchtgebruik berekend in toepassing van artikel 2.9.3.0.4,§1 VCF, naargelang de langstlevende van de partijen opteert voor een aanwas in volle eigendom dan wel voor een aanwas beperkt tot het levenslang vruchtgebruik.

14. Ze vragen tot slot te willen bevestigen dat het voorgenomen contract van aanwas geen fiscaal misbruik inhoudt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

15. Principes i.v.m. het contract van aanwas als kanscontract

15.1. Kanscontracten (en dus ook contracten van aanwas) zijn wederkerige overeenkomsten waarvan de gevolgen, met betrekking tot winst en verlies, hetzij voor alle partijen, hetzij voor één van hen, van een onzekere gebeurtenis afhangen (art. 1964 oud BW en art. 5.8, lid 2 nieuw BW).

15.2. In de beschreven verrichting is de onzekere gebeurtenis niet het overlijden op zich (een overlijden is een zekere gebeurtenis), maar wel de volgorde van het overlijden. Elke echtgenoot kan de langstlevende zijn. Ingevolge de te sluiten overeenkomst bestaat de kans op winst in de verkrijging van het aandeel van de eerst overleden echtgenoot. Het verlies is dan het overlijden als eerste van beide partijen, waarbij men het eigen aandeel moet afstaan aan de langstlevende der partijen.

15.3. De partijen zijn echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen. Dat een beding van aanwas mogelijk is tussen echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen wordt door Uw diensten bevestigd (zie o.a. Vlabel-Standpunt nr. 17044).

15.4. Het contract van aanwas betreft een contract onder bezwarende titel. Het bezwarend karakter vereist dat de kansen van beide partijen evenwichtig zijn en dat de inleg door de echtgenoten gelijk is.

15.5. Uw diensten vereisen daarbij niet dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken partijen. Deze gelijkheid van kansen moet worden beoordeeld op het moment van het sluiten van de overeenkomst.

15.6. In casu hebben de partijen naar hun oordeel een gelijke overlevingskans bij het afsluiten van de overeenkomst, hetgeen aangetoond wordt door hun leeftijd. In casu is de ene partij, te weten de heer X geboren op xx.xx.1959 en de andere partij, te weten mevrouw Y op xx.xx.1972. Ze zijn bovendien beiden in een goede gezondheidstoestand en hebben beiden een zelfde voorzichtige levensstijl die niet gekenmerkt wordt door de uitoefening van enig gevaarlijk beroep of van gevaarlijke hobby’s of andere bezigheden.

15.7. De partijen zijn van oordeel dat ze op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst een gelijkaardige levensverwachting hebben. Ondanks het feit dat er een beperkt leeftijdsverschil is, kan naar het oordeel van partijen gesteld worden dat partijen generatiegenoten zijn van mekaar. Ze zijn van oordeel dat hun leeftijdsverschil, gelet op de fase van hun leven waarin ze zich bevinden op het ogenblik van het afsluiten van het contract (concreet: ze bevinden zich geenszins in een ver gevorderd levensstadium rekening houdend met de actuele cijfers inzake levensverwachting), niet van aard is om te oordelen dat er geen gelijke overlevingskans is. Partijen verzoeken Uw diensten dit te willen bevestigen.

15.8. Bovendien wijzen partijen Uw diensten op bestaande rechtspraak die zelfs een relatief belangrijk leeftijdsverschil in het verleden reeds heeft aanvaard. Zie in dit verband o.a.:

  • Antwerpen 10 februari 1988, T. Not., 1989, 320: leeftijdsverschil van ruim 20 jaar;
  • Rb. Turnhout 7 januari 2005, R.A.G.B., 2006, nr. 6, 60: leeftijdsverschil van 16 jaar;
  • Antwerpen 4 juni 2012, rolnr. 2010/R/3289, onuitgegeven: leeftijdsverschil van 14 jaar;
  • Antwerpen 30 juni 2015, T.Not., 2016, afl. 5, 364: leeftijdsverschil van 10 jaar.

