Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26073 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - schrappen contractuele erfstelling - toevoeging TIGV inbreng gezinswoning met keuzebeding - toevoeging optioneel toekenningsbeding roerende goederen Vlaamse Belastingdienst

VB 26073 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - schrappen contractuele erfstelling - toevoeging TIGV inbreng gezinswoning met keuzebeding - toevoeging optioneel toekenningsbeding roerende goederen

Voorafgaande beslissing
Nummer

26073

Datum beslissing

10 augustus 2026

Publicatiedatum

16 september 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.7.4.1.1. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De echtgenoten verzoeken om bevestiging te krijgen van het volgende:

  • de toevoeging van het wederkerig optioneel toekenningsbeding [1] voor de eigen roerende goederen (en de uitwerking daarvan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF;
  • de toevoeging van het TIGV met keuzebeding voor de gezinswoning (en de uitwerking daarvan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, voor zover het keuzebeding betrekking heeft op goederen uit het TIGV en de langstlevende niet meer dan de helft van het TIGV verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel;
  • de toevoeging van het TIGV met keuzebeding voor de gezinswoning (en de uitwerking daarvan) wel onderworpen kan zijn aan het artikel 2.7.1.0.4 VCF, voor zover het keuzebeding betrekking heeft op goederen uit het TIGV en de langstlevende meer dan de helft van het TIGV verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel, doch dat toepassing kan gemaakt worden van de vrijstelling voor de gezinswoning voorzien in artikel 2.7.4.1.1, §2, lid 3 VCF;
  • de voorgenomen verrichtingen (en de uitwerking daarvan) geen fiscaal misbruik vormen, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

De aanvragers verzoeken bovendien uitdrukkelijk overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF dat, gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer zal zijn dan vijf (5) jaar – meer bepaald een geldigheidsduur tot en met het eerste overlijden van één der echtgenoten.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door notariskantoor […], te […], namens:

De heer X, geboren te […] op xx.xx.1973, rijksregisternummer […], en zijn echtgenote mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1972, rijksregisternummer […], samenwonende te […].

Partijen zijn gehuwd te […] op xx.xx.1997 onder het stelsel van scheiding van goederen blijkens een huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1997, ongewijzigd tot op heden.[2]

De echtgenoten hebben twee gemeenschappelijke meerderjarige kinderen.

Zij hebben elk afzonderlijk geen kinderen.

Zij hebben hun woonplaats reeds meer dan vijf jaar in het Vlaamse Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

A. Vermogenssituatie

3. De echtgenoten beschikken over een gezamenlijk vermogen dat als volgt kan worden omschreven:

  • Onroerend vermogen: circa € 1.300.000,00, zijnde de gemeenschappelijk aangekochte woning te […], die momenteel in onverdeeldheid toebehoort aan beide echtgenoten. Zij hebben deze woning zelf (laten) bouwen, op een grond door hen aangekocht (met de thans gesloopte bouwval), elk tot beloop van de onverdeelde helft, blijkens akte verleden voor notaris […], te […] en met tussenkomst van notaris […], voorheen te […] op xx.xx.2019. In deze akte werd geen beding van aanwas voorzien.
  • Roerend vermogen: circa € 5.000.000,00, waaronder diverse roerende goederen in onverdeeldheid (circa € 4.000.000,00) en eigen roerende goederen van elke echtgenoot afzonderlijk (elk circa € 500.000,00);
  • Eigen onroerend vermogen van de man, waarop uitdrukkelijk geen toekenningsbeding wordt gevraagd, daar de man wenst dat dit vermogen uitsluitend naar zijn kinderen gaat.

De echtgenoten zijn beiden […] van opleiding. De heer X was vroeger actief als […], mevrouw Y als […]. Thans is de heer X werkzaam bij het […] en mevrouw Y bij […].

Daarnaast wensen de echtgenoten in de toekomst bankgiften te doen aan hun kinderen wanneer dezen een woning wensen aan te kopen.

