VB 26061 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - schrapping contractuele erfstelling en toevoeging optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding
- Nummer
26061
- Datum beslissing
10 augustus 2026
- Publicatiedatum
16 september 2026
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.4. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvragers wensen hun huidig huwelijkscontract te wijzigen [1] door volgende clausules te schrappen/daaraan toe te voegen, zoals voorzien in het ontwerp van akte:
1) schrappen van de contractuele erfstelling;
2) toevoeging van een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde (on)roerende goederen;
3) toevoeging van een optioneel toebedelingsbeding voor de eigen (on)roerende goederen.
2. De aanvraag strekt er toe bevestiging te krijgen dat de voorgenomen wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel, niet onder de toepassing valt van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, artikel 2.7.1.0.5 VCF, en dat ze ook geen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet van toepassing is.
3. Gelet op het voorwerp van de aanvraag wordt de Vlaamse Belastingdienst verzocht de voorafgaande beslissing geldig te verklaren tot het overlijden van één van de aanvragers, zelfs indien dit de termijn voorzien in artikel 3.22.0.0.1, §4 VCF overstijgt.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
4. De aanvraag wordt ingediend door Notaris […], te […], namens:
De heer X, geboren te […] op xx.xx.1973, nationaal nummer […] en zijn echtgenote mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1981, nationaal nummer […], samenwonende te […].
De echtgenoten zijn gehuwd te […] op xx.xx.2004 onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […] alsdan te […]) op xx.xx.2004, niet gewijzigd tot op heden.[2]
Uit hun huwelijk zijn volgende kinderen geboren:
- Mevrouw […], geboren te […] op xx.xx.2005, nationaal nummer […], ongehuwd, wonende te […].
- De heer […], geboren te […] op xx.xx.2007, nationaal nummer […], ongehuwd, wonende te […].
De huwelijksovereenkomst van xx.xx.2004 voorziet volgende contractuele erfstelling:
“ARTIKEL. ZEVEN : SCHENKING
Wegens het voorgenomen huwelijk, en enkel in geval van de ontbinding ervan door het overlijden van een van hen, doen de aanstaande echtgenoten bij deze wederkerig en onherroepelijk schenking onder levenden, in voordeel van de langstlevende van hen, wat respektievelijk door ieder van hen wordt aanvaard, van het grootst mogelijk beschikbare deel zo in volle eigendom als in vruchtgebruik van zijn nalatenschap, waarover de wet in voege bij het overlijden van de schenker, hem toelaat te beschikken.”
De vermogensrechtelijke situatie van de aanvragers ziet eruit als volgt:
Vermogen in onverdeeldheid
- Appartement […]
- Zicht- en spaarrekening
- Woning in […][3]
Eigen vermogen X
- Portefeuille […]
- 55,34 % aandelen in NV Z (in deze vennootschap werd voormalige handelsactiviteit van de heer X uitgeoefend, zijnde de uitbating van een […]). De gezinswoning van de echtgenoten is eigendom van NV Z.
- 99,99 % aandelen NV A (holding die 44,66% aandelen NV Z aanhoudt)
- Vordering via rekening-courant op NV Z
- Vordering via rekening-courant op NV A
Eigen vermogen Y
- Portefeuille […]
- Bedrijfsgebouw […] waarin mevrouw Y nog steeds haar zelfstandige […] uitbaat
- 0,01 % aandelen van NV A
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
5. De aanvragers wensen een wijziging van hun huwelijkscontract te doen, en meer bepaald te voorzien in een vermogensrechtelijke bescherming van elkaar in het bijzonder geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden.
Zij hebben destijds gekozen voor een basisstelsel van scheiding van goederen omdat ze een groot belang hechten aan hun professionele autonomie, aan de bescherming tegen (professionele) schuldeisers (beide echtgenoten hadden hun eigen zelfstandige beroepsactiviteit) en omdat ze niet wensen te voorzien in een vermogensdeling (zakenrechtelijk of verbintenisrechtelijk) in geval van ontbinding van het huwelijk om een andere reden dan door overlijden (echtscheiding).
