VB 26064 - Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst - scheiding van goederen met optioneel toekenningsbeding
- Nummer
26064
- Datum beslissing
10 augustus 2026
- Publicatiedatum
23 september 2026
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.4. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.7.3.4.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De heer X (RR […]) en mevrouw Y (RR […]) leven reeds meer dan twintig jaar samen als feitelijk samenwonenden. Zij zijn niet gehuwd en evenmin wettelijk samenwonend. Zij wonen samen te […], waar zij hun gemeenschappelijk gezinsleven organiseren met hun minderjarige zoon A (RR […]).
De partners wensen thans in het huwelijk te treden en dit onder het stelsel van scheiding van goederen. Zij wensen dit gekozen huwelijksstelsel aan te vullen met een optioneel toekenningsbeding, teneinde een eerlijke, billijke, solidaire en evenwichtige regeling te waarborgen in geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden.
De regeling ten voordele van de langstlevende zal worden opgenomen in hun toekomstig huwelijkscontract [1] en omvat een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot nader aangeduide eigen goederen of categorieën van eigen goederen van elk van de toekomstige echtgenoten.
Met betrekking tot deze verrichtingen wensen de toekomstige echtgenoten zekerheid over de fiscale behandeling ervan bij overlijden van één van hen.
2. Zij verzoeken bijgevolg om bevestiging dat de huwelijksovereenkomst en de opname daarin, evenals de uitwerking van het optioneel toekenningsbeding bij overlijden zonder echtelijke onenigheid, niet onderworpen zijn aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreren, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is. Zij verzoeken tevens om bevestiging dat deze verrichtingen, afzonderlijk of in combinatie, evenmin fiscaal misbruik vormen, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.
- Aangezien de uitwerking van het toekenningsbeding slechts kan plaatsvinden bij overlijden van één van de toekomstige echtgenoten, verzoeken zij om een verlengde duurtijd van de voorafgaande beslissing, met toepassing tot aan het overlijden van één van hen.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
3. Deze aanvraag wordt ingediend door […] namens:
De heer X, geboren te […] op xx.xx.1973, ingeschreven in het rijksregister onder nummer […] en mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1969, ingeschreven in het rijksregister onder nummer […], samen wonende te […].
Beide toekomstige echtgenoten hebben de Belgische nationaliteit en hebben hun fiscale woonplaats sedert meer dan vijf jaar in het Vlaams Gewest.
II.B. Beschrijving van de goederen
4. De heer X, voornoemd, is op heden eigenaar van de hierna vermelde goederen.
1. Onroerende goederen:
[…]
2. Roerende goederen:
Hij wenst al zijn roerende goederen te onderwerpen aan het toekenningsbeding. Onder roerende goederen worden, niet-limitatief, begrepen: alle bank- en spaarrekeningen, effectenrekeningen, aandelen op naam (zoals de aandelen in […] BV, met als ondernemingsnummer […]) of gedematerialiseerde aandelen, obligaties, kasbons, deelbewijzen in beleggingsfondsen, trackers, termijnbeleggingen, vermogensbeheerportefeuilles, afgeleide financiële instrumenten, schuldvorderingen, geldbeleggingen en alle andere financiële activa, evenals alle inkomsten, kapitalisaties, herbeleggingen, vervangingsgoederen en wederbeleggingen die daarvan het gevolg zijn of ervoor in de plaats komen.
5. Mevrouw Y, voornoemd, is op heden eigenaar van volgende goederen:
1. Onroerende goederen:
[…]
2. Roerende goederen:
Zij wenst al haar roerende goederen te onderwerpen aan het toekenningsbeding. Onder roerende goederen worden, niet-limitatief, begrepen: alle bank- en spaarrekeningen, effectenrekeningen, aandelen op naam (zoals de aandelen in […] BV, met als ondernemingsnummer […]) of gedematerialiseerde aandelen, obligaties, kasbons, deelbewijzen in beleggingsfondsen, trackers, termijnbeleggingen, vermogensbeheerportefeuilles, afgeleide financiële instrumenten, schuldvorderingen, geldbeleggingen en alle andere financiële activa, evenals alle inkomsten, kapitalisaties, herbeleggingen, vervangingsgoederen en wederbeleggingen die daarvan het gevolg zijn of ervoor in de plaats komen.
II.C. Beschrijving van de voorgenomen verrichting
6. De toekomstige echtgenoten wensen te huwen onder een zuiver stelsel van scheiding van goederen, waarbij ieder eigenaar blijft van zijn of haar eigen vermogen, inkomsten en beroepsactiva. Beide partners zijn beroepsmatig actief […] en werken via een eigen BV. Het vermogen van beide partners is in grote lijnen gelijkwaardig.
7. Binnen dit stelsel wensen zij een huwelijksvermogensrechtelijke regeling ten voordele van de langstlevende toe te voegen via een optioneel toekenningsbeding. Het beding is optioneel in die zin dat de langstlevende kan kiezen voor een integrale toepassing, een gedeeltelijke toepassing of een alternatieve toekenningswijze. Het toekenningsbeding beoogt de langstlevende echtgenoot, ongeacht wie van hen eerst overlijdt, de volle en exclusieve eigendom toe te kennen van de in de huwelijksovereenkomst aangeduide eigen goederen of categorieën van eigen goederen van de eerststervende, voor zover deze goederen op het ogenblik van overlijden nog tot diens vermogen behoren. Deze goederen worden in het ontwerp van huwelijksovereenkomst aangeduid als de toe te kennen goederen. Deze toe te kennen goederen omvatten de eigen goederen van de eerststervende op het moment van zijn of haar overlijden (waarbij de hiervoor vermelde onroerende goederen van elke aanvrager derhalve enkel als aanduiding van de onroerende goederen op heden dient en niet als limitatieve lijst van de betreffende eigen goederen op het moment van zijn of haar overlijden).