B. Voorgenomen verrichtingen

4. De echtgenoten wensen hun huwelijksovereenkomst als volgt te wijzigen en aan te vullen [3]:

1) Schrapping van de gifte onder levenden (GOL): de bestaande GOL voor het grootste beschikbare deel aan de langstlevende echtgenoot wordt uit het huwelijkscontract verwijderd, en vervangen door de hierna beschreven bedingen die een ruimere en meer flexibele bescherming bieden.

2) Toevoeging van een optioneel toekenningsbeding voor de eigen roerende goederen [4]: beide echtgenoten kennen elkaar over en weer een optioneel toekenningsbeding toe betreffende hun respectieve eigen roerende goederen, in voordeel van de langstlevende echtgenoot. Gedurende het huwelijk behoudt elke echtgenoot de exclusieve eigendom over de eigen goederen die onder het beding vallen. Bij overlijden komen deze goederen, ingeval van een positieve keuze door de langstlevende, onmiddellijk en in exclusieve eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot. Uitdrukkelijk wordt benadrukt dat het toekenningsbeding geen betrekking heeft op de eigen onroerende goederen van de man, aangezien het zijn wens is dat deze goederen integraal naar zijn kinderen gaan.

3) Toevoeging van een Toegevoegd Intern Gemeenschappelijk Vermogen (TIGV) waarin de gezinswoning te […] wordt ingebracht, met een keuzebeding ten voordele van de langstlevende echtgenoot.

De echtgenoten hebben destijds als dominant basisregime van hun huwelijksvermogensstelsel gekozen voor scheiding van goederen.

Deze keuze was ingegeven door hun wens om hun vermogens gescheiden te houden, hun bestuursbevoegdheden zelfstandig te kunnen uitoefenen en de bescherming tegenover elkaars (professionele) schuldeisers.

De echtgenoten wensen hun basisstelsel van scheiding van goederen te behouden, gelet op de voordelen die dit stelsel hen biedt (vermogensrechtelijke autonomie en wederzijdse bescherming tegen schuldeisers).

Toch wensen zij ook elkaar burgerrechtelijke zekerheid te bieden en dit voor de geleverde inspanningen zowel in de bouw van de woning als in het gezinsleven.

  • De aanpassing van het huwelijkscontract zal bijdragen aan bovenstaande doelstellingen van partijen.

III. Motivering van de aanvraag

1) Schrapping van de gifte onder levenden

5. De verrichting is niet fiscaal geïnspireerd. De aanvragers wensen nog steeds hun stelsel van scheiding van goederen te behouden, omwille van de voordelen die dit stelsel hen sedert het begin van hun huwelijk biedt, met name omwille van hun vermogensrechtelijke autonomie en omwille van de bescherming tegen mekaars schuldeisers.

De aanvragers wensen deze autonomie ook bij leven te herstellen met betrekking tot de mogelijkheid om overdrachten om niet te doen. Hiervoor dient de schenking tussen echtgenoten, zoals voorzien in het huwelijkscontract, te worden geschrapt.

Om invulling te geven aan hun verzorgings- en beschermingswensen jegens elkaar, wensen zij nog steeds een goede regeling bij overlijden in hun huwelijkscontract te behouden. Nu het sedert 1 september 2018 mogelijk is om binnen het stelsel van scheiding van goederen zakenrechtelijke huwelijksvoordelen aan de langstlevende van hen toe te kennen, wensen ze daar ook gebruik van te maken ter vervanging van de geschrapte actuele beperktere regeling bij overlijden, zijnde de contractuele erfstelling.

2) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

6. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, hetzij via wettelijke devolutie, hetzij via uiterste wilsbeschikking of hetzij via contractuele erfstelling.

Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge de toevoeging van het wederkerig optioneel toekenningsbeding zou verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen. Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen als een huwelijksvoordeel, uit hoofde van de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel. Deze vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds vooraf aan de vereffening-verdeling van de nalatenschap. Om deze redenen kan de verkrijging niet worden beschouwd als een erfrechtelijke verkrijging.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding ook geen contractuele erfstelling. Een huwelijksvoordeel wordt objectief gekwalificeerd als een “niet-schenking".