De aanvragers wensen daarentegen wel in een bescherming te voorzien voor de langstlevende echtgenoot (ontbinding van het huwelijk door overlijden). Zij wensen een regeling te voorzien waarbij de langstlevende echtgenoot van hen het integrale vermogen zoveel mogelijk kan behouden, hetzij in volle eigendom of vruchtgebruik, hetzij geheel of gedeeltelijk al naargelang de uitgeoefende optie.
De echtgenoten wensen daarom de onverdeelde als eigen goederen, ongeacht of deze aanwinsten of niet-aanwinsten betreffen, in volle eigendom of vruchtgebruik, weze het optioneel, en dit in de door de langstlevende echtgenoot te bepalen percentage, toe te bedelen aan de langstlevende echtgenoot.
De gezinswoning van de echtgenoten is aangekocht en verbouwd met de naamloze vennootschap NV Z dat zo goed als 100% tot het eigen vermogen van de heer X behoort. De aanvragers willen bij een overlijden verder gaan in hun verzorgingsgedachte ten voordele van de langstlevende echtgenoot door er absoluut over waken dat de toegang tot, het gebruiksrecht van, de zeggenschap over de gezinswoning maar meer in het algemeen van hun integrale vermogen maximaal gevrijwaard blijft voor de langstlevende van hen.
Concreet wensen zij:
- de bestaande contractuele erfstelling te schrappen;
- in geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden een optioneel verblijvingsbeding te voorzien voor de tussen hen in onverdeeldheid bestaande goederen;
- in geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden een optioneel toebedelingsbeding te voorzien voor de eigen goederen;
zoals voorzien in het ontwerp van akte.
1) Met het verblijvingsbeding verlenen de echtgenoten de langstlevende onder hen, de volle en exclusieve eigendom, van alle goederen die, op het ogenblik van het overlijden van een van hen, tussen hen in onverdeeldheid zullen zijn. Het is daarbij irrelevant of het om een onverdeeldheid van roerende dan wel van onroerende goederen gaat. Evenmin is het relevant wat de oorsprong van de onverdeeldheid is, of wat de verhouding is waarin de echtgenoten in die onverdeeldheid gerechtigd zijn.
Het verblijvingsbeding is evenwel optioneel. Het heeft bij overlijden van een van de echtgenoten integrale uitwerking, op alle onverdeelde goederen van de echtgenoten, indien en in de mate dat de langstlevende daarvoor kiest.
De langstlevende kan de uitwerking van het verblijvingsbeding naar keuze beperken, door een verblijving in volle eigendom dan wel in vruchtgebruik te kiezen, ofwel voor alle onverdeelde goederen, ofwel voor die onverdeelde goederen die de langstlevende zal aanwijzen.
De langstlevende kan ook de uitwerking van het verblijvingsbeding naar keuze beperken, door slechts te kiezen voor een toewijzing van die onverdeelde goederen die de langstlevende kan aanwijzen, en dat voor een groter breukdeel dan het breukdeel waarin hij of zij reeds gerechtigd was.
2) Met het toebedelingsbeding verlenen de echtgenoten de langstlevende onder hen, de volle en exclusieve eigendom van eigen goederen indien en in de mate dat de langstlevende daarvoor kiest. Het is daarbij irrelevant of het om roerende dan wel onroerende goederen gaat.
Het toebedelingsbeding is evenwel optioneel. Het heeft bij overlijden van een van de echtgenoten integrale uitwerking, op alle eigen goederen van de echtgenoten, indien en in de mate dat de langstlevende daarvoor kiest.
De langstlevende kan de uitwerking van het toebedelingsbeding naar keuze beperken, door een toebedeling in volle eigendom dan wel in vruchtgebruik te kiezen, ofwel voor alle goederen, ofwel voor die goederen die de langstlevende zal aanwijzen, al dan niet in een bepaald breukdeel.
De langstlevende kan ook de uitwerking van het toebedelingsbeding naar keuze beperken, door slechts te kiezen voor een toebedeling.
Hiertoe wensen de echtgenoten de hieronder vermelde artikelen toevoegen in het huwelijkscontract:
“Ontbinding door overlijden
Toepassingsgebied
De verdelingsregels voorzien in dit hoofdstuk zijn in principe van toepassing in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van een van de echtgenoten.