Het toekenningsbeding is optioneel. Indien de langstlevende zich niet integraal op het beding wenst te beroepen, kan hij of zij kiezen voor een beperkte toekenning, bijvoorbeeld beperkt tot vruchtgebruik, of voor een gedeeltelijke toekenning, beperkt tot een breukdeel, voor zover het betrokken goed deelbaar is en geen onverdeeldheid ontstaat tussen de nalatenschap en het vermogen van de langstlevende. Indien de langstlevende geen tijdige keuze maakt, wordt het toekenningsbeding niet toegepast en behoren alle toe te kennen goederen tot de nalatenschap van de eerststervende.
Hiertoe wensen de echtgenoten het hieronder vermelde artikel op te nemen in het huwelijkscontract:
“Het optioneel wederkerig toekenningsbeding
1. Eveneens in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van één van de echtgenoten, doch enkel en uitsluitend in dat geval, gelden de hiernavolgende regels van toebedeling van de eigen goederen die de echtgenoten toebehoren. Deze regels van toebedeling zijn echter niet van toepassing (niet-cumulatief):
- indien op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten tussen hen een vordering of verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingesteld;
- indien op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten tussen hen een feitelijke scheiding bestaat om redenen die wijzen op een ontwrichting van het huwelijk (en dus, onder meer, niet wanneer de feitelijke scheiding te wijten is aan overmacht, gezondheidstoestand, verzorgingsbehoeften, beroepsnoodwendigheden of andere redenen die niet wijzen op een ontwrichting van het huwelijk);
- indien de langstlevende echtgenoot erfrechtelijk onwaardig is in het vermogen van de eerstoverleden echtgenoot in de zin van artikel 4.6 BW en artikel 2.3.5 BW; en
- voor de goederen waarop een verbod tot inbreng in de onverdeeldheid rust en dit voor zolang de schenker(s) van deze goederen in leven is (zijn).
2. De eigen goederen die de eerstoverleden echtgenoot toebehoren, komen onmiddellijk en in volle eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot, indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot daarvoor kiest. De toebedeling kan beperkt zijn omdat de langstlevende kiest, voor alle of bepaalde toe te kennen goederen, die hij of zij kan aanwijzen, voor een toebedeling in vruchtgebruik of in volle eigendom of in een aan te wijzen breukdeel. Een gecombineerde keuze betreffende de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik is mogelijk.
Onder eigen goederen in de zin van dit beding worden tevens begrepen alle goederen die ingevolge zaakvervanging, wederbelegging, omzetting, vervreemding of enige andere vorm van substitutie in de plaats zijn gekomen van deze eigen goederen, evenals de daarop betrekking hebbende schuldvorderingen en vergoedingsrechten.
3. De langstlevende echtgenoot dient zijn keuze om deze optie tot toebedeling en de omvang ervan, geheel of gedeeltelijk, uit te oefenen, kenbaar te maken door middel van een schriftelijke verklaring, in notariële of in onderhandse vorm opgemaakt, te verlijden voor, respectievelijk in bewaring af te geven bij een notaris. De langstlevende echtgenoot kan deze keuze te allen tijde kenbaar maken op eigen initiatief en uiterlijk binnen een termijn van vier (4) maanden te rekenen vanaf het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot. Indien deze keuze niet of niet tijdig wordt uitgeoefend zal de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen gebeuren conform de overige bepalingen van onderhavig huwelijkscontract.
4. Het voordeel dat uit de toepassing van dit beding van toebedeling van de eigen goederen voor de langstlevende echtgenoot ontstaat, leidt voor de langstlevende echtgenoot tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de eerstoverleden echtgenoot te dragen en die verband houden met de goederen waarvoor de toebedeling wordt gevraagd.
5. Deze toebedeling van de eigen goederen geschiedt bij wege van huwelijksovereenkomst en meer bepaald ten titel van huwelijksvoordeel, dit is onder bezwarende titel, zodat overeenkomstig artikel 2.3.64 BW en binnen de perken als bepaald door de artikelen 2.3.57 – 2.3.58 BW de regels van schenkingen hierop niet van toepassing zijn.
Deze toebedeling van de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot is een zakenrechtelijke regeling zodat er, in het raam van deze toebedeling, sprake is van onmiddellijke zakenrechtelijke aanspraken van de langstlevende echtgenoot op de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot.
6. De keuze om de optie tot toebedeling uit te oefenen is een strikt persoonlijk recht; de keuze kan dan ook uitsluitend door de langstlevende echtgenoot worden uitgeoefend en niet door zijn (wettelijke, gerechtelijke of conventionele) vertegenwoordiger, rechtsopvolgers, schuldeisers, enzovoort.
In afwijking van het in de vorige zin bepaalde, kan:
- ingeval de langstlevende echtgenoot onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht niettemin door zijn/haar wettelijke, gerechtelijke of conventionele vertegenwoordiger worden uitgeoefend;
- ingeval de langstlevende echtgenoot wilsongeschikt is en niet onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht worden uitgeoefend door een door de langstlevende echtgenoot aangestelde volmachthouder.”