De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW, en heeft hun toepassing naar analogie in het stelsel van scheiding van goederen uitdrukkelijk bevestigd in artikel 2.3.64, §1, vierde lid BW.

De civielrechtelijke kwalificatie werkt door in het fiscaal recht, zoals vastgelegd in rechtsleer en rechtspraak (zie Cass. 24 maart 2017). Het fiscaal recht moet derhalve de kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus niet-schenking aanvaarden, tenzij een specifieke en uitdrukkelijke bepaling van fiscaal recht daar zou van afwijken.

3) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

7. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF belast met erfbelasting de roerende goederen die de erflater heeft geschonken onder de opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker.

Aangezien de voorgenomen verrichting, zoals voormeld, wordt gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel en dus als een “niet-schenking”, kan ook artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet toegepast worden op het voordeel dat de langstlevende echtgenote zou toekomen.

4) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

8. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast met erfbelasting de goederen die de langstlevende echtgenote verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel, waardoor zij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt.

Wat het wederkerig optioneel toekenningsbeding betreft: dit beding heeft uitsluitend betrekking op de eigen roerende goederen van elk der echtgenoten. Huwelijksvoordelen die betrekking hebben op goederen die exclusief tot het eigen vermogen van de echtgenoten behoren binnen een stelsel van scheiding van goederen, blijven buiten het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Wat het keuzebeding in het TIGV betreft: het TIGV omvat uitsluitend de gezinswoning. De toebedeling van de goederen aan de langstlevende op grond van het keuzebeding is geen erfrechtelijke verkrijging, doch wel een verkrijging op grond van een huwelijksvoordeel en valt dus in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting. De fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.4 VCF maakt hierop een uitzondering en treft de huwelijksvoordelen die de langstlevende verkrijgt op grond van een huwelijksovereenkomst waarbij aan de langstlevende meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen wordt toebedeeld. Hieruit volgt dat de toebedeling van de gezinswoning in voorkomend geval overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4 VCF onder het toepassingsgebied van de erfbelasting valt. Gelet op artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF zal een latere toebedeling bij overlijden van één van de echtgenoten in principe onderworpen zijn aan de vrijstelling voor de gezinswoning.

5) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

9. Aangezien er geen sprake is van een kosteloze beschikking en er derhalve geen sprake is van een bevoordeling in de zin van artikel 2.7.1.0.5 VCF kan er geen aanleiding zijn geweest tot de heffing van schenkbelasting of enig registratierecht.

6) Geen toepassing van artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF

10. Artikel 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1. VCF belasten naar aanleiding van een registratie of een verplichting tot registratie van akten en geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder levenden in de registratiebelasting.

Omwille van de voormelde kwalificatie van het wederkerig optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordelen kan op het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zou verkrijgen op basis van de voorgenomen bedingen, artikel 2.8.1.0.1 VCF niet worden toegepast. Van een schenking is in casu geen sprake. Er is louter sprake van een huwelijksvoordeel.

7) Geen beding van aanwas in de zin van het SP 17044

11. De voorgenomen bedingen kwalificeren evenmin als bedingen van aanwas in de zin van het standpunt SP 17044 van de Vlaamse Belastingdienst.

Een beding van aanwas is een kanscontract dat ook tussen niet-gehuwden kan worden gesloten en dat, indien gesloten door gehuwden, losstaat van hun huwelijksstelsel en niet in een huwelijksovereenkomst wordt opgenomen.

De voorgenomen bedingen worden daarentegen uitdrukkelijk opgenomen in de huwelijksovereenkomst van de echtgenoten, zijn met het huwelijksstelsel verweven en maken daar integraal deel van uit.

Zij kunnen niet los van het huwelijksstelsel worden begrepen, toegepast noch gekwalificeerd. De toepassing van de vereisten van SP 17044 is derhalve niet aan de orde.