Deze verdelingsregels zijn echter niet van toepassing (niet-cumulatief):
- indien op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten tussen hen een vordering of verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingesteld;
- indien op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten tussen hen een feitelijke scheiding bestaat om redenen die wijzen op een ontwrichting van het huwelijk (en dus niet wanneer de feitelijke scheiding te wijten is aan overmacht, gezondheidstoestand, verzorgingsbehoeften, beroepsnoodwendigheden of andere redenen die niet wijzen op een ontwrichting van het huwelijk);
- indien de langstlevende echtgenoot erfrechtelijk onwaardig is in het vermogen van de eerstoverleden echtgenoot in de zin van artikel 4.6 Burgerlijk Wetboek en artikel 2.3.59 Burgerlijk Wetboek.
Verdeling eigen goederen: optioneel toebedelingsbeding
De eigen goederen die de eerstoverleden echtgenoot toebehoren, komen onmiddellijk en in volle eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot, indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot daarvoor kiest. De toebedeling kan beperkt zijn omdat de langstlevende kiest, voor alle of bepaalde toe te kennen goederen, die hij of zij kan aanwijzen, voor een toebedeling in vruchtgebruik of in volle eigendom of in een aan te wijzen breukdeel.
De langstlevende echtgenoot dient zijn keuze om deze optie tot toebedeling en de omvang ervan, geheel of gedeeltelijk, uit te oefenen, kenbaar te maken door middel van een schriftelijke verklaring, in notariële of in onderhandse vorm opgemaakt, te verlijden voor, respectievelijk in bewaring af te geven bij een notaris. De langstlevende echtgenoot kan deze keuze te allen tijde kenbaar maken op eigen initiatief en uiterlijk binnen een termijn van vier (4) maanden te rekenen vanaf het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot.
De uitoefening van voormeld keuzerecht heeft een retroactieve werking tot de datum van het overlijden van de eerststervende.
Het voordeel dat uit de toepassing van dit beding van toebedeling van de eigen goederen voor de langstlevende echtgenoot ontstaat, leidt voor de langstlevende echtgenoot tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de eerstoverleden echtgenoot te dragen en die verband houden met de goederen waarvoor de toebedeling wordt gevraagd.
Deze toebedeling van de eigen goederen geschiedt bij wege van huwelijksovereenkomst en meer bepaald ten titel van huwelijksvoordeel, dit is onder bezwarende titel, zodat overeenkomstig artikel 2.3.64 BW en binnen de perken als bepaald door de artikelen 2.3.57 – 2.3.58 BW de regels van schenkingen hierop niet van toepassing zijn.
Deze toebedeling van de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot is een zakenrechtelijke regeling zodat er, in het raam van deze toebedeling, sprake is van onmiddellijke zakenrechtelijke aanspraken van de langstlevende echtgenoot op de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot.
De keuze om de optie tot toebedeling uit te oefenen is een strikt persoonlijk recht; de keuze kan dan ook uitsluitend door de langstlevende echtgenoot worden uitgeoefend en niet door zijn (wettelijke, gerechtelijke of conventionele) vertegenwoordiger, rechtsopvolgers, schuldeisers, enzovoort. In afwijking van het in de vorige zin bepaalde, kan:
- ingeval de langstlevende echtgenoot onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht niettemin door zijn/haar wettelijke, gerechtelijke of conventionele vertegenwoordiger worden uitgeoefend;
- ingeval de langstlevende echtgenoot wilsongeschikt is en niet onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht worden uitgeoefend door een door de langstlevende echtgenoot aangestelde volmachthouder.
Verdeling onverdeelde goederen: optioneel verblijvingsbeding
De goederen die de echtgenoten in onverdeeldheid toebehoren, komen onmiddellijk en in volle eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot, indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot daarvoor kiest. De langstlevende echtgenoot kan de uitwerking van het verblijvingsbeding naar keuze beperken, door slechts voor een verblijving in vruchtgebruik te kiezen, ofwel voor alle onverdeelde goederen, ofwel voor die onverdeelde goederen die de langstlevende kan aanwijzen. De langstlevende echtgenoot kan ook de uitwerking van het verblijvingsbeding naar keuze beperken door slechts te kiezen voor een toewijzing van die onverdeelde goederen die de langstlevende echtgenoot kan aanwijzen, en dat voor een groter breukdeel dan het breukdeel waarin hij of zij reeds gerechtigd was.
