Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26091 - Uitbreng uit GV gevolgd door aanwas (echtgenoten wensen toepassing Egyptisch erfrecht te vermijden) Vlaamse Belastingdienst

VB 26091 - Uitbreng uit GV gevolgd door aanwas (echtgenoten wensen toepassing Egyptisch erfrecht te vermijden)

Voorafgaande beslissing
Nummer

26091

Datum beslissing

21 september 2026

Publicatiedatum

4 november 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Toepasselijke wetsbepalingen:

  • 2.7.1.0.4 VCF (uitbreng gemeenschap; evenwel zonder afwijking van de gelijke verdeling)
  • 3.17.0.0.2 VCF (antimisbruikbepaling)

Partijen wensen graag bevestiging te krijgen dat vooropgestelde regeling, waarbij het sluiten van een beding van aanwas wordt voorafgegaan door de uitbreng uit de gemeenschap, tegenstelbaar zal zijn t.a.v. de Vlaamse Belastingdienst en aldus niet zal gekwalificeerd worden onder de antimisbruikbepaling.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door het kantoor van […], geassocieerd notaris te […], handelend voor rekening van […], namens:

De heer X, geboren te […] op xx.xx.1960, [I.K. […], R.R. […]], wonende te […].

En zijn echtgenote,

Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1963, [I.K. […], R.R. […]], wonende te […].

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

3. De heer en mevrouw X–Y verklaren gehuwd te België, onder beheer van het wettelijk stelsel naar Belgisch recht doch woonachtig te zijn in Egypte.

Gelet op het van toepassing zijnde erfrecht in dit land wensen partijen hun erfrechten als echtgenoten en in het bijzonder deze van de langstlevende echtgenote veilig te stellen. Naar Egyptisch recht (gebaseerd op Islamitisch recht) worden namelijk de erfrechten van de langstlevende echtgenote beperkt ten voordele van de mannelijke afstammelingen. Partijen hebben samen één zoon.

Partijen wensen een bescherming voor de langstlevende wat betreft de goederen die zich in België bevinden.

Teneinde deze bescherming in te bouwen wordt er geopteerd voor enerzijds de uitbreng van de gemeenschappelijke roerende goederen en onroerende goederen die in België gelokaliseerd zijn. Deze goederen komen dan toe aan de eigen vermogens van elk van de echtgenoten, voor de helft in volle eigendom.

Wat zal er concreet worden uitgebracht:

  • Een appartement te […];
  • Een appartement te […];
  • Twee rekeningen op naam van beide echtgenoten.

Anderzijds gaat deze uitbreng gepaard met de toevoeging van een optioneel beding van aanwas in voordeel van de langstlevende van de echtgenoten.

Op die manier wordt de verdeling contractueel geregeld, buiten elke erfrechtelijke regeling om. Dit louter om te vermijden dat het Egyptisch erfrecht toepasselijk zou worden, bij een overlijden in Egypte, op de goederen gelokaliseerd in België.

Tot slot wordt er een testament opgemaakt waarbij een keuzelegaat wordt voorzien in voordeel van de langstlevende echtgenoot voor de Belgische goederen, met name voor deze die desgevallend aan één echtgenoot exclusief toebehoren en bijgevolg buiten de toepassing vallen van het beding van aanwas.

III. Motivering van de aanvraag

4. Motief voor vooropgestelde regeling is de loutere bescherming van de langstlevende echtgenote tegen het Egyptisch erfrecht, voor althans de goederen in België.

In de situatie dat de heer X als eerste zou overlijden (in Egypte), dreigt zij maar één/achtste in volle eigendom te ontvangen.

IV. Beslissing

5. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

6. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

7. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

8. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

Beoordeling

1. Onderzoek van artikel 2.7.1.0.4 VCF

9. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschappelijk vermogen bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

10. Er zal in casu geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

11. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

12. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

13. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

14. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

15. De heer X en zijn echtgenote, mevrouw Y, verklaren gehuwd te zijn in België, onder het wettelijk stelsel naar Belgisch recht, maar zij zijn woonachtig in Egypte.

Zij hebben samen één zoon.

De echtgenoten X-Y wensen een uitbreng te doen van bepaalde roerende en onroerende vermogensbestanddelen uit het gemeenschappelijk vermogen dat bestaat tussen hen, meer bepaald de gemeenschappelijke roerende en onroerende goederen die in België gelokaliseerd zijn. Deze goederen zullen na uitbreng aan de eigen vermogens van elk van de echtgenoten toekomen, elk voor de helft in volle eigendom.

Vervolgens wordt met betrekking tot de uitgebrachte goederen een optioneel beding van aanwas afgesloten in voordeel van de langstlevende van de echtgenoten.

16. Gelet op de concrete feitenconstellatie is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

17. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.