Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26076 - Inbreng in huwgemeenschap gevolgd door een schenking Vlaamse Belastingdienst

VB 26076 - Inbreng in huwgemeenschap gevolgd door een schenking

Voorafgaande beslissing
Nummer

26076

Datum beslissing

10 augustus 2026

Publicatiedatum

22 september 2026

Heffing

  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.8.3.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat de inbreng door mevrouw Y van de gronden in de huwgemeenschap bestaande tussen haar en haar echtgenoot de heer X, hierna genoemd, gevolgd door de schenking door beide echtgenoten van de blote eigendom van deze onroerend goed aan hun kinderen/stiefkinderen A en B, niet ingaat tegen de artikelen 2.8.3.0.1, §1 VCF en 2.8.4.1.1., §1 en §2 VCF en er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door Notarisassociatie […] met zetel te […], namens volgende partijen:

2.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1943, ingeschreven in het rijksregister onder nummer […], en zijn echtgenote,

2.2. Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1943, ingeschreven in het rijksregister onder nummer […],

samenwonende te […];

De echtgenoten X-Y zijn oorspronkelijk gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1996, gewijzigd ingevolge akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2012 waarbij de echtgenoten hun stelsel hebben gewijzigd naar een stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, gewijzigd met behoud van stelsel bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2023, ongewijzigd sedertdien.

3. De betrokken partijen zijn:

3.1. De heer A, geboren te […] op xx.xx.1970, ingeschreven in het rijksregister onder nummer […], echtgenoot van mevrouw […], wonende te […] en gehuwd onder het stelsel scheiding van goederen met toevoeging van beperkte gemeenschap ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2019, dat tot op heden ongewijzigd gebleven is;

3.2. De heer B, geboren te […] op xx.xx.1973, ingeschreven in het rijksregister onder nummer […], echtgescheiden, wonende te […].

De heren A en B zijn de kinderen/stiefkinderen van voornoemde echtgenoten X - Y.

4. De betrokken onroerende goederen betreffen:

GEMEENTE […] - eerste afdeling […]

1/ Een perceel weiland, gelegen tegen […], thans ten kadaster gekend sectie A, nummer […], met een oppervlakte van veertienduizend honderdtachtig vierkante meter (14.180 m²).

2/ Een perceel bos, tegen de […], thans ten kadaster gekend sectie A, nummer […], met een oppervlakte van vijfduizend zevenhonderdveertig vierkante meter (5.740 m²).

3/ Een perceel bouwland, gelegen tegen de […], thans ten kadaster gekend sectie A, nummer […], met een oppervlakte van vierduizend vijfhonderdenvijf vierkante meter (4.505 m²).

4/ Een perceel bos, gelegen nabij de […], thans ten kadaster gekend sectie A, nummers […], met een totale oppervlakte van zestienduizend achthonderdveertig vierkante meter (16.840 m²).

5/ Een perceel bouwland, gelegen tegen […], thans ten kadaster gekend sectie B, nummer […], met een oppervlakte van vijftienduizend vijfhonderdvijfendertig vierkante meter (15.535 m²).

6/ Een perceel bouwland, gelegen tegen […], thans ten kadaster gekend sectie B, nummers […], met een totale oppervlakte van twintigduizend vierhonderd vierkante meter (20.400 m²).

7/ Een perceel bouwland, gelegen tegen de [...], thans ten kadaster gekend sectie B, nummer […], met een oppervlakte van drieduizend honderdzesenzeventig vierkante meter (3.176 m²).

GEMEENTE […] - tweede afdeling - […]

8/ Een perceel grond, gelegen tegen […], thans ten kadaster gekend sectie C, nummer […], met een oppervlakte van vijfduizend zeshonderdvierentachtig vierkante meter (5.684 m²).

9/ Een perceel weiland, gelegen tegen […], thans ten kadaster gekend, sectie A, nummers […], met een totale oppervlakte van achtendertigduizend twintig vierkante meter (38.020 m²).

GEMEENTE […] - derde afdeling - […]

10/ Een perceel weiland, ter plaatse genaamd […], thans ten kadaster gekend sectie B, nummers […], met een oppervlakte van vijftienduizend negenhonderd vierkante meter (15.900 m²).