III. Motivering van de aanvraag
1. Autonomie
8. De toekomstige echtgenoten kiezen bewust voor een stelsel van scheiding van goederen en wensen deze keuze ook in de toekomst te behouden. Ieder van hen wil eigenaar blijven van zijn of haar tot op heden opgebouwd vermogen en wil ook naar de toekomst toe exclusief eigenaar blijven van dat vermogen, alsook het vermogen dat ieder van hen nog zal verkrijgen of opbouwen.
Zij wensen in het beheer van hun inkomsten en vermogens de ruimste autonomie te behouden. Tevens willen zij dat ieder van hen maximaal beschermd blijft tegen het risico van schulden die door de andere worden aangegaan, onder meer gezien hun beroepsactiviteit […] en hun werking via afzonderlijke vennootschappen.
Het toekenningsbeding dat zij voor ogen hebben, beantwoordt volledig aan deze behoefte aan autonomie. Het beding heeft uitsluitend betrekking op de goederen of categorieën van goederen die in de huwelijksovereenkomst worden aangeduid en die op het ogenblik van overlijden nog tot het vermogen van de eerststervende behoren. De toekomstige echtgenoten leggen elkaar geen beschikkingsbeperkingen op ten aanzien van deze goederen. Zij behouden tijdens het huwelijk hun volledige bevoegdheid om over hun eigen goederen te beschikken, behoudens de functionele beperkingen die zij vrijwillig aanvaarden om te vermijden dat één van hen de andere zou benadelen door handelingen die het voorwerp van het toekenningsbeding zouden uithollen. In dat verband verbinden zij zich ertoe niet over de goederen die onder het toekenningsbeding kunnen vallen onder bezwarende titel te beschikken indien een dergelijke beschikking tot doel of gevolg zou hebben dat de andere echtgenoot hierdoor wordt benadeeld. Tevens verbinden zij zich ertoe deze goederen niet te schenken zonder de andere echtgenoot vooraf te informeren, behoudens wanneer het gaat om gebruikelijke schenkingen zoals bedoeld in artikel 4.87, § 2, eerste lid BW.
Een schenking van tegenwoordige goederen is voor hen dan ook geen geschikt instrument. Een dergelijke schenking zou onmiddellijk en actueel tot eigendomsoverdracht leiden, wat volledig indruist tegen hun wens om tijdens het huwelijk exclusief eigenaar te blijven van die goederen en ook als exclusieve eigenaar te kunnen handelen. Zij beogen een regeling die enkel uitwerking heeft bij overlijden en die dus enkel overlevingsrechten toekent, geen actuele eigendomsrechten. Bovendien is elke beschikking onder kosteloze titel onverenigbaar met hun fundamentele intentie om elkaar geen schenking te doen, maar een huwelijksvoordeel toe te kennen dat past binnen hun huwelijksstelsel en hun gezamenlijke levensopbouw.
2. Bescherming van de langstlevende in functie van diens noden
9. Naast hun behoefte aan autonomie, erkennen de partijen dat zij gedurende hun meer dan twintigjarige relatie samen een aanzienlijk gezinsvermogen hebben opgebouwd. Dit vermogen behoort vandaag, gelet op hun statuut van feitelijk samenwonenden, elk tot hun eigen vermogen, maar werd in werkelijkheid opgebouwd binnen hun duurzame relatie en in het kader van hun gemeenschappelijk gezinsleven.
De toekomstige echtgenoten achten het dan ook billijk dat dit gezinsvermogen, voor zover het binnen de categorieën van de toe te kennen goederen valt, bij overlijden van één van hen toekomt aan de langstlevende. Dit is des te belangrijker gelet op de jonge leeftijd van hun zoon A, voor wie zij wensen te vermijden dat hij op een te vroeg moment een omvangrijk vermogen zou erven. De toekomstige echtgenoten zijn van oordeel dat een zuivere en ongecorrigeerde scheiding van goederen, zonder enige aanvullende regeling, niet langer aansluit bij hun feitelijke situatie en hun gezamenlijke levensopbouw, en dat een eerlijke, solidaire en evenwichtige regeling slechts kan worden bereikt door de integratie van huwelijksvoordelen die de langstlevende daadwerkelijk beschermen.
De toekomstige echtgenoten streven daarnaast naar een ruime flexibiliteit voor de langstlevende, zodat deze op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk door overlijden zelf kan bepalen of, en in welke mate, hij of zij zich op het optioneel toekenningsbeding wil beroepen. De langstlevende moet kunnen oordelen welke goederen hij of zij daadwerkelijk nodig heeft, rekening houdend met de omvang van het eigen vermogen op dat moment, de gewenste levensstandaard en de concrete omstandigheden van het overlijden. Aangezien de toekomstige echtgenoten nog relatief jong zijn, kunnen deze parameters vandaag niet worden voorspeld. De mogelijkheid om op het ogenblik van overlijden een keuze te maken, is voor hen dan ook essentieel. Zij wensen bovendien dat de langstlevende enkel die goederen verkrijgt die hij of zij werkelijk noodzakelijk acht, zodat de overige goederen kunnen toekomen aan hun zoon A, op een moment en onder omstandigheden die voor hem passend zijn.
Deze flexibiliteit kan niet worden bereikt met een contractuele erfstelling. Een contractuele erfstelling kan door de begiftigde na het overlijden van de beschikker wel worden aanvaard of verworpen, maar laat geen gedeeltelijke aanvaarding toe, noch een aanvaarding beperkt tot bepaalde goederen. Het optioneel toekenningsbeding biedt daarentegen precies de mogelijkheid om na het overlijden van de eerststervende een keuze te maken die afgestemd is op de concrete noden van de langstlevende. De niet-gekozen goederen vallen in de nalatenschap van de overledene en worden vererfd volgens de wettelijke devolutie of volgens een testamentaire beschikking die de overledene eventueel heeft getroffen. De langstlevende kan dus autonoom afwegen welke goederen hij of zij wenst te verkrijgen en hoe deze keuze zich verhoudt tot de belangen van de erfgenamen, in het bijzonder hun minderjarige zoon.
