Gedaan met laden. U bevindt zich op: Ambtshalve ontheffing - materiële vergissing - aangifte onroerende goed met inbegrip waarde roerende goederen - ook bediende van notaris met volmacht om op te treden namens belastingplichtige wordt geacht bevoegd te zijn om BP te vertegenwoordigen Vlaamse Belastingdienst

Ambtshalve ontheffing - materiële vergissing - aangifte onroerende goed met inbegrip waarde roerende goederen - ook bediende van notaris met volmacht om op te treden namens belastingplichtige wordt geacht bevoegd te zijn om BP te vertegenwoordigen

Rechtspraak
Nummer

23/1900/A

Datum beslissing

20 november 2025

Publicatiedatum

14 januari 2026

Rechtbank

Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent

Status

Definitief

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 3.6.0.0.1. VCF

Samenvatting

De echtgenoten M-H, beiden wonende te Duitsland, waren eigenaar van een onroerend goed gelegen in België, meer bepaald een huis gelegen te D.

Mevrouw H overleed op 15 juli 2019. Met bemiddeling van notaris R met kantoor te E, werd een aangifte van nalatenschap ingediend op 11 oktober 2021. Daarin wordt het onroerend goed gelegen in D aangegeven en gewaardeerd voor de volle eigendom aan 150.000,00 EUR, waarvan in hoofde van de belastingplichtige (zijnde de heer M) de helft of een bedrag van 75.000,00 EUR belastbaar is.

Op 17 november 2021 wordt voor aanslagjaar 2019, verzonden op 19 november 2021, een aanslag in de erfbelasting gevestigd, voor een te betalen bedrag van 4.500,00 EUR. In dit bedrag is een belastingverhoging van 750,00 EUR begrepen wegens de laattijdige indiening van de aangifte. De aanslag wordt verzonden naar het notariskantoor van notaris R die in de aangifte als contactpersoon wordt vermeld.

Bij notariële akte van 24 juni 2022, verleden voor notaris R te E, wordt het huis gelegen te D door belastingplichtige verkocht voor een totaal bedrag van 237.500,00 EUR. In de notariële akte wordt dit bedrag vervolgens uitgesplitst als voor 212.500,00 EUR betrekking hebbende op het onroerend goed en voor 25.000,00 EUR op de meubels in het onroerend goed.

Door notaris R wordt op 5 augustus 2022 een nieuwe of bijvoeglijke aangifte ingediend naar aanleiding van de meerwaarde die tot uiting kwam bij de verkoop van het huis in D. In een begeleidende brief meldt notaris R (brief ondertekend door mevrouw DC), dat er een bijkomende aangifte wordt ingediend voor een bedrag van 43.750,00 EUR aangezien het onroerend goed werd aangegeven voor 75.000,00 EUR, uitgaande van een waarde van 150.000,00 EUR, terwijl het onroerend goed werd verkocht voor een waarde in volle eigendom van 237.500,00 EUR.

Op 12 augustus 2022 wordt voor aanslagjaar 2019 onder artikel 198020088208, verzonden op 19 augustus 2022, een (aanvullende) aanslag in de erfbelasting gevestigd, voor een te betalen bedrag van 4.528,13 EUR. In dit bedrag is een belastingverhoging van 590,63 EUR begrepen wegens de tekortschatting onroerend. De aanslag wordt verzonden naar het notariskantoor van notaris R die in de aangifte als contactpersoon wordt vermeld.

Bij brief van 17 februari 2023 meldt notaris R (brief ondertekend i.o.v. door mevrouw DC) dat er een materiële vergissing is gebeurd bij de indiening van de nieuwe aangifte van 5 augustus 2022. De aangegeven verkoopprijs van het onroerend goed had niet 235.500,00 EUR moeten zijn, maar 212.500,00 EUR. Daardoor is het aangegeven bedrag van 43.750,00 EUR onjuist omdat het 31.250,00 EUR had moeten zijn. Verzocht wordt om een rechtzetting van de aangifte en om een nieuwe aanslag met terugstorting van een bedrag van 1.125,00 EUR. In bijlage bij de brief wordt een (tweede) nieuwe aangifte gevoegd waarin de juiste bedragen zijn opgenomen.