De langstlevende echtgenoot dient zijn keuze om deze optie tot verblijving en de omvang ervan, geheel of gedeeltelijk, uit te oefenen, kenbaar te maken door middel van een schriftelijke verklaring, in notariële of in onderhandse vorm opgemaakt, te verlijden voor, respectievelijk in bewaring af te geven bij een notaris. De langstlevende echtgenoot kan deze keuze te allen tijde kenbaar maken op eigen initiatief en uiterlijk binnen een termijn van vier (4) maanden te rekenen vanaf het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot.
De uitoefening van voormeld keuzerecht heeft een retroactieve werking tot de datum van het overlijden van de eerststervende.
Het voordeel dat uit de toepassing van dit beding van verblijving voor de onverdeelde goederen voor de langstlevende echtgenoot ontstaat, leidt voor de langstlevende echtgenoot tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de eerstoverleden echtgenoot te dragen en die verband houden met de goederen waarvoor de verblijving wordt gevraagd.
Deze verblijving van de goederen van de onverdeeldheid geschiedt bij wege van huwelijksovereenkomst en meer bepaald ten titel van huwelijksvoordeel, dit is onder bezwarende titel, zodat overeenkomstig artikel 2.3.64 BW en binnen de perken als bepaald door de artikelen 2.3.57 – 2.3.58 BW de regels van schenkingen hierop niet van toepassing zijn.
Deze verblijving van de goederen van de onverdeeldheid is een zakenrechtelijke regeling zodat er, in het raam van deze verblijving sprake is van onmiddellijke zakenrechtelijke aanspraken van de langstlevende echtgenoot op de goederen die de partijen in onverdeeldheid toebehoren.
De keuze om de optie tot verblijving uit te oefenen is een strikt persoonlijk recht; de keuze kan dan ook uitsluitend door de langstlevende echtgenoot worden uitgeoefend en niet door zijn (wettelijke, gerechtelijke of conventionele) vertegenwoordiger, rechtsopvolgers, schuldeisers, enzovoort. In afwijking van het in de vorige zin bepaalde, kan:
- ingeval de langstlevende echtgenoot onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht niettemin door zijn/haar wettelijke, gerechtelijke of conventionele vertegenwoordiger worden uitgeoefend;
- ingeval de langstlevende echtgenoot wilsongeschikt is en niet onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht worden uitgeoefend door een door de langstlevende echtgenoot aangestelde volmachthouder.”
De aanvragers bevestigen te weten dat:
- op de verblijving en toebedeling van de (eigen en onverdeelde) roerende goederen geen registratiebelasting verschuldigd is;
- op de verblijving van de onverdeelde onroerende goederen het verdeelrecht verschuldigd zal zijn;
- op de toebedeling van de eigen onroerende goederen het verkooprecht van toepassing zal zijn.
III. Motivering van de aanvraag
6. De echtgenoten wensen bevestiging te krijgen dat de toegevoegde artikelen zoals voormeld aan hun huwelijkscontract niet onderworpen zijn aan de artikelen:
- 2.7.1.0.2 VCF: onderwerping aan erfbelasting van goederen verkregen uit nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling;
Het voordeel van de langstlevende echtgenoot in casu wordt niet uit nalatenschap verkregen, maar louter huwelijksvermogensrechtelijk (als een huwelijksvoordeel) – verkrijging op grond van een overeenkomst onder levenden.
De vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat de vereffening-verdeling van de nalatenschap vooraf, dus kan dit geen erfrechtelijke verkrijging zijn.
Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking (het ontstaat namelijk uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling van het huwelijksvermogensstelsel) en bij uitbreiding dus geen contractuele erfstelling. Deze kwalificatie geldt ook voor een stelsel van scheiding van goederen (art 1469,§1, in fine oud BW). Deze civielrechtelijke benadering werkt ook door in het fiscaal recht.