15.9. Ook Uw diensten hebben reeds in verschillende voorafgaande beslissingen, waarbij een belangrijk leeftijdsverschil voorlag, bevestigd dat dit geen afbreuk doet aan de kansengelijkheid:

15.10. De inleg van beide echtgenoten is voor het contract van aanwas in casu gelijkwaardig: het onroerend goed dat het voorwerp zal uitmaken van het contract van aanwas behoort immers toe aan ieder van de echtgenoten voor de onverdeelde helft in volle eigendom (cfr. supra onder nr. 7.1 en 7.2).

15.11. De kwalificatie “kanscontract” tussen partijen wordt ook aangetoond door de vereiste van een gezamenlijk optreden in de vorm van een strikt vervreemdingsverbod en de afwezigheid van een einddatum van de overeenkomst (cfr. respectievelijk artikel 8 en 9 van het in bijlage toegevoegd concept van notarieel contract van aanwas).

15.12. Het voorgenomen contract van aanwas is in casu ten bijzondere titel afgesloten, aangezien de overeenkomst betrekking heeft op één enkel nauwkeurig in de overeenkomst omschreven onroerend goed.

15.13. Het voorgenomen contract van aanwas betreft een kanscontract ten bezwarende titel onder de opschortende voorwaarde van vóóroverlijden van één der partijen en ten bijzondere titel. Het is derhalve geen verboden erfovereenkomst. Dat de aanwas optioneel wordt bedongen, verandert niets aan het voorgaande.

16. Niet-fiscale motieven

16.1. Indien en voor zover het besluitvormingsorgaan zou stellen dat er sprake is van fiscaal misbruik, quod non naar het oordeel van partijen, dan vormt het voorgenomen contract van aanwas nog steeds geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Er zijn immers niet-fiscale motieven die voldoende opwegen tegen de fiscale overwegingen.

16.2. De echtgenoten willen zichzelf beschermen voor het geval zij de langstlevende echtgenoot zijn. Zij wensen meer bepaald de nodige maatregelen te nemen ter garantie van de levenskwaliteit en levensstandaard van de langstlevende. Bovendien wensen zij zich te beschermen tegen eventuele reservataire erfaanspraken van de twee voorhuwelijkse kinderen van de heer X.

16.3. Deze doelstellingen kunnen niet via een testament of een schenking bereikt worden. Zij zijn namelijk beiden eenzijdig herroepbaar, waardoor de langstlevende echtgenoot absoluut geen zekerheid heeft. Deze zekerheid kan wel worden bekomen door middel van een contract van aanwas aangezien dit slechts kan worden gewijzigd mits toestemming van de partijen.

16.4. Bovendien geven noch een testament noch een schenking de garantie dat deze niet zullen worden aangevochten door de twee voorhuwelijkse kinderen van de heer X. Het contract van aanwas daarentegen is reservebestendig, daar het onroerend goed dat onder aanwas wordt geplaatst geen deel uitmaakt van de nalatenschap en zodoende niet onderworpen wordt aan de regels van de erfrechtelijke reserve (in casu het beschermd wettelijk erfdeel van de twee voorhuwelijkse kinderen van de heer X).

16.5. Gelet op het voorgaande, oordelen de partijen dat moet worden besloten dat er voldoende niet-fiscale motieven in casu aanwezig zijn en dat de vooropgestelde verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

17. Besluit

Deze aanvraag tot een voorafgaande beslissing betreft de bevestiging van een aantal implicaties met betrekking tot de registratie- en erfbelasting in het kader van de voorgenomen ondertekening door de partijen van een optioneel contract van aanwas met betrekking tot een onroerend goed.

Alle in deze aanvraag vermelde elementen in acht genomen, dient er naar het oordeel van partijen geconcludeerd te worden dat het contract van aanwas dat de echtgenoten X-Y voornemens zijn af te sluiten, kwalificeert als een evenwichtig kanscontract onder bezwarende titel en ten gevolge hiervan de artikelen 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1, §1 VCF, 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF en 2.7.3.1.1 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, geen toepassing kunnen vinden.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

18. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

19. De Vlaamse Belastingdienst doet geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

20. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • Artikel 2.7.1.0.1 VCF:

“Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.”