3. Een reservebestendige toebedeling
10. Zij benadrukken dat deze regeling niet uitgaat van enige intentie om elkaar onder kosteloze titel te begiftigen. De intentie is enkel om aan de langstlevende toe te kennen waar hij of zij, naar het oordeel van beide toekomstige echtgenoten, op gerechtigd hoort te zijn. Het is essentieel dat de uitgewerkte regeling niet als een schenking, maar uitsluitend als een huwelijksvoordeel wordt gekwalificeerd.
De kwalificatie als huwelijksvoordeel maakt het optioneel toekenningsbeding bovendien zo ruim mogelijk reservebestendig. De toekomstige echtgenoten hebben één gemeenschappelijk kind. De huwelijksvoordelen zijn beperkt tot de huwelijkse aanwinsten.[2] Voor zover de huwelijksvoordelen die door het optioneel toekenningsbeding door de langstlevende worden verkregen niet verder reiken dan de aanwinsten van de toekomstige echtgenoten, kan hun kind noch opname in de rekenboedel noch aanrekening op het beschikbaar deel vragen. Het voordeel dat aan de langstlevende wordt toegekend is volkomen en niet inkortbaar. Het kind kan de inkorting evenmin vragen zolang het huwelijksvoordeel onder het plafond blijft van de helft van de waarde van de niet-aanwinsten van de toekomstige echtgenoten. Voordelen voor de langstlevende die in omvang gelijkaardig zouden kunnen zijn, maar die via een gift, testament, contractuele erfstelling of schenking zouden worden toegekend, zouden steeds in de rekenboedel moeten worden opgenomen en op het beschikbaar deel moeten worden aangerekend, met het risico van inkorting indien het beschikbaar deel wordt overschreden. Dat risico bestaat niet bij huwelijksvoordelen.
Voor beide toekomstige echtgenoten is het vermijden van inkortingsrisico’s een belangrijke bron van rechtszekerheid. Daarnaast hechten zij veel belang aan het vermijden van discussies met erfgenamen over de betrokken goederen. Daarom verkiezen zij niet te werken met een finaal verrekenbeding. Een finaal verrekenbeding zou immers vereisen dat de langstlevende met erfgenamen moet samenwerken om de samenstelling en nettowaarde van de verrekenmassa vast te stellen, wat tot discussies kan leiden. Bovendien krijgt de langstlevende ingevolge een verrekenbeding slechts een verbintenisrechtelijke vordering op de nalatenschap van de eerststervende, terwijl het toekenningsbeding een onmiddellijke vermogensrechtelijke bescherming in natura biedt. De bedoeling is dat de goederen onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom, aan de langstlevende toekomen. De erfgenamen hebben geen zakenrechtelijke of verbintenisrechtelijke aanspraak op deze goederen, aangezien zij volledig aan de langstlevende kunnen toekomen op grond van een eenvoudige kennisgeving van de keuze door de langstlevende.
4. Geen mogelijkheid tot eenzijdige wijzigingen
11. De toekomstige echtgenoten wensen dat de regeling die zij uitwerken onopzegbaar is, zodat geen van hen deze regeling eenzijdig kan wijzigen of intrekken. Daarom wordt het toekenningsbeding opgenomen in hun huwelijksovereenkomst en geïntegreerd in het gekozen huwelijksstelsel. Op die manier worden aan de langstlevende rechten toegekend die bij het overlijden van de eerststervende ogenblikkelijk en onbetwistbaar kunnen worden uitgeoefend, louter krachtens de huwelijksovereenkomst.
Een testamentaire beschikking is voor hen geen geschikt instrument om de door hen beoogde bescherming te realiseren, omdat een testament steeds eenzijdig kan worden herroepen en de langstlevende dus niet het comfort geniet van een bindende conventionele afspraak. Ook een schenking van toekomstige goederen of een contractuele erfstelling, hoewel zij in de huwelijksovereenkomst onherroepelijk kunnen worden bedongen, is voor hen geen passend alternatief. Een contractuele erfstelling vereist immers een intentie om te begiftigen, die bij de toekomstige echtgenoten niet aanwezig is. Zij wensen geen schenking te doen, maar een huwelijksvoordeel toe te kennen dat aansluit bij de wijze waarop zij hun gezinsvermogen tijdens hun relatie hebben opgebouwd en wensen te beschermen.
5. Toepassingsgebied is beperkt tot welbepaalde eigen goederen
12. Daarnaast wensen zij een regeling die beperkt blijft tot welbepaalde eigen goederen van ieder van hen, en niet tot alle goederen of een algemeen deel ervan.[3] Het Burgerlijk Wetboek voorziet niet in een contractuele erfstelling ten bijzondere titel, waardoor onzekerheid bestaat over de juridische geldigheid van een dergelijke erfstelling, zeker wanneer de echtgenoot-bedinger zijn beschikkingsbevoegdheid over die goederen wenst te behouden. De toekomstige echtgenoten wensen net een regeling die verenigbaar is met hun blijvende beschikkingsbevoegdheid over hun eigen vermogen, binnen de grenzen die zij zelf bepalen. De wettelijke regeling van de contractuele erfstelling, die enkel toelaat dat de schenker nog onder bezwarende titel maar niet onder kosteloze titel over de betrokken goederen beschikt, stemt niet overeen met hun wensen.
