Gedaan met laden. U bevindt zich op: Dwangbevelen zijn geen akten van rechtspleging - de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken zijn van toepassing - betekening van een dwangbevel op het adres waar de nalatenschap is opengevallen Vlaamse Belastingdienst

Dwangbevelen zijn geen akten van rechtspleging - de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken zijn van toepassing - betekening van een dwangbevel op het adres waar de nalatenschap is opengevallen

Rechtspraak
Nummer

23/3004/A

Datum beslissing

27 mei 2025

Publicatiedatum

14 januari 2026

Rechtbank

Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent

Status

Definitief

Heffing

  • Inning en Invordering

Wettelijke basis

  • art. 36, §1, 1° van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen
  • art. 56 Gerechtelijk Wetboek
  • gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken

Samenvatting

Eiseres is de dochter van wijlen de heer M. (overleden op 1 maart 2006) en wijlen mevrouw J. (overleden op 12 maart 2009). De vader van eiseres was eigenaar van een onroerend goed. De betwisting gaat over de onroerende voorheffing met betrekking tot het voornoemde onroerend goed voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2017. De onroerende voorheffing wordt ingevorderd bij eiseres.

De rechtbank heeft de middelen van eiseres als volgt beoordeeld:

Het eerste middel van eiseres in hoofdorde over “de verjaring (van de invordering) van de aanslagen voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2012 ingevolge de ongeldige betekening wegens schending van de taalwetgeving” is ongegrond

Eiseres heeft haar domicilieadres in Charleroi. Volgens eiseres is de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2012 verjaard, omdat de dwangbevelen van 20 oktober 2010 (over de aanslagjaren 2005 en 2006), 25 juni 2014 (over de aanslagjaren 2005 t.e.m. 2010) en 19 mei 2016 (over de aanslagjaren 2011 en 2012) enkel in het Nederlands zijn opgemaakt. Eiseres meent dat de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken van toepassing is. De verjaring kan niet rechtmatig worden gestuit door de betekening van de voormelde dwangbevelen omdat er geen Franse vertaling werd toegevoegd.

De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet. De voormelde dwangbevelen zijn geen akten van rechtspleging, waardoor de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken niet van toepassing is. De gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken zijn hier van toepassing. Voormelde wetgeving voorziet niet in bijzondere taalfaciliteiten, behalve voor inwoners van een gemeente met taalfaciliteiten. Charleroi, de gemeente waar eiseres woont, valt niet onder een gemeente met taalfaciliteiten.

Het tweede middel van eiseres in hoofdorde over “de verjaring (van de invordering) van de aanslagen voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2012 ingevolge ongeldige betekening wegens foutieve geadresseerde en foutief adres” is ongegrond

Eiseres stelt dat de aanslagen met betrekking tot de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2007 tot en met 2012 op naam van de verkeerde belastingplichtige gevestigd zijn.

De rechtbank stelt vast dat de aanslagen met betrekking tot de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2012 nooit het voorwerp van een bezwaarschrift hebben uitgemaakt. Bijgevolg zijn de voormelde aanslagen definitief en niet voor betwisting vatbaar. Het debat over op welke belastingplichtige de aanslagen ingekohierd hadden moeten worden (de nalatenschap van de heer M., (de nalatenschap van) mevrouw J., eiseres) kan niet meer worden gehouden.

Daarnaast is eiseres van mening dat de betekening van de dwangbevelen van 20 oktober 2010 (over de aanslagjaren 2005 en 2006), 25 juni 2014 (over de aanslagjaren 2005 t.e.m. 2010) en 19 mei 2016 (over de aanslagjaren 2011 en 2012) op de laatste woonplaats van de heer M. geen stuitende werking kunnen hebben.

De rechtbank verwijst naar artikel 56 Ger.W.:

“Het overlijden van de partij schorst het verloop van de termijn die haar was verleend om in verzet, hoger beroep of cassatie te komen.

Deze termijn begint eerst opnieuw te lopen na een nieuwe betekening van de beslissing aan de woonplaats van de overledene, en te rekenen van het verstrijken van de termijnen om een boedelbeschrijving op te maken en zich te beraden, indien de beslissing betekend is vóór het verstrijken van die termijnen.

Deze betekening kan aan de erfgenamen gezamenlijk worden gedaan, zonder opgave van hun naam en hoedanigheid. Iedere betrokkene kan nochtans van het verval wegens verstrijken van de voorzieningstermijn worden vrijgesteld, indien blijkt dat hij van de betekening geen kennis heeft gekregen.”

De stelling van eiseres dat op grond van de erfrechtverklaring van 2006 duidelijk was wie de erfgenamen waren en waar zij woonplaats hadden, is niet correct. Eiseres gaf in haar conclusies te kennen dat ze de nalatenschap van de heer M. heeft aanvaard op 3 mei 2018. Op het ogenblik van de betekening van de dwangbevelen van 20 oktober 2010, 25 juni 2014 en 19 mei 2016, was het niet duidelijk wie de erfgenamen waren, waardoor het logisch is om de dwangbevelen op de laatst gekende woonplaats van de overledene te betekenen om de verjaring tegen alle erfgenamen te stuiten. Artikel 56, derde lid, Ger.W. regelt expliciet dat de betekening zonder opgave van naam kan geschieden.

Eiseres is de erfgenaam/eigenaar van het betreffende onroerend goed, waardoor de verjaring steeds rechtsgeldig werd gestuit naar haar toe.

Het derde middel van eiseres in ondergeschikte orde dat “de aanslagen voor de aanslagjaren 2010 tot en met 2017 nietig zijn, omdat de aanslagen gevestigd zijn op naam van de verkeerde belastingplichtige” is ongegrond

Eiseres stelt dat de aanslagen met betrekking tot de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2010 tot en met 2017 nietig zijn en de verjaringstermijn niet kon beginnen lopen en dit om de volgende redenen: de aanslagen met betrekking tot de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2010 tot en met 2017 werden niet op naam van eiseres gevestigd en de aanslagbiljetten voor de aanslagjaren 2010, 2011, 2012 en 2014 werden niet naar het adres van eiseres verzonden.

De rechtbank herhaalt dat de aanslagen met betrekking tot de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2012 nooit het voorwerp van een bezwaarschrift hebben uitgemaakt, dat deze aanslagen bijgevolg definitief zijn en niet meer kunnen worden betwist. Dezelfde beoordeling kan worden doorgetrokken voor de aanslagen met betrekking tot de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2013 tot en met 2017. Het debat over op welke belastingplichtige de aanslagen ingekohierd hadden moeten worden kan niet meer worden gehouden.

Dat de aanslagbiljetten met betrekking tot de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2010, 2011, 2012 en 2014 niet werden verzonden naar het adres van eiseres heeft geen rechtsgevolgen, omdat de aanslagbiljetten naar de laatst gekende woonplaats van de heer M. werden verzonden (cf. supra).