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF:

“De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 of artikel 4.23, §2, van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform artikel 4.18, derde lid, of artikel 4.23, §2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.”

  • Artikel 2.7.3.1.1 VCF:

“Het successierecht wordt gevestigd op de waarde van alles wat uit de nalatenschap van een rijksinwoner wordt verkregen overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk.

Het recht van overgang wordt gevestigd op de waarde van de onroerende goederen die in België liggen en verkregen werden overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk uit de nalatenschap van iemand die geen rijksinwoner is.”

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF:

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”

  • Artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF:

“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :
TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

  • Artikel 2.9.1.0.1 VCF:

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.”

  • Artikel 2.9.7.0.3,§2 VCF:

“§ 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt het verkooprecht alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het verkooprecht verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.

De rechtshandeling die door een rechtspersoon wordt verricht en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een rechtshandeling die aan een opschortende voorwaarde onderworpen is.”

  • Artikel 2.9.3.0.1 VCF:

“§ 1. Het verkooprecht wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de overeengekomen prijs en lasten of het bedrag van de overeengekomen tegenprestatie ten laste van de verkrijger.

In afwijking van het eerste lid wordt het verkooprecht voor overeenkomsten tot inbreng van onroerende goederen in vennootschappen vastgesteld op basis van het bedrag van de waarde van de als vergoeding voor de inbreng toegekende maatschappelijke rechten, verhoogd met de lasten die door de vennootschap gedragen worden.

§ 2. De belastbare grondslag mag in geen geval lager zijn dan de verkoopwaarde van de overgedragen onroerende goederen.”

  • Artikel 2.9.3.0.4,§1 VCF:

“§ 1. Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een levenslang vruchtgebruik op een onroerend goed wordt gevestigd, wordt de verkoopwaarde (vkw), vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, berekend volgens de volgende formule : vkw = a x b.

De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = de jaarlijkse bruto-opbrengst of, bij gebrek daaraan, de brutohuurwaarde van het goed;
2° b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de onderstaande tabel, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de dag van de akte :

leeftijdscoëfficiënt

leeftijd van degene op het hoofd van wie de rente gevestigd is, in jaar

18

≤ 20

17

> 20-30

16

> 30-40

14

> 40-50

13

> 50-55

11

> 55-60

9,5

> 60-65

8

> 65-70

6

> 70-75

4

> 75-80

2

> 80

  • Artikel 2.10.1.0.1 VCF:

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :
1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;
2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;
3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.”

  • Artikel 2.10.3.0.1 VCF:

“§ 1. Het verdeelrecht wordt vastgesteld op basis van de overeengekomen waarde van de goederen, zoals ze blijkt uit de bepalingen van de akte, zonder dat de belastbare grondslag lager dan de verkoopwaarde mag zijn.

In voorkomend geval wordt de verkoopwaarde van het vruchtgebruik of van de blote eigendom overeenkomstig artikel 2.9.3.0.1 tot en met artikel 2.9.3.0.7 vastgesteld.

§ 2. Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van die goederen.

Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid niet doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van de afgestane delen.”

  • Artikel 2.10.4.0.1 VCF:

“Het verdeelrecht bedraagt 2,5 %.

Het recht wordt op 1% gebracht als de verdeling of de afstand, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, 1° of 2° :

1° tussen ex-echtgenoten plaatsvindt na of uitwerking heeft door de echtscheiding;

2° tussen ex-wettelijke samenwonenden plaatsvindt binnen een termijn van drie jaar die volgt op de beëindiging van de wettelijke samenwoning conform artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek en op voorwaarde dat de personen op de dag van deze beëindiging ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.

Het verlaagde tarief, vermeld in het tweede lid, is ook van toepassing als de verdeling of de afstand wordt gedaan volgens de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte als de verdeling of de afstand plaatsvindt onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden en voorwaarden, vermeld in het tweede lid.”

  • Artikel 3.17.0.0.2. VCF:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

21. Het feit dat een beding van aanwas/ kanscontract tussen echtgenoten wordt afgesloten maakt dit beding van aanwas/ kanscontract op zich niet ongeldig. Wanneer een kanscontract wordt afgesloten tussen echtgenoten moet het slaan op de eigen goederen van de echtgenoten. Het kan geen betrekking hebben op goederen die tot de huwgemeenschap behoren. Dit is in casu het geval aangezien het onroerend goed in onverdeeldheid werd aangekocht en behoort tot het eigen vermogen van de heer X en mevrouw Y elk voor de helft volle eigendom.