Bij brief van 10 maart 2023 bevestigt VLABEL de ontvangst op 6 maart 2023 van de brief met bijlage die als een bezwaarschrift wordt beschouwd.

Bij beslissing van 18 april 2023 wordt het bezwaarschrift (of, zoals VLABEL verduidelijkt, de nieuwe aangifte met verzoek tot rechtzetting), onontvankelijk verklaard. Dit om de reden dat het bezwaarschrift niet werd ontvangen uiterlijk drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet, zodat het laattijdig is. Verder wordt gesteld dat evenmin een ambtshalve ontheffing kan worden verleend. De rechten werden berekend op basis van de gegevens zoals vermeld in de bijvoeglijke aangifte en er zou geen sprake zijn van een dubbele belasting, een materiële vergissing of een nieuw feit.

Bij verzoekschrift van 14 juli 2023, neergelegd ter griffie op 18 juli 2023, werd de vordering aanhangig gemaakt bij de rechtbank.

Ontvankelijkheid

VLABEL stelt dat belastingplichtige vertegenwoordigd wordt door mevrouw DC die geen advocaat is en derhalve geen bevoegdheid heeft om belastingplichtige in rechte te vertegenwoordigen. Geen volmacht ligt voor. Dit heeft volgens VLABEL tot gevolg dat de vordering van belastingplichtige moet worden afgewezen.

Het staat volgens de rechtbank niet ter discussie dat belastingplichtige de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang heeft in de zin van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek (Ger. W.) om de vordering in te stellen. Formeel werd de vordering ingesteld door mevrouw DC als lasthebber van belastingplichtige. Daarbij blijkt uit de stukken dat mevrouw DC verbonden is aan het kantoor van notaris R te E aangezien zij ook in de voorgaande procedure tussenkwam bij het indienen van de nieuwe aangifte met de begeleidende brief van 5 augustus 2022 en verder bij het indienen van het zogezegde bezwaar bij brief van 17 februari 2023. Aangezien notaris R gemachtigd was om op te treden namens belastingplichtige, waaronder begrepen is ‘een toelichting of aanvulling geven bij de aangifte, het vragen van ontheffing, het indienen van een bezwaarschrift enzovoort’, moet mevrouw DC die haar tussenkomst verleende namens de notaris, wellicht omdat de betrokken tussenkomsten in het Nederlands dienden te gebeuren, ook geacht worden ter zake bevoegd te zijn om belastingplichtige te vertegenwoordigen.

In het verlengde hiervan heeft mevrouw DC ook het nodige gedaan om het verzoekschrift in de Nederlandse taal in te dienen. Waar betrokkene niet de bevoegdheid had om belastingplichtige hiervoor in rechte te vertegenwoordigen, leidt dit niet de ontvankelijkheid van de vordering op zich, maar hoogstens tot de nietigheid van de betrokken proceshandeling. Op basis van artikel 861 Ger. W. kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaard worden indien de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. In casu wordt door VLABEL geen belangenschade aangetoond zodat de rechtbank van oordeel is dat er geen nietigheid is en de vordering om deze reden niet onontvankelijk is.

VLABEL roept verder in dat het door belastingplichtige ingediende bezwaarschrift te laat werd ingesteld, met als gevolg dat niet voldaan is aan artikel 1385undecies Ger. W. dat stelt dat een vordering voor de rechtbank slechts toegelaten is indien voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep werd ingesteld. Waarbij verondersteld wordt dat dit beroep op een ontvankelijke wijze wordt ingesteld.