8) De verrichting maakt evenmin fiscaal misbruik uit

12. De voorgenomen verrichtingen frustreren geenszins een specifieke antimisbruikbepaling.

Evenmin kan de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend. Om artikel 3.17.0.0.2 VCF te kunnen toepassen, moet de Vlaamse Belastingdienst enerzijds aantonen dat de belastingplichtige een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen stelt die eenzelfde verrichting tot stand brengt (objectief element), en anderzijds dat het doorslaggevende, zo niet exclusieve motief erin bestaat belasting te ontwijken (subjectief element).

13. De echtgenoten voeren de volgende niet-fiscale motieven aan:

Voor het behoud van het stelsel van scheiding van goederen:

  • Vermogensrechtelijke autonomie van beide echtgenoten;
  • Wederzijdse bescherming van de eigen vermogens tegen elkaars schuldeisers;
  • Duidelijkheid over het vermogensstatuut bij erfenissen en schenkingen vanuit de respectieve families, in het bijzonder met betrekking tot het eigen onroerend vermogen van de man.

Voor de schrapping van de gifte onder levenden en de toevoeging van het optioneel toekenningsbeding:

  • De bestaande GOL biedt weliswaar een bescherming aan de langstlevende, maar is beperkt tot het grootste beschikbare deel en laat geen flexibiliteit toe; het optioneel toekenningsbeding biedt een ruimere en aanpasbare bescherming op maat;
  • Bescherming van de langstlevende echtgenoot, zonder afbreuk te doen aan de vermogensrechtelijke autonomie van elke echtgenoot: elke echtgenoot zal gedurende het huwelijk de exclusieve eigendom behouden van de goederen onderworpen aan het optioneel toekenningsbeding. Bij overlijden komen deze goederen, ingeval van een positieve keuze door de langstlevende, onmiddellijk en in exclusieve eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot, zodat deze zijn of haar huidige levensstandaard kan blijven behouden. Beide echtgenoten kennen elkaar over en weer een toekenningsbeding toe op hun respectieve eigen vermogen, waarbij het beding aldus de autonomie van elke echtgenoot tijdens het huwelijk combineert met een doeltreffende en wederkerige bescherming van de langstlevende na overlijden;
  • Het beding is onherroepelijk en kan niet eenzijdig door één der echtgenoten worden aangepast, in tegenstelling tot een testament of contractuele erfstelling;
  • Het beding is niet aantastbaar door de kinderen (voor zover deze hun reserve niet inroepen);
  • Echtgenoten wensen te voorzien in flexibiliteit voor de langstlevende: door het optioneel karakter van het beding kan de langstlevende op het moment van overlijden beoordelen of en in welke mate hij/zij nood heeft aan de regeling, rekening houdend met de financiële situatie, de leeftijd en de relatie met de kinderen;
  • De echtgenoten kunnen de gewenste doelstellingen niet bereiken met dezelfde civielrechtelijke gevolgen via wettelijke devolutie, testament, contractuele erfstelling of schenking;
  • De wens om bankgiften aan de kinderen te kunnen doen wanneer dezen een woning willen kopen, maakt het des te wenselijker dat de bescherming van de langstlevende op huwelijksvermogensrechtelijk niveau wordt verankerd, en niet enkel via erfrechtelijke weg.

Voor de inbreng van de gezinswoning in het TIGV met keuzebeding:

  • Het TIGV biedt een zakenrechtelijk statuut voor de gezinswoning dat de langstlevende echtgenoot een sterkere positie geeft dan een louter obligatoire bescherming;
  • De inbreng van de gezinswoning in het TIGV is niet eenzijdig wijzigbaar, in tegenstelling tot een testament;
  • Het TIGV is reserveproof in de verhouding tussen de echtgenoten: het vermijdt dat de kinderen de bescherming van de langstlevende kunnen aantasten via hun reservataire rechten;
  • De gezinswoning staat reeds in onverdeeldheid; de inbreng in het TIGV brengt duidelijkheid en rechtszekerheid over het vermogensstatuut;
  • Het TIGV biedt psychologische zekerheid doordat de woning op naam van beide echtgenoten staat;
  • Het TIGV is performanter naar derden, in het bijzonder schuldeisers, toe.