22. Er wordt vanuit fiscaal oogpunt aanvaard dat de betrokken goederen niet zijn onderworpen aan de schenkbelasting (maar bij onroerende goederen wel aan het verkooprecht) mits het contract beperkt is, via beschikking onder bijzondere titel, en ten bezwarende titel is.

23. In casu wensen de echtgenoten X en Y een optioneel kanscontract te sluiten met betrekking tot de onverdeelde aandelen volle eigendom in het onroerend goed vermeld in randnummer 7.1., elk voor de helft volle eigendom waarvan zij verklaren dat deze tot hun eigen vermogens behoren. Het kanscontract wordt aangegaan voor een onbepaalde duur met als uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde van een duurzame ontwrichting van hun relatie zoals voorzien in artikel 9 en 10 van het ontwerp van het kanscontract.

24. Het contract is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.

Het contract is in casu onder bijzondere titel aangezien het contract betrekking heeft op het onroerend goed dat specifiek in de overeenkomst worden omschreven.

25. De Vlaamse Belastingdienst aanvaardt dat de zakelijke subrogatie speelt als die conventioneel is voorzien of die plaatsheeft uit kracht van de wet, overeenkomstig artikel 3.10 BW. In casu heeft het contract ook betrekking op alle meerwaarden, alle eventuele bouwwerken, verbouwingen of veranderingen die op of aan het onroerend goed zouden uitgevoerd worden en bij wederbelegging of zaakvervanging verkregen goederen (overeenkomstig artikel 1, 5 en 6 van de overeenkomst).

26. Het contract wordt aanzien als een kanscontract ten bezwarende titel wanneer de kansen evenwichtig zijn. Er wordt niet vereist dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken partijen en er dient een gelijkwaardige inleg te zijn.

27. Een gelijkaardige levensverwachting kan niet enkel worden beoordeeld op basis van sterftetabellen maar kan ook worden beïnvloed door specifieke factoren zoals de gezondheidstoestand van de partijen, bepaalde activiteiten die ze uitvoeren, een overlijden dat kort volgt op het sluiten van het contract, etc...

28. De gelijkaardigheid van de levensverwachting dient aanwezig te zijn bij het afsluiten van het contract. Het is evenwel mogelijk dat pas bij de realisatie van het contract blijkt dat bij het afsluiten van het contract niet aan deze voorwaarde was voldaan.

Uit de gegevens vermeld in de aanvraag blijkt dat er geen sprake is van een gelijkaardige levensverwachting.

  • De heer X is 67 jaar bij het afsluiten van het contract;
  • Mevrouw Y is 54 jaar bij het afsluiten van het contract;
  • De heer X is 13 jaar ouder dan mevrouw Y
  • De levensverwachting is in het Vlaamse Gewest bij mannen 81,4 jaar, bij vrouwen 85,2 jaar.

Uit het voorgaande komt het besluitvormingsorgaan tot het besluit dat er geen sprake is van een gelijkaardige levensverwachting.

29. De gelijkwaardigheid van inleg wordt beoordeeld bij het afsluiten van het contract, niet bij het realiseren van de opschortende voorwaarde (een goed kan in waarde stijgen of dalen).

30. Uit de gegevens vermeld in het kanscontract blijkt dat de inleg van de aanvragers gelijkwaardig is (elk de onverdeelde helft volle eigendom van het onroerend goed omschreven in randnummer 7.1).

31. Op basis van de elementen en feiten vermeld in de aanvraag tot voorafgaande beslissing kan worden besloten dat het in casu niet om een kanscontract gaat. Aangezien het voorgelegde optioneel contract van aanwas niet kwalificeert als een contract onder bezwarende titel (kanscontract), wordt er niet verder ingegaan op de toepassing van de vermelde artikelen van de VCF en de vraag naar fiscaal misbruik.

32. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting- en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.