In casu wordt de aanslag gevestigd op 12 augustus 2022, bestreden. Deze aanslag werd verzonden op 19 augustus 2022. Het bezwaar tegen deze aanslag had uiterlijk tegen 16 november 2022 ingesteld moeten zijn. Belastingplichtige heeft op geen enkele wijze geargumenteerd dat zijn bezwaarschrift toch ontvankelijk zou zijn om de reden dat er geen kennis werd gegeven van de aanslag of om een andere reden. In de mate dat het schrijven namens belastingplichtige van 17 februari 2023 als een bezwaarschrift wordt beschouwd, is dit dan ook laattijdig. Met als gevolg dat de vordering van belastingplichtige voor de rechtbank onontvankelijk is in de mate dat deze een beroep vormt tegen de afwijzing van het bezwaarschrift.

VLABEL stelt dat de vordering van belastingplichtige verder onontvankelijk is, bij gebrek aan belang, in de mate deze erop gericht is de beslissing over het bezwaarschrift te vernietigen.

Het voorwerp van de betwisting is inderdaad de aanslag die werd gevestigd, aldus de rechtbank. De aanslag blijft van kracht, zelfs indien de beslissing nietig zou zijn. Dit betekent evenwel niet dat de vordering niet gericht kan zijn tegen de beslissing als dusdanig in de mate dat in het kader van de administratieve procedure onregelmatigheden worden begaan. In casu worden evenwel geen elementen door belastingplichtige opgeworpen tegen de beslissing als dusdanig zodat wegens gebrek aan belang de vordering tot hervorming van de beslissing onontvankelijk is.

VLABEL voert geen verdere redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. De rechtbank stelt evenmin verdere middelen van onontvankelijkheid vast, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen.

De vordering van belastingplichtige is er op gericht een ambtshalve ontheffing te bekomen in de mate dat per vergissing in de nieuwe of bijvoeglijke aangifte een bijkomend bedrag van 43.750,00 EUR werd aangegeven in plaats van 31.250,00 EUR. Dit werd zo ook duidelijk aangehaald in de brief van 17 februari 2023 van belastingplichtige, waarin gevraagd wordt om de rechtzetting van een materiële vergissing. VLABEL heeft deze brief als een bezwaarschrift beschouwd. In wezen ging het evenwel om een verzoek tot ambtshalve ontheffing.

Daarbij is er geen discussie dat dit verzoek tot ambtshalve ontheffing van 17 februari 2023 tijdig werd ingesteld binnen de vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting werd gevestigd (zie art. 3.6.0.0.1 VCF), zijnde in casu het jaar 2022. De vordering van belastingplichtige is dan ook ontvankelijk in de mate dat deze betrekking heeft op een verzoek tot ambtshalve ontheffing. Vervolgens moet ten gronde onderzocht worden of belastingplichtige in aanmerking komt voor een ambtshalve ontheffing.

Ten gronde

VLABEL is van oordeel dat belastingplichtige geen recht heeft op een ontheffing om de reden dat er geen sprake zou zijn van een materiële vergissing in de aangifte van 5 augustus 2022.

Volgens VLABEL is het duidelijk dat belastingplichtige in zijn aangifte het onroerend goed te laag heeft ingeschat en daarenboven de waarde van de inboedel niet heeft aangegeven. Belastingplichtige zou dit ingezien hebben en naderhand de werkelijke verkoopprijs meegedeeld hebben waarbij de verkoopprijs integraal werd toegewezen aan het onroerend goed. De erfbelasting werd terecht gevestigd op hetgeen belastingplichtige zelf heeft meegedeeld.

Het gaat volgens VLABEL om een intellectuele fout die gemaakt werd door de verkoopprijs niet uit te splitsen in een roerend en een onroerend gedeelte. Het gaat volgens VLABEL niet om een materiële vergissing. De ambtshalve ontheffing kan enkel in uitzonderlijke situaties verleend worden en het begrip moet, aldus nog VLABEL, strikt geïnterpreteerd worden. Het is geen middel om de belastingplichtige een bijkomende procedure aan te reiken bij het laattijdig indienen van een bezwaarschrift.