- 2.7.1.0.3, 3° VCF: worden als legaten beschouwd (en dus onderworpen aan erfbelasting) alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker;
De toegevoegde artikelen worden gekwalificeerd als volkomen huwelijksvoordeel en bijgevolg kan artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet worden toegepast (er kan van schenking geen sprake zijn ook al heeft het beding pas uitwerking bij overlijden van één van de echtgenoten). Dezelfde redenering wordt fiscaalrechtelijk doorgetrokken.
- 2.7.1.0.4 VCF: onderwerping aan erfbelasting van ieder huwelijksvoordeel waarbij langstlevende echtgenoot meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt;
De toepassing van 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin er sprake is van een stelsel met een gemeenschap en dient restrictief gelezen te worden. Tussen de aanvragers in casu bestaat geen gemeenschap. De verblijving heeft betrekking op de onverdeelde goederen en de toebedeling op de eigen goederen, en dus niet op gemeenschapsgoederen (er is namelijk geen gemeenschap.
- 2.7.1.0.5 VCF: erfbelasting op de goederen waarover de erflater kosteloos heeft beschikt gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden [4] (tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting);
Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:
1) een kosteloze beschikking;
2) gedurende de drie jaar voorafgaand aan het overlijden;
3) waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.
De verblijving/ toebedeling zoals voorzien in voormelde clausule van het huwelijkscontract verstrekt geen kosteloze beschikking. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking (zie Hof van Cassatie 10/12/2020).
Pas bij de ontbinding van het huwelijksstelsel kan worden beoordeeld of deze verblijving/ toebedeling een huwelijksvoordeel oplevert of niet (bij overlijden van de eerste der echtgenoten).
Bovendien kan er geen sprake zijn van beschikking die tot stand komt in enige periode voor het overlijden. Op het ogenblik van overlijden van de eerststervende echtgenoot zullen zowel zijn bestaand onverdeeld aandeel in de roerende en de onroerende goederen als zijn eigen roerende en onroerende goederen een actief bestanddeel uitmaken van zijn nalatenschap. Het beding van verblijving/ toebedeling krijgt pas zijn afwikkeling “onder de levenden” en zal dus worden behandeld als een verdeling onder de levenden.
- En dat de wijziging aan het huwelijkscontract geen fiscaal misbruik inhoudt en dus de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.
De verrichting is niet fiscaal geïnspireerd. De aanvragers wensen nog steeds hun stelsel van scheiding van goederen te behouden, omwille van de voordelen die dit stelsel hen sedert het begin van hun huwelijk biedt, met name omwille van hun vermogensrechtelijke autonomie en omwille van de bescherming tegen mekaars schuldeisers.
De aanvragers wensen deze autonomie ook bij leven herstellen met betrekking tot de mogelijkheid om overdrachten om niet te doen. Hiervoor dient de schenking tussen echtgenoten zoals voorzien in het huwelijkscontract, te worden geschrapt.
Om invulling te geven aan hun verzorgings- en beschermingswensen jegens elkaar, wensen zij nog steeds een goede regeling bij overlijden in hun huwelijkscontract te behouden. Nu het sedert 1 september 2018 mogelijk is om binnen het stelsel van scheiding van goederen zakenrechtelijke huwelijksvoordelen aan de langstlevende van hen toe te kennen, wensen ze daar ook gebruik van te maken ter vervanging van de geschrapte actuele beperktere regeling bij overlijden, zijnde de contractuele erfstelling.
De gecombineerde werking van het verblijvingsbeding en van het toekenningsbeding creëren bij het eerste overlijden voor de langstlevende een nog comfortabelere positie. Door de onmiddellijke en zakelijke werking van het verblijvingsbeding respectievelijk toekenningsbeding, treedt de langstlevende immers vanaf de kennisgeving van zijn of haar keuze, maar met uitwerking vanaf het overlijden, in het bezit en in de gewenste eigendomsverhouding al naargelang zijn of haar keuze van de goederen waarvan de echtgenoten willen dat de langstlevende er ruim en vrij over kan beschikken. Zo onder meer is een grote bekommernis voor de echtgenoten het feit dat de gezinswoning van de echtgenoten eigendom is van de naamloze vennootschap NV Z welke vennootschap zo goed als 100% tot het eigen vermogen van de heer X behoort.