Conclusie
13. Het optioneel toekenningsbeding dat de toekomstige echtgenoten aan hun stelsel van scheiding van goederen willen toevoegen, laat hen toe om binnen dit stelsel en ten titel van huwelijksvoordeel, zonder enige intentie om te begiftigen, op een wijze die verenigbaar is met de autonomie die zij wensen te behouden, hun beider doelstellingen te realiseren. De regeling biedt een billijke, evenwichtige en tegelijk zeer flexibele bescherming van de langstlevende, binnen de krijtlijnen van het burgerlijk recht, en met een maximale uitschakeling van het risico van inkorting.
Deze civielrechtelijke motieven zijn voor de toekomstige echtgenoten doorslaggevend bij hun voornemen om het optioneel toekenningsbeding in hun huwelijksovereenkomst op te nemen. De door hen nagestreefde doelstellingen kunnen niet op een andere wijze en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen worden bereikt, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling, noch door een schenking.
De verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan
14. Onderhavige aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat het toekenningsbeding, evenals de uitwerking ervan zoals opgenomen in de huwelijksovereenkomst, niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.9.1.0.1 VCF, en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is. Tevens wordt verzocht te bevestigen dat het toekenningsbeding, afzonderlijk of in combinatie met de overige bepalingen van de huwelijksovereenkomst, geen fiscaal misbruik vormt, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.
1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF: onderwerping aan erfbelasting van goederen verkregen uit nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
15. Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge het toekenningsbeding verkrijgt, wordt niet uit de nalatenschap van de eerststervende verkregen. Het wordt niet verkregen via wettelijke devolutie, noch via een uiterste wilsbeschikking, noch via een contractuele erfstelling. Het voordeel wordt uitsluitend huwelijksvermogensrechtelijk verkregen als een huwelijksvoordeel en dus niet als schenking.
De kwalificatie als huwelijksvoordeel werkt ook door in een stelsel van zuivere scheiding van goederen, zoals dit voor de toekomstige echtgenoten het geval is, overeenkomstig artikel 2.3.64, §1, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek. Een huwelijksvoordeel wordt burgerrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling van het huwelijksvermogensstelsel, zoals bepaald in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW. Dit impliceert dat het voordeel wordt verkregen uit hoofde van de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel. Deze vereffening-verdeling gaat steeds vooraf aan de vereffening-verdeling van de nalatenschap. Om deze redenen kan de verkrijging niet worden beschouwd als een erfrechtelijke verkrijging.
Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en evenmin een contractuele erfstelling. Het wordt objectief gekwalificeerd als een “niet-schenking”, wat inhoudt dat de subjectieve beweegredenen van de echtgenoten irrelevant zijn. Zelfs indien er een intentie om te begiftigen zou bestaan, kan deze niet worden ingeroepen en mag het bewijs ervan niet worden geleverd. Een huwelijksvoordeel kan dus nooit worden geherkwalificeerd als een schenking op grond van een vermeende begiftigingsintentie.
Een huwelijksvoordeel kan hoogstens inkortbaar zijn indien de maxima of plafonds van artikel 2.3.57 BW (bij gemeenschappelijke kinderen) of artikel 2.3.58 BW (bij niet-gemeenschappelijke kinderen) worden overschreden. Ook een inkortbaar huwelijksvoordeel blijft evenwel een niet-schenking.
Deze burgerrechtelijke kwalificatie werkt door in het fiscaal recht. Het Hof van Cassatie bevestigde reeds bij arrest van 9 juli 1931 dat het fiscaal recht de kwalificatie als huwelijksvoordeel moet respecteren, zowel voor volkomen als voor onvolkomen huwelijksvoordelen, tenzij een specifieke fiscale bepaling daarvan uitdrukkelijk afwijkt.
Het voorgaande geldt onverkort voor het toekenningsbeding met betrekking tot niet-onverdeelde goederen. De overgang, toebedeling of toekenning van deze goederen op grond van het toekenningsbeding dat de toekomstige echtgenoten wensen op te nemen, kan bijgevolg niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
16. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF onderwerpt aan erfbelasting de roerende goederen die de erflater heeft geschonken onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge zijn overlijden. Deze bepaling viseert dus schenkingen die pas uitwerking krijgen door het overlijden van de schenker.
Aangezien het toekenningsbeding, zoals hoger uiteengezet, burgerrechtelijk wordt gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel en dus als een niet-schenking, kan artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF geen toepassing vinden. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het toekenningsbeding verkrijgt, is geen schenking, noch onder levenden, noch onder opschortende voorwaarde van overlijden. De civielrechtelijke kwalificatie als niet-schenking moet immers worden doorgetrokken naar het fiscaal recht.
Dat het toekenningsbeding pas optioneel uitwerking krijgt bij het overlijden van één van de echtgenoten, doet hieraan geen afbreuk. De uitwerking van het beding bij overlijden is eigen aan de aard van een huwelijksvoordeel en maakt het niet tot een schenking onder opschortende voorwaarde.
De overgang of toebedeling van de betrokken goederen op grond van het toekenningsbeding kan bijgevolg niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF
17. Artikel 2.7.1.0.4 VCF onderwerpt aan erfbelasting de goederen die de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel waardoor hij of zij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt. Deze fictiebepaling is uitdrukkelijk beperkt tot huwelijksvoordelen binnen een gemeenschapsstelsel en met betrekking tot gemeenschapsgoederen.
