Waardering aandelen passieve holding in actieve dochter
- Nummer
24/564/A
- Datum beslissing
12 januari 2026
- Publicatiedatum
25 maart 2026
- Rechtbank
Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent
- Status
Definitief
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.4.2.2, §2 VCF
Samenvatting
Het voorliggende geschil heeft betrekking op een aanslag in de erfbelasting voor het aanslagjaar 2022 voor een bedrag van 37.430,41 EUR.
Op 29 augustus 2022 is de heer EM, de echtgenoot van de belastingplichtige met wie hij was gehuwd onder het wettelijk stelsel, aangevuld door een huwelijksovereenkomst, overleden. De erflater liet eveneens 3 kinderen na. Belastingplichtige verkrijgt ingevolge het overlijden de volle eigendom van de goederen behorende tot de huwgemeenschap alsook het vruchtgebruik op de eigen goederen van haar overleden echtgenoot.
Op 26 december 2022 werd een gemeenschappelijke aangifte ingediend, waarin toepassing werd gemaakt van het verlaagd tarief voor familiale vennootschappen. Het zou gaan om de V G., een vennootschap die zelf geen nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit heeft of vrij beroep uitoefent, doch wel (meer dan) 30 procent zou bezitten van de aandelen in een dochtervennootschap (de NV A) die aan de voorwaarden overeenkomstig artikel 2.7.4.2.2 VCF zou voldoen. Het gaat om een waarde van 347.542,36 EUR gekoppeld aan 2000/6000 aandelen in desbetreffende vennootschap waarover de erflater titularis was.
De vennootschap BV V G. werd opgericht op 8 oktober 2004 en wordt sedert 2010 vertegenwoordigd door 6000 aandelen. EM zelf was titularis van 2000/6000 aandelen. De BV V G. bezit een deelneming in NV A van 99,96% (4.998/5000 aandelen).
In de aangifte werden de 2000 aandelen BV V G. opgenomen tegen een waarde van 347.542,36 EUR.
In de aangifte werd eveneens het aan de erflater toebehorend aandeel NV A opgenomen tegen een waarde van 42,74 EUR.
Op 12 mei 2023 werd de hierboven genoemde aanslag gevestigd en ontving belastingplichtige haar aanslagbiljet. Zij dient een bedrag van 37.430,41 EUR te betalen.
Volgens de toelichting werd het verlaagd tarief niet toegepast op het volledige aangegeven bedrag van 347.542,36 EUR, doch slechts ten belope van 20,49%. De aandelen komen immers maar in aanmerking voor het gedeelte dat de waarde van haar deelneming in de actieve dochtervennootschap NV A vertegenwoordigt.
Op 26 juli 2023 diende belastingplichtige tegen deze aanslag bezwaar in. Op 22 november 2023 werd het bezwaar afgewezen.
In het voorliggende geschil bestaat er tussen partijen een betwisting betreffende de toepassing van artikel 2.7.4.2.2. §2 VCF.
Belastingplichtige werpt op dat een fout heeft plaatsgevonden bij het waarderen van de aandelen van BV V G. en NV A bij de aangifte van nalatenschap. Er dient volgens haar uitgegaan te worden van de gecorrigeerde eigen vermogenswaarde van de aandelen.
Volgens VLABEL kan de gunstregeling niet worden toegepast op de volledige waarde van de overgedragen aandelen, maar uitsluitend op het prorata.
Artikel 2.7.4.2.2. §2, 2° VCF luidt:
“(…)
§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de toepassing van het verlaagde tarief beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.”
De rechtbank merkt op dat holdings zonder handelsactiviteit zelf niet rechtstreeks kunnen kwalificeren als familiale vennootschap in de zin van artikel 2.7.4.2.2 VCF, maar zij kunnen daarmee worden gelijkgesteld indien zij een kwalificerende deelneming hebben in directe dochtervennootschappen die wel rechtstreeks als familiale vennootschap zouden kunnen worden aangemerkt.
Zoals in het voorliggende geschil, aangezien V G. BV een participatie van 99,96 % in haar dochter, A NV, bezit.
De rechtbank is van oordeel dat indien de overdracht aandelen van een holding tot voorwerp heeft, die enkel kwalificeert via een of meer directe dochters, het verlaagd tarief evenwel slechts geldt ten belope van de waarde van de aandelen van de (holding) vennootschap in de directe dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of een vrij beroep tot doel hebben en hun zetel van werkelijke leiding in een EER-lidstaat hebben (art. 2.7.4.2.21 § 3 VCF).
Het verlaagd tarief kan in dit geval m.a.w. slechts proportioneel worden toegekend.
Belastingplichtige stelt dat het aandeel van NV A foutief is aangegeven voor een waarde van 42,47 EUR, zijnde de eigen vermogenswaarde op basis van de jaarrekening op 31 december 2021. De daadwerkelijke waarde, gebaseerd op de “werkelijke intrinsieke waarde” zou echter 474,18 EUR per aandeel bedragen.
Ook de waarde van de 2000 aandelen van BV V G. zou foutief in de aangifte zijn opgenomen voor een waarde van 347.542,36 EUR en zou gewaardeerd dienen te worden op 604.653,98 EUR.
De rechtbank stelt vast dat belastingplichtige niet is overgegaan tot enige wijziging van de aangifte, zij vermeldt enkel dat er een foutieve waardering voorligt waarvan voor het eerst sprake is in haar bezwaarschrift. Nochtans zijn de omstandigheden in geen geval van dien aard dat belastingplichtige werd geconfronteerd met “nieuwe” bedragen of waarderingen. Daarnaast is het voor de rechtbank ook duidelijk dat er geen “materiële vergissing” voorligt die een eventuele ontheffing kan verantwoorden (cfr. art. 3.6.0.0.1 VCF).
De rechtbank stelt verder vast dat de aanslag integraal gebaseerd is op hetgeen door belastingplichtige zelf in de aangifte werd opgenomen. Zo werd een aandeel “A NV” door haarzelf gewaardeerd op 42,74 EUR.
De 2000 aandelen in de vennootschap V G. BV werden gewaardeerd op 347.542,36 EUR.
De vooropgestelde waarderingen zijn niet echt geloofwaardig voor de rechtbank, nu deze niet afdoende worden ondersteund door enig bewijsstuk.
Des te meer daar inzake de aandelen NV A zelfs geen rekening zou zijn gehouden met de waarde van de verzekeringsportefeuille van de vennootschap, geschat op zowaar 2.392.500,00 EUR. Hiervan wordt tot op heden geen enkel bewijsstuk voorgelegd.
Daarnaast zou de deelneming die NV A zelf heeft in een dochter, EC T, een werkelijke waarde hebben van 213.762,00 EUR (in plaats van 150.000,00 EUR) wat opnieuw wordt gebaseerd op de waarde van verzekeringsportefeuilles.
De rechtbank besluit dat deze waarderingstechnieken eerder arbitrair zijn die niet afdoende gesteund zijn op onderliggende stukken.
Bij gebrek aan een onderbouwde waarderingstechniek maakt belastingplichtige haar waarderingstechnieken niet geloofwaardig en aldus faalt belastingplichtige tot op heden in haar bewijslast.
De rechtbank besluit dat de gevraagde ontheffing, volgend uit een toepassing van het gunstregime op de volledige waarde van de overgedragen aandelen, ongegrond is.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.
De vordering van belastingplichtige is ongegrond.