De door de aanvragers beoogde doelstelling kunnen zij niet op een andere manier en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, en evenmin door een schenking. Ook niet met een gemeenschapsstelsel, omdat de filosofie en werking van een gemeenschapsstelsel niet aansluit bij de wensen en noden van de aanvragers. Overigens om die reden zijn zij ook van in het begin gehuwd geweest onder een stelsel van scheiding van goederen.
Iedere erfrechtelijke verkrijging wordt immers louter op de nalatenschap toegekend, terwijl de echtgenoten net willen vermijden dat goederen voor de helft in de nalatenschap van de eerststervende terecht komen. Dergelijke voordelen zouden, indien via testament of via een ruimere contractuele erfstelling of schenking buiten huwelijksovereenkomst toegekend, eenzijdig herroepen kunnen worden. Dat wensen de aanvragers absoluut niet.
Bovendien zouden voordelen die in omvang gelijkaardig zouden kunnen zijn, maar die ze mekaar via een testament, een contractuele erfstelling of een schenking (al of niet binnen huwelijksovereenkomst) zouden toekennen, steeds moeten opgenomen worden in de rekenboedel (art. 4.153 BW) en op het beschikbaar deel moeten aangerekend worden. Dat is met huwelijksvoordelen niet het geval. De mate waarin ze als volkomen huwelijksvoordelen ontsnappen aan de toepassing van de regel van de inkortbaarheid en dus aan de verplichting tot aanrekening op het beschikbaar deel (met risico voor inkorting indien het beschikbaar deel zou overschreden worden) is veel ruimer. Zolang en voor zover de maxima of plafonds van art. 2.3.57 BW niet zijn bereikt is er immers geen sprake van opname in de rekenboedel noch aanrekening op het beschikbaar deel.
De echtgenoten hebben twee gemeenschappelijk kinderen, die deze aanrekening op het beschikbaar deel niet zullen kunnen vragen zolang en voor zover de huwelijksvoordelen die hun ouders mekaar toekennen, niet verder reiken dan, enerzijds, hun gezamenlijke aanwinsten, anderzijds, de helft van de niet-aanwinsten van de echtgenoot die als eerste zal overlijden.
Het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding dat de echtgenoten aan hun stelsel van scheiding van goederen willen toevoegen, laten hen toe om hun beider wensen voor het comfort van de langstlevende zeer ruim te bereiken, binnen de krijtlijnen die de civiele wet aangeeft.
In beide gevallen behoudt de langstlevende de optie om na het overlijden van de andere, genoegen te nemen met een kleiner voordeel.
Dit gebeurt bovendien met een maximale uitschakeling van het risico van inkorting.
Deze civielrechtelijke motieven zijn voor de aanvragers doorslaggevend bij hun voornemen om de bedingen, die in deze aanvraag zijn vermeld, met verzoek tot bevestiging van hun fiscale consequentie als uiteengezet, in hun huwelijksovereenkomst op te nemen.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
7. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.
8. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.
9. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De te beoordelen verrichting
10. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt wordt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:
De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris Paul Dalle te Koksijde op 4 oktober 2004. Deze huwelijksovereenkomst is tot op heden ongewijzigd gebleven.
In artikel 7 van de huwelijksovereenkomst van 4 oktober 2004 is de volgende wederzijdse contractuele erfstelling opgenomen:
“ARTIKEL. ZEVEN : SCHENKING
Wegens het voorgenomen huwelijk, en enkel in geval van de ontbinding ervan door het overlijden van een van hen, doen de aanstaande echtgenoten bij deze wederkerig en onherroepelijk schenking onder levenden, in voordeel van de langstlevende van hen, wat respektievelijk door ieder van hen wordt aanvaard, van het grootst mogelijk beschikbare deel zo in volle eigendom als in vruchtgebruik van zijn nalatenschap, waarover de wet in voege bij het overlijden van de schenker, hem toelaat te beschikken.”
De echtgenoten wensen thans hun huwelijksovereenkomst te wijzigen, met behoud van hun bestaand stelsel. Zij wensen evenwel de bestaande contractuele erfstelling te schrappen.
Gelijktijdig wensen de echtgenoten aan hun huwelijksovereenkomst enerzijds een (optioneel) verblijvingsbeding toe te voegen met betrekking tot de goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn en anderzijds een (optioneel) toekenningsbeding toe te voegen met betrekking tot de eigen (niet-onverdeelde) goederen van elk van de echtgenoten.