9) Bijzondere omstandigheid: eigen onroerend vermogen van de man

14. De man beschikt over eigen onroerend vermogen. Het is zijn uitdrukkelijke wens dat dit vermogen integraal naar zijn kinderen gaat bij zijn overlijden. Om die reden wordt op dit vermogen uitdrukkelijk geen toekenningsbeding gevraagd. Dit illustreert dat de voorgenomen verrichtingen niet ingegeven zijn door uitsluitend fiscale motieven, maar door een genuanceerde en doordachte familiaal-vermogensrechtelijke planning.

10) Conclusie

15. De bovenstaande overwegingen en wensen kunnen worden gerealiseerd door:

  • de schrapping van de gifte onder levenden en de toevoeging van een wederkerig optioneel toekenningsbeding voor de eigen roerende goederen in de huwelijksovereenkomst;
  • de toevoeging van een TIGV met inbreng van de gezinswoning en een keuzebeding ten voordele van de langstlevende.

Ingevolge de wet van 22 juli 2018 is het mogelijk om huwelijksvoordelen aan elkaar toe te kennen die, in het bijzonder in geval van overlijden, burgerrechtelijke voordelen bieden die andere bedingen – zoals een verrekenbeding of een testamentaire beschikking – niet bieden.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

16. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.

17. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

18. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF, dat luidt als volgt:

In afwijking van het tweede lid wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen tussen partners alleen toegepast op de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner in de andere goederen dan de woning die de gezinswoning was van de erflater en zijn partner op het ogenblik van het overlijden. Die afwijking geldt evenwel niet als de partner die een deel verkrijgt in die gezinswoning, een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.8.4.1.1 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;

2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest

4° een staat van de Europese Economische Ruimte;

5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;

6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;

7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;

8° het Vlaams Woningfonds;

9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;

11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.

In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.

Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

19. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt wordt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:

20. De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1997. Deze huwelijksovereenkomst is tot op heden ongewijzigd gebleven.

In artikel 8 van de huwelijksovereenkomst van xx.xx.1997 is de volgende wederzijdse contractuele erfstelling opgenomen:

Schenking tussen aanstaande echtgenoten.

Elk der aanstaande echtgenoten verklaart, voor het geval hij het eerst overlijdt, onherroepelijk onder de levenden te schenken aan de andere echtgenoot, mits 1/ deze niet uit de echt, noch van tafel en bed, noch feitelijk gescheiden is, en 2/ er gemeenschappelijke afstammelingen zijn, het grootst beschikbaar deel van zijn nalatenschap. Welke gifte elk der echtgenoten verklaart te aanvaarden.”

21. De echtgenoten wensen thans hun huidige stelsel van scheiding van goederen te behouden, maar hun huwelijksovereenkomst te wijzigen door 1) de bestaande wederzijdse contractuele erfstelling integraal te schrappen, 2) een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) op te nemen en 3) een optioneel toekenningsbeding te voorzien voor de eigen (niet-onverdeelde) roerende goederen van elk van de echtgenoten.

22. De aanvragers zijn voornemens om de huidige gezinswoning met grond […], in te brengen in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen. Op heden behoort de gezinswoning aan ieder van de echtgenoten toe tot beloop van de onverdeelde helft.

Aan het TIGV zal tevens een keuzebeding worden toegevoegd ten voordele van de langstlevende echtgenoot.

23. Ingevolge het voorgenomen toekenningsbeding zullen de eigen (niet-onverdeelde) roerende goederen, die de eerstoverleden echtgenoot toebehoren, bij overlijden van één van hen onmiddellijk toekomen aan de langstlevende echtgenoot.

Hiertoe zal het hierboven aangehaalde artikel 10 worden opgenomen in de huwelijksovereenkomst.

Volgens de gegevens opgenomen in de aanvraag bezit elk van de echtgenoten eigen (niet-onverdeelde) roerende goederen. De heer X bezit een eigen (niet-onverdeeld) onroerend vermogen, dat uitdrukkelijk geen voorwerp uitmaakt van het toekenningsbeding.

Het beding is optioneel geformuleerd, waardoor dit beding slechts uitwerking krijgt indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot zich erop beroept.