De toekomstige echtgenoten zullen huwen onder een stelsel van zuivere scheiding van goederen. Tussen hen zal geen enkele vorm van huwgemeenschap bestaan. Het toekenningsbeding dat zij wensen op te nemen, heeft uitsluitend betrekking op eigen goederen van de eerststervende en niet op goederen die tot een gemeenschappelijk vermogen zouden behoren. De voorwaarden voor toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn derhalve niet vervuld.
De overgang of toebedeling van de betrokken goederen op grond van het toekenningsbeding kan bijgevolg niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF
18. Artikel 2.7.1.0.5 VCF onderwerpt aan erfbelasting de goederen waarvan de Vlaamse Belastingdienst bewijst dat de erflater er kosteloos over heeft beschikt gedurende vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden, tenzij de bevoordeling reeds aan schenkbelasting of registratierechten werd onderworpen.
Voor toepassing van deze bepaling moeten drie cumulatieve voorwaarden vervuld zijn.
Ten eerste moet sprake zijn van een kosteloze beschikking. Zoals hoger uiteengezet, vormt het toekenningsbeding geen kosteloze beschikking. Een huwelijksvoordeel kan niet worden gelijkgesteld met een schenking.
Ten tweede moet de kosteloze beschikking hebben plaatsgevonden gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden. Het toekenningsbeding zal worden opgenomen in de huwelijksovereenkomst, maar het huwelijksvoordeel komt pas tot stand bij het overlijden van de eerststervende. Er kan dus geen sprake zijn van een beschikking die tot stand komt in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden.[4] Pas bij de ontbinding van het huwelijksstelsel kan worden beoordeeld of de toebedeling een huwelijksvoordeel oplevert. De afwikkeling van het toekenningsbeding gebeurt onder de levenden en wordt behandeld als een verdeling onder levenden.
Ten derde moet de kosteloze beschikking aanleiding hebben gegeven tot een bevoordeling die niet aan schenkbelasting of registratierechten werd onderworpen. Aangezien geen sprake is van een kosteloze beschikking, kan er evenmin sprake zijn van een bevoordeling in de zin van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De overgang of toebedeling van de betrokken goederen op grond van het toekenningsbeding kan bijgevolg niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
5. Geen toepassing van de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF
19. De artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF onderwerpen aan registratiebelasting de akten en geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder levenden, hetzij vrijwillig aangeboden ter registratie, hetzij verplicht te registreren. Deze bepalingen zijn uitsluitend van toepassing wanneer sprake is van een schenking.
Aangezien het toekenningsbeding, zoals hoger uiteengezet, burgerrechtelijk wordt gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel en dus als een niet-schenking, kan het voordeel dat de langstlevende ingevolge dit beding verkrijgt niet worden beschouwd als een schenking onder levenden. Het toekenningsbeding strekt niet tot bewijs van een schenking, maar tot bewijs van een huwelijksvermogensrechtelijke regeling die uitwerking krijgt bij overlijden. Bijgevolg zijn de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF niet van toepassing.
6. Eventuele toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF
20. De toekomstige echtgenoten erkennen dat artikel 2.9.1.0.1 VCF toepassing kan vinden op in België gelegen onroerende goederen die niet in onverdeeldheid tussen de echtgenoten behoren. Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van één van de echtgenoten een niet-onverdeeld onroerend goed wordt verkregen door de langstlevende ingevolge het toekenningsbeding, en de langstlevende vóór het overlijden geen aandeel in dat onroerend goed had, dan is het verkooprecht verschuldigd overeenkomstig artikel 2.9.1.0.1 VCF. De toekomstige echtgenoten zijn zich hiervan bewust en aanvaarden deze fiscale consequentie.
7. De verrichting maakt evenmin fiscaal misbruik uit
21. De toekomstige echtgenoten plaatsen zich door de implementatie van het toekenningsbeding op geen enkele wijze in een toestand die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving (objectief element). Daarnaast hebben zij uitvoerig uiteengezet waarom het toekenningsbeding aansluit bij hun civielrechtelijke uitgangspunten en doelstellingen, en waarom de niet-fiscale motieven dominant zijn (subjectief element).
7.1. Objectief element: geen frustratie van de doelstellingen van de fiscale wetgeving
22. De toekomstige echtgenoten verzoeken te bevestigen dat het voordeel dat de langstlevende zal verkrijgen door de toepassing van het toekenningsbeding niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF, en dat de voorgestelde regeling geen van deze bepalingen frustreert.
1. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2 VCF
23. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het toekenningsbeding verkrijgt, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen, maar louter huwelijksvermogensrechtelijk als huwelijksvoordeel. Zoals hoger uiteengezet, is een huwelijksvoordeel een niet-schenking en valt het buiten het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.2 VCF. De toekomstige echtgenoten frustreren deze bepaling niet, aangezien zij een regeling beogen die enkel huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen heeft en die niet kan worden bereikt via wettelijke devolutie, testament of contractuele erfstelling. Bovendien zouden voordelen die via testament of contractuele erfstelling worden toegekend, steeds in de rekenboedel moeten worden opgenomen en vatbaar zijn voor inkorting, wat de toekomstige echtgenoten net willen vermijden.
2. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
24. De verrichtingen frustreren de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, aangezien het toekenningsbeding geen schenking onder opschortende voorwaarde van overlijden inhoudt. Het betreft een huwelijksvoordeel en geen schenking, zodat deze bepaling niet van toepassing is.
3. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.4 VCF
25. Artikel 2.7.1.0.4 VCF viseert huwelijksvoordelen binnen een gemeenschapsstelsel die ertoe leiden dat de langstlevende meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt. De toekomstige echtgenoten zullen huwen onder een stelsel van zuivere scheiding van goederen en het toekenningsbeding heeft uitsluitend betrekking op eigen goederen. Er is geen gemeenschappelijk vermogen waarop artikel 2.7.1.0.4 VCF toepassing kan vinden. De verrichting frustreert deze bepaling dus niet.
4. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.5 VCF
26. Zoals hoger uiteengezet, kan het toekenningsbeding niet worden gelijkgesteld met een schenking. Het betreft een huwelijksvoordeel dat pas uitwerking krijgt bij overlijden en dat geen kosteloze beschikking inhoudt in de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden. De verrichting frustreert artikel 2.7.1.0.5 VCF dus niet.
5. Geen frustratie van de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF
27. Het toekenningsbeding betreft een huwelijksvoordeel en geen schenking onder levenden. De artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF, die enkel van toepassing zijn op schenkingen, worden bijgevolg niet gefrustreerd.
7.2. Subjectief element: de verrichtingen zijn ingegeven door niet‑fiscale motieven
28. Uit hetgeen voorafgaat blijkt duidelijk dat de toekomstige echtgenoten de opname van het toekenningsbeding in hun huwelijksovereenkomst uitsluitend wensen door te voeren omwille van niet‑fiscale motieven. De keuze voor een stelsel van zuivere scheiding van goederen, zowel destijds bij de aanvang van hun relatie als nu bij hun voornemen om te huwen, is ingegeven door hun wens om hun individuele en professionele autonomie maximaal te vrijwaren, hun respectieve vermogens te beschermen en een duidelijke afbakening te behouden tussen hun persoonlijke vermogenssferen.
De toekomstige echtgenoten hechten groot belang aan hun zelfstandigheid in het beheer van hun eigen vermogen. Dit sluit aan bij hun beroepssituatie […], waarbij zij elk via een eigen vennootschap actief zijn en waarbij zij de risico’s die inherent zijn aan hun beroepsuitoefening niet wensen te laten doorwerken in het vermogen van de andere partner. De bescherming tegen professionele schuldeisers en de afscherming van hun respectieve vermogens vormen voor hen een essentieel uitgangspunt.
Daarnaast vormt de persoonlijke autonomie van elk van hen een fundamenteel element van hun relatie. Zij hebben gedurende meer dan twintig jaar feitelijke samenwoning steeds geopteerd voor een volledig onafhankelijke vermogensstructuur, waarbij ieder zijn eigen vermogen beheert en bestuurt zonder inmenging van de andere. Deze autonomie wensen zij ook binnen het huwelijk te behouden. Het stelsel van zuivere scheiding van goederen blijft voor hen dan ook de enige passende regeling.
Tegelijk erkennen de toekomstige echtgenoten dat zij gedurende hun langdurige relatie samen een aanzienlijk gezinsvermogen hebben opgebouwd, dat weliswaar juridisch tot hun afzonderlijke vermogens behoort, maar dat in werkelijkheid tot stand is gekomen binnen hun gemeenschappelijk gezinsleven. Zij achten het billijk dat dit vermogen, voor zover het binnen de categorieën van de toe te kennen goederen valt, bij overlijden van één van hen toekomt aan de langstlevende. Dit is des te belangrijker gelet op de jonge leeftijd van hun zoon A, voor wie zij willen vermijden dat hij op een te vroeg moment een omvangrijk vermogen zou erven.
De toekomstige echtgenoten wensen dan ook een regeling die enerzijds hun autonomie en vermogensafbakening respecteert, maar anderzijds de langstlevende beschermt op een wijze die aansluit bij hun feitelijke levensopbouw en hun gezinsrealiteit. Het optioneel toekenningsbeding biedt precies deze evenwichtige oplossing: het laat toe dat de langstlevende de goederen verkrijgt die hij of zij nodig acht, zonder dat dit leidt tot een vermogensversmelting tijdens het huwelijk of tot een aantasting van hun individuele autonomie.
De keuze voor het toekenningsbeding is dus uitsluitend civielrechtelijk gemotiveerd. De toekomstige echtgenoten beogen geen fiscaal voordeel, maar wensen een regeling die zij niet op een andere wijze en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen kunnen bereiken. Noch de wettelijke devolutie, noch een testamentaire beschikking, noch een contractuele erfstelling, noch een schenking kan de door hen gewenste bescherming bieden zonder de nadelen die zij uitdrukkelijk wensen te vermijden, zoals het risico van inkorting, de mogelijkheid van eenzijdige herroeping of de noodzaak om tijdens het huwelijk beschikkingsbeperkingen te aanvaarden.
29. Gelet op het voorgaande verzoeken wij dit verzoek ontvankelijk te willen verklaren, en bij wijze van voorafgaande beslissing te willen bevestigen dat de huwelijksovereenkomst en de opname daarin, evenals de uitwerking van het optioneel toekenningsbeding bij overlijden zonder echtelijke onenigheid, niet onderworpen zal zijn aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreren, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is. Zij verzoeken tevens om bevestiging dat deze verrichtingen, afzonderlijk of in combinatie, evenmin fiscaal misbruik vormen, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
30. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.
31. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.
32. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, dat luidt als volgt:
Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard :
1° (…) Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.
- Artikel 2.8.4.1.1 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;
7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.
In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
- Artikel 2.9.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De te beoordelen verrichting
33. De heer X en mevrouw Y nemen zich voor om te huwen.
Zij wensen een huwelijksovereenkomst af te sluiten waarbij zij het stelsel van scheiding van goederen aannemen met een optioneel wederkerig toekenningsbeding voor het geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van één van de echtgenoten.