Een materiële vergissing in de zin van artikel 3.6.0.0.1 VCF is een feitelijke vergissing die het gevolg is van een misvatting over het bestaan van materiële elementen bij ontstentenis waarvan de belasting wettelijke grondslag mist. Indien het gaat om een beoordelingsfout of een vergissing in rechte en de vergissing bijgevolg van intellectuele aard is, kan geen ambtshalve ontheffing verleend worden.

Volgens VLABEL bestaat de enige fout erin dat belastingplichtige in de nieuwe of bijvoeglijke aangifte geen opsplitsing heeft gemaakt van de verkoopprijs van de woning die betrekking heeft op de meubels en het deel dat betrekking heeft op de woning zelf. Het gaat om een vergissing van intellectuele aard. Ook indien deze fout door de lasthebber zou zijn begaan, kan dit in hoofde van belastingplichtige geen recht geven op een ambtshalve ontheffing.

De overleden echtgenoot was geen rijksinwoner van België, evenmin als belastingplichtige zelf. Betrokkenen zijn immers woonachtig in Duitsland, hetgeen niet betwist wordt. Niettemin is belastingplichtige in België belastbaar als gevolg van het overlijden van zijn echtgenote doordat zij samen eigenaar waren van een onroerend goed in België. Daarbij is belastingplichtige geen successierecht verschuldigd maar het recht van overgang bij overlijden.

Artikel 2.7.3.1.1 VCF bepaalt in dit verband: “Het recht van overgang wordt gevestigd op de waarde van de onroerende goederen die in België liggen en verkregen werden overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk van iemand die geen rijksinwoner is”.

Belastingplichtige is derhalve enkel belastbaar op de waarde van het onroerend goed dat hij verkreeg naar aanleiding van het overlijden van zijn echtgenote die geen rijksinwoner is.

Ten onrechte stelt VLABEL het dan ook voor als zou belastingplichtige het bedrag dat overeenkomt met de waarde van de roerende goederen, hebben moeten afsplitsen, waarbij belastingplichtige dan ten onrechte deze waarde van de roerende goederen niet zou hebben aangegeven in de nieuwe of bijvoeglijke aangifte.

Belastingplichtige was en is immers niet op deze roerende goederen in België belastbaar om de eenvoudige reden dat hij onderworpen is aan het recht van overgang en niet aan het successierecht.

Indien bijgevolg de notaris bij vergissing in de bijvoeglijke of nieuwe aangifte de volledige verkoopprijs opneemt, terwijl deze ook voor een deel betrekking heeft op de waarde van de roerende goederen, zoals uitdrukkelijk in de akte bepaald, dan werd een materiële vergissing begaan die het gevolg is van een misvatting over het bestaan van materiële elementen bij ontstentenis waarvan de belasting wettelijke grondslag mist.

Doordat ten onrechte rekening werd gehouden met een bedrag met inbegrip van de waarde van de roerende goederen die niet in hoofde van belastingplichtige belastbaar is, is er meer bepaald duidelijk sprake van een overbelasting als gevolg van een materiële vergissing. De ambtshalve ontheffing moet dan ook worden toegekend en de vordering van belastingplichtige is gegrond.

De aanslag moet herberekend en dienovereenkomstig ontheven worden in de mate dat ten onrechte de waarde van de roerende goederen in hoofde van belastingplichtige belast wordt. Concreet komt dit erop neer dat in plaats van bijkomend 43.750,00 EUR, belastingplichtige bijkomend slechts op een bedrag van 31.250,00 EUR mocht worden belast, hetgeen neerkomt op een ontheffing van de verschuldigde rechten van 1.125,00 EUR en een ontheffing van de belastingverhoging van 168,75 EUR die hiermee overeenkomt.