24. In de toe te voegen clausules aangaande het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen en het toekenningsbeding is voorzien in een passiefregeling. In het toekenningsbeding is tevens voorzien in zaakvervanging.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF

25. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

26. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen, die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.

In de mate bijgevolg dat de door de aanvragers voorgenomen bedingen kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

27. In de mate dat de voorgenomen bedingen in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichtingen.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

28. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

29. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

30. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van de voorgenomen bedingen als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

31. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

32. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, waaraan zij ingevolge de voorgenomen wijziging van huwelijksovereenkomst een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen wensen toe te voegen.

Verder wensen de echtgenoten aan hun huwelijksovereenkomst een (optioneel) toekenningsbeding toe te voegen met betrekking tot de eigen (niet-onverdeelde) roerende goederen van elk van de echtgenoten.

33. Voor zover dat het toekenningsbeding enkel betrekking heeft op eigen goederen, zal hiervoor geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Er kan wel toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF indien meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

34. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van de voorgenomen bedingen als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

35. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF?

36. Artikel 2.7.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de erfbelasting. Op basis van artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen tussen partners alleen toegepast op de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner in de andere goederen dan de woning die de gezinswoning was van de erflater en zijn partner op het ogenblik van het overlijden.

37. Bij overlijden van de eerststervende echtgenoot zal dan ook toepassing worden gemaakt van artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF, voor zover aan de toepassingsvoorwaarden voldaan is.

1.6. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?

38. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.

Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.

De burgerrechtelijke kwalificatie van de voorgenomen bedingen als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

39. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

40. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

41. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

42. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).

43. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

44. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten X-Y gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1997. Deze huwelijksovereenkomst is tot op heden ongewijzigd gebleven.

Het echtpaar heeft twee gemeenschappelijke, meerderjarige kinderen.

Thans wensen de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen.

De aanvragers wensen de bestaande wederzijdse contractuele erfstelling uit hun huwelijksovereenkomst te schrappen, teneinde hun vermogensrechtelijke autonomie te herstellen zodat zij bij leven om niet kunnen beschikken.

Daarnaast zijn de echtgenoten X-Y voornemens de gezinswoning in te brengen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen. Aan dit TIGV zal tevens een keuzebeding worden toegevoegd ten voordele van de langstlevende echtgenoot.

De echtgenoten kozen destijds voor het stelsel van scheiding van goederen aangezien zij een groot belang hechten aan hun vermogensrechtelijke autonomie en aan de bescherming tegen mekaars (professionele) schuldeisers.

Thans wensen zij de langstlevende echtgenoot te beschermen door te voorzien in een niet-eenzijdig herroepbare en flexibele regeling en ervoor te zorgen dat de huidige levensstandaard behouden kan blijven, zonder afbreuk te doen aan hun vermogensrechtelijke autonomie tijdens het huwelijk. Concreet opteren de aanvragers ervoor om een (optioneel) toekenningsbeding in hun huwelijksovereenkomst in te lassen.

Het voorgenomen (optioneel) toekenningsbeding strekt ertoe dat de eigen (niet-onverdeelde) roerende goederen, die de eerstoverleden echtgenoot toebehoren, bij overlijden van één van hen onmiddellijk toekomen aan de langstlevende echtgenoot, voor zover en in de mate dat de langstlevende echtgenoot zich daarop beroept.

45. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

46. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Het toekenningsbeding voor de eigen (niet-onverdeelde) goederen, zoals opgenomen in artikel 10 van het ontwerp van de akte houdende wijziging van de huwelijksovereenkomst, luidt als volgt: […]

[2] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1997 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[3] Het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[4] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: in het optioneel toekenningsbeding, opgenomen in artikel 10 van het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst, worden de concreet toe te kennen eigen roerende goederen niet opgesomd. Het voorwerp van het optioneel toekenningsbeding zijn “de roerende eigen goederen van de overleden echtgenoot, en voor zover deze goederen nog in het vermogen van de eigenaar ervan aanwezig zijn op het ogenblik van zijn of haar overlijden.”