GEMEENTE […] - eerste afdeling - […]

11/ Een perceel bouwland, ter plaatse genaamd […], thans ten kadaster gekend sectie B, nummer […], met een oppervlakte van vijfduizend dertig vierkante meter (5.030 m

Mevrouw Y heeft de goederen verworven uit nalatenschap van haar moeder op xx.xx.2006.

Bij akte wijziging huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2023, overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te […] op xx.xx daarna, referte […], heeft voornoemde mevrouw Y, de eigendommen ingebracht in de huwelijksgemeenschap bestaande tussen haarzelf en de heer X, voornoemd, met als doel haar echtgenoot zo ruim mogelijk te beschermen naar de toekomst toe.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

5. De echtgenoten X – Y zijn van plan om de voormelde onroerende goederen in naakte eigendom te schenken aan hun kinderen/stiefkinderen, ieder voor de onverdeelde helft

De schenkers behouden zich het vruchtgebruik voor.

III. Motivering van de aanvraag

6. De schenking zal in 2026 plaatsvinden, dus meer dan drie jaar na de inbreng. Derhalve volgt de schenking niet onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne op de inbreng van de eigen onroerende goederen door mevrouw Y in het gemeenschappelijk vermogen tussen haar en haar echtgenoot.

Op het moment van de inbreng hadden de heer X en zijn echtgenote mevrouw Y niet de intentie om de onroerende goederen te schenken. Zij wilden op dat ogenblik de langstlevende op afdoende wijze beschermen bij overlijden van de eerststervende. Zij wilden ook dat de langstlevende alleen zou kunnen beslissen over deze onroerende goederen, hetgeen in dit geval enkel kan met gemeenschappelijke goederen én keuzemogelijkheid van toebedeling van de geheelheid volle eigendom aan de langstlevende.

Om die redenen werden de eigen onroerende goederen in het gemeenschappelijk vermogen ingebracht, zonder voorwaarden, met een keuzeclausule met betrekking tot de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen.

Bovenstaande redenen – de lange tijdsspanne tussen de twee rechtshandelingen en de beschermende beweegreden van de inbreng – tonen aan dat de inbreng gebeurde om andere dan fiscale motieven.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

7. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

8. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

9. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • Artikel 2.8.3.0.1, §1, VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.”;

  • Artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500

…

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”:

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt : 1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; 2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

10. In de omzendbrief VLABEL/2015/1 van 16 februari 2015 worden volgende rechtshandelingen als fiscaal misbruik beschouwd, tenzij de belastingplichtige bewijst dat de keuze voor de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen verantwoord is door andere dan fiscale motieven:

“Inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten (gaat in tegen de heffingsgrondslag en de progressiviteit van de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF).

Er kan worden vermoed dat de inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten aan bv. hun enig kind enkel gebeurt om de progressiviteit van de schenkbelasting te ontwijken; dat het bekomen van een aanzienlijke belastingbesparing de enige beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandeling.

Dergelijke constructie gaat in tegen de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF. Er is bijgevolg sprake van fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

De belastingplichtige dient te bewijzen dat de keuze voor de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen voorafgaand aan de schenking, verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van hogere schenkbelastingen.

Indien de belastingplichtige dit bewijs niet levert, dient de schenkbelasting te worden geheven alsof de inbreng niet had plaatsgevonden, m.a.w. berekening van de schenkbelasting op de schenking door de inbrengende echtgenoot aan het kind voor de geheelheid van het goed.”.

11. De onder randnummer 4 vermelde onroerende goederen werden bij akte wijziging huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2023 door mevrouw Y ingebracht in het intern gemeenschappelijk vermogen met haar echtgenoot de heer X.

Nu wensen de echtgenoten X-Y de onder randnummer 4 vermelde onroerende goederen in blote eigendom te schenken aan de partijen vermeld onder randnummer 3.

12. Gelet op de feitenconstellatie en de tijdspanne tussen de inbreng van de onroerende goederen vermeld onder punt 4 en de voorgenomen schenking beslist het besluitvormingsorgaan dat de anti-misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet moet worden toegepast.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.