Hiertoe zullen de hierboven aangehaalde bepalingen worden opgenomen in de huwelijksovereenkomst.
De echtgenoten bezitten op vandaag verschillende goederen in onverdeeldheid, namelijk een appartement in […], een woning in […] en een zicht- en een spaarrekening.
Daarnaast bezit elk van de echtgenoten eigen (niet-onverdeelde) goederen:
- In hoofde van de heer X betreft het een portefeuille bij […], 55,34% van de aandelen in NV Z, 99,99% van de aandelen in NV A [5] alsook vorderingen via rekening-courant op voornoemde naamloze vennootschappen.
- In hoofde van mevrouw Y betreft het een portefeuille bij […], een bedrijfsgebouw waarin mevrouw Y haar […] uitbaat en 0,01% aandelen van NV A.
Ingevolge het verblijvingsbeding zullen de goederen in onverdeeldheid tussen de echtgenoten bij overlijden van één van hen onmiddellijk toekomen aan de langstlevende echtgenoot. Ingevolge het voorgenomen toekenningsbeding zullen de eigen (niet-onverdeelde) goederen, die de eerstoverleden echtgenoot toebehoren, bij overlijden van één van hen onmiddellijk toekomen aan de langstlevende echtgenoot.
De bedingen zijn optioneel geformuleerd, waardoor deze bedingen slechts uitwerking krijgen indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot zich erop beroept.
In het ontwerp van akte houdende wijziging van huwelijksovereenkomst is voorzien in een passiefregeling.
Beoordeling
1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF
11. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.
12. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.
Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen, die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.
In de mate bijgevolg dat het (optioneel) verblijvingsbeding en (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.
13. In de mate dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichtingen.
1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?
14. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.
15. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?
16. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
17. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?
18. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
Volgens de gegevens in de aanvraag bestaat tussen de aanvragers thans geen gemeenschap. De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de eigen goederen hebben volgens de aanvragers geen betrekking op gemeenschapsgoederen.
19. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?
20. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
21. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
a) Algemeen
22. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.
23. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.
24. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.
Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).
25. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.
b) In casu
26. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de aanvragers, de heer X en mevrouw Y, gehuwd zijn onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2004.
Het echtpaar heeft twee gemeenschappelijke kinderen.
De echtgenoten kozen voor het stelsel van scheiding van goederen aangezien zij een groot belang hechten aan hun vermogensrechtelijke autonomie, aan de bescherming tegen mekaars (professionele) schuldeisers en aangezien zij niet wensen te voorzien in een vermogensdeling in geval van ontbinding van het huwelijk door een relatiebreuk.
Thans wensen de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen.
De aanvragers wensen de bestaande wederzijdse contractuele erfstelling te schrappen.
Daarnaast wensen de echtgenoten, voor het geval één van hen overlijdt, een huwelijksvermogensrechtelijke regeling te voorzien ten voordele van de langstlevende, vervat in enerzijds een optioneel verblijvingsbeding en anderzijds een optioneel toekenningsbeding.
De echtgenoten wensen de langstlevende van hen te beschermen en verzorgd achter te laten. Hierbij verkiezen ze het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding omwille van de onmiddellijke en zakelijke werking die de aanvragers hieraan toekennen. Het is voor het echtpaar belangrijk om het risico van inkorting maximaal uit te schakelen door te voorzien in een reservebestendige regeling.
De aanvragers wensen erover te waken dat in geval van overlijden van één van hen de gezinswoning, en meer algemeen hun integrale vermogen, maximaal gevrijwaard blijft voor de langstlevende echtgenoot.
27. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
28. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst werd bezorgd door de aanvragers per mail van 15 juli 2026.
[2] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2004 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[3] Deze informatie werd bezorgd door de aanvragers per mail van 11 juni 2026.
[4] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Artikel 2.7.1.0.5 VCF is gewijzigd met ingang van 1 januari 2025 waardoor de goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, geacht worden deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden.
[5] Volgens de gegevens opgenomen in de aanvraag betreft dit een holdingvennootschap die 44,66% van de aandelen in NV Z aanhoudt.