Het toekenningsbeding beoogt de langstlevende echtgenoot, ongeacht wie van hen eerst overlijdt, de volle en exclusieve eigendom toe te kennen van de eigen goederen die de eerstoverleden echtgenoot op het ogenblik van overlijden toebehoren.
Het toekenningsbeding wordt optioneel geformuleerd. De langstlevende echtgenoot kan kiezen voor een integrale of een gedeeltelijke toepassing ervan volgens de diverse keuzemogelijkheden die in artikel 11 van het ontwerp van de huwelijksovereenkomst zijn uitgewerkt.
Partijen voorzien tevens in een passiefregeling en in zaakvervanging.
Beoordeling
1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin, VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF en 2.9.1.0.1 VCF
34. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.
35. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.
Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding als geldig huwelijksvoordeel dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben.
In de mate bijgevolg dat het optioneel toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.
36. In de mate dat het optioneel toekenningsbeding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.
1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?
37. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.
38. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?
39. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
40. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?
41. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
Het optioneel toekenningsbeding heeft volgens de aanvrager geen betrekking op goederen die tot een gemeenschappelijk vermogen behoren, maar enkel op eigen goederen van de eerststervende echtgenoot.
42. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?
43. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
44. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin, VCF?
45. Artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, VCF bepaalt welke schulden aanvaardbaar zijn als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner. Ingevolge de tweede zin van voormeld artikel zijn schulden die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel niet aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap.
Uit het ontwerp van de voorgenomen huwelijksovereenkomst blijkt dat de toebedeling van de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot volgens aanvrager een zakenrechtelijke regeling is, waardoor er sprake is van onmiddellijke zakenrechtelijke aanspraken van de langstlevende echtgenoot op de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot (zie randnummer 7).
46. Zoals hiervoor reeds gemeld wordt, merkt het besluitvormingsorgaan op dat er in de rechtsleer verschillende stromingen bestaan voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen. Het besluitvormingsorgaan spreekt zich evenwel niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding.
Uit de gegevens van de aanvraag blijkt dat de aanvrager de analyse in de rechtsleer volgt, die het (optioneel) toekenningsbeding kwalificeert als een huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking. In de mate dat deze burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking correct is, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
In de mate dat er door een zakelijke werking van het beding geen schuld gecreëerd wordt, zal er geen toepassing worden gemaakt van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin, VCF.
1.6. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?
47. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden. Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
48. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 en artikel 2.8.4.1.1 VCF.
1.7. Mogelijke toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF?
49. De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
Een conventionele overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen valt in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting. We vallen dus terug op de algemene regels inzake het verkoop- of het verdeelrecht.
50. Samengevat betekent dit concreet het volgende:
- op de toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd;
- op de toekenning van onroerende goederen aan een echtgenoot die nog geen aandeel in die onroerende goederen had, zal het verkooprecht verschuldigd zijn op grond van artikel 2.9.1.0.1 VCF.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
a) Algemeen
51. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.
52. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.
53. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.
Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).
54. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.
b) In casu
55. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de heer X en mevrouw Y wensen te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen. Zij vormen reeds meer dan 20 jaar een feitelijk samenwonend koppel.
Zij hebben samen één minderjarige zoon.
De keuze voor het stelsel van scheiding van goederen is ingegeven door hun wens om in het beheer van hun inkomsten en vermogens hun autonomie maximaal te behouden en om de andere echtgenoot te beschermen tegen het risico van schulden gelet op hun beroepsactiviteiten.
Zij wensen het gekozen huwelijksstelsel aan te vullen met een optioneel toekenningsbeding, teneinde een billijke, solidaire en evenwichtige regeling te voorzien waardoor het gezinsvermogen bij overlijden van één van hen kan toekomen aan de langstlevende.
Zij verkiezen een regeling die niet eenzijdig opzegbaar is en die zo ruim mogelijk reservebestendig is. Daarnaast verkiezen zij een flexibele regeling die toelaat dat de langstlevende zelf kan bepalen of en in welke mate hij of zij zich op het toekenningsbeding wil beroepen. Gelet op de jonge leeftijd van hun zoon willen zij vermijden dat hij op een te vroeg moment een omvangrijk vermogen zou erven.
Elk van de aanstaande echtgenoten is op heden eigenaar van verschillende onroerende en roerende goederen. Het optioneel toekenningsbeding beoogt de langstlevende echtgenoot de volle en exclusieve eigendom toe te kennen van de eigen goederen van de eerststervende echtgenoot op het moment van diens overlijden, indien en in de mate waarin de langstlevende echtgenoot zich op het beding beroept.
56. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
57. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Het ontwerp van de voorgenomen huwelijksovereenkomst werd bezorgd bij emailbericht van 26 juni 2026.
[2] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Uit het voorgelegde ontwerp van de voorgenomen huwelijksovereenkomst blijkt niet dat het optioneel toekenningsbeding beperkt is tot de huwelijkse aanwinsten.
[3] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: in het optioneel toekenningsbeding opgenomen in artikel 11 van het ontwerp van de voorgenomen huwelijksovereenkomst worden de concreet toe te kennen (categorieën van) eigen goederen niet nader aangeduid. Het voorwerp van het optioneel toekenningsbeding zijn “de eigen goederen die de eerst-overleden echtgenoot toebehoren.”
[4] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: gelet op de verwijzing naar artikel 2.7.1.0.5 VCF wordt ervan uitgegaan dat aanvrager hier het volgende bedoelt: “Er kan dus geen sprake zijn van een beschikking die tot stand komt in de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden”.